15 MEI 2007. - Wet tot instelling van de functie van gemeenschapswacht, tot instelling van de dienst <gemeenschapswachten> en tot wijziging van artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet (1)
ALBERT
II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De
Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : Artikel 1. Deze wet regelt een
aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied Art.
2. De gemeente die personen in dienst heeft of beoogt aan te werven voor het uitoefenen van één of meerdere
activiteiten, bedoeld in artikel 3, hierna de organiserende gemeente genoemd, stelt een « dienst gemeenschapswachten
» in, nadat hiertoe beslist is in de gemeenteraad. Art. 3. De dienst gemeenschapswachten is
belast met veiligheids- en preventieopdrachten, gericht op het verhogen van het veiligheidsgevoel van
de burgers en het voorkomen van openbare overlast en criminaliteit door middel van een of meerdere van
de volgende activiteiten : 1° het sensibiliseren van het publiek aangaande de veiligheid en
de criminaliteitspreventie; 2° het informeren van de burgers om het veiligheidsgevoel te verzekeren
en het informeren en signaleren aan de bevoegde diensten van problemen op het vlak van veiligheid, milieu
en het wegennet; 3° het informeren van automobilisten over het hinderlijk of gevaarlijk karakter
van verkeerd parkeren en hen sensibiliseren met betrekking tot het algemeen reglement op de politie van
het wegverkeer en het correct gebruik van de openbare weg, alsook het helpen van kinderen, scholieren,
gehandicapten en ouderen bij het veilig oversteken; 4° het vaststellen van inbreuken op de gemeentelijke
reglementen en verordeningen in het kader van artikel 119bis, § 6, van de nieuwe gemeentewet die
uitsluitend het voorwerp kunnen uitmaken van administratieve sancties of het vaststellen van inbreuken
op gemeentelijke retributiereglementen; 5° het uitoefenen van toezicht op personen met het oog
op het verzekeren van de veiligheid bij evenementen georganiseerd door de overheid. Art. 4.
De dienst gemeenschapswachten kan haar activiteiten uitsluitend organiseren : 1° voor de activiteiten
bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 4°, op de openbare weg en openbare plaatsen die deel uitmaken van
het grondgebied van de organiserende gemeente; 2° voor de activiteit bedoeld in artikel 3, 5°,
op alle plaatsen waar de overheid, op het grondgebied van de organiserende gemeente, deze evenementen
organiseert. Art. 5. In afwijking van wat bepaald is in artikel 4, 1°, kan de dienst gemeenschapswachten,
onder dezelfde voorwaarden als voor de organiserende gemeente, zijn activiteiten uitoefenen op volgende
plaatsen en ten behoeve van volgende rechtspersonen : 1° op de openbare weg en de openbare plaatsen
die deel uitmaken van het grondgebied van een gemeente behorend tot dezelfde politiezone waartoe de organiserende
gemeente behoort; deze gemeente wordt hierna de « begunstigde gemeente » genoemd; 2° in de provinciale
parken die gelegen zijn op het grondgebied van de organiserende of de begunstigde gemeente; de provincie
die deze parken beheert, wordt hierna de « begunstigde provincie » genoemd; 3° op de infrastructuur
van een openbare vervoersmaatschappij, gelegen op het grondgebied van de organiserende of begunstigde
gemeente; deze openbare vervoersmaatschappij wordt hierna de « begunstigde openbare vervoersmaatschappij
» genoemd. In afwijking van wat bepaald is in artikel 4, 2°, kan de dienst gemeenschapswachten,
onder dezelfde voorwaarden als voor de organiserende gemeente, zijn activiteiten uitoefenen op alle plaatsen
waar de overheid, op het grondgebied van de begunstigde gemeente, deze evenementen organiseert. Voorafgaandelijk
aan de uitoefening van de activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt door de organiserende
gemeente een schriftelijke overeenkomst gesloten met, naargelang van het geval, de begunstigde gemeente,
de begunstigde provincie of de begunstigde openbare vervoersmaatschappij. HOOFDSTUK II. - Oprichting
van een dienst gemeenschapswachten Art. 6. § 1. De organiserende gemeente maakt de oprichting
van de dienst gemeenschapswachten, de omschrijving van zijn opdrachten, de naam van de gemeenteambtenaar
belast met de leiding van deze dienst en de wijze waarop burgers bij de organiserende gemeente klacht
kunnen indienen aangaande de dienst gemeenschapswachten, bekend door een gemeenteraadsbesluit. Indien
de uitoefening van activiteiten beoogd wordt ten behoeve van de begunstigde gemeente, bekrachtigt de
gemeenteraad van de begunstigde gemeente de schriftelijke overeenkomst die is afgesloten met de organiserende
gemeente in een gemeenteraadsbesluit. De organiserende gemeente en, in voorkomend geval, de
begunstigde gemeente zendt het gemeenteraadsbesluit tot oprichting van de dienst gemeenschapswachten
en, in voorkomend geval, ter bekrach- tiging van de afgesloten overeenkomst tussen de organiserende en
begunstigde gemeente, over aan de minister van Binnenlandse Zaken, binnen een periode van drie maanden
nadat het besluit werd genomen. § 2. De opdrachten van de dienst gemeenschapswachten
ten behoeve van een organiserende of begunstigde gemeente, moeten in overeenstemming zijn met het veiligheids-
en preventiebeleid van, naargelang van het geval, de organiserende gemeente of de begunstigde gemeente. §
3. De organiserende gemeente sluit een overeenkomst met de lokale politie, waarin een contactpersoon
binnen de politiedienst aangewezen wordt, de aard van de wederzijdse informatie-uitwisseling aangehaald
wordt en de concrete afspraken dienaangaande bij het uitoefenen van activiteiten in de organiserende
of de begunstigde gemeente worden vermeld. HOOFDSTUK III. - Uitoefeningsvoorwaarden Art.
7. § 1. De personen die de activiteiten, als bedoeld in artikel 3, 1°, 2°, 3° en/of 5°, uitoefenen,
worden « gemeenschapswachten » genoemd. De personen die de activiteiten uitoefenen, zoals bedoeld
in artikel 3, 4°, worden gemeenschapswachten-vaststellers genoemd. § 2. De gemeenschapswachten
en de gemeenschapswachten-vaststellers kunnen door de organiserende gemeente slechts worden aangeworven
na advies van de korpschef van de lokale politie bevoegd voor de politiezone waartoe de organiserende
gemeente behoort. Voor het formuleren van zijn advies houdt de korpschef in het bijzonder rekening
met de elementen die betrekking hebben op de vereisten, bedoeld in artikel 8, 2°, 3°, 4° en 5°. Zonder
het uitvoeren van specifieke onderzoeken, steunt hij zijn bevindingen op inlichtingen van bestuurlijke
en gerechtelijke politie, waarvan hij kennis heeft. Art. 8. De gemeenschapswachten, de gemeenschapswachten-vaststellers
en de gemeenteambtenaar belast met de leiding van de dienst, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden
: 1° minstens 18 jaar oud zijn; 2° niet veroordeeld geweest zijn, zelfs niet met uitstel,
tot een correctionele of een criminele straf bestaande uit een boete, een werkstraf of gevangenisstraf,
behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer; 3°
geen feiten hebben gepleegd die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke
veroordeling, raken aan het vertrouwen in de betrokkene doordat ze in hoofde van de betrokkene een ernstige
maatschappelijke tekortkoming uitmaken of een tegenindicatie voor het gewenste profiel van de gemeenschapswacht,
zoals bedoeld in het § 2, uitmaken; 4° voor wat betreft de « gemeenschapswachtenvaststeller
» de Belgische nationaliteit hebben en voor wat betreft de « gemeenschapswacht », onderdaan zijn van
een lidstaat van de Europese Unie of van een andere staat en in dit laatste geval, sedert drie jaar zijn
wettige hoofdverblijfplaats hebben in België; 5° niet tegelijkertijd werkzaamheden uitoefenen
van privédetective, een functie uitoefenen in het kader van de wet van 10 april 1990 tot regeling van
de private en bijzondere veiligheid, lid zijn van een politiedienst of een door de Koning bepaalde activiteit
uitoefenen; 6° aangeworven zijn door de organiserende gemeente; 7° voldoen aan voorwaarden
inzake opleiding en vorming, zoals bedoeld in artikel 10; 8° voor wat betreft de « gemeenschapswacht-vaststeller
», voldoen aan de minimumvoorwaarden van artikel 119bis, § 6, van de nieuwe gemeentewet. Het
gewenste profiel van de gemeenschapswacht en de gemeenschapswacht-vaststeller is gekenmerkt door : 1°
respect voor medemensen; 2° burgerzin; 3° een incasseringsvermogen ten aanzien van
agressief gedrag van derden en het vermogen om zich daarbij te beheersen; 4° respect voor plichten
en procedures. Art. 9. De organiserende gemeente bepaalt een reglement van inwendige orde waarin
zij de deontologische regels vastlegt waaraan de gemeenschapswachten en de gemeenschapswachten-vaststellers
moeten voldoen en waarin de uitoefeningregels van hun activiteiten nader worden bepaald. Dit
reglement van inwendige orde wordt, voorafgaand aan zijn indiensttreding, overhandigd aan de gemeenschapswacht
en aan de gemeenschapswacht-vaststeller. Art. 10. De opleiding, bedoeld in artikel 8, eerste
lid, 7°, kan worden verstrekt door erkende opleidingsinstellingen voor de vorming van politieagenten
of de krachtens artikel 4, § 3, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere
veiligheid erkende opleidingsinstellingen die nadat ze aangetoond hebben de opleiding bedoeld in het
tweede lid op een correcte wijze te kunnen verstrekken, hiertoe aangewezen zijn door de minister van
Binnenlandse Zaken. De betrokkene moet geslaagd zijn voor de examens van de basisopleiding,
die minimaal volgende vakken omvat : 1° de studie van de rechten en de verplichtingen van de
gemeenschapswachten en de gemeenschapswachten-vaststellers; 2° technieken van verbale en non-verbale
communicatie; 3° cultuurinzicht en omgaan met diversiteit; 4° observatie en rapportering; 5°
psychologische conflicthantering; 6° fysieke ontwijkingstechnieken; 7° eerste hulp
bij ongevallen. De Koning bepaalt de nadere regels die betrekking hebben op de aanwijzing van
de opleidingsinstellingen en de voorwaarden en nadere regels van de opleiding. Art. 11. De
gemeenschapswachten en de gemeenschapswachten-vaststellers dragen een uniforme werkkleding. De werkkleding
is voorzien van een eenvormig en herkenbaar embleem. De minister van Binnenlandse Zaken bepaalt
het model van de werkkleding en het embleem van de gemeenschapswachten en de gemeenschapswachten-vaststellers. Art.
12. § 1. Elke gemeenschapswacht en gemeenschapswacht-vaststeller is houder van een identificatiekaart. De
identificatiekaart is geldig voor een periode van vijf jaar vanaf haar uitreikingsdatum. Ze is voor gelijke
periodes vernieuwbaar. De identificatiekaart bevat volgende vermeldingen : 1° de naam,
voornaam en foto van de houder; 2° de naam van de organiserende gemeente; 3° al naargelang
van het geval, de functie van gemeenschapswacht of gemeenschapswacht-vaststeller; 4° de vervaldatum
van de identificatiekaart. De gemeenschapswachten en de gemeenschapswachten-vaststellers kunnen
de activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3, slechts uitoefenen indien zij de identificatiekaart op een
duidelijk leesbare wijze dragen. § 2. De identificatiekaart wordt uitgereikt door de
burgemeester van de organiserende gemeente nadat hij heeft vastgesteld dat de betrokkene voldoet aan
de voorwaarden gesteld in artikel 8. HOOFDSTUK IV. - Bevoegdheden Art. 13. De « gemeenschapswachten
» en de « gemeenschapswachten-vaststellers » kunnen met geen andere opdrachten worden belast dan deze
bedoeld in artikel 3. Ze oefenen hun taken uit op een ongewapende wijze. Ze zijn niet
uitgerust met handboeien. Art. 14. De gemeenschapswachten en de gemeenschapswachten-vaststellers
kunnen geen andere handelingen stellen dan deze die voortvloeien uit de uitoefening van de rechten waarover
elke burger beschikt, alsmede de bevoegdheden uitdrukkelijk voorzien in deze wet. Ze kunnen
geen dwang of geweld gebruiken, behoudens de dwang die bij de uitoefening van het recht, bedoeld in artikel
1, 3°, van de wet van 20 juli 1990 op de voorlopige hechtenis noodzakelijk is. De gemeenschapswachten
en de gemeenschapswachten-vaststellers kunnen bij de uitoefening van de activiteit bedoeld in artikel
3, 3° de taken uitoefenen zoals bedoeld in artikel 40bis, 2 en 3, van het algemeen reglement op de politie
van het wegverkeer. Art. 15. De gemeenschapswachten en de gemeenschapswachten-vaststellers
brengen aan de lokale politie van het grondgebied waar ze hun taken uitoefenen, onverwijld alle feiten
ter kennis die een wanbedrijf of een misdaad uitmaken. De gemeenschapswachten verstrekken, telkens
een ambtenaar van een bevoegde dienst erom verzoekt, de inlichtingen waarover zij in het kader van hun
werkzaamheden kennis hebben. De verplichtingen, bedoeld in dit artikel, worden uitgeoefend conform
het reglement van inwendige orde. Art. 16. De Koning kan de uitrusting, methodes en procedures
waarin deze wet niet voorziet en die de gemeenschapswachten en de gemeenschapswachten-vaststellers kunnen
of moeten aanwenden bij het uitoefenen van hun opdrachten, bepalen. HOOFDSTUK V. - Controle Art.
17. § 1. De burgemeester van de organiserende gemeente kan, overeenkomstig de door de Koning
te bepalen procedure de identificatiekaart tijdelijk of definitief intrekken wanneer de gemeenschapswachten
of de gemeenschapswachten-vaststellers de wet, haar uitvoeringsbesluiten of het reglement van inwendige
orde niet in acht nemen. De burgemeester trekt, overeenkomstig de door de Koning te bepalen
procedure, de identificatiekaart van de gemeenschapswacht of de gemeenschapswacht-vaststeller definitief
in, indien deze niet meer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 8. § 2. De leden
van de politiediensten en de door de Koning aangewezen ambtenaren en agenten houden toezicht op de toepassing
van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten. De leden van de politiediensten brengen over het
uitgevoerde toezicht verslag uit aan de burgemeester van de organiserende gemeente. De door de Koning
aangewezen ambtenaren en agenten brengen over het uitgevoerde toezicht verslag uit aan de Burgemeester
en aan de minister van Binnenlandse Zaken. De organiserende gemeente verleent aan de door de
Koning aangewezen ambtenaren en agenten de nodige medewerking voor het uitvoeren van hun opdracht; ze
kunnen inzage nemen van alle stukken die daarvoor noodzakelijk zijn. HOOFDSTUK VI. - Slot- en
Overgangsbepalingen Art. 18. De activiteiten, bedoeld in artikel 3, kunnen enkel en alleen
in het kader van deze wet worden georganiseerd, met uitzondering van : 1° de activiteiten georganiseerd
door de politiediensten; 2° de activiteiten, bedoeld in artikel 3, 3°, 4° en 5° en artikel 5,
eerste lid, 2°, indien deze activiteiten worden uitgeoefend in het kader van de wet van 10 april 1990
tot regeling van de private en bijzondere veiligheid; 3° de door openbare vervoersmaatschappijen
krachtens de wet uitgeoefende activiteiten. Art. 19. De organiserende gemeenten die bij de
inwerkingtreding van deze wet personen in dienst hebben voor activiteiten zoals bedoeld in artikel 3,
beschikken vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet over een termijn van zes maanden om een gemeenteraadsbesluit
tot instelling van een dienst gemeenschapswachten op te maken en dit gemeenteraadsbesluit over te maken
aan de minister van Binnenlandse Zaken. Art. 20. De personen die op datum van 1 januari 2007,
activiteiten uitoefenen, zoals bedoeld in artikel 3, 1°, 2°, 3° of 5°, kunnen worden aangeworven als
gemeenschapswachten, voor zover ze : 1 ° voldoen aan de voorwaarden van artikel 8, eerste lid,
6° en 7°; 2° na 1 januari 2007 geen veroordelingen hebben opgelopen, zoals bedoeld in artikel
8, eerste lid, 2° en na deze datum, geen feiten hebben gepleegd, bedoeld in artikel 8, eerste lid, 3°; 3°
geen werkzaamheden uitoefenen, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, 5°, op datum van de instelling
van de dienst gemeenschapswachten. De personen die op datum van 1 januari 2007, de activiteiten
uitoefenen zoals bedoeld in artikel 3, 4°, moeten voldoen aan de minimumvoorwaarden, bedoeld in het eerste
lid en aan deze bedoeld in artikel 8, eerste lid, 8°. In afwijking van het eerste lid, 1°, kunnen
de personen, bedoeld in dit artikel, voorlopig worden aangeworven zonder te voldoen aan de voorwaarde,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, 7°, indien op datum van aanwerving er nog geen opleidingsinstelling
is aangewezen, bedoeld in artikel 10, die de opleiding verstrekt in de taal van de betrokkene. Zij dienen
uiterlijk één jaar na de eerste aanwijzing van de opleiding, verstrekt in de taal van de betrokkene,
te voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 8, eerste lid, 7°. HOOFDSTUK VII. - Wijziging
van het artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet Art. 21. Het artikel 119bis, § 6, tweede
lid, 1°, van de nieuwe gemeentewet, ingevoegd bij de wet van 13 mei 1999 en gewijzigd bij de wetten van
26 juni 2000, 7 mei 2004, 17 juni 2004 en 20 juli 2005, wordt als volgt aangevuld : « de vaststellende
gemeenteambtenaar kan het identiteitsbewijs of een ander identificatiedocument van de overtreder opvragen,
zodat hij zich kan vergewissen van de juiste identiteit van deze persoon. De identiteitscontrole
is alleen maar toegelaten ten opzichte van personen waarvan de ambtenaar heeft vastgesteld dat zij feiten
hebben gepleegd die aanleiding kunnen geven tot een gemeentelijke administratieve sanctie ». Kondigen
deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal
worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 15 mei 2007. ALBERT Van Koningswege
: De Minister van Binnenlandse Zaken, P. DEWAEL Met 's Lands zegel gezegeld
: De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota Gewone
zitting 2006-2007. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire stukken. - Wetsontwerp,
nr. 51-3009/1. - Verslag van de Commissie, nr 51-3009/2. - Tekst verbeterd door de Commissie, nr. 51-3009/3.
- Tekst aangenomen in de plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat, nr. 51-3009/4. Parlementaire
Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 19 april 2007. Senaat. Parlementaire
stukken. - Ontwerp geëvoceerd door de Senaat, nr. 3-2423/1. - Amendementen, nr. 3-2423/2. - Verslag
namens de Commissie, nr. 3-2423/3. - Beslissing om niet te amenderen, nr. 3-2423/4.