28 NOVEMBER 2000. - Wet van 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit (1)
ALBERT
II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De
Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling Artikel
1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. HOOFDSTUK
II. - Bepalingen tot aanvulling van het Strafwetboek Art. 2. Het opschrift van hoofdstuk IV,
titel III, boek II van het Strafwetboek wordt vervangen als volgt : « Valsheid in geschriften,
in informatica en in telegrammen. » Art. 3. In artikel 193 van hetzelfde Wetboek worden de
woorden « geschriften of in telegrammen » vervangen door de woorden « geschriften, in informatica of
in telegrammen ». Art. 4. In boek II, titel III, hoofdstuk IV van hetzelfde Wetboek wordt een
afdeling llbis ingevoegd, luidende : « Afdeling IIbis. - Valsheid in informatica Art.
210bis. § 1. Hij die valsheid pleegt, door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen
door middel van een informaticasysteem, in te voeren in een informaticasysteem, te wijzigen, te wissen
of met enig ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem
te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van dergelijke gegevens verandert, wordt gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot honderdduizend
frank of met een van die straffen alleen. § 2. Hij die, terwijl hij weet dat aldus verkregen
gegevens vals zijn, hiervan gebruik maakt, wordt gestraft alsof hij de dader van de valsheid was. §
3. Poging tot het plegen van het misdrijf, bedoeld in § 1, wordt gestraft met gevangenisstraf
van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijftigduizend frank of met
een van die straffen alleen. § 4. De straffen bepaald in de §§ 1 tot 3
worden verdubbeld indien een overtreding van een van die bepalingen wordt begaan binnen vijf jaar na
de uitspraak houdende veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een van de strafbare
feiten bedoeld in de artikelen 259bis, 314bis, 504quater of in titel IXbis. » Art. 5. In
boek II, titel IX, hoofdstuk II van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling IIIbis ingevoegd, luidende
: « Afdeling IIIbis. - Informaticabedrog Art. 504quater. § 1. Hij die, voor
zichzelf of voor een ander, een bedrieglijk vermogensvoordeel verwerft, door gegevens die worden opgeslagen,
verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, in een informaticasysteem in te voeren,
te wijzigen, te wissen of met enig ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in
een informaticasysteem te veranderen, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar
en met geldboete van zesentwintig frank tot honderdduizend frank of met een van die straffen alleen. §
2. Poging tot het plegen van het misdrijf bedoeld in § 1 wordt gestraft met gevangenisstraf van
zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijftigduizend frank, of met een
van die straffen alleen. § 3. De straffen bepaald in de §§ 1 en 2 worden
verdubbeld indien een overtreding van een van die bepalingen wordt begaan binnen vijf jaar na de uitspraak
houdende veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een van de strafbare feiten bedoeld
in de artikelen 210bis, 259bis, 314bis of in titel IXbis. » Art. 6. In boek II van hetzelfde
Wetboek wordt een titel IXbis ingevoegd, luidende : « Titel IXbis. - Misdrijven tegen de vertrouwelijkheid,
integriteit en beschikbaarheid van informaticasystemen en van de gegevens die door middel daarvan worden
opgeslagen, verwerkt of overgedragen. Art. 550bis. § 1. Hij die, terwijl hij weet dat
hij daar toe niet gerechtigd is, zich toegang verschaft tot een informaticasysteem of zich daarin handhaaft,
wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot een jaar en met geldboete van zesentwintig frank
tot vijfentwintig duizend frank of met een van die straffen alleen. Wanneer het misdrijf, bedoeld
in het eerste lid, gepleegd wordt met bedrieglijk opzet, bedraagt de gevangenisstraf zes maanden tot
twee jaar. § 2. Hij die, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, zijn
toegangsbevoegdheid tot een informaticasysteem overschrijdt, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes
maanden tot twee jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfentwintigduizend frank of met een
van die straffen alleen. § 3. Hij die zich in een van de gevallen bedoeld in de §§
1 en 2 bevindt en : 1° hetzij de gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door
middel van het informaticasysteem op enige manier overneemt; 2° hetzij enig gebruik maakt van
een informaticasysteem van een derde of zich bedient van het informaticasysteem om toegang te verkrijgen
tot een informaticasysteem van een derde; 3° hetzij enige schade, zelfs onopzettelijk, veroorzaakt
aan het informaticasysteem of aan de gegevens die door middel van het informaticasysteem worden opgeslagen,
verwerkt of overgedragen of aan een informaticasysteem van een derde of aan de gegevens die door middel
van het laatstgenoemde informaticasysteem worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen; wordt
gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijftigduizend
frank of met een van die straffen alleen. § 4. Poging tot het plegen van een van de misdrijven,
bedoeld in §§ 1 en 2, wordt gestraft met dezelfde straffen. § 5. Hij die,
met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen
door middel van een informaticasysteem en waarmee de misdrijven, bedoeld in §§ 1 tot 4,
gepleegd kunnen worden, opspoort, verzamelt, ter beschikking stelt, verspreidt of verhandelt, wordt gestraft
met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot honderdduizend
frank of met een van die straffen alleen. § 6. Hij die opdracht geeft of aanzet tot het
plegen van een van de misdrijven, bedoeld in §§ 1 tot 5, wordt gestraft met gevangenisstraf
van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van honderd frank tot tweehonderdduizend frank of met
een van die straffen alleen. § 7 Hij die, terwijl hij weet dat gegevens bekomen zijn
door het plegen van een van de misdrijven bedoeld in §§ 1 tot 3, deze gegevens onder zich
houdt, aan een andere persoon onthult of verspreidt, of er enig gebruik van maakt, wordt gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot honderdduizend
frank of met een van die straffen alleen. § 8. De straffen bepaald in de §§
1 tot 7 worden verdubbeld indien een overtreding van een van die bepalingen wordt begaan binnen vijf
jaar na de uitspraak houdende veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een van de strafbare
feiten bedoeld in de artikelen 210bis, 259bis, 314bis, 504quater of 550ter. Art. 550ter.
§ 1. Hij die, met het oogmerk om te schaden, rechtstreeks of onrechtstreeks, gegevens in een informaticasysteem
invoert, wijzigt, wist, of met enig ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in
een informaticasysteem verandert, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en
met geldboete van zesentwintig frank tot vijfentwintigduizend frank of met een van die straffen alleen. §
2. Hij die, ten gevolge van het plegen van een misdrijf bedoeld in § 1, schade berokkent aan gegevens
in dit of enig ander informaticasysteem, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf
jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfenzeventigduizend frank of met een van die straffen
alleen. § 3. Hij die, ten gevolge van het plegen van een van de misdrijven bedoeld in
§ 1, de correcte werking van dit of enig ander informaticasysteem geheel of gedeeltelijk belemmert,
wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig f rank
tot honderdduizend frank of met een van die straffen alleen. § 4. Hij die, met bedrieglijk
opzet of met het oogmerk om te schaden, gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door
middel van een informaticasysteem, ontwerpt, ter beschikking stelt, verspreidt of verhandelt, terwijl
hij weet dat deze gegevens aangewend kunnen worden om schade te berokkenen aan gegevens of, geheel of
gedeeltelijk, de correcte werking van een informaticasysteem te belemmeren, wordt gestraft met gevangenisstraf
van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot honderdduizend frank of met
een van die straffen alleen. § 5. De straffen bepaald in de §§ 1 tot 4
worden verdubbeld indien een overtreding van een van die bepalingen wordt begaan binnen vijf jaar na
de uitspraak houdende veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een van de strafbare
feiten bedoeld in de artikelen 210bis, 259bis, 314bis, 504quater of 550bis. » HOOFDSTUK
III. - Bepalingen tot wijziging van het Wetboek van strafvordering Art. 7. In het Wetboek van
strafvordering wordt een artikel 39bis ingevoegd, luidende : « Art. 39bis. § 1. Onverminderd
de specifieke bepalingen van dit artikel, zijn de regels van dit wetboek inzake inbeslagneming, met inbegrip
van artikel 28sexies, van toepassing op het kopiëren, ontoegankelijk maken en verwijderen van in een
informaticasysteem opgeslagen gegevens. § 2. Wanneer de procureur des Konings in een
informaticasysteem opgeslagen gegevens aantreft die nuttig zijn voor dezelfde doeleinden als de inbeslagneming,
maar de inbeslagneming van de drager daarvan evenwel niet wenselijk is, worden deze gegevens, evenals
de gegevens noodzakelijk om deze te kunnen verstaan, gekopieerd op dragers, die toebehoren aan de overheid.
In geval van dringendheid of om technische redenen, kan gebruik gemaakt worden van dragers, die ter beschikking
staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem te gebruiken. § 3. Hij
wendt bovendien de passende technische middelen aan om de toegang tot deze gegevens in het informaticasysteem,
evenals tot de kopieën daarvan die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn om het informaticasysteem
te gebruiken, te verhinderen en hun integriteit te waarborgen. Indien de gegevens het voorwerp
van het misdrijf vormen of voortgekomen zijn uit het misdrijf en indien de gegevens strijdig zijn met
de openbare orde of de goede zeden, of een gevaar opleveren voor de integriteit van informaticasystemen
of gegevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, wendt de procureur des
Konings alle passende technische middelen aan om deze gegevens ontoegankelijk te maken. Hij
kan evenwel, behoudens in het geval bedoeld in het vorige lid, het verdere gebruik van het geheel of
een deel van deze gegevens toestaan, wanneer dit geen gevaar voor de strafvordering oplevert. §
4. Wanneer de in § 2 vermelde maatregel niet mogelijk is om technische redenen of wegens de omvang
van de gegevens, wendt hij de passende technische middelen aan om de toegang tot deze gegevens in het
informaticasysteem, evenals tot de kopieën daarvan die ter beschikking staan van personen die gerechtigd
zijn om het informaticasysteem te gebruiken, te verhinderen en hun integriteit te waarborgen. §
5. De procureur des Konings brengt de verantwoordelijke van het informaticasysteem op de hoogte van de
zoeking in het informaticasysteem en deelt hem een samenvatting mee van de gegevens die zijn gekopieerd,
ontoegankelijk gemaakt of verwijderd. § 6. De procureur des Konings wendt de passende
technische middelen aan om de integriteit en de vertrouwelijkheid van deze gegevens te waarborgen. Gepaste
technische middelen worden aangewend voor de bewaring hiervan op de griffie. Hetzelfde geldt,
wanneer gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen in een informaticasysteem, samen met
hun drager in beslag worden genomen, overeenkomstig de vorige artikelen. » Art. 8. In hetzelfde
Wetboek wordt een artikel 88ter ingevoegd, luidende : « Art. 88ter. § 1. Wanneer de
onderzoeksrechter een zoeking beveelt in een informaticasysteem of een deel daarvan, kan deze zoeking
worden uitgebreid naar een informaticasysteem of een deel daarvan dat zich op een andere plaats bevindt
dan daar waar de zoeking plaatsvindt : - indien deze uitbreiding noodzakelijk is om de waarheid
aan het licht te brengen ten aanzien van het misdrijf dat het voorwerp uitmaakt van de zoeking; en -
indien andere maatregelen disproportioneel zouden zijn, of indien er een risico bestaat dat zonder deze
uitbreiding bewijselementen verloren gaan. § 2. De uitbreiding van de zoeking in een
informaticasysteem mag zich niet verder uitstrekken dan tot de informaticasystemen of de delen daarvan
waartoe de personen die gerechtigd zijn het onderzochte informaticasysteem te gebruiken, in het bijzonder
toegang hebben. § 3. Inzake de door uitbreiding van de zoeking in een informaticasysteem
aangetroffen gegevens, die nuttig zijn voor dezelfde doeleinden als de inbeslagneming, wordt gehandeld
zoals bepaald in artikel 39bis. De onderzoeksrechter brengt de verantwoordelijke van dit informaticasysteem
op de hoogte, tenzij diens identiteit of woonplaats redelijkerwijze niet achterhaald kan worden. Wanneer
blijkt dat deze gegevens zich niet op het grondgebied van het Rijk bevinden, worden ze enkel gekopieerd.
In dat geval deelt de onderzoeksrechter dit, via het openbaar ministerie, onverwijld mee aan het ministerie
van Justitie, dat de bevoegde overheid van de betrokken Staat hiervan op de hoogte brengt, indien deze
redelijkerwijze kan worden bepaald. § 4. Artikel 89bis is van toepassing op de uitbreiding
van de zoeking in een informaticasysteem. » Art. 9. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel
88quater ingevoegd, luidende : « Art. 88quater. § 1. De onderzoeksrechter, of in zijn
opdracht een officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, kan personen
van wie hij vermoedt dat ze een bijzondere kennis hebben van het informaticasysteem dat het voorwerp
uitmaakt van de zoeking of van diensten om gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door
middel van een informaticasysteem, te beveiligen of te versleutelen, bevelen inlichtingen te verstrekken
over de werking ervan en over de wijze om er toegang toe te verkrijgen, of in een verstaanbare vorm toegang
te verkrijgen tot de gegevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen. De
onderzoeksrechter vermeldt de omstandigheden eigen aan de zaak die de maatregel wettigen in een met redenen
omkleed bevelschrift dat hij meedeelt aan de procureur des Konings. § 2. De onderzoeksrechter
kan iedere geschikte persoon bevelen om zelf het informaticasysteem te bedienen of de ter zake dienende
gegevens, die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, naargelang het geval,
te zoeken, toegankelijk te maken, te kopiëren, ontoegankelijk te maken of te verwijderen, in de door
hem gevorderde vorm. Deze personen zijn verplicht hieraan gevolg te geven, voorzover dit in hun mogelijkheden
ligt. Het bevel bedoeld in het eerste lid kan niet worden gegeven aan de verdachte en aan de
personen bedoeld in artikel 156. § 3. Hij die weigert de in §§1 en 2 gevorderde
medewerking te verlenen of de zoeking in het informaticasysteem hindert, wordt gestraft met gevangenisstraf
van zes maanden tot één jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot twintigduizend frank of met
een van die straffen alleen. § 4. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis
krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere
schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. §
5. De Staat is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de schade die onopzettelijk door de gevorderde personen
aan een informaticasysteem of de gegevens. die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen,
wordt veroorzaakt. » Art. 10. In artikel 89 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten
van 10 juli 1967 en 20 mei 1997, worden de woorden « en 39, » vervangen door de woorden « , 39 en 39bis,
». Art. 11. In artikel 90ter, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van
30 juni 1994 en gewijzigd bij de wetten van 7 april 1995, 13 april 1995,10 juni 1998 en 10 januari 1999,
worden de volgende wijzigingen aangebracht : A) het 1°bis wordt vervangen door de volgende
bepalingen : « 1 °bis. Artikel 210bis van hetzelfde Wetboek; 1°ter. Artikel 259bis
van hetzelfde Wetboek; 1°quater. Artikel 314bis van hetzelfde Wetboek; 1°quinquies.
Artikelen 324bis en 324ter van hetzelfde Wetboek »; B) er wordt een 10°bis ingevoegd, luidende
: « 10°bis. Artikel 504quater van hetzelfde Wetboek »; C) er wordt een 13°bis ingevoegd,
luidende : « 13°bis. Artikelen 550bis en 550ter van hetzelfde Wetboek. » Art. 12.
In artikel 90quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de
wet van 10 juni 1998, wordt een § 4 toegevoegd, luidende : « § 4. De onderzoeksrechter
kan personen waarvan hij vermoedt dat ze een bijzondere kennis hebben van de telecommunicatiedienst waarop
de bewakingsmaatregel betrekking heeft of van diensten om gegevens, die worden opgeslagen, verwerkt of
overgedragen via een informaticasysteem, te beveiligen of te versleutelen, bevelen inlichtingen te verlenen
over de werking ervan en over de wijze om in een verstaanbare vorm toegang te verkrijgen tot de inhoud
van telecommunicatie die wordt of is overgebracht. Hij kan personen bevelen om de inhoud van
de telecommunicatie toegankelijk te maken in de door hem gevorderde vorm. Deze personen zijn verplicht
hieraan gevolg te geven, voorzover dit in hun mogelijkheden ligt. Hij die weigert de overeenkomstig
de vorige leden bevolen medewerking te verlenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot
een jaar en met geldboete van zesentwintig frank tot twintigduizend frank of met een van die straffen
alleen. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of die
ertoe wordt geroepen zijn technische medewerking te verlenen, is gebonden door het geheim van het gerechtelijk
onderzoek. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
» Art. 13. In artikel 90septies van hetzelfde Wetboek ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994
en vervangen bij de wet van 10 juni 1998, wordt tussen het vierde en het vijfde lid een nieuw lid ingevoegd,
luidende : « De passende middelen worden aangewend om de integriteit en de vertrouwelijkheid
van de opgenomen communicatie of telecommunicatie te waarborgen, en voor zover mogelijk, de overschrijving
of vertaling hiervan tot stand te brengen. Hetzelfde geldt voor de bewaring op de griffie van de opnamen
en de overschrijving of vertaling hiervan en voor de vermeldingen in het bijzonder register. De Koning
bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, deze middelen
en het ogenblik waarop ze de bewaring onder verzegelde omslag of het bijzonder register, bedoeld in het
derde en het vierde lid, vervangen. » HOOFDSTUK IV. - Bepaling tot wijziging van de wet van
21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven Art. 14.
In artikel 109ter, E, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische
overheidsbedrijven, ingevoegd bij de wet van 21 december 1994, hernummerd bij de wet van 19 december
1997 en vervangen bij de wet van 10 juni 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht : -
1° het eerste lid van § 2 wordt aangevuld als volgt : « , evenals de verplichtingen voor
de operatoren van telecommunicatienetwerken en de verstrekkers van telecommunicatiediensten om de oproepgegevens
van telecommunicatiemiddelen en de identificatiegegevens van gebruikers van telecommunicatiediensten
te registreren en gedurende een bepaalde termijn te bewaren met het oog op de opsporing en vervolging
van strafbare feiten, in de gevallen, te bepalen bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in
de Ministerraad en op voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie,
Overheidsbedrijven en Participaties. Deze termijn, die nooit minder mag zijn dan 12 maanden, alsook de
oproepgegevens en de identificatiegegevens worden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Deze
bewaringsplicht voor de operatoren van de telecommunicatienetwerken en de verstrekkers van de telecommunicatiediensten
moet worden uitgevoerd binnen de grenzen van de Europese Unie. »; - 2° artikel 109ter, E, wordt
als volgt aangevuld : « § 3. Hij die de verplichtingen door de Koning krachtens de vorige
paragrafen bepaald, niet nakomt, wordt gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot zes maanden
en met geldboete van zesentwintig frank tot twintigduizend frank of met een van die straffen alleen. §
4. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Commissie
voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer de modaliteiten en de middelen om de vertrouwelijkheid
en de integriteit van de oproep- en identificatiegegevens bedoeld in § 2 te waarborgen. » Kondigen
deze wet af, bevelen dat zo met `s Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal
worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 28 november 2000. ALBERT Van Koningswege
: De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN Met `s Lands zegel gezegeld : De
Minister van Justitie, M. VERWILGHEN _______ Nota (1) Zitting 1999-2000. Kamer
van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Wetsontwerp, nr. 50-213/1. - Amendementen
nrs. 50-213/2 en 50-213/3. -Verslag van de commissie, nr. 50-213/4. -Tekst aangenomen door de commissie,
nr. 50-213/5. - Amendementen, nr. 50-213/6. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden
aan de Senaat, nr. 50-213/7. Parlementaire handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering
van 30 maart 2000. Senaat. Parlementaire bescheiden. - Ontwerp overgezonden door de
Kamer van volksvertegenwoordigers, nr. 2-392/1. - Amendementen, nr. 2-392/2. - Verslag van de commissie,
nr. 2-392/3. - Tekst aangenomen door de commissie, nr. 2-392/4. - Amendementen, nrs. 2-392/5 en 2-392/6.
- Tekst geamendeerd in plenaire vergadering en teruggezonden naar de Kamer van volksvertegenwoordigers,
nr. 2-392/7. Parlementaire handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 12 en 13
juli 2000. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Ontwerp geamendeerd
door de Senaat, nr. 50-213/8. - Amendementen, nrs. 50-213/9 en 50-213/10. - Verslag van de commissie,
nr. 50-213/11. - Tekst aangenomen door de commissie, nr. 50-213/12. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering
en teruggezonden aan de Senaat, nr. 50-213/13. Parlementaire handelingen. - Bespreking en aanneming.
Vergadering van 26 oktober 2000. Senaat. Parlementaire bescheiden. - Ontwerp geamendeerd
door de Kamer van volksvertegenwoordigers, nr. 2-392/8. - Verslag van de commissie, nr. 2-392/9. - Tekst
aangenomen door de commissie, nr. 2-392/10. - Beslissing om in te stemmen met het door de Kamer opnieuw
geamendeerd ontwerp, nr. 2-392/11. Parlementaire handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering
van 16 november 2000.