| einde |
|
Publicatie : 2009-08-28 |
8 MEI 2009. - Decreet betreffende het onderwijs XIX (1)
Het Vlaams Parlement heeft aangenomen
en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : decreet betreffende het onderwijs XIX.
HOOFDSTUK
I. - Inleidende bepalingen
Artikel I.1
Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
HOOFDSTUK
II. - Basisonderwijs
Afdeling I. - Decreet Basisonderwijs
Artikel II.1
In
artikel 3, 38°, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs wordt het woord «
leerplichtigen » telkens vervangen door het woord « leerlingen ».
Artikel II.2
In
hetzelfde decreet wordt in hoofdstuk III, een afdeling 3, Overleg fundamentele onderwijshervormingen,
ingevoegd, bestaande uit een artikel 11bis, dat luidt als volgt :
« Afdeling 3. - Overleg fundamentele
onderwijshervormingen
Artikel 11bis
De regering informeert de afgevaardigden van de
inrichtende machten en de representatieve vakorganisaties over elke geplande fundamentele onderwijshervorming.
Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van
ten minste één van de afgevaardigden van de inrichtende machten een apart overleg georganiseerd over
die fundamentele onderwijshervorming tussen de minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde
en de afgevaardigden van de inrichtende machten.
Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële
beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de representatieve vakorganisaties een
apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de minister, bevoegd voor
het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de representatieve vakorganisaties. ».
Artikel II.3
In
artikel 23, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de woorden « artikel 20, 2° » vervangen door de
woorden « artikel 20, § 1, 2° » en worden de woorden « artikel 20, 1° en 3° » vervangen door
de woorden « artikel 20, § 1, 1°, en § 2 ».
Artikel II.4
In artikel
24 van hetzelfde decreet worden de woorden « artikel 20, 2° » vervangen door de woorden « artikel 20,
§ 1, 2° ».
Artikel II.5
In artikel 26ter, § 3, tweede lid, van hetzelfde
decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 februari 2003, worden de woorden « erkend, gefinancierd of
gesubsidieerd is door de Vlaamse Gemeenschap » vervangen door de woorden « hetzij erkend, gefinancierd
of gesubsidieerd is door de Vlaamse Gemeenschap, hetzij erkend door een andere overheid van het land
waarin de school gelegen is, hetzij onderwijs organiseert dat door de Vlaamse Gemeenschap als gelijkgesteld
met of gelijkwaardig aan door haar erkend onderwijs wordt beschouwd ».
Artikel II.6
In
artikel 34 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 14 februari 2003, worden de volgende
wijzigingen aangebracht :
1°in § 1 worden de woorden « leerplichtige leerlingen » vervangen
door de woorden « leerlingen die vijf jaar of ouder geworden zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar
»;
2° in § 1 wordt het woord « lager » geschrapt;
3° in § 2 wordt het
woord « leerplichtige » vervangen door « leerling die vijf jaar of ouder geworden is vóór 1 januari van
het lopende schooljaar ».
Artikel II.7
In artikel 35, § 1, van hetzelfde decreet
worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden « leerplichtige leerlingen » worden
vervangen door de woorden « leerlingen die vijf jaar of ouder geworden zijn vóór 1 januari van het lopende
schooljaar »;
2° het woord « lager » wordt geschrapt.
Artikel II.8
In artikel
37 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 13 juli 2001, 28 juni 2002 en 2 april 2004, worden
de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2 en § 3 worden de woorden « artikel
27, § 3 » telkens vervangen door de woorden « artikel 27ter, § 2 »;
2° aan §
2 wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 4° de afspraken inzake het rookverbod,
bedoeld in het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen
en centra voor leerlingenbegeleiding, de controle op de naleving ervan en de sancties die kunnen opgelegd
worden bij overtreding van het rookverbod; »;
3° aan § 2 wordt een punt 5° toegevoegd,
dat luidt als volgt :
« 5° de afspraken in verband met onderwijs aan huis. »;
4°
aan § 3 wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 10° de afspraken inzake
het rookverbod, bedoeld in het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen
en centra voor leerlingenbegeleiding, de controle op de naleving ervan en de sancties die kunnen opgelegd
worden bij overtreding van het rookverbod. »
Artikel II.9
In artikel 40 van hetzelfde
decreet, gewijzigd bij het decreet van 22 juni 2007, wordt tussen de woorden « - wereldoriëntatie » en
de woorden « en de volgende leergebiedoverschrijdende thema's » het volgende gedachtestreepje ingevoegd
: « - Frans ».
Artikel II.10
In artikel 43, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd
bij het decreet van 7 mei 2004, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Het
onderricht van het leergebied Frans is verplicht in de lagere scholen in het Brusselse Hoofdstedelijke
Gewest en van de gemeenten vermeld in artikel 3 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in
het onderwijs. ».
Artikel II.11
In artikel 44bis, § 2, 2°, b), van hetzelfde
decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 februari 2003 en gewijzigd bij het decreet van 22 juni 2007,
worden de woorden « indien dit in toepassing van artikel 10 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling
in het onderwijs en artikel 7 van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik in talen in bestuurszaken
verplicht is gesteld » geschrapt.
Artikel II.12
In artikel 62, § 1, van hetzelfde
decreet wordt punt 6° vervangen door hetgeen volgt :
« 6° de bepalingen naleeft over de taalregeling
in het onderwijs en de taalkennis van het personeel; ».
Artikel II.13
In artikelen
72 en 100, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 10 juli 2003, worden de woorden
« de DIGO » telkens vervangen door het woord « Agion ».
Artikel II.14
In hetzelfde
decreet wordt een artikel 112bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 112bis
In
afwijking van de artikelen 101, 103, 111 en 112 kan er in het schooljaar 2009-2010 geen nieuw aanbod
voor type 7 ontstaan. ».
Artikel II.15
In artikel 125decies, § 1, van hetzelfde
decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003 en gewijzigd bij het decreet van 4 juli 2008, worden
de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 2° opgeheven door het decreet van 4 juli 2008,
wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
« 2° de overdracht naar een andere scholengemeenschap
van punten voor het voeren van een zorgbeleid verkregen op basis van artikel 125duode cies 1, §
1, op voorwaarde dat een school op basis van artikel 125quinquies § 4ter, 1° en 2°, de scholengemeenschap
verlaat en toetreedt tot de scholengemeenschap naar waar de punten voor het voeren van een zorgbeleid
worden overgedragen; »;
2° punt 4° wordt vervangen door wat volgt :
« 4° de interne
afstemming van het personeelsbeleid binnen de scholengemeenschap; ».
Artikel II.16
In
artikel 125duodecies, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2003 en
gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2005, wordt voor 1°, dat 1°bis wordt, een nieuw 1° ingevoegd dat
luidt als volgt :
« 1° scholen die op basis van artikel 125quinquies een nieuwe scholengemeenschap
vormen, worden geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari
van het schooljaar voorafgaand aan de start van de scholengemeenschap, voor de berekening van de puntenenveloppe
ter ondersteuning van de werking van die scholengemeenschap op voorwaarde dat de school het schooljaar
voor de start van de scholengemeenschap geen deel uitmaakte van een andere scholengemeenschap; ».
Artikel
II.17
In artikel 125duode cies 1, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet
van 22 juni 2007 en vervangen bij het decreet van 4 juli 2008, wordt voor 1°, dat 1°bis wordt, een nieuw
1° ingevoegd dat luidt als volgt :
« 1° scholen die, op basis van artikel 125quinquies, §
4ter, tijdens het schooljaar 2009-2010 of 2010-2011, toetreden tot een al bestaande scholengemeenschap,
worden geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het
voorgaande schooljaar, voor de berekening van de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid van
de scholengemeenschap, op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de toetreding tot de scholengemeenschap
opgenomen was in de financierings- of subsidiëringsregeling en geen deel uitmaakte van een andere scholengemeenschap.
Scholen
die op basis van artikel 125quinquies, § 4ter, toetreden tot een al bestaande scholengemeenschap,
worden geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap op de eerste schooldag van februari van het
voorgaande schooljaar, voor de berekening van de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid van
die scholengemeenschap op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de toetreding tot de scholengemeenschap
deel uitmaakte van een scholengemeenschap die op 31 augustus van het schooljaar voor de toetreding van
de school tot haar nieuwe scholengemeenschap ophoudt te bestaan.
Scholen die op basis van artikel
125quinquies een nieuwe scholengemeenschap vormen, worden geacht deel uit te maken van de scholengemeenschap
op de eerste schooldag van februari van het schooljaar voorafgaand aan de start van de scholengemeenschap,
voor de berekening van de puntenenveloppe voor het voeren van een zorgbeleid van die scholengemeenschap
op voorwaarde dat de school het schooljaar voor de start van de scholengemeenschap geen deel uitmaakte
van een andere scholengemeenschap; ».
Artikel II.18
In artikel 138, § 1, 8°,
van hetzelfde decreet worden tussen het woord « kleuterparticipatie » en de woorden « , verder » de
woorden « in het gewoon kleuteronderwijs » ingevoegd.
Artikel II.19
In hetzelfde decreet
wordt het opschrift « Sectie 2. Lestijden voor het voeren van een gelijkekansenbeleid » van onderafdeling
B. Aanvullende lestijden van afdeling 2. Onderwijzend personeel van Hoofdstuk IX. Personeelsformatie
in het basisonderwijs aangevuld met « in het gewoon basisonderwijs ».
Artikel II.20
In
hetzelfde decreet wordt na artikel 139novies een sectie 3. Aanvullende lestijden voor het voeren van
een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs, bestaande uit de artikelen 139decies tot
en met 139sexies decies toegevoegd, die luidt als volgt :
« Sectie 3. - Aanvullende lestijden
voor het voeren van een gelijkekansenbeleid in het buitengewoon basisonderwijs
Artikel 139decies
De bepalingen van deze sectie zijn uitsluitend van toepassing op de scholen voor buitengewoon
basisonderwijs.
Subsectie 1. - Gelijkekansenindicatoren
Artikel 139undecies
§
1.Voor de toepassing van deze sectie gelden de volgende indicatoren, verder genoemd « gelijkekansenindicatoren
» :
1° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift
van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig
studiebewijs;
2° de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling
spreekt met moeder, vader, broers of zussen, is niet het Nederlands. Die taal is niet het Nederlands
indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend)
met maximaal één gezinslid het Nederlands spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.
§ 2. Het beantwoorden aan de in § 1 vermelde gelijkekansenindicatoren wordt bewezen
aan de hand van een verklaring op eer door de ouders. De regering legt de procedure vast waarmee de gegevens
worden gemeld aan het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming. Zij houdt daarbij rekening met de vigerende
regelgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
De documenten of verklaringen
die aantonen dat leerlingen aan één of meer van de gelijkekansindicatoren beantwoorden, worden ten minste
vijf jaar bewaard op school.
§ 3. De regering kent aan elke gelijkekansenindicator een
gewicht toe. Het hoogste gewicht wordt toegekend aan de in § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator.
De in § 1, 2°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt enkel gewogen in combinatie met de andere
gelijkekansenindicator.
Subsectie 2. - Toekenning van de middelen
Artikel 139duodecies
§ 1. Scholen kunnen voor een periode van drie schooljaren aanvullende lestijden krijgen,
voor zover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen :
1° op 1 februari van het voorafgaande
schooljaar ten minste 40 % externe en semi-interne regelmatige leerlingen type 1 en type 3 tellen, die
beantwoorden aan de in artikel 139undecies, § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator;
2°
overeenkomstig de bepalingen van artikel 139ter decies batig gerangschikt zijn onder de in 1° bedoelde
scholen en ten minste 6 aanvullende lestijden genereren.
§ 2. In afwijking van §
1 krijgen scholen gedurende de schooljaren 2009-2010 en 2010-2011 slechts voor een periode van twee schooljaren
aanvullende lestijden.
§ 3. De regering voorziet voor de schooljaren 2009-2010 en 2010-2011
in een sociale overgangsmaatregel voor de scholen die in het schooljaar 2008-2009 lestijden voor het
voeren van een onderwijsvoorrangsbeleid kregen.
Artikel 139ter decies
§ 1.
De toekenning van de middelen gebeurt driejaarlijks als volgt :
1° de in artikel 139duode cies
bedoelde scholen worden gerangschikt volgens het percentage leerlingen die beantwoorden aan de in artikel
139undecies, § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator. Binnen eenzelfde percentage worden de scholen
volgens het absolute aantal van deze leerlingen gerangschikt;
2° de leerlingen genereren een
aantal punten op basis van het gewicht van de gelijkekansenindicatoren die op hen van toepassing zijn.
§
2. De regering bepaalt binnen de beschikbare begrotingskredieten hoeveel aanvullende lestijden een punt
vertegenwoordigt.
De regering bepaalt de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van
de aanvullende lestijden betrekkingen kunnen worden ingericht en op welke wijze de lestijden, rekening
houdend met bekwaamheidsbewijzen en salarisschalen, naar de gefinancierde of gesubsidieerde betrekkingen
worden omgerekend.
De regering bepaalt tevens de regelen inzake de toekenning of herverdeling,
tijdens een lopende periode van drie schooljaren, van nieuwe of vrijkomende aanvullende lestijden.
§
3. In de lestijden bekomen op basis van artikel 139duo decies, § 3, kunnen geen personeelsleden
vastbenoemd worden.
Subsectie 3. - Aanwending van de middelen
Artikel 139 quater
decies
§ 1. Een school die aanvullende lestijden krijgt, werkt in het eerste trimester
van het eerste schooljaar een gelijkekansenbeleid uit. Vanuit een analyse van haar beginsituatie geeft
de school aan :
1° welke concrete doelstellingen zij op het vlak van de leerlingen, de personeelsleden
en de school wil bereiken. De regering bepaalt doelstellingen die kunnen worden gekozen binnen de volgende
thema's :
a) een gericht aanbod rond taalvaardigheid;
b) het aanbieden van onderwijsgerichte
opvoedingsondersteuning aan ouders;
c) het opnemen van de (laagdrempelige) sociale functie
in een netwerk met partners uit andere sectoren;
2° op welke manier zij die doelstellingen
wil bereiken;
3° op welke manier zij zichzelf in de loop van het tweede trimester van het tweede
schooljaar evalueert.
§ 2. De aanvullende lestijden kunnen enkel worden aangewend om
de in § 1 bedoelde doelstellingen te bereiken.
Artikel 139quinquies decies
De
scholen betrekken in het ontwikkelen en realiseren van de in artikel 139 quater decies, § 1,
bedoelde doelstellingen het centrum voor leerlingenbegeleiding waardoor ze worden begeleid.
Artikel
139sexies decies
§ 1. De onderwijsinspectie gaat telkens in de loop van het laatste
schooljaar na of, en in welke mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken van de doelstellingen
wordt afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.
Bij een positieve
evaluatie kan de school voor een nieuwe periode van drie schooljaren aanvullende lestijden krijgen indien
opnieuw aan alle voorwaarden van artikel 139duodecies voldaan is.
Bij een negatieve evaluatie
verliest de school elk recht op de in artikel 139duodecies bedoelde aanvullende lestijden voor de volgende
periode van drie schooljaren, tenzij de school een engagement tot remediëring aangaat. In dat geval krijgt
ze de helft van het aantal aanvullende lestijden waarop ze in geval van positieve evaluatie recht zou
hebben.
Een engagement tot remediëring moet aan de volgende voorwaarden voldoen :
1°
de scholen verbinden er zich toe een stappenplan op te stellen dat aan de volgende criteria voldoet :
a) het uitgangspunt van het stappenplan zijn de geformuleerde knelpunten in het evaluatieverslag van
de onderwijsinspectie van de betrokken school;
b) de geformuleerde doelstellingen tot remediëring
in het stappenplan passen binnen de doelstellingen van artikel 139 quater decies, § 1, 1°;
c) de doelstellingen zijn outputgericht, concreet en operationeel geformuleerd. Ze moeten voldoende
controleerbaar zijn;
d) het stappenplan wordt vóór 1 mei van het schooljaar dat op de negatieve
evaluatie volgt aan de onderwijsinspectie bezorgd;
e) de doelstellingen moeten gerealiseerd
zijn vóór 1 juni van het schooljaar volgend op de negatieve evaluatie;
2° de scholen verbinden
er zich toe om een beroep te doen op externe begeleiding en ondersteuning bij het opstellen en de uitvoering
van het stappenplan.
De onderwijsinspectie gaat in de maand juni van het schooljaar dat op de
negatieve evaluatie volgt opnieuw na of, en in welke mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken
van de doelstellingen wordt afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.
Bij
een positieve evaluatie kan de school vanaf het tweede schooljaar weer een beroep doen op het volledige
aantal van de in artikel 139duodecies bedoelde aanvullende lestijden. Bij een negatieve evaluatie verliest
de school het recht op de in artikel 139duodecies bedoelde aanvullende lestijden voor de volgende twee
schooljaren.
§ 2. De regering legt de nadere criteria en procedurele bepalingen, waarmee
de onderwijsinspectie de controle uitvoert, vast.
Ze voorziet voor de school in een beroepsmogelijkheid
tegen een negatieve evaluatie. Het beroep wordt ingesteld bij een college van inspecteurs. ».
Artikel
II.21
Aan artikel 153sexies, § 4, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het
decreet van 10 juli 2003, gewijzigd bij het decreet van 22 juni 2007 en 4 juli 2008, wordt de volgende
zin toegevoegd :
« Van dit percentage kan per puntenenveloppe na akkoord in het bevoegd lokaal
comité worden afgeweken. »
Artikel II.22
In hetzelfde decreet wordt in hoofdstuk IX.
Personeelsformatie in het basisonderwijs, een afdeling 3ter, bestaande uit de artikelen 153decies en
153undecies, ingevoegd, die luidt als volgt :
« Afdeling 3ter. - Vervangingseenheden voor korte
afwezigheden
Artikel 153decies
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan
onder :
1° samenwerkingsplatform : scholen die samenwerken binnen :
a) een scholengemeenschap;
b) een samenwerkingsverband tussen een of meer scholengemeenschappen en een of meer scholen die niet
behoren tot een scholengemeenschap;
c) een samenwerkingsverband tussen verschillende scholengemeenschappen;
2°
korte afwezigheden : de afwezigheden van de personeelsleden die aangesteld zijn in een wervingsambt van
het bestuurs- en onderwijzend personeel, voor wie op basis van andere regelgeving geen vervanger kan
worden gefinancierd of gesubsidieerd.
Artikel 153undecies
§ 1. Vanaf het schooljaar
2008-2009 kent de regering aan alle gefinancierde en gesubsidieerde scholen basisonderwijs, die deel
uitmaken van een samenwerkingsplatform, jaarlijks vervangingseenheden voor korte afwezigheden toe. De
regering bepaalt het aantal, de berekenings- en aanwendingswijze van de vervangingseenheden voor korte
afwezigheden. De regering bepaalt eveneens de ambten die in aanmerking komen voor deze vervangingen.
§
2. De vervangingseenheden voor korte afwezigheden worden samengelegd op het niveau van het samenwerkingsplatform.
§
3. Er wordt een convenant op het niveau van het samenwerkingsplatform afgesloten tussen de schoolbesturen
en een of meer representatieve vakorganisaties. Het convenant omvat minimaal :
1° de aanleiding
voor het sluiten van het convenant;
2° de doelstellingen;
3° de wijze waarop vervangingen
in korte afwezigheden zullen gebeuren;
4° afspraken over de opvolging van de aanwending van
de vervangingseenheden;
5° de gegevens van de participanten;
6° de duur van het convenant;
7°
de datum van inwerkingtreding.
De scholen wenden de vervangingseenheden aan conform de bepalingen
van het convenant. De scholen in een samenwerkingsplatform kunnen, binnen de bepalingen van het convenant,
een eigen beleid voeren betreffende vervangingen van korte afwezigheden van personeelsleden die aangesteld
zijn in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel, afhankelijk van eigen lokale behoeften
en prioriteiten. ».
Artikel II.23
In artikel 154, § 2, van hetzelfde decreet,
ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
«
Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel 76, personeel aanwerven voor
beleidsondersteuning, of om in dienst zijnde personeelsleden die met beleidsondersteuning belast worden
te vervangen. In het gewoon basisonderwijs kan dit in de ambten van het onderwijzend personeel, het paramedisch
personeel en de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel. In het buitengewoon onderwijs kan
dit in de ambten van het onderwijzend personeel, het paramedisch, medisch, psychologisch, sociaal en
orthopedagogisch personeel en de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel. »
Artikel
II.24
In artikel 155, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 7 juli 2006
en gewijzigd bij decreet van 4 juli 2008 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in
het eerste lid worden de woorden « autistische kinderen » vervangen door de woorden « leerlingen met
een autismespectrumstoornis »;
2° in het eerste lid worden de woorden « voor het schooljaar
2008-2009 » vervangen door de woorden « voor de schooljaren 2009-2010, 2010-2011 en 2011-2012 »;
3°
het tweede en het derde lid worden vervangen door wat volgt :
« Het aantal bijkomende lestijden
bedraagt 861 en het aantal bijkomende uren bedraagt 795. »
Afdeling II. - Wet houdende taalregeling
in het onderwijs
Artikel II.25
Artikel 9 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling
in het onderwijs wordt opgeheven.
Artikel II.26
In artikel 10 van dezelfde wet, gewijzigd
bij de wet van 27 juli 1971, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de zinsneden «
naar rata van drie uren per week in de tweede graad en van vijf uren per week in de derde en vierde graad
» en « naar rata van twee uur per week » worden geschrapt;
2° de zinnen « Dit onderricht behelst
uitsluitend de gesproken taal. Het is niet verplicht voor de leerlingen. » worden geschrapt;
3°
de zin « Dit onderricht mag herhalingsoefeningen over andere vakken van het leerplan omvatten. » wordt
geschrapt.
Afdeling III. - Wet op het gebruik van de talen in bestuurszaken
Artikel
II.27
In artikel 7, § 3, van de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in
bestuurszaken worden de punten A, tweede lid, en C opgeheven.
Afdeling IV. - Inwerkingtreding
Artikel
II.28
De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 september 2009, met uitzondering
van artikelen II.21 en II.22 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2008.
HOOFDSTUK
III. - Secundair onderwijs
Afdeling I. - Wet tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving
Artikel
III.1
Artikel 5 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving,
gewijzigd bij de wet van 11 juli 1973 en het decreet van 31 juli 1990, wordt opgeheven.
Artikel
III.2
Aan artikel 24bis, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet van 7 juli
2006 en gewijzigd bij de decreten van 22 juni 2007, 6 juni 2008 en 10 juli 2008, worden de volgende wijzigingen
aangebracht :
1° punt 5° wordt vervangen door wat volgt :
« 5° bepalingen naleven
over de onderwijstaal en de taalkennis van het personeel; »;
2° er wordt een punt 20° toegevoegd
dat luidt als volgt :
« 20° een doeltreffend beleid voert om het rookverbod, bedoeld in het
decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra
voor leerlingenbegeleiding, kenbaar te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van
het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het school-,
centrum- of arbeidsreglement. ».
Artikel III.3
In artikel 24ter, § 1, van dezelfde
wet, ingevoegd bij het decreet van 7 juli 2006 en vervangen bij het decreet van 10 juli 2008, worden
de woorden « artikel 24bis, § 1, 1° tot en met 12° (en ook, maar uitsluitend voor het deeltijds
beroepssecundair onderwijs, 17°) » vervangen door de woorden « artikel 24bis, § 1, 1° tot en
met 12°, 17° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs, en 20° ».
Artikel III.4
In
dezelfde wet wordt artikel 32, § 1, tweede lid, ingevoegd bij decreet van 31 juli 1990, opgeheven.
Artikel
III.5
Het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 1990 houdende uitvoering van artikel
32, § 1, tweede lid, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving,
wordt opgeheven.
Afdeling II. - Decreet betreffende het onderwijs II
Artikel III.6
In
het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II wordt een artikel 46bis ingevoegd, dat luidt
als volgt :
« Artikel 46bis
De Vlaamse Regering informeert de afgevaardigden van
de inrichtende machten en de representatieve vakorganisaties over elke geplande fundamentele onderwijshervorming.
Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van
ten minste één van de afgevaardigden van de inrichtende machten een apart overleg georganiseerd over
die fundamentele onderwijshervorming tussen de minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde
en de afgevaardigden van de inrichtende machten.
Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële
beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de representatieve vakorganisaties een
apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de minister, bevoegd voor
het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de representatieve vakorganisaties. ».
Artikel III.7
In
artikel 53 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 21 december 1994, worden de volgende
wijzigingen aangebracht :
1° in § 3 worden de woorden « natuurwetenschappen of fysica
en/of biologie » vervangen door het woord « natuurwetenschappen »;
2° in § 3 worden
de woorden « technologische opvoeding » vervangen door het woord « techniek »;
3° in §
4 worden de woorden « natuurwetenschappen of fysica en/of biologie » vervangen door het woord « natuurwetenschappen
» en worden de woorden « eventueel Frans » vervangen door het woord « Frans »;
4° in §
4 worden de woorden « technologische opvoeding » vervangen door het woord « techniek »;
5° in
§ 4 wordt aan het laatste lid de volgende zin toegevoegd :
« De integratie van het vak
Frans onder project algemene vakken vergt altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met
project algemene vakken in het eerste leerjaar B. ».
Artikel III.8
In artikel 54 van
hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2 worden de woorden
« natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en/of wetenschappelijk werk » vervangen door het woord
« natuurwetenschappen »;
2° in § 2 worden de woorden « technologische opvoeding » vervangen
door het woord « techniek »;
3° in § 3 worden de woorden « natuurwetenschappen of fysica
en/of biologie en/of wetenschappelijk werk » vervangen door het woord « natuurwetenschappen » en worden
de woorden « eventueel Frans » vervangen door het woord « Frans »;
4° in § 3 wordt aan
het laatste lid de volgende zin toegevoegd :
« De integratie van het vak Frans onder project
algemene vakken vergt altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene
vakken in het beroepsvoorbereidend leerjaar. »
Artikel III.9
In hetzelfde decreet
wordt een artikel 54bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 54bis
§
1. In het onthaaljaar bestaat de basisvorming uit volgende vakken :
1° godsdienstleer of niet-confessionele
zedenleer;
2° Nederlands voor nieuwkomers.
§ 2. Voor de gesubsidieerde vrije
onderwijsinstellingen is het eerste vak van § 1 godsdienstleer of niet-confessionele zedenleer
of cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie. ».
Artikel III.10
In artikel 55
van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2 worden de
woorden « Frans of Engels » vervangen door de woorden « Frans en Engels »;
2° in § 3
worden in de opsomming de woorden « Frans of Engels » toegevoegd;
3° in § 3 wordt aan
het laatste lid de volgende zin toegevoegd :
« De integratie van het vak Frans of het vak Engels
onder project algemene vakken vergt altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project
algemene vakken in het eerste en tweede leerjaar van de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs.
»;
4° in § 5 worden de woorden « Frans of Engels » vervangen door de woorden « Frans
en Engels »;
5° in § 6 worden in de opsomming de woorden « Frans of Engels » toegevoegd;
6°
in § 6 wordt aan het laatste lid de volgende zin toegevoegd :
« De integratie van het
vak Frans of het vak Engels onder project algemene vakken vergt altijd het akkoord van het betrokken
personeelslid belast met project algemene vakken in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad
van het beroepssecundair onderwijs. »;
7° in § 7 worden in de opsomming de woorden «
Frans of Engels » toegevoegd;
8° in § 7 wordt aan het voorlaatste lid de volgende zin
toegevoegd :
« De integratie van het vak Frans of het vak Engels onder project algemene vakken
vergt altijd het akkoord van het betrokken personeelslid belast met project algemene vakken in het derde
leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs. ».
Artikel III.11
In
artikel 74novies, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 juli 2006 en gewijzigd
bij de decreten van 22 juni 2007 en 10 juli 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1°
in het eerste lid wordt het woord « studiereglement » vervangen door de woorden « school- of centrumreglement
»;
2° in het eerste lid wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 5°
de afspraken inzake het rookverbod, bedoeld in het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van
een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, de controle op de naleving
ervan en de sancties die kunnen opgelegd worden bij overtreding van het rookverbod. »;
3° in
het tweede lid wordt het woord « studiereglement » vervangen door het woord « centrumreglement ».
Artikel
III.12
In artikel 74undecies, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van
7 juli 2006, wordt na de zin « Als de uitsluiting echter ingaat voor 30 juni van het schooljaar, dan
blijft de leerling ingeschreven tot op het ogenblik van inschrijving in een andere school of een ander
centrum. » de zin « In afwijking hiervan kan de school of het centrum een leerling die niet meer leerplichtig
is en tijdens het schooljaar definitief wordt uitgesloten, ook uitschrijven vanaf de dertigste lesdag
volgend op de dag dat de definitieve uitsluiting ingaat. » ingevoegd.
Afdeling III. - Decreet
houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs
Artikel III.13
In
artikel 2 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair
onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, gewijzigd
bij de decreten van 7 juli 2006, 22 juni 2007 en 4 juli 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht
:
1° punt 7° wordt vervangen door wat volgt :
« 7° bestuurspersoneel : de selectie-
en bevorderingsambten van de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel die door
de Vlaamse Regering zijn bepaald voor het secundair onderwijs; »;
2° punt 18° wordt vervangen
door wat volgt :
« 18° ondersteunend personeel : de ambten van de personeelscategorie van het
ondersteunend personeel die door de Vlaamse Regering zijn bepaald voor het secundair onderwijs; »;
3°
punt 20° wordt vervangen door wat volgt :
« 20° onderwijzend personeel : de wervingsambten
van de personeelscategorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel die door de Vlaamse Regering zijn
bepaald voor het secundair onderwijs; ».
Artikel III.14
In artikel 4 van hetzelfde
decreet, vervangen bij het decreet betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs,
wordt in de opgegeven lijst van studiegebieden, het studiegebied « maatschappelijke veiligheid » ingevoegd.
Artikel
III.15
In artikel 71 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003,
15 juli 2005, 15 december 2006 en 22 juni 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1°
in punt 2° worden de woorden « tot 31 augustus 2009 » telkens vervangen door de woorden « tot 31 augustus
2012 »;
2° punt 5° wordt vervangen door wat volgt :
« 5° maakt afspraken/beslist over
de verdeling over haar instellingen van de puntenenveloppe bedoeld in titel XI. Met inachtname van de
bepalingen van voormelde titel worden de verdelingscriteria onderhandeld in het bevoegde lokaal onderhandelingscomité
van de scholengemeenschap. Bij ontstentenis van een akkoord binnen de scholengemeenschap over de verdelingscriteria,
worden de punten verdeeld overeenkomstig de parameters volgens welke ze toegekend zijn; »;
3°
punten 9° en 13° worden opgeheven.
Artikel III.16
Artikel 79 van hetzelfde decreet,
vervangen bij het decreet van 7 juli 2006, wordt opgeheven.
Artikel III.17
In hetzelfde
decreet wordt titel IX, bestaande uit de artikelen 82 tot en met 85bis, gewijzigd bij de decreten van
15 juli 2005, 7 juli 2006, 22 juni 2007 en 4 juli 2008, vervangen door wat volgt :
« TITEL IX.
- Het ambt van directeur
Artikel 82
De bepalingen van deze titel zijn van toepassing
op het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs.
Artikel 83
In het voltijds gewoon
secundair onderwijs wordt een voltijdse betrekking van directeur toegekend aan een instelling met ten
minste 83 regelmatige leerlingen op de gebruikelijke teldatum. In afwijking hierop wordt aan een instelling
die enkel de eerste graad of de eerste en de tweede graad organiseert en die in de financierings- of
subsidiëringsregeling werd opgenomen vanaf 1 september 1989, een voltijdse betrekking van directeur toegekend
indien de instelling ten minste 120 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum.
Indien
het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt, wordt de directeur belast met een onderwijsopdracht
die gelijk is aan een halve onderwijsopdracht, verminderd met vier uren-leraar of met een opdracht van
beheerder van het internaat verbonden aan een instelling voor zeevisserijonderwijs. De uren-leraar vallen
binnen het urenpakket. Hij behoudt echter het recht op de salarisschaal van directeur met een volledige
opdracht of op de overeenstemmende salaristoelage.
Artikel 84
In het buitengewoon secundair
onderwijs wordt een voltijdse betrekking van directeur toegekend aan een instelling met ten minste 72
regelmatige leerlingen op de gebruikelijke teldatum.
Indien het minimum aantal leerlingen niet
wordt bereikt, wordt de directeur belast met een onderwijsopdracht pro rata van 2 lesuren per volledige
reeks van 9 leerlingen die ontbreken. De lesuren vallen binnen het lesurenpakket. Hij behoudt echter
het recht op de salarisschaal van directeur met een volledige opdracht of op de overeenstemmende salaristoelage.
Voor
de toepassing van deze bepalingen worden enerzijds de regelmatige leerlingen van de opleidingsvormen
1 en 2 vermenigvuldigd met 1,33 en anderzijds in instellingen die minimaal 10 regelmatige leerlingen
in het geïntegreerd onderwijs begeleiden, de leerlingen die op de eerste schooldag van oktober van het
voorafgaande schooljaar in het kader van geïntegreerd onderwijs begeleid werden, in aanmerking genomen.
Artikel
85
In het deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt een voltijdse betrekking van directeur
toegekend aan een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is. ».
Artikel
III.18
In hetzelfde decreet wordt titel XI, bestaande uit de artikelen 93 tot en met 99bis,
gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003, 7 mei 2004, 24 december 2004, 15 juli 2005, 7 juli 2006,
22 juni 2007 en 4 juli 2008, vervangen door wat volgt :
« Titel XI. - Omkadering op basis van
een globale puntenenveloppe
Afdeling I. - Algemene bepalingen
Artikel 93
§
1. De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs.
§
2. Deze titel is niet van toepassing op het ambt van bode-kamerbewaarder.
§ 3. De bepalingen
van deze titel gelden voor de schooljaren 2009-2010 en 2010-2011.
Afdeling II. - Toekenning
van een globale puntenenveloppe
Artikel 94
In het secundair onderwijs wordt elk schooljaar
aan een scholengemeenschap respectievelijk aan een instelling doch enkel indien deze niet tot een scholengemeenschap
behoort, een globale puntenenveloppe toegekend. Bij toekenning aan een scholengemeenschap wordt de globale
puntenenveloppe, na eventuele voorafname bedoeld in artikel 99bis, § 1, door de scholengemeenschap
verdeeld over de instellingen die ertoe behoren.
De globale puntenenveloppe strekt ertoe enerzijds
om op het niveau van de instelling het kader bestuurspersoneel en ondersteunend personeel in te vullen
en anderzijds om op het niveau van de instelling en van de scholengemeenschap een beleid inzake taak-
en functiedifferentiatie gestalte te geven.
Afdeling III. - Berekening van de globale puntenenveloppe
toegekend aan een scholengemeenschap
Artikel 95
§ 1. De globale puntenenveloppe
is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 tot en met § 12 hierna.
§
2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke instelling voor voltijds
gewoon secundair onderwijs die ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum
of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend aantal
punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk
1200 en 1150, 1800 en 1750, of 2400 en 2350 bedraagt.
Het aantal punten blijft gedurende twee
opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt. De termijn
van twee opeenvolgende schooljaren kan evenwel voor buitengewone gevallen door de Vlaamse Regering worden
verlengd. Onder buitengewone gevallen worden instellingen verstaan waar de problematiek van kansarmoede
dermate disproportioneel aanwezig is, dat hun bestuurlijk vermogen slechts kan worden gevrijwaard mits
handhaving van de betrokken personeelsmiddelen.
§ 3. Een door de Vlaamse Regering te
bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat
autonoom is en dat ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf
het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend aantal punten wordt
vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk 1200 en 1150,
1800 en 1750, of 2400 en 2350 bedraagt.
Het aantal punten blijft gedurende twee opeenvolgende
schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt. De termijn van twee opeenvolgende
schooljaren kan evenwel voor buitengewone gevallen door de Vlaamse Regering worden verlengd. Onder buitengewone
gevallen worden centra verstaan waar de problematiek van kansarmoede dermate disproportioneel aanwezig
is, dat hun bestuurlijk vermogen slechts kan worden gevrijwaard mits handhaving van de betrokken personeelsmiddelen.
§
4. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke instelling voor buitengewoon
secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf
het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Dit aantal punten blijft gedurende
twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.
§
5. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke instelling voor voltijds
gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs of met beroepssecundair
onderwijs, indien op de gebruikelijke teldatum het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde
totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die
instelling 7 maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar,
belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar
blijft dat aantal punten toegekend indien op de gebruikelijke teldatum het door de Vlaamse Gemeenschap
gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken
of daaraan gelijkgesteld in die instelling niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist
zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan
gelijkgesteld.
Het in het eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3,
4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op de gebruikelijke teldatum het door de Vlaamse
Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische
vakken of daaraan gelijkgesteld in die instelling 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en
zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking
van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
Vanaf het daaropvolgende
schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4,
5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien op de gebruikelijke teldatum het door de Vlaamse
Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische
vakken of daaraan gelijkgesteld in die instelling 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en
zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking
van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
Het aantal
punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.
Voor
de toepassing van deze bepalingen :
1° worden de volgende praktische vakken of daaraan gelijkgesteld
niet in aanmerking genomen : stage algemene verpleegkunde, stage medische wetenschappen, stage psychiatrische
verpleegkunde, stage sociale wetenschappen, stage verzorging, stage ziekenhuisverpleegkunde;
2°
komen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een centrum voor deeltijds
beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair
onderwijs, in aanmerking in de instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar ze worden ingericht.
De uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, worden voor een derde als praktische vakken of daaraan
gelijkgesteld beschouwd;
3° mogen de ingerichte uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld
van een instelling die uitsluitend de eerste graad of de eerste en de tweede graad organiseert gevoegd
worden bij één instelling die tot dezelfde scholengemeenschap behoort en die geen eerste graad organiseert.
§ 6. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk
centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is, indien op de gebruikelijke teldatum
het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar
ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 7 maal de minimumprestaties bereikt
die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken
of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend indien
op de gebruikelijke teldatum het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal
wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum niet lager
ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast
met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
Het in het eerste lid bedoeld
aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien
op de gebruikelijke teldatum het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal
wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 15, 19,
22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties bereikt
die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken
of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging van het in
het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder), indien
op de gebruikelijke teldatum het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal
wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 14, 18,
21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de minimumprestaties bereikt
die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische vakken
of daaraan gelijkgesteld.
Het aantal punten blijft toegekend indien het minimum gedurende twee
opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.
Voor de toepassing van deze bepalingen worden
de uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, voor een derde als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld
beschouwd.
§ 7. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend
voor elke instelling voor buitengewoon secundair onderwijs, indien op de gebruikelijke teldatum het door
de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als
beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die instelling ten minste 210
bedraagt. Dat aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 respectievelijk 12 (en zo
telkens per 1 verder), indien het totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming,
praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die instelling ten minste 420, 630, 840, 1050, 1260, 1470,
1680, 1890 (en zo verder per schijf van 210) bedraagt.
§ 8. De door de Vlaamse Gemeenschap
gefinancierde of gesubsidieerde wekelijkse uren-leraar of lesuren, ingericht als beroepsgerichte vorming,
praktische vakken of daaraan gelijkgesteld, bedoeld in §§ 5, 6 en 7, die in een instelling
of centrum ontoereikend zijn om het door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten, of een veelvoud
daarvan, te genereren, kunnen op het niveau van de scholengemeenschap samengevoegd worden om alsnog tot
desbetreffend aantal punten, of een veelvoud daarvan, te leiden.
§ 9. Een aantal punten
wordt toegekend dat als volgt wordt berekend :
1° de som van het aantal regelmatige leerlingen
van de tot de scholengemeenschap behorende instellingen voor voltijds gewoon secundair onderwijs op de
gebruikelijke teldatum vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze
coëfficiënt ligt alleszins hoger voor een instelling die in toepassing van het decreet van 28 juni 2002
betreffende gelijke onderwijskansen-I recht heeft op extra uren-leraar dan voor een instelling die dat
niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele
getal; en
2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de tot de scholengemeenschap behorende
instellingen voor voltijds gewoon secundair onderwijs van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering
van de bepalingen van artikel 57 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, vermenigvuldigd
met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze coëfficiënt ligt alleszins hoger voor een
instelling die in toepassing van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I recht
heeft op extra uren-leraar dan voor een instelling die dat niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging
wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
3° de som van het aantal regelmatige
leerlingen van de tot de scholengemeenschap behorende instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs
op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt
die varieert naargelang van de omvang van de leerlingenpopulatie. Het resultaat van deze vermenigvuldiging
wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal. Tot en met het schooljaar 2010-2011 zal dit
aantal punten steeds minstens overeenkomen met het aantal punten dat nodig is voor de instandhouding
van de betrekkingen in de ambten van het ondersteunend personeel die de instelling voor buitengewoon
secundair onderwijs op 30 juni van het voorafgaande schooljaar heeft georganiseerd mocht ze de normen
van het koninklijk besluit nummer 66 nog steeds toepassen.
§ 10. Een aantal punten wordt
toegekend dat als volgt wordt berekend :
1° de som van het aantal regelmatige leerlingen van
de tot de scholengemeenschap behorende instellingen voor voltijds gewoon secundair onderwijs op de gebruikelijke
teldatum vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde
voor alle instellingen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van de vermenigvuldiging
wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
2° de som van het aantal wekelijkse
uren-leraar van de tot de scholengemeenschap behorende instellingen voor voltijds gewoon secundair onderwijs
van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 57 van het decreet
van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen
coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle instellingen die onder toepassing van deze bepaling
vallen. Het resultaat van elke vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal;
en
3° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de tot de scholengemeenschap behorende
instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met
een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle instellingen
die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond
naar het dichtstbijliggende gehele getal.
§ 11. Een aantal punten wordt toegekend afhankelijk
van het aantal regelmatige leerlingen van alle instellingen van de scholengemeenschap, met inbegrip van
de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, op de gebruikelijke teldatum, meer bepaald :
a) tussen 900 en 3 999 leerlingen : 120 punten;
b) tussen 4 000 en 6 499 leerlingen : 180
punten;
c) tussen 6 500 en 7 999 leerlingen : 240 punten;
d) tussen 8 000 en 9
499 leerlingen : 300 punten;
e) tussen 9 000 en 10 999 leerlingen : 360 punten;
f) vanaf 11 000 leerlingen : 420 punten.
Het aantal van 120 punten blijft gedurende twee opeenvolgende
schooljaren toegekend indien het minimum van 900 leerlingen niet meer wordt bereikt.
§
12. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds
beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair
onderwijs.
§ 13. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in §
9 en § 10, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat
van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor instellingen
die niet tot een scholengemeenschap behoren.
§ 14. De invoering van een globale puntenenveloppe
per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing,
in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld
in § 2 tot en met § 6, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft.
Afdeling
IV. - Berekening van de globale puntenenveloppe toegekend aan een instelling voor voltijds gewoon secundair
onderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoort
Artikel 96
§ 1. De globale
puntenenveloppe is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 tot en met § 5 hierna.
§
2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke instelling voor voltijds
gewoon secundair onderwijs die ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum
of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend aantal
punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk
1 200 en 1 150, 1 800 en 1 750, of 2 400 en 2 350 bedraagt.
Het aantal punten blijft gedurende
twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt. De
termijn van twee opeenvolgende schooljaren kan evenwel voor buitengewone gevallen door de Vlaamse Regering
worden verlengd. Onder buitengewone gevallen worden instellingen verstaan waar de problematiek van kansarmoede
dermate disproportioneel aanwezig is, dat hun bestuurlijk vermogen slechts kan worden gevrijwaard mits
handhaving van de betrokken personeelsmiddelen.
§ 3. Een door de Vlaamse Regering te
bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs met
een eerste graad, met technisch secundair onderwijs of met beroepssecundair onderwijs, indien op de gebruikelijke
teldatum het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar
ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die instelling 7 maal de minimumprestaties
bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische
vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat aantal punten toegekend
indien op de gebruikelijke teldatum het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal
aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die instelling
niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar,
belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
Het in het eerste lid
bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo verder),
indien op de gebruikelijke teldatum het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal
aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die instelling
15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal de minimumprestaties
bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven van praktische
vakken of daaraan gelijkgesteld.
Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de vermenigvuldiging
van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10 (en zo
verder), indien op de gebruikelijke teldatum het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde
totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die
instelling 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal de
minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het geven
van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
Het aantal punten blijft toegekend indien het
minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.
Voor de toepassing van
deze bepalingen :
1° worden de volgende praktische vakken of daaraan gelijkgesteld niet in aanmerking
genomen : stage algemene verpleegkunde, stage medische wetenschappen, stage psychiatrische verpleegkunde,
stage sociale wetenschappen, stage verzorging, stage ziekenhuisverpleegkunde;
2° komen de ingerichte
uren-leraar praktische vakken of daaraan gelijkgesteld van een centrum voor deeltijds beroepssecundair
onderwijs dat verbonden is aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs,
in aanmerking in de instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs waar ze worden ingericht. De
uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, worden voor een derde als praktische vakken of daaraan
gelijkgesteld beschouwd.
§ 4. Een aantal punten wordt toegekend dat als volgt wordt berekend
:
1° de som van het aantal regelmatige leerlingen van de instelling op de gebruikelijke teldatum,
vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze coëfficiënt ligt alleszins
hoger voor een instelling die in toepassing van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I
recht heeft op extra uren-leraar dan voor een instelling die dat niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging
wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal; en
2° de som van het aantal wekelijkse
uren-leraar van de instelling van het betreffende schooljaar, berekend in uitvoering van de bepalingen
van artikel 57 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, vermenigvuldigd met een
door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. Deze coëfficiënt ligt alleszins hoger voor een instelling
die in toepassing van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I recht heeft
op extra uren-leraar dan voor een instelling die dat niet heeft. Het resultaat van elke vermenigvuldiging
wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.
§ 5. Een aantal punten wordt
toegekend dat als volgt wordt berekend :
1° de som van het aantal regelmatige leerlingen van
de instelling op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen
coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle instellingen die onder toepassing van deze bepaling
vallen. Het resultaat van de vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal;
en
2° de som van het aantal wekelijkse uren-leraar van de instelling van het betreffende schooljaar,
berekend in uitvoering van de bepalingen van artikel 57 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende
het onderwijs-II, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt
is dezelfde voor alle instellingen die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van de
vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal.
§ 6. Een door
de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair
onderwijs dat verbonden is aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs.
§
7. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten, zoals vermeld in § 4 en § 5, houdt de
Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare basis, het eindresultaat van de berekening van
de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen dan voor instellingen die niet tot
een scholengemeenschap behoren.
§ 8. De invoering van een globale puntenenveloppe per
1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing,
in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld
in § 2 en § 3, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft.
Afdeling
V. - Berekening van de globale puntenenveloppe toegekend aan een instelling voor buitengewoon secundair
onderwijs die niet tot een scholengemeenschap behoort
Artikel 97
§ 1. De globale
puntenenveloppe is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 tot en met § 5 hierna.
§
2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke instelling voor buitengewoon
secundair onderwijs die ten minste 300 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke teldatum of, vanaf
het daaropvolgende schooljaar, ten minste 275 regelmatige leerlingen. Dit aantal punten blijft gedurende
twee opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt.
§
3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elke instelling voor buitengewoon
secundair onderwijs, indien op de gebruikelijke teldatum het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde
of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische
vakken of daaraan gelijkgesteld in die instelling ten minste 210 bedraagt. Dat aantal punten wordt vermenigvuldigd
met 2, 4, 5, 6, 8, 9, 10 respectievelijk 12 (en zo telkens per 1 verder), indien het totaal aantal wekelijkse
lesuren ingericht als beroepsgerichte vorming, praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in die instelling
ten minste 420, 630, 840, 1050, 1260, 1470, 1680, 1890 (en zo verder per schijf van 210) bedraagt.
§
4. Een aantal punten wordt toegekend dat bestaat uit de som van het aantal regelmatige leerlingen van
de instelling op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd met een door de Vlaamse Regering te bepalen
coëfficiënt die varieert naargelang van de omvang van de leerlingenpopulatie. Het resultaat van deze
vermenigvuldiging wordt afgerond naar het dichtstbijliggende gehele getal. In afwijking hierop heeft
een school voor buitengewoon secundair onderwijs van type 5 die beschouwd wordt als een ziekenhuisschool
elk schooljaar recht op 82 punten.
§ 5. Een aantal punten wordt toegekend dat bestaat
uit de som van het aantal regelmatige leerlingen van de instelling op de gebruikelijke teldatum, vermenigvuldigd
met een door de Vlaamse Regering te bepalen coëfficiënt. De coëfficiënt is dezelfde voor alle instellingen
die onder toepassing van deze bepaling vallen. Het resultaat van deze vermenigvuldiging wordt afgerond
naar het dichtstbijliggende gehele getal.
§ 6. Bij het bepalen van de diverse coëfficiënten,
zoals vermeld in § 4 en § 5, houdt de Vlaamse Regering er rekening mee dat, op vergelijkbare
basis, het eindresultaat van de berekening van de globale puntenenveloppe voordeliger is voor scholengemeenschappen
dan voor instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren.
§ 7. De invoering
van een globale puntenenveloppe per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe,
wat betekent dat de toepassing, in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet
hanteren van normen zoals vermeld in § 2, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft.
Afdeling
VI. - Berekening van de globale puntenenveloppe toegekend aan een centrum voor deeltijds beroepssecundair
onderwijs dat autonoom is en dat niet tot een scholengemeenschap behoort
Artikel 98
§
1. De globale puntenenveloppe is samengesteld uit de onderdelen vermeld in § 2 en § 3 hierna.
§
2. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds
beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en dat ten minste 600 regelmatige leerlingen telt op de gebruikelijke
teldatum of, vanaf het daaropvolgende schooljaar, ten minste 550 regelmatige leerlingen. Desbetreffend
aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3 dan wel 4 indien het minimum aantal leerlingen respectievelijk
1200 en 1150, 1800 en 1750, of 2400 en 2350 bedraagt.
Het aantal punten blijft gedurende twee
opeenvolgende schooljaren toegekend indien het minimum aantal leerlingen niet wordt bereikt. De termijn
van twee opeenvolgende schooljaren kan evenwel voor buitengewone gevallen door de Vlaamse Regering worden
verlengd. Onder buitengewone gevallen worden centra verstaan waar de problematiek van kansarmoede dermate
disproportioneel aanwezig is, dat hun bestuurlijk vermogen slechts kan worden gevrijwaard mits handhaving
van de betrokken personeelsmiddelen.
§ 3. Een door de Vlaamse Regering te bepalen aantal
punten wordt toegekend voor elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is, indien
op de gebruikelijke teldatum het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde totaal aantal
wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld in dat centrum 7 maal
de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het
geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar blijft dat
aantal punten toegekend indien op de gebruikelijke teldatum het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde
of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld
in dat centrum niet lager ligt dan 6 maal de minimumprestaties die vereist zijn voor een voltijdse betrekking
van leraar, belast met het geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
Het in het
eerste lid bedoeld aantal punten wordt vermenigvuldigd met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk 10
(en zo verder), indien op de gebruikelijke teldatum het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of
gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld
in dat centrum 15, 19, 22, 29, 31, 33, 36, 43 respectievelijk 50 (en zo verder per schijf van 7) maal
de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het
geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld. Vanaf het daaropvolgende schooljaar gebeurt de
vermenigvuldiging van het in het eerste lid bedoeld aantal punten met 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 respectievelijk
10 (en zo verder), indien op de gebruikelijke teldatum het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde
of gesubsidieerde totaal aantal wekelijkse uren-leraar ingericht als praktische vakken of daaraan gelijkgesteld
in dat centrum 14, 18, 21, 28, 30, 32, 35, 41 respectievelijk 47 (en zo verder per schijf van 6) maal
de minimumprestaties bereikt die vereist zijn voor een voltijdse betrekking van leraar, belast met het
geven van praktische vakken of daaraan gelijkgesteld.
Het aantal punten blijft toegekend indien
het minimum gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet wordt bereikt.
Voor de toepassing
van deze bepalingen worden de uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers, voor een derde als praktische
vakken of daaraan gelijkgesteld beschouwd.
§ 4. De invoering van een globale puntenenveloppe
per 1 september 2009 wordt niet geassocieerd met het programmatieprincipe, wat betekent dat de toepassing,
in voorkomend geval, van de meer voordelige normen of het tijdelijk niet hanteren van normen zoals vermeld
in § 2 en § 3, ook voor het schooljaar 2009-2010 gehandhaafd blijft.
Afdeling
VII. - Verdeling en aanwending van de globale puntenenveloppe
Onderafdeling I. - Instellingen
die behoren tot een scholengemeenschap
Artikel 99
§ 1. De scholengemeenschap
verdeelt jaarlijks haar globale puntenenveloppe, bedoeld in artikel 95, over haar instellingen op basis
van criteria die worden onderhandeld in het bevoegde lokaal comité. Als in de scholengemeenschap geen
akkoord wordt bereikt, verdeelt de scholengemeenschap de punten over haar instellingen overeenkomstig
de parameters die werden gebruikt voor de toekenning van de puntenenveloppe.
Voordat de scholengemeenschap
overgaat tot de verdeling van de punten, kan ze een aantal punten voorafnemen om haar beleid inzake taak-
en functiedifferentiatie op niveau van de scholengemeenschap gestalte te geven. Deze voorafname bedraagt
maximum 10 % van de puntenenveloppe.
Een overschrijding van de 10 % voorafname is mogelijk
:
1° als de voorafname minder bedraagt dan het aantal punten bedoeld in artikel 95, §
11. In dat geval kan de scholengemeenschap de 10 % overschrijden tot het aantal punten overeenkomt met
de punten die haar volgens artikel 95, § 11, toekomen op basis van het aantal leerlingen van de
scholengemeenschap;
2° als zowel over de besteding van de punten als over de gevolgen hiervan
op de personeelsleden, binnen het bevoegde lokaal comité van de scholengemeenschap een akkoord wordt
bereikt.
De scholengemeenschap verschaft ten aanzien van het lokaal comité van de scholengemeenschap
en ten aanzien van het personeel van de instellingen die tot de scholengemeenschap behoren, volledige
klaarheid over de betrekkingen die ze op basis van voorafname van de puntenenveloppe creëert op het niveau
van de scholengemeenschap. Tevens toont de scholengemeenschap aan dat de aldus ingerichte betrekkingen
haar beleid inzake taak- en functiedifferentiatie op het niveau van de scholengemeenschap daadwerkelijk
gestalte geven.
De verdeling van de puntenenveloppe mag niet tot gevolg hebben dat bijkomend
personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking moeten worden gesteld, tenzij ze onmiddellijk
kunnen gereaffecteerd of wedertewerkgesteld worden in een vacante of niet-vacante organieke betrekking
in de scholengemeenschap en dit voor de duur van het volledige schooljaar.
§ 2. In afwijking
van § 1, eerste lid, kent de scholengemeenschap tot en met het schooljaar 2010-2011 aan elke instelling
voor buitengewoon secundair onderwijs het aantal punten toe dat zij voor deze instelling ontvangt volgens
de parameters vastgelegd in artikel 95, § 9, 3°.
Artikel 99bis
§ 1.
De instelling wendt de punten die ze in toepassing van artikel 99, § 1, van de scholengemeenschap
ontvangt als volgt aan :
1° in eerste instantie moet ze de punten steeds aanwenden voor de instandhouding
van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden in ambten :
- van het bestuurspersoneel;
- van het ondersteunend personeel;
- van wervingambten van het onderwijzend of het ondersteunend
personeel voor zover het gaat om taak- en functiedifferentiatie. In een instelling voor buitengewoon
secundair onderwijs omvat dit daarenboven ook de instandhouding van betrekkingen in ambten van het paramedisch,
medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel die in het kader van taak- en functiebetrekking
werden toegewezen;
2° als de instelling na toepassing van 1° nog punten ter beschikking heeft,
kan ze deze als volgt en naar keuze aanwenden :
- voor de oprichting van betrekkingen in ambten
bedoeld in § 1, met uitzondering van het bevorderingsambt van directeur;
- voor het
klasvrij maken van een personeelslid;
- voor taak- en functiedifferentiatie;
- voor
de toekenning van een hogere salarisschaal in een ambt van het ondersteunend personeel in toepassing
van artikel 55 van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs of artikel 44 van
het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.
De instelling moet bij de
aanwending van haar punten daarenboven rekening houden met volgende principes :
- ambten van
het bestuurspersoneel en het ondersteunend personeel kunnen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht
worden;
- als een instelling punten aanwendt voor ambten in het ondersteunend personeel moeten
de personeelsleden van deze categorie uit tenminste 50 % opvoeders bestaan;
- een betrekking
in het ambt van technisch adviseur-coördinator kan slechts worden opgericht in een instelling voor voltijds
gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch secundair onderwijs of met beroepssecundair
onderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en een instelling voor
buitengewoon secundair onderwijs. In voormelde instellingen kan ook slechts maximum één voltijdse betrekking
in het ambt technisch adviseur-coördinator worden opgericht.
De instelling verschaft ten aanzien
van haar lokaal comité en ten aanzien van haar personeel volledige klaarheid over de betrekkingen die
ze op basis van haar punten zal oprichten.
§ 2. De scholengemeenschap kan de punten
van de voorafname, bedoeld in artikel 99, § 1, als volgt en naar keuze aanwenden :
-
voor de oprichting van betrekkingen in ambten van het bestuurspersoneel, het ondersteunend personeel,
en in het kader van taak- en functiedifferentiatie in wervingsambten van het onderwijzend het paramedisch,
medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel;
- voor het school- of klasvrij
maken van een personeelslid.
Bij de aanwending van deze puntenenveloppe moet de scholengemeenschap
rekening houden met volgende principes :
1° ambten van het bestuurspersoneel en het ondersteunend
personeel kunnen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;
2° het personeelslid
dat wordt aangesteld in een betrekking opgericht met punten van de voorafname wordt steeds als tijdelijk
personeelslid aangesteld in een instelling van de scholengemeenschap en werkt voor de totaliteit van
de scholengemeenschap.
De bepalingen van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs
of het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, blijven verder van toepassing,
met uitzondering van volgende bepalingen :
- de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering
inzake ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling.
De inrichtende macht van de instelling waaraan de betrekking wordt toegewezen, kan echter op vrijwillige
basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking.
Deze aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Deze reaffectatie of
wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid;
- de inrichtende macht van de instelling waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om
in deze betrekking een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende
duur heeft verworven, overeenkomstig artikel 21bis van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs
of artikel 23bis van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;
-
de betrekking kan niet worden vacant verklaard. De inrichtende macht kan in geen geval een personeelslid
vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.
§ 3. In het gemeenschapsonderwijs
is de scholengroep verplicht om het personeelslid dat belast is met het mandaat van algemeen directeur
school- of klasvrij te maken. De scholengroep heeft de keuze om hiervoor punten aan te wenden van de
voorafname van de globale puntenenveloppe, bedoeld in artikel 99, § 1, en/of punten van de enveloppe
bedoeld in artikelen 125duodecies, § 4, en 153sexies, § 4, van het decreet Basisonderwijs
van 25 februari 1997. Als een scholengroep ten minste één netoverschrijdende scholengemeenschap telt,
wordt in de overeenkomst van deze scholengemeenschap vastgelegd op welke wijze aan voormelde verplichting
wordt voldaan.
De Vlaamse Regering bepaalt het aantal punten dat nodig is om het personeelslid
dat belast is met het mandaat van algemeen directeur school- of klasvrij te maken.
§
4. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en de puntenwaarde die aan elk ambt wordt toegekend. De puntenwaarde
van een ambt wordt bepaald op basis van een bekwaamheidsbewijs of een salarisschaal.
De Vlaamse
Regering bepaalt eveneens het aantal punten dat nodig is om een personeelslid school- of klasvrij te
maken.
Onderafdeling II. - Instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren
Artikel
99ter
§ 1. De instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort, wendt de punten
bedoeld in artikelen 96 of 97 als volgt aan :
1° in eerste instantie moet ze haar punten steeds
aanwenden voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden :
- van
het bestuurspersoneel;
- van het ondersteunend personeel;
- van wervingsambten van
het onderwijzend of het ondersteunend personeel voor zover het gaat om taak-en functiedifferentiatie.
In een instelling voor buitengewoon secundair onderwijs omvat dit daarenboven ook de instandhouding van
betrekkingen in ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel
die in het kader van taak- en functiebetrekking werden toegewezen;
2° als de instelling na toepassing
van 1° nog punten ter beschikking heeft, kan ze deze als volgt en naar keuze aanwenden :
-
voor de oprichting van betrekkingen in ambten van het bestuurspersoneel, met uitzondering van het bevorderingsambt
van directeur, en het ondersteunend personeel;
- voor de oprichting van betrekkingen in wervingsambten
van het onderwijzend en het ondersteunend personeel in het kader van taak- en functiedifferentiatie.
In een instelling voor buitengewoon secundair onderwijs kunnen in het kader van taak- en functiedifferentiatie
daarenboven ook betrekkingen in wervingsambten van het paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch
en psychologisch personeel in stand worden gehouden of worden opgericht;
- voor het klasvrij
maken van een personeelslid;
- voor de toekenning van een hogere salarisschaal in een ambt
van het ondersteunend personeel in toepassing van artikel 55 van het decreet Rechtspositie personeelsleden
gemeenschapsonderwijs of artikel 44 van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs.
De
instelling moet bij de aanwending van haar punten daarenboven rekening houden met volgende principes
:
- ambten van het bestuurspersoneel en het ondersteunend personeel kunnen per halftijdse of
voltijdse betrekking opgericht worden;
- als een instelling punten aanwendt voor ambten in
het ondersteunend personeel moeten de personeelsleden van deze categorie uit tenminste 50 % opvoeders
bestaan;
- een betrekking in het ambt van technisch adviseur-coördinator kan slechts worden
opgericht in een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs met een eerste graad, met technisch
secundair onderwijs of met beroepssecundair onderwijs, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs
dat autonoom is en een instelling voor buitengewoon secundair onderwijs. In voormelde instellingen kan
ook slechts maximum één voltijdse betrekking in het ambt technisch adviseur-coördinator worden opgericht.
De
instelling verschaft ten aanzien van haar lokaal comité en ten aanzien van haar personeel volledige klaarheid
over de betrekkingen die ze op basis van haar punten zal oprichten.
§ 2. Een centrum
voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en niet tot een scholengemeenschap behoort,
wendt de punten bedoeld in artikel 98 als volgt aan :
1° in eerste instantie moet ze de punten
aanwenden voor de instandhouding van betrekkingen van vastbenoemde personeelsleden in ambten van het
bestuurspersoneel;
2° als de instelling na de toepassing van 1° nog punten ter beschikking heeft,
kan ze betrekkingen oprichten in ambten van het bestuurspersoneel, met uitzondering van het bevorderingsambt
van directeur.
Het centrum voor deeltijds beroepsonderwijs moet bij de aanwending van haar
punten daarenboven rekening houden met volgende principes :
- ambten van het bestuurspersoneel
kunnen per halftijdse of voltijdse betrekking opgericht worden;
- er kan slechts maximum één
voltijdse betrekking in het ambt technisch adviseur-coördinator worden opgericht.
§ 3.
De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en de puntenwaarde die aan elk ambt wordt toegekend. De puntenwaarde
van een ambt wordt bepaald op basis van een bekwaamheidsbewijs of een salarisschaal.
De Vlaamse
Regering bepaalt het aantal punten dat nodig is om een personeelslid school- of klasvrij te maken. »
Artikel
III.19
In hetzelfde decreet wordt titel XIbis, bestaande uit de artikelen 99ter tot en met
99quinquies, ingevoegd bij decreet van 22 juni 2007, vervangen door wat volgt :
« Titel XIbis.
- Forfaitaire puntenenveloppe toegekend aan de Raad van het Gemeenschapsonderwijs
Artikel 99
quater
§ 1. Aan de Raad van het Gemeenschapsonderwijs wordt, ter uitvoering van de
rekenplichtigheid, elk schooljaar een forfaitaire enveloppe van 5 330 punten toegekend, bestemd voor
verdeling over de scholengroepen.
§ 2. De Raad van het Gemeenschapsonderwijs verdeelt
de forfaitaire puntenenveloppe, bedoeld in § 1, over de scholengroepen na onderhandeling in het
daartoe bevoegde onderhandelingscomité.
Met deze punten worden in de scholengroepen betrekkingen
opgericht in het ambt van administratief medewerker.
De scholengroep is niet verplicht om op
deze betrekkingen artikel 36bis van het besluit van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen,
de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling
en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage toe te passen.
De scholengroep kan in
deze betrekkingen een personeelslid vast benoemen. Op het ogenblik dat de scholengroep waaraan de punten
zijn toegekend het personeelslid in dergelijke betrekking vast benoemt, blijven de punten toegekend aan
deze scholengroep.
De scholengroep deelt de vacantverklaring van voormelde betrekkingen mee
aan de afgevaardigd bestuurder. Deze toetst de stabiliteit van de vacant verklaarde betrekkingen aan
de mogelijke evolutie van de verdelingscriteria. In toepassing van artikel 43, § 1, 2°, van het
bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs is de afgevaardigd-bestuurder
belast met het goedkeuringstoezicht ter zake. ».
Artikel III.20
In hetzelfde decreet
wordt een titel XIquinquies ingevoegd, bestaande uit de artikelen 99undecies tot en met 99ter decies,
die luidt als volgt :
« TITEL XIquinquies. - Omkadering op basis van vervangingen van korte
afwezigheden en bij bedrijfsstages
Artikel 99undecies
De bepalingen van deze titel
zijn van toepassing op het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs.
Artikel 99duodecies
Voor
de toepassing van de bepalingen van deze titel wordt verstaan onder :
1° een samenwerkingsplatform
: een scholengemeenschap, al dan niet uitgebreid met één of meer instellingen die niet tot een scholengemeenschap
behoren dan wel een groep van scholengemeenschappen, al dan niet uitgebreid met een of meer instellingen
die niet tot een scholengemeenschap behoren;
2° korte afwezigheden : afwezigheden van personeelsleden
voor wie op basis van andere regelgeving geen vervanger kan worden gefinancierd of gesubsidieerd;
3°
bedrijfsstage : het opdoen van werkervaring in een arbeidsmilieu buiten het onderwijs op basis van een
stageovereenkomst tussen de stagegever, de instelling en het betrokken personeelslid en waarbij die stage
ten minste vijf werkdagen omvat en niet door de stagegever wordt bezoldigd.
Artikel 99ter decies
§ 1. Aan instellingen voor secundair onderwijs, verenigd in een samenwerkingsplatform,
worden vanaf het schooljaar 2008-2009 :
1° vervangingseenheden toegekend die zijn voorbehouden
voor het voorzien in vervangingen van korte afwezigheden van personeelsleden waarvan het salaris of de
salaristoelage ten laste valt van de Vlaamse Gemeenschap;
2° vervangingseenheden en werkingsmiddelen
toegekend die zijn voorbehouden voor het voorzien in vervangingen bij bedrijfsstages van personeelsleden
waarvan het salaris of de salaristoelage ten laste valt van de Vlaamse Gemeenschap.
De berekening
en toekenning van de middelen gebeurt op het niveau van de instelling. Na samenvoeging van de middelen
van de afzonderlijke instellingen die tot het samenwerkingsplatform behoren, beslissen de inrichtende
machten van die instellingen gezamenlijk over de verdeling en de aanwending van de middelen in functie
van lokale behoeften en prioriteiten.
§ 2. Met betrekking tot de toekenning van de middelen
bestemd voor de vervangingen van korte afwezigheden is alleszins vereist dat er, per samenwerkingsplatform,
tussen de betrokken inrichtende machten en een of meer representatieve vakorganisaties een convenant
is gesloten over de wijze van aanwending van de middelen. Het convenant omvat minimaal :
1°
de aanleiding voor het sluiten van het convenant;
2° de doelstellingen;
3° de wijze
waarop vervangingen in korte afwezigheden zullen gebeuren;
4° afspraken over de opvolging van
de aanwending van de vervangingseenheden;
5° de gegevens van de participanten;
6° de
duur van het convenant;
7° de datum van inwerkingtreding.
De scholen wenden de vervangingseenheden
aan conform de bepalingen van het convenant. De scholen in een samenwerkingsplatform kunnen, binnen de
bepalingen van het convenant, een eigen beleid voeren betreffende vervangingen van korte afwezigheden
van personeelsleden die aangesteld zijn in een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel,
afhankelijk van eigen lokale behoeften en prioriteiten.
Met betrekking tot de middelen bestemd
voor de vervangingen bij bedrijfsstages is alleszins vereist dat de aanwending moet kaderen binnen het
nascholingsplan van de instellingen.
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt, respectievelijk
voor vervangingen van korte afwezigheden en voor vervangingen bij bedrijfsstages :
1° met inachtname
van de beschikbare begrotingskredieten, de berekeningswijze van de middelen per instelling en, doch uitsluitend
voor wat betreft vervangingen bij bedrijfsstages, het aandeel van die kredieten dat is voorbehouden voor
werkingsmiddelen met een maximum van 5 %;
2° de ambten die in aanmerking komen voor vervangingen.
».
Afdeling IV. - Wijzigingen betreffende de eindtermen, ontwikkelingsdoelen en specifieke
eindtermen in het secundair onderwijs
Artikel III.21
In artikel 2, tweede lid, van
het decreet van 18 januari 2002 betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen
in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, ingevoegd bij decreet van 10 juli 2008 worden
de woorden « het schooljaar 2009-2010 » vervangen door de woorden « het schooljaar 2010-2011 ».
Artikel
III.22
In artikel 4 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1°
in § 1 worden het tweede en derde lid opgeheven;
2° in § 2 wordt het eerste lid
vervangen door wat volgt :
« Er worden, per graad en per onderwijsvorm met uitsluiting van
het eerste leerjaar B en het beroepsvoorbereidend leerjaar, vakgebonden eindtermen vastgelegd voor de
basisvorming, zoals bepaald in titel IV van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II.
Voor wat evenwel de derde graad beroepssecundair onderwijs betreft, worden die eindtermen afzonderlijk
vastgelegd voor het eerste en tweede leerjaar enerzijds en het derde leerjaar anderzijds. »;
3°
in § 3 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« De vakoverschrijdende
eindtermen worden vastgelegd per graad of globaal voor het secundair onderwijs. Deze vakoverschrijdende
eindtermen zijn uitsluitend van toepassing op structuuronderdelen waarvoor vakgebonden eindtermen gelden.
Indien ze evenwel worden vastgelegd voor of toegepast in het eerste leerjaar B en het beroepsvoorbereidend
leerjaar van de eerste graad, dan worden ze vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen genoemd. »
Artikel
III.23
In artikel 5 van hetzelfde decreet, wordt § 2 vervangen door wat volgt :
«
§ 2. Er worden vakgebonden ontwikkelingsdoelen vastgelegd voor de basisvorming in het eerste leerjaar
B, in het beroepsvoorbereidend leerjaar en in het onthaaljaar, zoals bepaald in titel IV van het decreet
van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II.
Vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen zijn
minimumdoelen die niet behoren tot een specifiek vakgebied, maar onder meer door middel van meer vakken
of onderwijsprojecten worden nagestreefd. »
Artikel III.24
Aan artikel 8 van hetzelfde
decreet wordt een § 5 toegevoegd die luidt als volgt :
« § 5. Met inachtneming
van alle ontwikkelingsdoelen wordt in het onthaaljaar per leerling op basis van zijn onderwijsbehoeften
een individueel leertraject uitgewerkt waarin het aspiratieniveau voor deze leerling doorheen het jaar
wordt bijgesteld. Dit traject bevat onder meer de beginsituatie, de taaldoelen als leidraad en het advies
van de klassenraad voor wat betreft de overstap naar vervolgonderwijs of arbeidsmarkt. »
Artikel
III.25
In artikel 9, § 2, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt in 2° tussen het woord
« leerjaar » en de woorden « , en het onderwijsaanbod » de woorden « en het onthaaljaar » ingevoegd.
Artikel III.26
In artikel 2bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni
2000 tot vaststelling van de eindtermen van de tweede en de derde graad van het gewoon secundair onderwijs,
ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2008, worden de woorden « het schooljaar 2009-2010 » vervangen
door de woorden « het schooljaar 2010-2011 ».
Afdeling V. - Decreet betreffende het stelsel
van leren en werken
Artikel III.27
In artikel 3 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende
het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap wordt een punt 10°bis ingevoegd, dat luidt
als volgt :
« 10°bis ondernemersopleiding : de opleiding als vermeld in artikelen 26, 2°, en
31, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd
agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen; ».
Artikel III.28
In
artikel 10, § 1, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1°
punt 5° wordt vervangen door wat volgt :
« 5° de bepalingen naleven over de onderwijstaal en
de taalkennis van het personeel; »;
2° een punt 14° wordt toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 14° een doeltreffend beleid voert om het rookverbod, bedoeld in het decreet van 6 juni 2008 houdende
het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, kenbaar
te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties
oplegt, conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het centrum- of arbeidsreglement. »
Artikel
III.29
In artikel 19, § 1, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht
:
1° punt 5° wordt vervangen door wat volgt :
« 5° de bepalingen naleven over de onderwijstaal
en de taalkennis van het personeel; »;
2° een punt 13° wordt toegevoegd, dat luidt als volgt
:
« 13° een doeltreffend beleid voert om het rookverbod, bedoeld in het decreet van 6 juni
2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding,
kenbaar te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties
oplegt, conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het centrum- of arbeidsreglement. »
Artikel
III.30
Artikel 27, § 4, van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
«
§ 4. Voor de organisatie van de beroepsgerichte vorming en van activiteiten ter ondersteuning
van de beroepsgerichte vorming kan een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs samenwerken
met instellingen voor voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, met andere centra voor
deeltijds beroepssecundair onderwijs, met centra voor volwassenenonderwijs of met centra voor vorming
van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen. Voor de organisatie van de algemene vorming
en van activiteiten ter ondersteuning van de algemene vorming kan een centrum voor deeltijds beroepssecundair
onderwijs samenwerken met instellingen voor voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs.
In
voorkomend geval wordt er tussen het centrum en de instelling in kwestie of tussen de twee centra in
kwestie een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin alle noodzakelijk geachte afspraken en voorwaarden
zijn opgenomen. »
Artikel III.31
In artikelen 29, § 2, tweede lid, en 33, §
1, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de woorden « het schooljaar 2009-2010 » telkens vervangen
door de woorden « het schooljaar 2010-2011 ».
Artikel III.32
In artikel 40 van hetzelfde
decreet worden in het eerste lid de woorden « of in de leertijd » vervangen door de woorden « , in de
leertijd of in de ondernemersopleiding ».
Artikel III.33
In artikel 51 van hetzelfde
decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het woord « studiereglement » wordt
vervangen door het woord « centrumreglement »;
2° in 1° wordt een punt f) toegevoegd, dat luidt
als volgt :
« f) de afspraken inzake het rookverbod, bedoeld in het decreet van 6 juni 2008
houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding,
de controle op de naleving ervan en de sancties die kunnen opgelegd worden bij overtreding van het rookverbod.
».
Artikel III.34
In artikel 53, § 4, van hetzelfde decreet wordt na de zin
« Als de uitsluiting echter ingaat voor 30 juni van het schooljaar, dan blijft de jongere ingeschreven
in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs tot op het ogenblik van inschrijving in een
andere instelling of een ander centrum. » de zin « In afwijking hiervan kan het centrum voor deeltijds
beroepssecundair onderwijs een jongere die niet meer leerplichtig is en tijdens het schooljaar definitief
wordt uitgesloten, ook uitschrijven vanaf de dertigste lesdag volgend op de dag dat de definitieve uitsluiting
ingaat. » ingevoegd.
Artikel III.35
In artikel 62 van hetzelfde decreet wordt tussen
het derde en het vierde lid het volgende lid ingevoegd :
« Bij inschrijving is de screening
evenwel niet verplicht indien het een jongere betreft die al gescreend werd in het kader van een eerdere
inschrijving in een ander centrum of in hetzelfde centrum. In het geval het centrum of, voor wat betreft
de leertijd, de trajectbegeleider afziet van een nieuwe screening, dan blijft het resultaat van de vorige
screening gelden. »
Artikel III.36
Artikel 72 van hetzelfde decreet wordt vervangen
door wat volgt :
« Artikel 72
§ 1. Aan een jongere die voldaan heeft aan al
de onderstaande voorwaarden wordt een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs uitgereikt
:
1° met uitzondering van de eerste graad, ten minste 2 schooljaren in het secundair onderwijs
of in de leertijd hebben doorgebracht;
2° ten minste één certificaat behaald hebben;
3°
ingevolge een beslissing van de klassenraad, in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan
zijn opgenomen bereikt hebben en aldus voldaan hebben voor het geheel van de vorming.
§
2. Aan een jongere die voldaan heeft aan al de onderstaande voorwaarden wordt een studiegetuigschrift
van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs uitgereikt :
1° met uitzondering
van de eerste graad, ten minste 4 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht;
2°
ten minste één certificaat behaald hebben;
3° ingevolge een beslissing van de klassenraad, in
voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt hebben en aldus voldaan hebben
voor het geheel van de vorming.
§ 3. Aan een jongere die voldaan heeft aan al de onderstaande
voorwaarden wordt een diploma van secundair onderwijs uitgereikt :
1° met uitzondering van de
eerste graad, ten minste 5 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht;
2°
in het bezit zijn van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;
3°
ten minste één certificaat behaald hebben;
4° ingevolge een beslissing van de klassenraad, in
voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt hebben en aldus voldaan hebben
voor het geheel van de vorming. ».
Artikel III.37
Artikel 82 van hetzelfde decreet
wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 82
§ 1. Aan een jongere die voldaan
heeft aan al de onderstaande voorwaarden wordt een getuigschrift van de tweede graad van het secundair
onderwijs uitgereikt :
1° met uitzondering van de eerste graad, ten minste 2 schooljaren in
het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht;
2° ten minste één certificaat
behaald hebben;
3° ingevolge een beslissing van Syntra Vlaanderen, in voldoende mate de doelstellingen
die in het leerplan zijn opgenomen bereikt hebben en aldus voldaan hebben voor het geheel van de vorming.
§
2. Aan een jongere die voldaan heeft aan al de onderstaande voorwaarden wordt een studiegetuigschrift
van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs uitgereikt :
1° met uitzondering
van de eerste graad, ten minste 4 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht;
2°
ten minste één certificaat behaald hebben;
3° ingevolge een beslissing van Syntra Vlaanderen,
in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt hebben en aldus voldaan
hebben voor het geheel van de vorming.
§ 3. Aan een jongere die voldaan heeft aan al
de onderstaande voorwaarden wordt een diploma van secundair onderwijs uitgereikt :
1° met uitzondering
van de eerste graad, ten minste 5 schooljaren in het secundair onderwijs of in de leertijd hebben doorgebracht;
2°
in het bezit zijn van een getuigschrift van de tweede graad van het secundair onderwijs;
3°
ten minste één certificaat behaald hebben;
4° ingevolge een beslissing van Syntra Vlaanderen,
in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen bereikt hebben en aldus voldaan
hebben voor het geheel van de vorming. »
Artikel III.38
In artikel 87 van hetzelfde
decreet wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
« De wekelijkse uren-leraar praktische
vakken of gelijkgesteld met praktische vakken georganiseerd door een centrum voor deeltijds beroepssecundair
onderwijs dat verbonden is aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs,
komen in aanmerking voor de globale puntenenveloppe, zoals bepaald in titel XI van het decreet van 14
juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van
het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, zoals die, naargelang van het geval,
wordt berekend voor de scholengemeenschap waartoe de instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs
waar die uren worden georganiseerd, behoort, of wordt berekend voor de instelling voor voltijds gewoon
secundair onderwijs waar die uren worden georganiseerd en die niet tot een scholengemeenschap behoort.
De globale puntenenveloppe strekt ertoe enerzijds om op het niveau van de instelling het kader bestuurspersoneel
en ondersteunend personeel in te vullen en anderzijds om op het niveau van de instelling en van de scholengemeenschap
een beleid inzake taak- en functiedifferentiatie gestalte te geven. »
Artikel III.39
Artikel
88 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 88
Voor de categorie
van het bestuurspersoneel wordt aan een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat autonoom
is, één betrekking in het ambt van directeur toegekend.
De jongeren van een centrum voor deeltijds
beroepssecundair onderwijs dat autonoom is en de wekelijkse uren-leraar praktische vakken of gelijkgesteld
met praktische vakken georganiseerd door dergelijk centrum, komen in aanmerking voor de globale puntenenveloppe,
zoals bepaald in titel XI van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking
tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs,
zoals die, naargelang van het geval, wordt berekend voor de scholengemeenschap waartoe het centrum behoort
of wordt berekend voor het centrum dat niet tot een scholengemeenschap behoort. De globale puntenenveloppe
strekt ertoe enerzijds om op het niveau van de instelling het kader bestuurspersoneel en ondersteunend
personeel in te vullen en anderzijds om op het niveau van de instelling en van de scholengemeenschap
een beleid inzake taak- en functiedifferentiatie gestalte te geven.
Voor de toepassing van deze
bepaling worden de uren-leraar, aangewend voor voordrachtgevers als vermeld in artikel 90, 3°, voor een
derde als praktische vakken of gelijkgesteld met praktische vakken beschouwd. »
Artikel III.40
In
artikel 90, § 1, van hetzelfde decreet wordt punt 6° vervangen door wat volgt :
« 6°
overdracht van uren-leraar naar een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs,
naar een ander centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of naar een centrum voor volwassenenonderwijs
waarop een beroep wordt gedaan voor de organisatie van algemene vorming, beroepsgerichte vorming of activiteiten
ter ondersteuning ervan als vermeld in artikel 27, § 4, onder de volgende voorwaarden :
a)
uren-leraar die worden overgedragen voor de organisatie van activiteiten ter ondersteuning van algemene
vorming of beroepsgerichte vorming kunnen door de begunstigde instelling met voltijds gewoon technisch
of beroepssecundair onderwijs slechts worden aangewend onder vorm van met lesuren gelijkgestelde uren,
meer bepaald als « bijzondere pedagogische taken »;
b) uren-leraar die worden overgedragen
voor de organisatie van activiteiten ter ondersteuning van beroepsgerichte vorming kunnen door het begunstigd
centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs slechts worden aangewend onder vorm van met lesuren
gelijkgestelde uren, meer bepaald als « uren leren en werken »;
c) uren-leraar die worden overgedragen
voor de organisatie van activiteiten ter ondersteuning van beroepsgerichte vorming kunnen door het begunstigd
centrum voor volwassenenonderwijs slechts worden aangewend onder vorm van leraarsuren als vermeld in
artikel 102, § 2, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;
d)
vanaf het schooljaar 2010-2011 kan het totale aantal uren-leraar dat wordt overgedragen voor de organisatie
van algemene vorming of van activiteiten ter ondersteuning van algemene vorming of beroepsgerichte vorming
nooit hoger liggen dat het totale aantal uren-leraar dat met datzelfde doel door het centrum in kwestie
werd overgedragen tijdens het voorafgaande schooljaar. ».
Artikel III.41
In artikel
95, § 4, van hetzelfde decreet wordt tussen het eerste lid en het tweede lid een nieuw lid ingevoegd,
dat luidt als volgt :
« Ook voor het schooljaar 2009-2010 vindt subsidiëring plaats, zij het
respectievelijk op basis van volgende bedragen voor de hierboven opgegeven centra :
1° 30.000
euro;
2° 127.500 euro;
3° 105.000 euro;
4° 60.000 euro;
5° 75.000
euro. ».
Artikel III.42
In artikel 143 van hetzelfde decreet wordt punt 8° opgeheven.
Afdeling
VI. - Wet betreffende de leerplicht
Artikel III.43
In artikel 1, § 6, van de
wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht, ingevoegd bij het decreet van 14 februari 2003 en gewijzigd
bij het decreet van 22 juni 2007, worden de woorden « erkend, gefinancierd of gesubsidieerd is door de
Vlaamse Gemeenschap » vervangen door de woorden « hetzij erkend, gefinancierd of gesubsidieerd is door
de Vlaamse Gemeenschap, hetzij erkend door een andere overheid van het land waarin de school gelegen
is, hetzij onderwijs organiseert dat door de Vlaamse Gemeenschap als gelijkgesteld met of gelijkwaardig
aan door haar erkend onderwijs wordt beschouwd ».
Afdeling VII. - Buitengewoon onderwijs
Onderafdeling
I. - Toelatingsvoorwaarden en certificering OV3
Artikel III.44
In artikel 5ter van
de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs, ingevoegd bij het decreet van 13
juli 2001 en vervangen bij het decreet van 7 juli 2006, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1°
punt 2° wordt vervangen door wat volgt :
« 2° leerlingen die in opleidingsvorm 3 het getuigschrift
van verworven competenties hebben behaald die daartoe door de klassenraad bekwaam worden geacht; »;
2°
er wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 3° leerlingen die in opleidingsvorm
3 het attest van verworven bekwaamheden hebben behaald die daartoe door de klassenraad bekwaam worden
geacht. ».
Artikel III.45
Artikel 5quinquies van dezelfde wet, ingevoegd bij het decreet
van 13 juli 2001, wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 5quinquies
De integratiefase
wordt bekrachtigd met een getuigschrift van alternerende beroepsopleiding in een bepaalde bedrijfssector,
en in voorkomend geval, een (kwalificatie)getuigschrift of een getuigschrift van verworven competenties.
».
Onderafdeling II
Koninklijk besluit nr. 65 tot vaststelling van de wijze waarop
de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald voor het buitengewoon onderwijs
Artikel
III.46
In artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van
de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen
voor buitengewoon onderwijs, gewijzigd bij het decreet van 9 april 1992, wordt paragraaf 4 opgeheven.
Artikel
III.47
In artikel 2 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het decreet van 22 juni 2007,
worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 4 wordt opgeheven;
2° in
paragraaf 5 wordt de eerste zin vervangen door wat volgt :
« § 5. Een onderwijsinstelling
voor buitengewoon secundair onderwijs kan het gedeelte van het lesurenpakket dat zij niet aanwendt, overdragen
naar het daaropvolgende schooljaar, mits te voldoen aan alle volgende voorwaarden : »;
3° in
paragraaf 6 worden in de eerste zin de woorden « van het extra lesurenpakket voor doelgroepleerlingen
en » geschrapt.
Artikel III.48
In artikel 3 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd
bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 1994, wordt paragraaf 2 opgeheven.
Artikel
III.49
In artikel 5 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het decreet van 4 juli 2008,
wordt paragraaf 4 opgeheven.
Artikel III.50
Artikel 8bis van hetzelfde besluit, ingevoegd
bij het decreet van 9 april 1992, wordt opgeheven.
Artikel III.51
Artikel 23bis van
hetzelfde besluit, ingevoegd bij het decreet van 9 april 1992 en gewijzigd bij het decreet van 15 juli
2005, wordt opgeheven.
Onderafdeling III. - Buitengewoon onderwijs en de puntenenveloppe secundair
onderwijs
Artikel III.52
De volgende bepalingen worden opgeheven :
1° de artikelen
25 tot en met 28 van het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop
de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon
onderwijs;
2° het koninklijk besluit nr. 66 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop
de ambten van het administratief personeel en het opvoedend hulppersoneel worden bepaald in de inrichtingen
voor buitengewoon onderwijs met uitzondering van de internaten of semi-internaten.
Onderafdeling
IV. - Afwijkingsuren voor leerlingen met autismespectrumstoornissen
Artikel III.53
Aan
artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de
ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon
onderwijs, gewijzigd bij de decreten van 9 april 1992, 28 april 1993, 14 juli 1998, 7 juli 2006 en 4
juli 2008, wordt een paragraaf 7 toegevoegd, die luidt als volgt :
« § 7. In het kader
van het geïntegreerd onderwijs gericht op de begeleiding van leerlingen met een autismespectrumstoornis
en in afwijking van de bepalingen van dit besluit kan de regering op vraag van de inrichtende macht in
het buitengewoon onderwijs voor de schooljaren 2009-2010, 2010-2011 en 2011-2012, extra lesuren toekennen
voor het onderwijzend personeel.
Het aantal extra lesuren bedraagt voor het Gemeenschapsonderwijs,
het gesubsidieerd officieel onderwijs en het gesubsidieerd vrij onderwijs samen maximaal 748 extra lesuren.
In geen geval kan de inrichtende macht personeelsleden affecteren, muteren en/of vast benoemen in de
extra lesuren. »
Artikel III.54
Aan artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 67 van
20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch
en orthopedagogisch personeel worden bepaald in het buitengewoon secundair onderwijs, gewijzigd bij de
decreten van 28 april 1993, 14 juli 1998, 7 juli 2006 en 4 juli 2008, wordt een paragraaf 6 toegevoegd,
die luidt als volgt :
« § 6. In het kader van het geïntegreerd onderwijs gericht op
de begeleiding van leerlingen met een autismespectrumstoornis en in afwijking van de bepalingen van dit
besluit kan de regering op vraag van de inrichtende macht in het buitengewoon onderwijs voor de schooljaren
2009-2010, 2010-2011 en 2011-2012, extra uren toekennen voor het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch
en orthopedagogisch personeel.
Het aantal extra uren bedraagt voor het Gemeenschapsonderwijs,
het gesubsidieerd officieel onderwijs en het gesubsidieerd vrij onderwijs samen maximaal 132 extra uren.
In geen geval kan de inrichtende macht personeelsleden affecteren, muteren en/of vast benoemen in de
extra uren. »
Artikel III.55
Aan artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 184 van 30
december 1982 tot vaststelling van de wijze waarop voor de Rijksinstituten voor buitengewoon onderwijs
en de tehuizen van het Rijk de ambten worden bepaald van het paramedisch personeel en van het personeel
toegekend in het kader van het internaat, gewijzigd bij de decreten van 28 april 1993, 14 juli 1998,
7 juli 2006 en 4 juli 2008, wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt :
« §
6. In het kader van het geïntegreerd onderwijs gericht op de begeleiding van leerlingen met een autismespectrumstoornis
en in afwijking van de bepalingen van dit besluit kan de regering op vraag van de inrichtende macht in
het buitengewoon onderwijs voor de schooljaren 2009-2010, 2010-2011 en 2011-2012, extra uren toekennen
voor het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.
Het aantal
extra uren bedraagt voor het Gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het gesubsidieerd
vrij onderwijs samen maximaal 132 extra uren. In geen geval kan de inrichtende macht personeelsleden
affecteren, muteren en/of vast benoemen in de extra uren. »
Onderafdeling V. - Programmatiestop
voor type 7
Artikel III.56
In het koninklijk besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende
rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs, laatst gewijzigd bij het besluit van 6
december 2002, wordt een artikel 35/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 35/1
In
afwijking van de artikelen 32, 33 en 35 kan in een school, vestigingsplaats, opleidingsvorm of opleiding
het type 7 niet opgericht worden in het schooljaar 2009-2010. In het schooljaar 2009-2010 wordt de oprichting
van type 7 beschouwd als een programmatie, voor de scholen, vestigingsplaatsen, opleidingsvormen en opleidingen
die op de teldatum van het schooljaar 2008-2009 geen leerlingen van dat type hadden. ».
Afdeling
VIII. - Inwerkingtreding
Artikel III.57
De bepalingen van dit hoofdstuk treden in
werking op 1 september 2009, met uitzondering van :
1° artikelen III.20 en III.42 die uitwerking
hebben met ingang van 1 september 2008;
2° artikelen III.7, III.8, 2°, III.22, III.23, III.24
en III.25 die in werking treden op 1 september 2010;
3° artikel III.8, 1°, 3° en 4°, dat in
werking treedt op 1 september 2011;
4° artikel III.10 dat in werking treedt op de volgende data
:
- punt 1° op 1 september 2012 in het eerste leerjaar van de tweede graad en op 1 september
2013 in het tweede leerjaar van de tweede graad;
- punt 2° op 1 september 2010 in het eerste
leerjaar van de tweede graad en op 1 september 2011 in het tweede leerjaar van de tweede graad;
- punt 3° op 1 september 2010;
- punt 4° op 1 september 2014 in het eerste leerjaar van de
derde graad en op 1 september 2015 in het tweede leerjaar van de derde graad;
- punten 5° en
6° op 1 september 2012 in het eerste leerjaar van de derde graad en op 1 september 2013 in het tweede
leerjaar van de derde graad;
- punten 7° en 8° op 1 september 2014 in het derde leerjaar van
de derde graad.
HOOFDSTUK IV. - Levenslang leren
Afdeling I. - Deeltijds kunstonderwijs
Onderafdeling
I. - Decreet betreffende het onderwijs II
Artikel IV.1
In het decreet van 31 juli 1990
betreffende het onderwijs II wordt een artikel 90bis ingevoegd dat luidt als volgt :
« Artikel
90bis
De Vlaamse Regering informeert de afgevaardigden van de inrichtende machten en de representatieve
vakorganisaties over elke geplande fundamentele onderwijshervorming.
Vóór de Vlaamse Regering
een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de afgevaardigden
van de inrichtende machten een apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming
tussen de minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de afgevaardigden van de inrichtende
machten.
Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op
vraag van ten minste één van de representatieve vakorganisaties een apart overleg georganiseerd over
die fundamentele onderwijshervorming tussen de minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde
en de representatieve vakorganisaties. »
Artikel IV.2
Aan artikel 91 van hetzelfde
decreet, gewijzigd bij decreet van 7 juli 2006, worden een punt 9, een punt 10 en een punt 11 toegevoegd
die luiden als volgt :
« 9° samensmelting van filialen : de samenvoeging tot één instelling
van twee of meer in dezelfde gemeente gelegen filialen;
10° hoofdinstelling : de vestigingsplaats
van een instelling die als administratieve zetel door de inrichtende macht is aangeduid;
11°
kunstacademie : instelling die de studierichtingen beeldende kunst en muziek en één of meer andere studierichtingen
organiseert. ».
Artikel IV.3
In hetzelfde decreet wordt een artikel 93bis ingevoegd
dat luidt als volgt :
« Artikel 93bis
§ 1. Binnen de perken van de beschikbare
begrotingskredieten kan vanaf het schooljaar 2009-2010 een instelling voor deeltijds kunstonderwijs opgericht
worden in gemeenten die beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
1° er zijn minstens 19.300
inwoners op 1 januari van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de oprichting gebeurt;
2°
de verhouding tussen het aantal leerlingen dat in de gemeente lager of secundair onderwijs volgt en het
inwonersaantal bedraagt minstens 9 % of de verhouding tussen het aantal leerplichtige inwoners en het
totale inwonersaantal bedraagt minstens 15,3 %; deze percentages worden berekend aan de hand van het
aantal inwoners zoals bedoeld in 1° en het aantal leerlingen geteld op 1 februari van het kalenderjaar
voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de oprichting gebeurt;
3° er is nog geen hoofdinstelling
of filiaal gevestigd.
§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag
en de kwalitatieve beoordeling van nieuwe instellingen. ».
Artikel IV.4
In hetzelfde
decreet wordt een artikel 93ter ingevoegd dat luidt als volgt :
« Artikel 93ter
§
1. Vanaf het schooljaar 2009-2010 kan een kunstacademie ontstaan door :
1° fusie van instellingen
waarvan de hoofdinstellingen gelegen zijn in dezelfde gemeente;
2° de overheveling van een
of meer filialen naar een instelling waarvan de hoofdinstelling gelegen is in dezelfde gemeente;
3°
samensmelting van filialen die gelegen zijn in dezelfde gemeente;
4° oprichting van een nieuwe
instelling voor deeltijds kunstonderwijs.
§ 2. De instellingen die in het schooljaar
2008-2009 een tijdelijk project aanhechting studierichting beeldende kunst in een instelling voor muziek,
woordkunst en/of dans organiseerden, worden beschouwd als kunstacademie.
§ 3. Vanaf het
schooljaar 2010-2011 kan een kunstacademie eveneens ontstaan door de programmatie van een studierichting
in een bestaande instelling.
§ 4. Een kunstacademie kan enkel ontstaan in gemeenten
die beantwoorden aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 93bis, § 1, 1° en 2°. In gemeenten
die daarenboven ook voldoen aan de voorwaarde zoals bepaald in artikel 93bis, § 1, 3°, kan een
kunstacademie ontstaan door de oprichting van een nieuwe instelling voor deeltijds kunstonderwijs.
§
5. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag, de kwalitatieve beoordeling en de oprichting
van kunstacademies.
§ 6. De Vlaamse Regering bepaalt programmatie- en rationalisatienormen
voor instellingen, kunstacademies, filialen, studierichtingen en graden.
In afwachting van
het in werking treden van de besluiten in uitvoering van dit decreet, blijft de ter zake geldende regelgeving,
die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet van kracht is, van toepassing.
§
7. In kunstacademies worden uren-leraar voor beleidsondersteuning gefinancierd of gesubsidieerd. De Vlaamse
Regering bepaalt de voorwaarden tot het verkrijgen van de uren alsook het aantal en de wijze van berekening
ervan op basis van het aantal financierbare leerlingen ingeschreven op de voor de financierbaarheid relevante
teldag.
§ 8. Het personeelslid dat aangesteld wordt in een betrekking beleidsondersteuning
met uren-leraar vermeld in § 7, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid.
De
bepalingen van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet Rechtspositie
personeelsleden gesubsidieerd onderwijs zijn van toepassing, met uitzondering van de volgende bepalingen
:
1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling
wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. De inrichtende macht van
de instelling waaraan de betrekking wordt toegewezen, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid
aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling wordt
beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Deze reaffectatie of wedertewerkstelling gebeurt
steeds met instemming van het ter beschikking gestelde personeelslid. In het geval er, als gevolg van
het ontstaan van de kunstacademie door fusie van instellingen, een personeelslid ter beschikking gesteld
is wegens ontstentenis van betrekking in het ambt van directeur en dat personeelslid bij de inrichtende
macht die hem ter beschikking gesteld heeft geen reaffectatie in een organiek ambt krijgt, is de inrichtende
macht van de instelling waaraan de betrekking wordt toegewezen, in afwijking van artikel 38 van het besluit
van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling
wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een
wachtgeld of wachtgeldtoelage, echter wel verplicht dat personeelslid in de betrekking aan te stellen.
Deze aanstelling wordt beschouwd als een wedertewerkstelling;
2° de inrichtende macht van de
instelling waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in deze betrekking een personeelslid
aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig
artikel 21 van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en artikel 23 van het
decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;
3° de betrekking kan niet worden
vacant verklaard. De inrichtende macht kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren
of muteren in deze betrekking. »
Artikel IV.5
Artikel 97 van hetzelfde decreet wordt
als volgt gewijzigd :
1° de bestaande inhoud van artikel 97 wordt § 1;
2° in
§ 1 van artikel 97 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) punt 1° wordt vervangen
door wat volgt :
« 1° optimaliseert het aanbod van opleidingen die door de instellingen voor
deeltijds kunstonderwijs worden georganiseerd en stemt dit op elkaar af; »;
b) punten 4°,
5° en 6° worden toegevoegd, die luiden als volgt :
« 4° signaleert knelpunten, behoeften en
oplossingen inzake deeltijds kunstopleidingen aan de overheid;
5° optimaliseert de dienstverlening
voor de leerlingen in de instellingen;
6° stimuleert en ondersteunt alle mogelijke vormen van
samenwerking tussen de instellingen. »;
c) de laatste twee leden worden opgeheven;
3°
er worden een § 2, § 3 en § 4 toegevoegd, die luiden als volgt :
« §
2. Het Samenwerkingsforum oefent tenminste de volgende opdrachten uit :
1° de realisatie van
de doelstellingen, vermeld in § 1;
2° een met redenen omkleed advies verlenen over de
aanvragen van de instellingen voor deeltijds kunstonderwijs voor de programmatie van filialen, studierichtingen,
graden en opties, zoals vermeld in artikel 97bis van dit decreet;
3° alle opdrachten, die
een inrichtende macht apart aan het Samenwerkingsforum toewijst of die de instellingen gezamenlijk aan
het Samenwerkingsforum toewijzen, uitvoeren.
§ 3. Het Samenwerkingsforum kan nooit zelf
over onderwijsbevoegdheid beschikken.
§ 4. Het Samenwerkingsforum legt jaarlijks vóór
1 mei een werkingsverslag voor aan de Vlaamse Regering, die bijsturingen kan voorstellen. Bovendien bezorgt
het tegen 1 april 2010 een zelfevaluatierapport aan de bevoegde administratie van het ministerie van
Onderwijs en Vorming in functie van een eventuele structurele verankering van samenwerkingsverbanden
in het deeltijds kunstonderwijs. In dit rapport komen minstens de volgende elementen aan bod :
- een beschrijving van de evolutie van het deeltijds kunstonderwijs in het arrondissement Brussel-Hoofdstad
sinds het schooljaar van de opstart van het Samenwerkingsforum;
- een beschrijving en beoordeling
van de sterke en de te verbeteren punten, de kansen en de moeilijkheden van de werking van het Samenwerkingsforum;
- een inschatting vanuit de opgedane ervaring onder welke vorm regionale samenwerking een
structurele verankering kan krijgen, rekening houdend met lokale verschillen en toepasbaarheid op het
volledige Vlaamse onderwijslandschap. ».
Artikel IV.6
In hetzelfde decreet wordt een
artikel 97bis toegevoegd dat luidt als volgt :
« Artikel 97bis
§ 1. De inrichtende
macht van een instelling voor deeltijds kunstonderwijs die gevestigd is in het arrondissement Brussel-Hoofdstad
legt een aanvraag voor programmatie van filialen, studierichtingen, graden en opties, zoals vermeld in
hoofdstuk VII van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds
kunstonderwijs, studierichting beeldende kunst en hoofdstuk VII van het besluit van de Vlaamse Regering
van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen muziek, woordkunst
en dans, voor aan het netoverschrijdend Samenwerkingsforum.
De inrichtende macht verkrijgt de
toestemming tot de gevraagde programmatie, als het netoverschrijdend Samenwerkingsforum bij consensus
een positief advies verleent aan de aanvraag. Het Samenwerkingsforum is gehouden het positief advies
verleend bij consensus binnen de dertig kalenderdagen aan de Vlaamse Regering bekend te maken.
Als
het Samenwerkingsforum bij meerderheid een positief advies verleent aan de aanvraag, kan de inrichtende
macht de programmatie aanvragen bij de Vlaamse Regering. Het advies uitgebracht door het Samenwerkingsforum
geldt dan als advies aan de Vlaamse Regering.
§ 2. In afwijking van § 1, moet
de inrichtende macht van een instelling voor deeltijds kunstonderwijs voor de programmatie van een instelling,
steeds een aanvraag indienen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan de aangevraagde programmatie
uitsluitend weigeren of verlenen na advies van het Samenwerkingsforum en bij een met redenen omklede
beslissing.
§ 3. De inrichtende macht van een instelling voor deeltijds kunstonderwijs
dat van het Samenwerkingsforum een negatief advies heeft verkregen, kan bij de Vlaamse Regering de programmatie
aanvragen. Het advies uitgebracht door het Samenwerkingsforum geldt dan als advies aan de Vlaamse Regering.
De Vlaamse Regering zal, voorafgaandelijk aan het nemen van een beslissing, het advies van de Vlaamse
Onderwijsraad inwinnen. De Vlaamse Regering kan de aangevraagde programmatie uitsluitend weigeren of
verlenen bij een met redenen omklede beslissing. »
Onderafdeling II. - Wet tot wijziging van
sommige bepalingen van de onderwijswetgeving
Artikel IV.7
In artikel 24, § 2,
eerste lid, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving
worden de woorden « en de toepassing van de taalwetten » vervangen door de woorden « en wanneer ze de
bepalingen over de taalregeling in onderwijs en de taalkennis van het personeel naleeft ».
Onderafdeling
III. - Decreet houdende enkele dringende maatregelen voor het deeltijds kunstonderwijs
Artikel
IV.8
Aan artikel 8, § 2, van het decreet van 10 juli 2008 houdende enkele dringende maatregelen
voor het deeltijds kunstonderwijs wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 4° de
projectorganisatoren bezorgen tegen 1 april 2010 een zelfevaluatierapport van hun project aan de bevoegde
administratie van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming in functie van een eventuele structurele
verankering van samenwerkingsverbanden in het deeltijds kunstonderwijs. In dit rapport komen minstens
de volgende elementen aan bod :
- een beschrijving van de evolutie van het project sinds het
schooljaar van de opstart;
- een beschrijving en beoordeling van de sterke en de te verbeteren
punten, de kansen en de moeilijkheden van het project;
- een inschatting vanuit de opgedane
ervaring onder welke vorm regionale samenwerking een structurele verankering kan krijgen, rekening houdend
met lokale verschillen en toepasbaarheid op het volledige Vlaamse onderwijslandschap. ».
Artikel
IV.9
Aan hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk IIbis, bestaande uit een artikel 8bis, toegevoegd,
dat luidt als volgt :
« HOOFDSTUK IIbis. - Tijdelijk project regionale samenwerking Zuid-Limburg
Artikel
8bis
Scholengroep 13 Zuid-Limburg organiseert vanaf 1 september 2009 gedurende vier schooljaren
een tijdelijk project regionale samenwerking onder de volgende voorwaarden :
1° de voorwaarden
vermeld in artikel 8, § 2, 1°, a), b) en c), waarbij Voeren wordt beschouwd als aaneensluitende
gemeente;
2° het samenwerkingsverband kan zich uitstrekken over het grondgebied van gemeenten
die binnen het gebied van de scholengroep vallen en waar geen andere inrichtende machten dan de scholengroep
deeltijds kunstonderwijs aanbieden alsook over het grondgebied van gemeenten buiten de scholengroep waar
de scholengroep op 1 september 2009 al deeltijds kunstonderwijs aanbiedt;
3° de voorwaarden
vermeld in artikel 8, § 2, 2°, 3° en 4°;
4° voor de coördinatie van het tijdelijk project
ontvangt de scholengroep 10 wekelijkse uren-leraar voor pedagogische coördinatie. ».
Onderafdeling
IV. - Inwerkingtreding
Artikel IV.10
De bepalingen van deze afdeling hebben uitwerking
met ingang van 1 april 2009, met uitzondering van artikelen IV.1 en IV.7 die in werking treden op 1 september
2009.
Afdeling II. - Volwassenenonderwijs
Onderafdeling I. - Decreet betreffende het
volwassenenonderwijs
Artikel IV.11
In artikel 2, 40°, van het decreet van 15 juni 2007
betreffende het volwassenenonderwijs worden de woorden « een module, » geschrapt.
Artikel IV.12
In
artikel 10 van hetzelfde decreet wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt
als volgt :
« Voor een experimenteel nieuw leergebied voor de basiseducatie kent de Vlaamse
Regering een deler toe als vermeld in artikel 85, § 2. Voor een experimenteel nieuw studiegebied
voor het secundair volwassenenonderwijs kent de Vlaamse Regering een deler toe als vermeld in artikel
98, § 1. ».
Artikel IV.13
In artikel 11, § 5, van hetzelfde decreet wordt
tussen het woord « bepaalde » en de woorden « eindtermen of specifieke eindtermen », het woord « ontwikkelingsdoelen,
» ingevoegd.
Artikel IV.14
In artikel 12 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen
aangebracht :
1° in § 3 wordt een punt 2°bis ingevoegd dat luidt als volgt :
« 2°bis de opleidingen van het leergebied talen in de basiseducatie, waarvoor geen eindtermen bepaald
zijn; »;
2° in § 3 wordt in punt 3° tussen de woorden « alfabetisering Nederlands tweede
taal » en de woorden « en Nederlands tweede taal », de woorden « , wiskunde » ingevoegd;
3°
er wordt een § 4 toegevoegd die luidt als volgt :
« § 4. In afwijking van §
3 worden de basiscompetenties voor het leergebied wiskunde van de basiseducatie vastgelegd voor het geheel
van de modules of opleidingen.
De basiscompetenties voor de modules of opleidingen van het leergebied
wiskunde worden bepaald door de Vlaamse Regering. ».
Artikel IV.15
In artikel 19, §
3, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid,
worden de woorden « en het volwassenenonderwijs. » vervangen door de woorden « , Centra voor Volwassenenonderwijs
en Centra voor Basiseducatie. »;
2° in het tweede lid wordt na de eerste zin een nieuwe zin
toegevoegd, die luidt als volgt :
« De LIO-baan in een Centrum voor Basiseducatie bedraagt op
jaarbasis ten minste 0,6 VTE. »;
3° het laatste lid wordt vervangen door wat volgt :
« De leraar-in-opleiding in een instelling voor secundair onderwijs, voor deeltijds kunstonderwijs of
in een centrum voor volwassenenonderwijs wordt aangesteld als tijdelijk personeelslid en is onderworpen
aan de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden
van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of het decreet
van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs.
De
leraar-in-opleiding in een centrum voor basiseducatie wordt aangesteld als contractueel personeelslid
zoals bedoeld in artikel 127, 1°. »
Artikel IV.16
In hetzelfde decreet wordt een artikel
25bis ingevoegd dat luidt als volgt :
« Artikel 25bis
In afwijking van artikel 25
kunnen de Centra voor Basiseducatie ook opleidingsaanbod organiseren in de vorm van een open module die
overeenkomstig dit decreet erkend is en voldoet aan volgende criteria :
1° het voldoet aan de
wettelijke bepalingen van dit decreet;
2° het aantal lestijden dat in aanmerking genomen wordt
voor de berekening van de subsidiëring bedraagt 20, 40 of 60 lestijden;
3° het is gericht op
ten minste 1 cursist;
4° het bevat uitsluitend eindtermen of basiscompetenties uit een van de
leergebieden van de basiseducatie, waarvan de clustering relevant en consistent is;
5° de duur
staat in verhouding tot de vooropgestelde doelstellingen;
6° de wijze van evalueren is duidelijk
omschreven.
De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten inzake evaluatie, verantwoordingsstukken
en procedure. »
Artikel IV.17
In artikel 28, eerste lid, van hetzelfde decreet worden
de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt :
« 2° het omvat minimaal een evaluatiemoment in contactonderwijs; »;
2° punt 3° wordt opgeheven.
Artikel
IV.18
Aan artikel 35, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 4 juli
2008, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« In afwijking van het eerste lid
en in uitvoering van federale, Europese of andere hiërarchisch hogere regelgeving voortvloeiende verplichtingen,
kan de Vlaamse Regering aanvullende toelatingsvoorwaarden bepalen om als cursist toegelaten te worden
tot de aanvangsmodule van een opleiding in de sequentieel geordende organisatie of tot een niet-sequentieel
geordende module. »
Artikel IV.19
In artikel 41 van hetzelfde decreet worden de volgende
wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt aangevuld met een lid dat luidt als volgt :
« Bij een deelcertificaat van een open module als vermeld in artikel 25bis wordt steeds een deelcertificaatsupplement
uitgereikt, waarin het centrumbestuur de eindtermen of basiscompetenties van die module opneemt. De Vlaamse
Regering bepaalt het model van deelcertificaatsupplement en de nadere modaliteiten met betrekking tot
de uitreiking ervan. »;
2° in § 4 wordt het punt 2°bis ingevoegd dat luidt als volgt
:
« 2°bis de opleiding aanvullende algemene vorming, gecombineerd met een of meer deelattesten
als bewijs van slagen voor het specifiek gedeelte, eigen aan de gekozen onderverdeling, van een examenprogramma
tot het behalen van een diploma secundair onderwijs in het TSO of BSO voor de examencommissie van de
Vlaamse Gemeenschap voor het voltijds secundair onderwijs voor zover de onderverdeling overeenkomt met
een opleiding als vermeld in artikel 42; ».
Artikel IV.20
In artikel 49 van hetzelfde
decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° er wordt een punt 8°bis ingevoegd,
dat luidt als volgt :
« 8°bis in uitvoering van het Strategisch Plan Hulp- en Dienstverlening
aan Gedetineerden, de onderwijscoördinatoren ondersteunen bij enerzijds de uitbouw van een behoeftedekkend
en aangepast aanbod voor onderwijs aan gedetineerden en anderzijds de coördinatie van het onderwijsaanbod
in de gevangenis; »;
2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
«
Voor de uitvoering van de opdracht vermeld onder 8°bis, stelt de Vlaamse Regering jaarlijks aan het Vlaams
Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs een bijkomende subsidie ter beschikking. Die subsidie
omvat middelen voor personeelskosten en werkingskosten. ».
Artikel IV.21
In artikel
56 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 6° wordt vervangen
door wat volgt :
« 6° de bepalingen naleven over de taalregeling en de taalkennis van het personeel;
»;
2° punt 9° wordt opgeheven.
Artikel IV.22
In artikel 62, § 1, van
hetzelfde decreet wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
« 1° de organisatie van een of meerdere
opleidingen per leergebied, als vermeld in artikel 6, 1° tot en met 6°; ».
Artikel IV.23
In
artikel 63, § 1, van hetzelfde decreet wordt punt 5° opgeheven.
Artikel IV.24
In
artikel 64, § 2, van hetzelfde decreet worden tussen de woorden « en personenzorg » en de woorden
« en de studiegebieden, zoals vermeld in artikel 8 », de woorden « , de experimenteel nieuwe studiegebieden
die erkend zijn door de Vlaamse Regering zoals vermeld in artikel 10, » ingevoegd.
Artikel IV.25
In
artikel 65 van hetzelfde decreet wordt § 3 vervangen door wat volgt :
« § 3. Door
de overheveling van een structuuronderdeel verkrijgt het ontvangende Centrum voor Volwassenenonderwijs
het recht om dat structuuronderdeel te organiseren als de algemene vergadering van het consortium volwassenenonderwijs
er bij consensus een positief advies aan verleent.
In de overeenkomst van overheveling, te ondertekenen
door beide centrumbesturen, wordt bepaald of de overdracht van een structuuronderdeel gepaard gaat met
een overdracht van leraarsuren. ».
Artikel IV.26
Aan artikel 70 van hetzelfde decreet,
gewijzigd bij het decreet van 4 juli 2008, worden §§ 4 en 5 toegevoegd, die luiden als
volgt :
« § 4. Het bestuur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs dat gemachtigd wordt
leraarsuren aan te wenden in een vestigingsplaats buiten het werkingsgebied van de hoofdvestigingsplaats,
kan in deze vestigingsplaats uitsluitend de onderwijsbevoegdheid uitoefenen die tijdens de referteperiode
1 april 2008 tot 31 maart 2009 effectief in deze vestigingsplaats werd uitgeoefend. De onderwijsbevoegdheid,
verleend op basis van artikel 197bis, wordt hierbij niet in rekening gebracht.
Indien de onderwijsbevoegdheid,
vermeld in het eerste lid, betrekking heeft op een opleiding van het studiegebied talen richtgraad 1
en 2 of het studiegebied talen richtgraad 3 en 4, dan wordt het centrumbestuur gemachtigd om de onderwijsbevoegdheid
voor dezelfde opleiding respectievelijk zowel op het niveau richtgraad 1 als op het niveau richtgraad
2 of zowel op het niveau richtgraad 3 als het niveau richtgraad 4 in een vestigingsplaats buiten het
werkingsgebied van de hoofdvestigingsplaats uit te oefenen.
§ 5. In afwijking van §
4 kan het bestuur van een Centrum voor Volwassenenonderwijs dat gemachtigd wordt leraarsuren aan te wenden
in een vestigingsplaats buiten het werkingsgebied van de hoofdvestigingsplaats bij de algemene vergadering
van het consortium volwassenenonderwijs waartoe de gemeente van deze vestigingsplaats behoort, een aanvraag
indienen om ook onderwijsbevoegdheid, vermeld in artikel 63, § 2, of verworven via de procedure,
vermeld in artikel 181, uit te oefenen.
Het centrumbestuur kan de aangevraagde onderwijsbevoegdheid
uitoefenen als de algemene vergadering van het consortium volwassenenonderwijs waartoe de gemeente van
deze vestigingsplaats behoort, bij consensus een positief advies aan de aanvraag verleent. Het consortium
volwassenenonderwijs is gehouden het positief advies verleend bij consensus binnen de dertig kalenderdagen
aan de Vlaamse Regering bekend te maken. »
Artikel IV.27
Aan titel IV, hoofdstuk I,
van hetzelfde decreet wordt een afdeling VIII. De ondersteuning en stimulering van het gecombineerd onderwijs,
bestaande uit artikelen 72bis tot en met artikel 72septies, toegevoegd, die luidt als volgt :
«
Afdeling VIII. - De ondersteuning en stimulering van het gecombineerd onderwijs
Artikel 72bis
De Vlaamse Regering beschikt jaarlijks over ten minste een totaal bedrag van 200.000 euro voor
het ondersteunen en het stimuleren van de centra die opleidingen als gecombineerd onderwijs willen organiseren.
Artikel
72ter
§ 1. Het centrumbestuur dat tijdens het schooljaar n/n+1 in aanmerking wil komen
voor een aanvullende financiering of subsidiëring voor het gecombineerd onderwijs via de middelen, vermeld
in artikel 72bis, dient hiertoe uiterlijk op 30 april van het voorafgaande schooljaar een aanvraag in
bij de Vlaamse Regering.
Deze aanvraag voldoet aan volgende criteria om ontvankelijk te zijn
:
1° het heeft betrekking op één of meer modules van een erkende en gefinancierde of gesubsidieerde
opleiding waarvoor het centrumbestuur nog geen aanvullende financiering of subsidiëring via de middelen,
vermeld in artikel 72bis, heeft gekregen;
2° het omvat een luik afstandsonderwijs dat minimaal
50 percent van het totale aantal lestijden bedraagt en minstens 200 lestijden omvat;
3° er is
een openleercentrum voorzien;
4° het protocol van de onderhandeling over het gecombineerd onderwijs
in het lokaal comité is bij de aanvraag bijgevoegd.
§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt
de nadere modaliteiten voor de aanvraagprocedure.
Artikel 72 quater
§ 1. De
ingediende aanvragen worden beoordeeld door een selectiecommissie die bestaat uit :
1° één lid
van de inspectie;
2° twee ambtenaren van het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming;
3°
twee externe experten met onderzoeks- of praktijkervaring inzake afstandsleren in volwasseneneducatie;
4°
één extern expert in pedagogische aangelegenheden.
Een ambtenaar van het Vlaams ministerie van
Onderwijs en Vorming is voorzitter van de selectiecommissie. De Vlaamse Regering wijst de commissieleden
aan.
§ 2. Bij de beoordeling van de ingediende aanvragen zal de selectiecommissie rekening
houden met de volgende criteria :
1° de inbedding van het gecombineerd onderwijs binnen de totale
onderwijskundige organisatie en de innovatieve draagkracht van de betrokken centra, publieke opleidingsverstrekkers
of organisaties;
2° de organisatie van het gecombineerd onderwijs en de afstemming van het gedeelte
afstandsonderwijs op het gedeelte contactonderwijs;
3° de effectiviteit van het gecombineerd
onderwijs inzake overdraagbaarheid, visie- en materiaalontwikkeling;
4° de mate van betrokkenheid
van het personeel;
5° de overeenstemming met het opleidingsplan van het consortium volwassenenonderwijs
waarbij het centrumbestuur is aangesloten en waarvan de hoofdvestigingsplaats van het centrum in het
werkingsgebied ligt;
6° de flexibiliteit van het aanbod;
7° de samenwerkingsverbanden
en netwerken met centra, publieke opleidingsverstrekkers of organisaties;
8° de kwaliteitszorg.
De
selectiecommissie draagt aan de Vlaamse Regering de aanvragen voor die op basis van de criteria, vermeld
in het eerste lid, gunstig zijn beoordeeld en het aantal toe te kennen leraarsuren of VTE per gunstig
beoordeelde aanvraag.
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt aan welke door de selectiecommissie
gunstig beoordeelde aanvragen een aanvullende financiering of subsidiëring wordt toegekend voor het gecombineerd
onderwijs via de middelen, vermeld in artikel 72bis. Hierbij wordt voorrang verleend aan aanvragen die
aan een of meer van de volgende voorwaarden voldoen :
1° aanvragen die betrekking hebben op
opleidingen als vermeld in artikel 41, § 4, of onderwijs aan gedetineerden;
2° aanvragen
die een integrale opleiding omvatten;
3° aanvragen die betrekking hebben op gecombineerd onderwijs
dat minimaal 75 percent afstandsonderwijs omvat;
4° aanvragen die gegroeid zijn uit een samenwerking
met andere centra, publieke opleidingsverstrekkers of andere organisaties.
Per goedgekeurde
aanvraag kan de Vlaamse Regering respectievelijk minimaal 400 en maximaal 1 000 leraarsuren of minimaal
2 en maximaal 1 VTE toekennen aan het centrumbestuur voor het schooljaar n/n+1.
Artikel 72quinquies
§ 1. Het centrumbestuur gaat het engagement aan om het ontwikkelde gecombineerd onderwijs
ook effectief te organiseren binnen een termijn van maximaal twee schooljaren.
§ 2.
Het centrumbestuur engageert er zich toe gedurende de looptijd van het gecombineerd onderwijs alle gegevens
te verzamelen die de realisatie van de vooropgestelde doelstellingen kunnen aantonen. Deze gegevens betreffen
minimaal :
1° het aantal ingeschreven cursisten;
2° het aantal financierbare of subsidieerbare
cursisten;
3° de scholingsgraad van de cursisten;
4° het aantal cursisten dat deelneemt
aan de evaluaties;
5° het aantal geslaagde cursisten;
6° het aantal en de aard van
de uitgereikte studiebewijzen.
§ 3. Het centrumbestuur gaat het engagement aan om onderling
samen te werken met andere centrumbesturen die tijdens het schooljaar n/n+1 een aanvullende financiering
of subsidiëring voor het gecombineerd onderwijs ontvangen via de middelen, vermeld in artikel 72bis,
zodat de uitwisselbaarheid van de knowhow inzake cursusmateriaal en begeleiding van afstandsonderwijs
gegarandeerd wordt.
§ 4. Het centrumbestuur gaat het engagement aan tevredenheidsmetingen
uit te voeren bij de cursisten en de leraars. De resultaten van de tevredenheidsmeting bij de leraars
worden ter beschikking gesteld van het bevoegde lokale comité.
Artikel 72sexies
Het
centrumbestuur informeert de stuurgroep, vermeld in artikel 50, § 1, en het consortium volwassenenonderwijs
waarbij het centrumbestuur is aangesloten en waarvan de hoofdvestigingsplaats van het centrum in het
werkingsgebied ligt, op regelmatige tijdstippen over de voortgang van het gecombineerd onderwijs.
Uiterlijk
twee maanden na het schooljaar n/n+1 dient het centrumbestuur een eindrapport in bij de Vlaamse Regering.
Het eindrapport bevat ten minste :
1° een evaluatie;
2° een verslag van de activiteiten;
3°
de gegevens, als vermeld in artikel 72quinquies, § 2;
4° de resultaten van de tevredenheidsmetingen
als vermeld in artikel 72quinquies, § 4.
Artikel 72septies
In 2012 worden de
bepalingen van deze afdeling, geëvalueerd. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten voor de
evaluatie. ».
Artikel IV.28
In artikel 85 van hetzelfde decreet worden de volgende
wijzigingen aangebracht :
1° § 3 wordt vervangen door wat volgt :
« §
3. In afwijking van § 1 kan een Centrum voor Basiseducatie voor alle opleidingen toegekende VTE
aanwenden voor de aanwerving van voordrachtgevers ten bedrage van maximaal 5 procent van het voor het
Centrum voor Basiseducatie beschikbare aantal VTE.
Een voordrachtgever is een persoon die geen
deel uitmaakt van het centrumbestuur of van het personeel van het centrum en die, hetzij in eigen naam
hetzij in dienst van een organisatie of onderneming en in het kader van de realisatie van het onderwijsprogramma,
voor cursisten voordrachten geeft vanuit zijn of haar deskundigheid en ervaring in de arbeidsmarkt en
bedrijfswereld.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding van de aanwerving van voordrachtgevers
aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen, de grootte van het krediet
per VTE dat wordt omgezet en de wijze van toekenning ervan.
Over de aanwending van VTE voor
de aanwerving van voordrachtgevers en over de vergoeding van die voordrachtgevers moet een voorafgaandelijk
akkoord bereikt worden in het lokale comité. »;
2° er wordt een § 4 toegevoegd, die luidt
als volgt :
« § 4. Het volume aan lesurencursist gegenereerd in gecombineerd onderwijs
wordt met een factor 1,2 vermenigvuldigd indien het gecombineerd onderwijs voldoet aan de bepalingen
van artikel 28 en minimaal 25 percent aan afstandsonderwijs omvat.
De Vlaamse Regering bepaalt
hiertoe de procedure. ».
Artikel IV.29
In artikel 88 van hetzelfde decreet wordt §
1 vervangen door wat volgt :
« § 1. Een centrumbestuur bekomt voor haar personeelsleden
een salaristoelage, als deze personeelsleden :
1° voldoen aan volgende voorwaarden :
a) onderdaan zijn van de Europese Unie of de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens een door de Vlaamse
Regering te verlenen vrijstelling;
b) de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens
een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling, vermeld in a);
c) in het bezit zijn van een door de Vlaamse Regering bepaald bekwaamheidsbewijs voor de functie waarin
ze worden aangesteld;
d) in een gezondheidsheidstoestand verkeren die de gezondheid van de
cursisten niet in gevaar brengt;
e) voldoen aan de taalvereisten zoals bepaald in artikelen
128ter of 128 quater ;
2° in dienst zijn op grond van de reglementering inzake de personeelsformatie.
»
Artikel IV.30
In artikel 93, § 3, van hetzelfde decreet wordt het tweede lid
opgeheven.
Artikel IV.31
In artikel 98 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen
aangebracht :
1° in § 1, laatste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
« 1° 4 voor de opleidingen vrachtwagenchauffeur
en nascholing vrachtwagenchauffeur; »;
b) punt 3° wordt vervangen door wat volgt :
« 3° 8 voor de opleiding ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting; »;
2° er
wordt een § 5 ingevoegd, die luidt als volgt :
« § 5. Het volume aan lesurencursist
gegenereerd in gecombineerd onderwijs wordt met een factor 1,2 vermenigvuldigd indien het gecombineerd
onderwijs voldoet aan de bepalingen van artikel 28 en minimaal 25 percent aan afstandsonderwijs omvat.
De
Vlaamse Regering bepaalt hiertoe de procedure. »
Artikel IV.32
In artikel 99, §
3, van hetzelfde decreet wordt het laatste lid opgeheven.
Artikel IV.33
In artikel
106 van hetzelfde decreet wordt § 1 vervangen door wat volgt :
« § 1. Een centrumbestuur
bekomt voor haar personeelsleden een salaris/salaristoelage als deze personeelsleden :
1° voldoen
aan volgende voorwaarden :
a) onderdaan zijn van de Europese Unie of de Europese Vrijhandelsassociatie,
behoudens een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling;
b) de burgerlijke en politieke
rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de
vrijstelling, vermeld in a) ;
c) in het bezit zijn van een door de Vlaamse Regering bepaald
bekwaamheidsbewijs voor het ambt waarin ze worden aangesteld;
d) in een gezondheidsheidstoestand
verkeren die de gezondheid van de cursisten niet in gevaar brengt;
e) voldoen aan de taalvereisten
zoals bepaald in het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, respectievelijk het
decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;
2° aangeworven zijn met inachtname
van de reglementering inzake de reaffectatie en wedertewerkstelling;
3° in dienst zijn op grond
van de reglementering inzake de personeelsformatie. ».
Artikel IV.34
Aan artikel 107
van hetzelfde decreet wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Wanneer er definitief
leraarsuren of punten naar een Centrum voor Volwassenenonderwijs overgedragen worden door overdrachten
vanuit andere onderwijsniveaus of andere beleidsdomeinen, dan worden deze leraarsuren of punten mee in
rekening gebracht voor het bepalen van het percentage, vermeld in het eerste lid. »
Artikel
IV.35
In artikel 109, § 3, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 4 juli
2008, wordt een punt 1°bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
« 1°bis ingeschreven zijn voor
de opleiding ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting; ».
Artikel IV.36
In
titel VI. Personeel, van hetzelfde decreet wordt het hoofdstuk I. Personeel van de Centra voor Basiseducatie,
dat bestaat uit de artikelen 127, 128 en 128bis, gewijzigd bij decreet van 4 juli 2008, vervangen door
wat volgt :
» HOOFDSTUK I. - Personeel van de Centra voor Basiseducatie
Afdeling I.
- Het personeelskader
Artikel 127
§ 1. Het personeelskader is samengesteld
uit de volgende personeelsleden :
1° de personeelsleden met recht op een salaristoelage, bedoeld
in artikel 88 van dit decreet;
2° de personeelsleden, niet bedoeld in artikel 88, doch aangesteld
zijn in een functie zoals bedoeld in § 2;
3° de personeelsleden, niet bedoeld in 1° en
2°.
De personeelsleden vermeld in het eerste lid, worden aangeworven als contractuele personeelsleden
op wie de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing is.
§
2. De Vlaamse Regering bepaalt voor de personeelsleden, vermeld in § 1, 1°, de functies waarin
zij kunnen aangesteld worden.
Afdeling II. - Administratieve en geldelijke rechtspositie van
het personeel
Artikel 128
§ 1. De Vlaamse Regering bepaalt voor de personeelsleden
bedoeld in artikel 127, § 1, 1°, nadere bepalingen met betrekking tot de prestatieregeling, de
vakantieregeling, de verlofregeling en de terugbetaling van de vervoerskosten van de woonplaats naar
de plaats van tewerkstelling en terug.
In afwachting dat de Vlaamse Regering uitvoering geeft
aan het eerste lid, blijven de bestaande bepalingen van toepassing die op de datum van de inwerkingtreding
van dit decreet gelden.
§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt voor de personeelsleden bedoeld
in artikel 127, § 1, 1°, de geldelijke rechtspositie en de wijze waarop een aanvraag tot salarissubsidiëring
plaatsvindt.
§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt wanneer en onder welke voorwaarden een
personeelslid, bedoeld in artikel 127, § 1, 1°, tijdens zijn afwezigheid kan vervangen worden.
Artikel
128bis
De Vlaamse Regering legt vast welke bepalingen die van toepassing zijn op de personeelsleden
vermeld in artikel 127, § 1, 1°, ook gelden voor de personeelsleden vermeld in artikel 127, §
1, 2° en 3°. ».
Artikel 128bis /1
Aan de personeelsleden van de Centra voor Basiseducatie,
vermeld in artikel 127, § 1, die volledig uitkeringsgerechtigd werkloos worden nadat ze op 1 september
2008 of later de leeftijd van 60 jaar bereiken of bereikt hebben, kan een aanvullende vergoeding worden
toegekend. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de modaliteiten van deze vergoeding. »
Artikel
IV.37
Aan hoofdstuk I van titel IV van hetzelfde decreet wordt een afdeling III. Taalvereisten,
bestaande uit de artikelen 128ter tot en met 128sexies, toegevoegd, die luidt als volgt :
«
Afdeling III. - Taalvereisten
Artikel 128ter
Deze afdeling is van toepassing op de
personeelsleden bedoeld in artikel 127, 1° en 2°.
Artikel 128 quater
Een personeelslid
waarvan de aanwerving steunt op een bekwaamheidsbewijs, behaald aan een door de Vlaamse Gemeenschap erkende,
gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling of op een bekwaamheidsbewijs dat behaald is in de
onderwijstaal, voldoet aan de taalvereisten voor de onderwijstaal.
Als de aanwerving van het
personeelslid niet steunt op een bekwaamheidsbewijs, voldoet het personeelslid aan de taalvereisten voor
de onderwijstaal als het in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs, behaald aan een door de Vlaamse
Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling of op een bekwaamheidsbewijs
dat behaald is in de onderwijstaal.
Artikel 128quinquies
§ 1. Een personeelslid
dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs bedoeld in artikel 128 quater , moet met betrekking
tot de taalvereisten voor de onderwijstaal voldoen aan de bepalingen van dit artikel.
§
2. Een personeelslid dat aangesteld is in een functie van directeur, stafmedewerker of leraar basiseducatie,
moet de onderwijstaal minstens beheersen op niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader
voor Talen.
§ 3. Een personeelslid dat aangesteld is in een functie van beleidsondersteunend
administratief medewerker, uitvoerend administratief medewerker of ervaringsdeskundige in de armoede
en sociale uitsluiting, moet de onderwijstaal minstens beheersen op niveau B2 van het Gemeenschappelijk
Europees Referentiekader voor Talen.
§ 4. In afwijking van § 2 moet een personeelslid,
aangesteld in de functie van leraar basiseducatie en dat uitsluitend één of meer levende vreemde talen
onderwijst, de onderwijstaal minstens beheersen op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader
voor Talen.
Artikel 128sexies
§ 1. Een personeelslid dat niet in het bezit
is van een bekwaamheidsbewijs bedoeld in artikel 128 quater , bewijst de in artikel 128quinquies vereiste
taalkennis :
1° aan de hand van alle studiebewijzen van door de Vlaamse Gemeenschap erkend,
gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs die het door voormelde artikelen vereiste niveau van taalkennis
aantonen;
2° of aan de hand van alle studiebewijzen die gelijkwaardig zijn met de in 1° vermelde
studiebewijzen en die het door voormelde artikelen vereiste niveau van taalkennis aantonen;
3°
of aan de hand van een getuigschrift dat hij heeft behaald bij een bij besluit van de Vlaamse Regering
ingerichte examencommissie.
§ 2. Indien een Centrum voor Basiseducatie moeilijkheden
ondervindt om een kandidaat aan te werven die de vereiste taalbekwaamheid bezit, kan het centrum een
kandidaat aanwerven die niet over de vereiste taalbekwaamheid beschikt. Op aanvraag kent de minister
bevoegd voor onderwijs aan deze kandidaat een tijdelijke afwijking toe die geldt voor een termijn van
3 jaar, te rekenen vanaf de datum van de eerste aanstelling in een functie bedoeld in artikel 128quinquies.
».
Artikel IV.38
Artikel 131 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
«
Artikel 131
De Vlaamse Regering informeert de afgevaardigden van de inrichtende machten en de
representatieve vakorganisaties over elke geplande fundamentele onderwijshervorming.
Vóór de
Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één
van de afgevaardigden van de inrichtende machten een apart overleg georganiseerd over die fundamentele
onderwijshervorming tussen de minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de afgevaardigden
van de inrichtende machten.
Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter
zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de representatieve vakorganisaties een apart overleg
georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de minister, bevoegd voor het onderwijs,
of zijn afgevaardigde en de representatieve vakorganisaties. ».
Artikel IV.39
In artikel
162 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 4 juli 2008, worden de woorden « en artikel
55 dat wordt opgeheven met ingang van 1 september 2009 » vervangen door de woorden « en artikel 55 dat
wordt opgeheven met ingang van 1 september 2010 ».
Artikel IV.40
In hetzelfde decreet
wordt een artikel 179bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 179bis
In afwijking
van artikel 24, § 1, en in afwachting van de installatie van de stuurgroep vermeld in artikel
50, § 1, 2° en 3°, bepaalt de Vlaamse Regering de opleidingsprofielen na advies van de Vlaamse
Onderwijsraad. ».
Artikel IV.41
In hetzelfde decreet wordt een artikel 187bis ingevoegd,
dat luidt als volgt :
« Artikel 187bis
Een personeelslid dat in een Centrum voor
Basiseducatie voor 1 september 2009 werd aangesteld op basis van artikelen 15 en 16 van de wet houdende
taalregeling in het onderwijs van 30 juli 1963, behoudt alle rechten die uit deze aanstelling voortvloeien.
Een
personeelslid dat in een Centrum voor Basiseducatie werd aangesteld op basis van artikel 15 van de wet
van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs kan na 1 september 2009 opnieuw worden aangesteld
in een zelfde functie en voldoet vanaf 1 september 2009 aan de taalvereisten inzake de onderwijstaal
zoals bepaald in de artikelen 128ter tot en met 128quinquies. »
Artikel IV.42
In hetzelfde
decreet wordt een artikel 190bis toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 190bis
§
1. Naast de VTE, vermeld in artikel 190, heeft elk Centrum voor Basiseducatie, dat overeenkomstig artikel
84 in aanmerking komt voor subsidiëring, voor het schooljaar 2008-2009 recht op een puntenenveloppe voor
het aanwerven van personeelsleden in de functies voor de ondersteuning van haar werking. Deze puntenenveloppe
wordt berekend op basis van het aantal door het Vlaamse ministerie van Onderwijs en Vorming in 2007 gesubsidieerde
prestaties basiseducatie.
De Vlaamse Regering bepaalt het aantal gesubsidieerde prestaties
basiseducatie per toe te kennen punt.
§ 2. De oprichting van functies, vermeld in §
1, is gebaseerd op een puntensysteem, waarbij aan elke functie een aantal punten wordt gekoppeld. Dit
aantal punten wordt bepaald op basis van de salarisschaal van het personeelslid dat de functie uitoefent.
De Vlaamse Regering legt voor elke functie de puntenwaarde vast volgens de salarisschaal.
§
3. De Vlaamse Regering kan voor het schooljaar 2008-2009 bijkomende punten toekennen aan een Centrum
voor Basiseducatie, als het werkingsgebied van dat centrum samenvalt met drie of meer werkingsgebieden
van de Centra voor Basiseducatie die tot en met 31 augustus 2008 erkend waren op basis van het decreet
van 12 juli 1990 houdende de regeling van basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen.
De
Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden voor de toekenning van deze bijkomende punten. »
Artikel
IV.43
In hetzelfde decreet wordt een artikel 196ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
«
Artikel 196ter
In afwijking van artikel 85, § 4, en artikel 98, § 5, wordt het
volume aan lesurencursist gegenereerd in gecombineerd onderwijs, waaraan de onderwijsinspectie voor de
schooljaren 2008-2009 tot en met 2012-2013 een positief advies heeft verleend, gedurende die periode
met een factor 1,2 vermenigvuldigd wordt ongeacht het minimaal percentage afstandsonderwijs. ».
Artikel
IV.44
In artikel 197 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1°
de bestaande tekst van artikel 197 vormt de § 1;
2° een § 2 wordt toegevoegd,
die luidt als volgt :
« § 2. Een personeelslid dat op 1 september 2008 in een Centrum
voor Basiseducatie opnieuw in dienst wordt genomen in de functie die hij in dat Centrum op 31 augustus
2008 uitoefende en dat voor die functie niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs zoals bepaald
in het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de functies, de bekwaamheidsbewijzen en de
salarisschalen in de Centra voor Basiseducatie, wordt met ingang van 1 september 2008 bij wijze van overgangsmaatregel
geacht in het bezit te zijn van het bekwaamheidsbewijs voor die functie.
Het personeelslid behoudt
de overgangsmaatregel, vermeld in het eerste lid, zolang hij ononderbroken in dienst blijft in dezelfde
functie in een Centrum voor Basiseducatie. Voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende perioden
niet als een onderbreking beschouwd : de vakantieperioden, het verlof voor de onderbreking of vermindering
van de arbeidsprestaties, de ziekte- en bevallingsverloven, de perioden van verwijdering uit een risico
in het kader van bedreiging door een beroepsziekte of moederschapsbescherming, de verloven van korte
duur met behoud van salaristoelage ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale
aard, alsook de verloven zonder behoud van salaristoelage voor een maximumduur van zes werkdagen per
schooljaar, evenals een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren. »
Artikel
IV.45
In hetzelfde decreet wordt een artikel 197ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
«
Artikel 197ter
Tijdens de periode 1 september 2001 tot en met 31 augustus 2008 kan het getuigschrift,
vermeld in artikel 41, § 3, ook samen met het certificaat van de opleiding kantooradministratie
en gegevensbeheer BSO 3 of het certificaat van de opleiding boekhouden-informatica TSO 3 van het studiegebied
handel worden uitgereikt, in het geval het bestuur van het Centrum voor Volwassenenonderwijs hiervoor
over een goedgekeurd leerplan beschikt. ».
Artikel IV.46
In hetzelfde decreet wordt
een artikel 197 quater ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 197 quater
§
1. In afwijking van artikel 193, § 1, wordt vanaf het schooljaar 2009-2010 voor de hiernavermelde
Centra voor Volwassenenonderwijs :
1° Centrum voor Volwassenenonderwijs - Vormingsleergang voor
Sociaal en Pedagogisch Werk Kortrijk - Sint-Amandsplein 15 - 8500 Kortrijk;
2° Centrum voor
Volwassenenonderwijs B Vormingsleergang voor Sociaal en Pedagogisch Werk Gent - Edgard Tinelstraat 92
- 9040 Sint-Amandsberg;
3° Centrum voor Volwassenenonderwijs Gemeenschapsonderwijs Brussel -
Materiaalstraat 67 - 1070 Anderlecht;
het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of
gesubsidieerde leraarsuren berekend volgens de formule :
1° schooljaar 2009-2010 : ((leraarsuren
schooljaar 2007-2008 x 0,90) + 640 leraarsuren) + (LUC/d x 0,10);
2° schooljaar 2010-2011 :
((leraarsuren schooljaar 2007-2008 + 640 leraarsuren) x 0,85) + (LUC/d x 0,15);
3° schooljaar
2011-2012 : ((leraarsuren schooljaar 2007-2008 + 640 leraarsuren) x 0,65) + (LUC/d x 0,35);
4°
schooljaar 2012-2013 : ((leraarsuren schooljaar 2007-2008 + 640 leraarsuren) x 0,35) + (LUC/d x 0,65).
§
2. In afwijking van hetzelfde artikel, wordt vanaf het schooljaar 2010-2011 ook voor de hiernavermelde
Centra voor Volwassenenonderwijs :
1° Centrum voor Volwassenenonderwijs - Vormingsleergang voor
Sociaal en Pedagogisch Werk Hasselt VZW - Blijde Inkomstraat 36 - 3500 Hasselt;
2° Centrum voor
Volwassenenonderwijs - Technicum Noord-Antwerpen - Londenstraat 43 - 2000 Antwerpen;
het aantal
door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerde leraarsuren berekend volgens de formule :
1°
schooljaar 2010-2011 : ((leraarsuren schooljaar 2007-2008 x 0,85) + 640 leraarsuren) + (LUC/d x 0,15);
2°
schooljaar 2011-2012 : ((leraarsuren schooljaar 2007-2008 + 640 leraarsuren) x 0,65) + (LUC/d x 0,35);
3°
schooljaar 2012-2013 : ((leraarsuren schooljaar 2007-2008 + 640 leraarsuren) x 0,35) + (LUC/d x 0,65).
».
Onderafdeling II. - Inwerkingtreding
Artikel IV.47
De bepalingen van deze
afdeling treden in werking op 1 september 2009, met uitzondering van :
1° artikel IV.45 dat
uitwerking heeft met ingang van 1 september 2001;
2° artikelen IV.14, 1° en IV.22 die uitwerking
hebben met ingang van 1 september 2007;
3° artikelen IV.20 en IV.40 die uitwerking hebben met
ingang van 1 januari 2008;
4° artikelen IV.31, 1°, a), IV.36, IV.42 en IV.44 die uitwerking
hebben met ingang van 1 september 2008.
HOOFDSTUK V. - Hoger onderwijs
Afdeling I.
- Beheer Universitair Ziekenhuis Gent
Artikel V.1
Artikel 6 van het koninklijk besluit
nr. 542 van 31 maart 1987 houdende de organisatie, de werking en het beheer van de rijksuniversitaire
ziekenhuizen van Gent en Luik, wordt als volgt gewijzigd :
1° § 3 wordt vervangen door
wat volgt :
« § 3. Het Universitair Ziekenhuis Gent is ertoe gemachtigd schenkingen
onder levenden of bij testament te aanvaarden. Een schenking kan maar aanvaard worden na een uitdrukkelijke
machtiging hiertoe door de raad van bestuur. Wanneer het gaat om een aanvaarding van schenkingen van
onroerende goederen, of van roerende goederen die de waarde van 1 miljoen euro overschrijden of die met
lasten zijn bezwaard, brengt de raad van bestuur de Vlaamse Regering hiervan op de hoogte. »;
2°
in § 11, ingevoegd bij het decreet van 19 maart 2004, wordt het tweede lid vervangen door wat
volgt :
« Het Universitair Ziekenhuis Gent is ertoe gemachtigd om :
1° deel te nemen
in of toe te treden tot verenigingen zonder winstoogmerk of tot stichtingen van publieke of private oorsprong
die als maatschappelijk doel hebben ziekenhuizen of gezondheidsvoorzieningen of ziekenhuisgebonden activiteiten
te beheren of uit te baten of dergelijke rechtspersonen mee op te richten;
2° deel te nemen
in of toe te treden tot verenigingen zonder winstoogmerk of tot stichtingen van publieke of private oorsprong
die als maatschappelijk doel hebben klinisch onderzoek te doen naar de werkzaamheid van geneesmiddelen
of dergelijke rechtspersonen mee op te richten;
3° deel te nemen in of toe te treden tot vennootschappen
die als maatschappelijk doel hebben de industriële of commerciële exploitatie van ziekenhuisgebonden
bedrijfsactiviteiten die van het Universitair Ziekenhuis Gent worden afgesplitst.
Het Universitair
Ziekenhuis Gent kan daartoe de noodzakelijke inbreng doen in de vorm van voorschotten, kapitaal of materiële
en immateriële activa.
Het Universitair Ziekenhuis Gent kan zich nooit tot meer verbinden dan
haar inbreng en neemt daartoe inzonderheid ter zake van de oprichteraansprakelijkheid alle nodige maatregelen.
Iedere deelname, toetreding of mede-oprichting van een vereniging of vennootschap dient te
worden goedgekeurd door de raad van bestuur. De raad van bestuur dient zich uitdrukkelijk akkoord te
verklaren met :
- de activiteiten van de op te richten vereniging of vennootschap, of vereniging
waartoe wordt toegetreden of deelgenomen vanuit het UZ Gent;
- de oprichtingsakte van de vereniging
of vennootschap;
- het businessplan;
- de waarde van de inbreng of participatie
van het UZ Gent;
- in voorkomend geval de grootte van de financiële inbreng;
- in
voorkomend geval het ontwerp van overeenkomst tussen de vereniging of de vennootschap en het UZ Gent
over het gebruik van lokalen, infrastructuur, diensten of personeel van het UZ Gent.
Jaarlijks
dienen de balans en de winst- en verliesrekening van alle verenigingen of vennootschappen waarin het
UZ Gent is toegetreden of waarin het UZ Gent deelneemt of die het UZ Gent mee heeft opgericht, aan de
raad van bestuur te worden voorgelegd en goedgekeurd. »;
3° een § 12 wordt toegevoegd
die luidt als volgt :
« § 12. Het Universitair Ziekenhuis Gent is ertoe gemachtigd om
zakelijke rechten te verlenen op de gronden die de Vlaamse Gemeenschap ter beschikking stelt van het
UZ Gent op voorwaarde dat het maatschappelijk doel van de begunstigde van de zakelijke rechten van algemeen
openbaar belang is of de realisatie van het maatschappelijk doel van het UZ Gent kan bevorderen en op
voorwaarde dat het verlenen van het zakelijk recht op geen moment kosten met zich meebrengt voor het
UZ Gent. Iedere vestiging van een zakelijk recht dient door de raad van bestuur te worden goedgekeurd
en aan de Vlaamse Regering te worden mede gedeeld binnen de vijf dagen. »
Afdeling II. - Universitair
onderwijs
Artikel V.2
In artikel 2 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de
universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap wordt een punt j) ingevoegd dat luidt als volgt :
«
j) representatieve vakorganisatie : personeelsvereniging die aangesloten is bij een in de Sociaal-Economische
Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie en een werking ontplooit naar het hoger onderwijs.
»
Artikel V.3
Hoofdstuk VI van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten
in de Vlaamse Gemeenschap, bestaande uit de artikelen 122 tot en met 124, opgeheven bij het decreet van
4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, wordt opnieuw opgenomen
in de volgende lezing :
« HOOFDSTUK VI. - Medezeggenschap
Artikel 122
§
1. De Universiteit Gent, de Universiteit Antwerpen en de Universiteit Hasselt organiseren, binnen een
daartoe opgericht centraal onderhandelingscomité, onderhandelingen met afgevaardigden van het personeel.
De bestaande overlegorganen worden daartoe omgevormd tot een centraal onderhandelingscomité.
§
2. Het onderhandelingscomité bestaat uit een aantal gemandateerde vertegenwoordigers van het universiteitsbestuur
en tenminste evenveel afgevaardigden van het personeel. Er zijn evenveel plaatsvervangers als effectieve
afgevaardigden.
De afgevaardigden van het personeel worden aangeduid door de representatieve
vakorganisaties. Het aantal effectieve afgevaardigden bedraagt ten hoogste drie per representatieve vakorganisatie.
Personeelsleden met een mandaat in een beslissingsorgaan van de universiteit kunnen niet optreden als
afgevaardigde van het personeel.
Elke delegatie kan een beroep doen op technici.
Artikel
123
§ 1. In het centraal onderhandelingscomité wordt onderhandeld over de volgende aangelegenheden,
voor zover deze betrekking hebben op de universiteit :
1° de administratieve rechtspositieregeling;
2°
de geldelijke rechtspositieregeling;
3° de regeling van de collectieve arbeidsverhoudingen;
4°
de organisatorische maatregelen met een rechtstreeks effect op de arbeidsorganisatie of de organisatie
van het werk;
5° alle bevoegdheden die in particuliere bedrijven opgedragen zijn aan de comités
voor preventie en bescherming op het werk.
§ 2. De onderhandelingen leiden tot een protocol
van akkoord of tot een protocol waarin de standpunten van de respectieve afvaardigingen van de representatieve
vakorganisaties worden weergegeven.
Artikel 124
Het universiteitsbestuur bezorgt het
centraal onderhandelingscomité de volgende inlichtingen, verslagen en bescheiden van de universiteit
:
1° algemene informatie over de werking en de organisatie;
2° het organogram van de
universiteit, met de interne organisatiestructuur, de bestuursstructuur, de verdeling van bevoegdheden
en verantwoordelijkheden;
3° de statuten;
4° de begroting;
5° de meerjarenbegroting;
6°
de jaarrekening;
7° het jaarverslag;
8° een overzicht van de inkomsten van welke aard
ook;
9° de personeelsformatie;
10° de evolutie van het aantal personeelsleden en de
vooruitzichten met betrekking tot de tewerkstelling;
11° de evolutie van de studentenaantallen
en van de slaagcijfers per opleiding;
12° de fysische inventaris van de onroerende goederen;
13°
de programmatieplannen en de rationalisatieplannen met betrekking tot studiegebieden, opleidingen en
opties;
14° de inlichtingen over het nascholingsbeleid, het projectmatig wetenschappelijk onderzoek
en de maatschappelijke dienstverlening;
15° de sociale voorzieningen voor de studenten;
16°
de prioriteiten inzake de uitrusting;
17° de accommodatiemogelijkheden;
18° de adviezen
van de studentenraad en van andere raden in de universiteit. »
Artikel V.4
In hetzelfde
decreet wordt een artikel 124bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 124bis
Het
centraal onderhandelingscomité neemt bij eenparigheid een werkingsreglement aan. »
Artikel V.5
Artikel
145, tweede lid van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
« De universiteiten zijn
ertoe gemachtigd schenkingen onder levenden of bij testament te aanvaarden. Een schenking kan maar aanvaard
worden na een uitdrukkelijke machtiging hiertoe door het universiteitsbestuur. Wanneer het gaat om een
aanvaarding van schenkingen van onroerende goederen, of van roerende goederen die de waarde van 1 miljoen
euro overschrijden of die met lasten zijn bezwaard, brengt het universiteitsbestuur de Vlaamse Regering
hiervan op de hoogte. »
Artikel V.6
Artikel 155 van hetzelfde decreet wordt vervangen
door wat volgt :
« Artikel 155
De werkings- en investeringsuitkeringen en de sociale
toelage worden door de Vlaamse Regering definitief vastgesteld van zodra de algemene uitgavenbegroting
van de Vlaamse Gemeenschap voor het desbetreffende begrotingsjaar is vastgelegd. De Vlaamse Regering
deelt elke universiteit onmiddellijk na deze vaststelling mede welke bedragen aan de universiteit zullen
worden uitgekeerd. Het universiteitsbestuur draagt zorg voor de wijziging van de begroting, overeenkomstig
de nadere regels voor de vormgeving van de begroting en de procedure van wijziging die de Vlaamse Regering
in uitvoering van artikel 154 bepaalt. »
Artikel V.7
In artikel 168, § 4, van
hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 14 maart 2008, worden het tweede en derde lid vervangen
door wat volgt :
« Het globale bedrag wordt onder de universiteiten verdeeld aan de hand van
een verdeelsleutel, « BOF-sleutel » genoemd, die bestaat uit een structureel onderdeel en een bibliometrisch
onderdeel.
De Vlaamse Regering kan voor een universiteit waarvan het aantal uitgereikte doctoraatsdiploma's
minder dan gemiddeld 25 per academiejaar bedraagt of waarvan het aantal publicaties kleiner is dan gemiddeld
120 per kalenderjaar een gegarandeerde minimumdrempel voor de overheidsbijdrage aan het Bijzonder Onderzoeksfonds
van die universiteit bepalen, te differentiëren naar de grootte van die universiteit. Het gemiddeld aantal
uitgereikte doctoraatsdiploma's en het gemiddeld aantal publicaties wordt berekend op dezelfde manier
als voor de vaststelling van het aandeel van iedere universiteit in de overeenstemmende parameters, zoals
bedoeld in respectievelijk § 5 en § 6, met dien verstande dat de daarbij vastgestelde aantallen
omgeslagen worden naar een gemiddelde op jaarbasis.
Indien voor één of meerdere universiteiten
deze gegarandeerde minimumdrempel wordt toegepast, dan wordt het bedrag dat hiermee gemoeid is voorafgenomen
van het globaal bedrag. Het resterende globaal bedrag wordt dan onder de andere universiteiten verdeeld
overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid. »
Artikel V.8
Artikel 172ter van
het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, zoals gewijzigd,
wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 172ter
innen het door de Vlaamse Regering
beschikbaar gestelde budget kunnen de commissarissen van de Vlaamse Regering voor de uitoefening van
hun functie een beroep doen op personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid zoals bedoeld
in artikelen I.1. en I.2., 1°, van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, van de Vlaamse openbare
instellingen of van het onderwijs.
De personeelsleden van de Vlaamse openbare instellingen en
van het onderwijs worden in deze hoedanigheid belast met een opdracht. Deze opdracht wordt gelijkgesteld
met een periode van dienstactiviteit, overeenkomstig de statutaire bepalingen op hen van toepassing.
Deze personeelsleden worden door de Vlaamse Regering aangesteld. Tijdens de duur van de opdracht wordt
aan het betrokken personeelslid bij zijn instelling van herkomst vrijstelling van dienst verleend. ».
Afdeling
III. - Hogescholen
Artikel V.9
In punt 35° van artikel 2 van het decreet van 13 juli
1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap worden de woorden « ten minste 50 procent »
vervangen door de woorden « ten minste 10 procent ».
Artikel V.10
In artikel 89 van
hetzelfde decreet wordt punt 4° opgeheven.
Artikel V.11
In artikel 90 van hetzelfde
decreet wordt het woord « onderwijzend » geschrapt.
Artikel V.12
In artikel 93 bis,
§ 1, van hetzelfde decreet wordt de bijzin « , zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1993
betreffende de inspectie en de begeleiding van levensbeschouwelijke vakken, » geschrapt.
Artikel
V.13
Artikel 115 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 115
Binnen
de ambten van groep 3 zijn geen onderlinge combinaties mogelijk. ».
Artikel V.14
Artikel
119 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 119
§ 1.
Het hogeschoolbestuur bepaalt bij reglement de voorwaarden voor aanstelling, benoeming en uitbreiding
van aanstelling of benoeming.
§ 2. Een werving in een vacante betrekking, met uitzondering
van de aanstelling van minder dan één academiejaar, kan slechts gebeuren na een openbare vacature en
wordt via ten minste twee openbare informatiekanalen bekendgemaakt. ».
Artikel V.15
Aan
artikel 120 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« De
opdracht van een personeelslid dat al een deeltijds ambt als werkleider bekleedt, kan uitgebreid worden
met vrijstelling van de in artikel 130, eerste lid, 1°, vermelde anciënniteitsvoorwaarde. »
Artikel
V.16
Artikel 141, § 2, van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
«
§ 2. Het hogeschoolbestuur kan aan leden van het onderwijzend personeel die met hun toestemming
tijdelijk belast worden met het leveren van bijkomende prestaties een persoonlijke vergoeding toekennen.
Deze vergoeding bedraagt ten hoogste 20 % van het jaarsalaris waarop het personeelslid recht heeft ingevolge
zijn inschaling. Het hogeschoolbestuur stelt de criteria vast voor het toekennen van deze vergoeding.
»
Artikel V.17
Aan artikel 157 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd,
dat luidt als volgt :
« Het hogeschoolbestuur kan aan leden van het administratief en technisch
personeel die met hun toestemming tijdelijk belast worden met het leveren van bijkomende prestaties een
persoonlijke vergoeding toekennen. Deze vergoeding bedraagt ten hoogste 20 % van het jaarsalaris waarop
het personeelslid recht heeft ingevolge zijn inschaling. Het hogeschoolbestuur stelt de criteria vast
voor het toekennen van deze vergoeding. »
Artikel V.18
In artikel 166 van hetzelfde
decreet worden de § 1 en § 2 vervangen door wat volgt :
« § 1. Het hogeschoolbestuur
bepaalt bij reglement de voorwaarden voor aanstelling, benoeming en uitbreiding van aanstelling of benoeming.
§
2. Een werving in een vacante betrekking, met uitzondering van de aanstelling van minder dan één jaar,
kan slechts gebeuren na een openbare vacature en wordt via ten minste twee openbare informatiekanalen
bekendgemaakt. ».
Artikel V.19
In artikel 205 van hetzelfde decreet worden de woorden
« De commissaris-coördinator » vervangen door de woorden « Een commissaris ».
Artikel V.20
Artikel
216ter, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
« De hogescholen
zijn ertoe gemachtigd schenkingen onder levenden of bij testament te aanvaarden. Een schenking kan maar
aanvaard worden na een uitdrukkelijke machtiging hiertoe door het hogeschoolbestuur. Wanneer het gaat
om een aanvaarding van een schenking van onroerende goederen, of van roerende goederen die de waarde
van 1 miljoen euro overschrijden of die met lasten zijn bezwaard, brengt het hogeschoolbestuur de Vlaamse
Regering hiervan op de hoogte. »
Artikel V.21
Artikel 242 van hetzelfde decreet wordt
vervangen door wat volgt :
« Artikel 242
§ 1. De Vlaamse Regering benoemt een
commissaris van de Vlaamse Regering bij iedere hogeschool. Eenzelfde commissaris kan bij meerdere hogescholen
worden aangesteld.
De commissarissen van de Vlaamse Regering worden benoemd onder de houders
van een masterdiploma of een bij of krachtens de wet of het decreet of internationaal verdrag gelijkgesteld
diploma, die ten minste vijf jaar nuttige ervaring hebben.
Het ambt van commissaris van de Vlaamse
Regering bij de hogescholen is onverenigbaar met elk ambt of bestuursmandaat in een universiteit, hogeschool,
associatie, hogere instituut voor schone kunsten, instelling voor excellente kunstopleidingen, instelling
voor postinitieel onderwijs of vzw voor het beheer van de sociale voorzieningen binnen de Vlaamse Gemeenschap.
§
2. De commissarissen van de Vlaamse Regering ontvangen de bezoldiging die op een gewoon hoogleraar aan
een Vlaamse universiteit van toepassing is. Hun dienstjaren als commissaris worden gelijkgesteld met
academische dienstjaren.
De rechtspositieregeling van het personeel van de diensten van de
Vlaamse overheid is op hen van toepassing. De Vlaamse Regering is gemachtigd met betrekking tot de commissarissen
van de Vlaamse Regering bij de hogescholen aanvullende of afwijkende rechtspositieregels vast te stellen.
§
3. De commissarissen van de Vlaamse Regering bij de hogescholen mogen geen andere beroepsactiviteiten
of andere bezoldigde activiteiten uitoefenen dan met toestemming van de Vlaamse minister bevoegd voor
onderwijs.
§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt de ambtsgebieden van de commissarissen. »
Artikel
V.22
Artikel 243 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 243
§
1. De titularissen die op 31 december 2008 benoemd waren hetzij in het ambt van commissaris-coördinator
van de Vlaamse Regering bij de hogescholen hetzij in het ambt van commissaris van de Vlaamse Regering
bij de hogescholen, worden met ingang van 1 januari 2009 geacht benoemd te zijn in het ambt van commissaris
van de Vlaamse Regering bij de hogescholen zoals bedoeld in artikel 242 van dit decreet.
§
2. De titularis die op 31 december 2008 benoemd was als commissaris-coördinator behoudt de salarisschaal
die hij op dat ogenblik genoot evenals zijn titel en het statuut dat op dat ogenblik op hem van toepassing
was, met inbegrip van de aanrekening van zijn dienstjaren als academische dienstjaren.
§
3. De commissaris-coördinator en de commissarissen van de Vlaamse Regering die op 31 december 2008 belast
waren met het toezicht op één of meer instellingen behouden vanaf 1 januari 2009 het ambtsgebied dat
hen toegewezen was. »
Artikel V.23
In artikel 245 van hetzelfde decreet worden het
tweede lid van § 1 en de laatste zin van § 2 opgeheven.
Artikel V.24
In
de eerste zin van artikel 245, § 1, artikel 246, artikel 247, § 1, artikel 248, artikel
249, § 1, en de eerste zin van artikel 253 van hetzelfde decreet worden telkens de woorden « en
de commissaris-coördinator » geschrapt.
Artikel V.25
In artikel 250, § 1, van
hetzelfde decreet worden de woorden « of de commissaris-coördinator » geschrapt.
Artikel V.26
Aan
artikel 281, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt een punt 21° toegevoegd, dat luidt als
volgt :
« 21° de adviezen van de departementsraden en van de studentenraad; ».
Artikel
V.27
Aan artikel 303, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt een zin toegevoegd, die luidt
als volgt :
« Bij fusie van instellingen of onderdelen van instellingen worden de afgevaardigden
van het personeel in de onderhandelingscomités van de betrokken instellingen tot de volgende verkiezingen
samengevoegd tot de nieuwe personeelsafvaardiging in het nieuwe onderhandelingscomité en geldt het maximum
aantal van negen afgevaardigden niet. »
Artikel V.28
Aan artikel 327, § 2, tweede
lid, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de eerste zin
worden de woorden « artikel 36 » vervangen door de woorden « artikel 36, § 1, 4° en 6°, »;
2°
in de tweede zin worden de woorden « artikel 36 » vervangen door de woorden « artikel 36, § 1,
5°, ».
Afdeling IV. - Herstructurering hoger onderwijs
Artikel V.29
In artikel
4 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen
wordt 1° vervangen door wat volgt :
« 1° de « HUB-KUBrussel »; ».
Artikel V.30
Aan
artikel 5 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 2° wordt
vervangen door wat volgt :
« 2° de « HUB-EHSAL »; »;
2° punt 6° wordt vervangen door
wat volgt :
« 6° de « Artesis Hogeschool Antwerpen »; ».
Artikel V.31
Aan
afdeling 5 van hoofdstuk I van titel I van hetzelfde decreet wordt een onderafdeling 3 toegevoegd die
luidt als volgt :
» Onderafdeling 3. - De Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad
Sectie
1. - Oprichting
Artikel 9 quater decies
Onder de benaming de Vlaamse Universiteiten
en Hogescholen Raad (VLUHR) richten de hogescholen, de universiteiten en de associaties in de Vlaamse
Gemeenschap vóór eind 2009 een vereniging zonder winstoogmerk op waarvan de statuten moeten voldoen aan
de in dit decreet bepaalde voorwaarden.
Sectie 2. - Bevoegdheid
Artikel 9quinquies
decies
§ 1. De VLUHR verstrekt adviezen en doet voorstellen aan de minister tot wiens
bevoegdheid het hoger onderwijs behoort en aan de minister tot wiens bevoegdheid wetenschap en innovatie
behoort. De VLUHR kan ook overleg onder de hogescholen, universiteiten of associaties organiseren. Het
overleg, de adviezen en de voorstellen betreffen alle aangelegenheden die de Vlaamse hogescholen, universiteiten
en associaties aanbelangen.
§ 2. De VLUHR is bevoegd voor de externe kwaliteitsbeoordelingen
in de instellingen zoals bepaald in artikel 93 van dit decreet. De VLUHR kan daartoe een verzelfstandigd
orgaan oprichten.
§ 3. Op vraag van de Vlaamse Regering en de Erkenningscommissie verstrekt
de VLUHR adviezen in diverse materies.
§ 4. De VLUHR moet ook aspecten zoals internationalisering,
ontwikkelingssamenwerking en wetenschap en innovatie op volwaardige manier aan bod laten komen binnen
haar werking.
§ 5. De VLUHR fungeert als forum voor interassociatieoverleg.
Sectie
3. - Samenstelling
Artikel 9sexies decies
§ 1. De VLUHR vertegenwoordigt alle
hogescholen, alle universiteiten en alle associaties in de Vlaamse Gemeenschap.
§ 2.
De VLUHR kan andere natuurlijke personen of rechtspersonen uitnodigen om zijn vergaderingen bij te wonen.
Sectie
4. - Rapportering
Artikel 9septies decies
De VLUHR bezorgt jaarlijks vóór 1 juni
een verslag van de activiteiten van het afgesloten kalenderjaar aan de Vlaamse Regering en het Vlaams
Parlement. De jaarrekening maakt deel uit van dit activiteitenverslag.
Sectie 5. - Personeel
Artikel
9duodevicies
Personeelsleden van de universiteiten of de hogescholen kunnen met hun instemming
belast worden met een opdracht in de VLUHR. De VLUHR sluit daartoe een overeenkomst met de universiteit
of de hogeschool en het personeelslid. Deze overeenkomst bepaalt ten minste de duurtijd van de overeenkomst,
de salarisschaal waarop het personeelslid recht heeft en de wijze van verrekening van de personeelskost
aan de VLUHR.
De benoemde personeelsleden die belast zijn met een opdracht in de VLUHR behouden
hun statutaire rechten als personeelslid van de universiteit of hogeschool en blijven deel uitmaken van
de personeelsformatie van de universiteit of de hogeschool. Op het ogenblik dat de opdracht in de VLUHR
eindigt, belast het universiteits- of het hogeschoolbestuur het betrokken personeelslid met een opdracht
en wordt het bezoldigd met de salarisschaal verbonden met de functie die het in de universiteit of de
hogeschool bekleedt.
Sectie 6. - Overgangsbepaling
Artikel 9undevicies
De
VLIR en de VLHORA blijven werkzaam onder de huidige constellatie tot de VLUHR operationeel is.
Daar
waar in regelgevende teksten sprake is van « na of op advies van de Vlaamse Interuniversitaire Raad »
of « na of op advies van de Vlaamse Hogescholenraad » of « op voorstel van de Vlaamse Interuniversitaire
Raad » of « op voorstel van de Vlaamse Hogescholenraad », moeten deze bewoordingen vanaf 1 januari 2010
gelezen worden als « na of op advies van de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad » of « op voorstel
van de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad ».
In afwijking van het bepaalde in het tweede
lid, treedt de VLUHR vanaf de visitaties die plaatsvinden op basis van de zelfevaluatierapporten die
op 1 september 2010 moeten klaar zijn, in de plaats van de VLIR en de VLHORA als evaluatieorgaan voor
de externe evaluatie van de opleidingen. Waar in artikel 93 van dit decreet sprake is van de « Vlaamse
Interuniversitaire Raad » of de « Vlaamse Hogescholenraad » moet dit voor de visitaties waarvoor vanaf
1 september 2010 de VLUHR als evaluatieorgaan optreedt, gelezen worden als « Vlaamse Universiteiten en
Hogescholen Raad. ».
Artikel V.32
In artikel 26 van hetzelfde decreet worden de woorden
« Katholieke Universiteit Brussel » vervangen door de woorden « HUB-KUBrussel ».
Artikel V.33
In
artikel 33 van hetzelfde decreet worden de woorden « EHSAL, Europese Hogeschool Brussel » vervangen
door de woorden « HUB-EHSAL ».
Artikel V.34
In artikel 37 van hetzelfde decreet wordt
voor de woorden « Hogeschool Antwerpen » het woord « Artesis » gevoegd.
Artikel V.35
In
artikel 55 octies, § 7, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1°
in het eerste lid worden de woorden « en het volwassenenonderwijs. » vervangen door « , de Centra voor
Volwassenenonderwijs en de Centra voor Basiseducatie. »;
2° in het derde lid wordt na de eerste
zin een nieuwe zin toegevoegd, die luidt als volgt :
« De LIO-baan in een Centrum voor Basiseducatie
bedraagt op jaarbasis ten minste 0,6 VTE. »;
3° het laatste lid wordt vervangen door wat volgt
:
« De leraar-in-opleiding in een instelling voor secundair onderwijs, voor deeltijds kunstonderwijs
of in een centrum voor volwassenenonderwijs wordt aangesteld als tijdelijk personeelslid en is onderworpen
aan de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden
van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding of het decreet
van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs.
De
leraar-in-opleiding in een centrum voor basiseducatie wordt aangesteld als contractueel personeelslid
zoals bedoeld in artikel 127, 1°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
».
Artikel V.36
Aan artikel 57, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet
van 16 juni 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt de
zin « Het instellingsbestuur vraagt een accreditatie aan ten vroegste 18 maanden en ten laatste 9 maanden
voor het verstrijken van de geldigheid van de lopende accreditatie of van de erkenning als nieuwe opleiding
of van de tijdelijke erkenning, bedoeld in artikel 60bis. » vervangen door de zin « De accreditatieaanvraag
moet uiterlijk 6 maanden voor het verstrijken van de geldigheid van de lopende accreditatie of van de
erkenning als nieuwe opleiding of van de tijdelijke erkenning worden ingediend. »;
2° het tweede
lid wordt vervangen door wat volgt :
« Het instellingsbestuur vraagt een accreditatie aan binnen
een periode van 2 maanden na de publicatie van het visitatierapport. ».
Artikel V.37
Aan
artikel 57bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 19 maart 2004 en gewijzigd bij decreet
van 16 juni 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 wordt tussen
het eerste en het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Een instellingsbestuur
dat een inhoudelijk bezwaar, vermeld in § 2, derde lid, 2°, a), of artikel 93, § 3, derde
lid, 1°, heeft gemaakt ten aanzien van het ontwerp van externe beoordeling, kan aan de accreditatieaanvraag
een aanvullende nota toevoegen, indien de definitief vastgestelde gepubliceerde externe beoordeling dat
bezwaar kennelijk veronachtzaamt. »;
2° in § 2, derde lid, wordt 2° vervangen door wat
volgt :
« 2° de visitatiecommissie hanteert een protocol van kwaliteitszorg, opgesteld door
een evaluatieorgaan. Dit protocol voorziet ten minste in :
a) de mogelijkheid voor het instellingsbestuur
om technische opmerkingen en inhoudelijke bezwaren over te maken alvorens de commissie de externe beoordeling
definitief vaststelt;
b) de plicht voor de visitatiecommissie om ten aanzien van het instellingsbestuur
schriftelijk te antwoorden op de geformuleerde inhoudelijke bezwaren.
Te allen tijde kan het
in artikel 93 bedoelde protocol van kwaliteitszorg worden gehanteerd. ».
Artikel V.38
Aan
titel I, hoofdstuk III, afdeling 2, onderafdeling 2, sectie 3. Onderzoek, van hetzelfde decreet, ingevoegd
bij decreet van 19 maart 2004, wordt een artikel 58bis toegevoegd, dat luidt als volgt :
«
Artikel 58bis
§ 1. Het Accreditatieorgaan gaat na of de gepubliceerde externe beoordeling
regelmatig en volledig is.
Een regelmatige gepubliceerde externe beoordeling :
1° voldoet
aan de vormen, vermeld in het protocol van kwaliteitszorg;
2° omvat een beoordeling aan de hand
van de generieke kwaliteitswaarborgen en de beoordelingscriteria, vermeld in het door de Vlaamse Regering
bekrachtigde « Accreditatiekader bestaande opleidingen hoger onderwijs Vlaanderen ».
Een gepubliceerde
externe beoordeling is volledig indien het inzicht verschaft in de kwaliteit van de samenstelling van
de visitatiecommissie en een onderzoek ten gronde toelaat naar de aanwezigheid van voldoende generieke
kwaliteitswaarborgen.
§ 2. In voorkomend geval betrekt het Accreditatieorgaan de aanvullende
nota, vermeld in artikel 57bis, § 1, tweede lid, in de beoordeling van de regelmatigheid en volledigheid
van het visitatierapport.
§ 3. Indien het Accreditatieorgaan een eenvoudig remedieerbare
onregelmatigheid of onvolledigheid vaststelt, verzoekt zij het evaluatieorgaan of het instellingsbestuur
om schriftelijke aanvullende inlichtingen, toelichtingen of zienswijzen.
Het Accreditatieorgaan
voegt deze aanvullende inlichtingen, toelichtingen of zienswijzen toe aan het dossier. Zij bezorgt aan
het instellingsbestuur respectievelijk het evaluatieorgaan een afschrift van de bij het evaluatieorgaan
respectievelijk het instellingsbestuur opgevraagde aanvullende inlichtingen, toelichtingen of zienswijzen.
»
Artikel V.39
Artikel 59bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 19
maart 2004, wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 59bis
§ 1. Indien het
Accreditatieorgaan op grond van de gepubliceerde externe beoordeling niet zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen
tot een accreditatierapport en -besluit kan komen, hoort zij de visitatiecommissie en het instellingsbestuur
mondeling en in elkaars aanwezigheid.
De visitatiecommissie en het instellingsbestuur kunnen
uiterlijk ter zitting een schriftelijk stuk overmaken aan het Accreditatieorgaan.
Van de hoorzitting
wordt een proces-verbaal gemaakt. De schriftelijke stukken, vermeld in het tweede lid, worden als bijlage
aan dit proces-verbaal toegevoegd.
§ 2. Indien de gepubliceerde externe beoordeling,
samengelezen met het proces-verbaal van de hoorzitting, onvoldoende elementen bevat om tot een accreditatiebesluit
te komen, belast het Accreditatieorgaan het evaluatieorgaan met de organisatie van een aanvullende externe
beoordeling door dezelfde of een andere visitatiecommissie. Het Accreditatieorgaan stelt het instellingsbestuur
van deze beslissing in kennis.
Een aanvullende externe beoordeling is gericht op het wegwerken
van de onregelmatigheden of de onvolledigheden van de eerste gepubliceerde externe beoordeling, door
middel van het herstel van vormfouten of het invullen van materiële lacunes. Het Accreditatieorgaan omschrijft
de specifieke doelstelling van elke aanvullende externe beoordeling.
Een aanvullende externe
beoordeling is onderworpen aan de door het Accreditatieorgaan gestipuleerde vormen en criteria. In voorkomend
geval is de aanstelling van een nieuwe visitatiecommissie onderworpen aan de bekrachtigingsvereiste,
vermeld in artikel 93, § 3bis, tweede lid.
De visitatiecommissie legt de uitkomsten van
de aanvullende externe beoordeling vast in een rapport. Het instellingsbestuur wordt overeenkomstig de
voorschriften van het protocol van kwaliteitszorg, vermeld in artikel 57bis, § 2, derde lid, 2°,
a), of artikel 93, § 3, derde lid, in de gelegenheid gesteld om technische opmerkingen en inhoudelijke
bezwaren over te maken alvorens de commissie de aanvullende beoordeling definitief vaststelt. De visitatiecommissie
verschaft in voorkomend geval aan het instellingsbestuur een schriftelijk antwoord op de geformuleerde
inhoudelijke bezwaren.
Het Accreditatieorgaan brengt bij de verdere beoordeling van de accreditatieaanvraag
de gepubliceerde externe beoordeling, het proces-verbaal van de hoorzitting en het rapport van de aanvullende
externe beoordeling in rekening. ».
Artikel V.40
Aan artikel 59ter van hetzelfde
decreet, ingevoegd bij decreet van 19 maart 2004, waarvan de bestaande tekst § 1 wordt, wordt
een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
« § 2. Voor de externe beoordelingen,
waarvoor de samenstelling van de visitatiecommissie na 31 december 2004 definitief is goedgekeurd door
de bevoegde instantie van het evaluatieorgaan, gelden de regels inzake afstudeerrichtingen en vestigingen,
vermeld in § 1, voor alle volgende opleidingsvarianten :
1° de onderscheiden vestigingen
waar de opleiding aangeboden wordt;
2° de onderscheiden afstudeerrichtingen van de opleiding,
met uitzondering van de als afstudeerrichting georganiseerde specifieke lerarenopleidingen;
3°
de onderscheiden talen waarin de opleiding aangeboden wordt als vermeld in artikel 91, § 2;
4°
het studietraject voor werkstudenten, als vermeld in artikel 2, 22°, c), van het decreet van 14 maart
2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen;
5°
de onderscheiden programma's binnen de opleiding, indien deze leiden tot onderscheiden vormen van diplomering,
te weten diplomering door één instelling, bidiplomering of gezamenlijke diplomering;
6° de onderscheiden
programma's binnen de opleiding, indien deze georganiseerd worden door onderscheiden instellingsbesturen.
».
Artikel V.41
Artikel 60, § 2, van hetzelfde decreet, vervangen bij decreet
van 19 maart 2004, wordt vervangen door wat volgt :
« § 2. Een positief accreditatiebesluit
geldt voor een termijn van acht jaar. Deze termijn vangt aan vanaf het academiejaar dat volgt op het
academiejaar waarin het besluit genomen wordt of, in geval van verlenging, met ingang van de dag waarop
het vorige accreditatiebesluit vervalt.
Het Accreditatieorgaan kan de accreditatietermijn, vermeld
in het eerste lid, verlengen of verkorten ter vrijwaring van de gelijktijdige en geclusterde organisatie
van externe beoordelingen, vermeld in artikel 93, § 2, na overleg met het evaluatieorgaan dat
instaat voor de coördinatie van de visitaties.
De toepassing van het tweede lid kan nooit tot
gevolg hebben dat een opleiding geaccrediteerd wordt voor minder dan zes jaar of voor meer dan tien jaar.
».
Artikel V.42
Aan artikel 60sexies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet
van 19 maart 2004 en gewijzigd bij decreet van 16 juni 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht
:
1° in het eerste lid worden de woorden « mag niet meer dan één jaar verlopen zijn » vervangen
door de woorden « mogen niet meer dan negentig kalenderdagen verlopen zijn »;
2° aan het eerste
lid wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
« Een positief accreditatiebesluit dat
is gesteund op een positief accreditatiebesluit dat is afgeleverd door een ander accreditatieorgaan,
geldt tot en met het einde van het academiejaar waarin de equivalent verklaarde accreditatie een einde
neemt. »;
3° in het tweede lid worden de woorden « Artikelen 59, § 2, 60, 60 quater
en 60quinquies » vervangen door de woorden « Artikelen 59, § 2, 60, § 1, 60 quater
en 60quinquies ».
Artikel V.43
In hetzelfde decreet wordt een artikel 60octies ingevoegd,
dat luidt als volgt :
« Artikel 60octies
§ 1. Wanneer een bestaande bachelor-
of masteropleiding aangeboden door een hogeschool of universiteit, omgevormd wordt tot een gezamenlijk
georganiseerde opleiding conform de bepalingen van artikel 86 van het Structuurdecreet, dan wordt deze
opleiding niet beschouwd als een nieuwe opleiding in hoofde van de toetredende instellingen. De toetredende
hogescholen of universiteiten moeten de onderwijsbevoegdheid hebben om de desbetreffende graden binnen
de geografische omschrijving te verlenen.
§ 2. Voorafgaand aan de organisatie van de
gezamenlijke opleiding, moeten de associaties waarvan een partner een vestiging heeft in de provincie
waarin de toetredende instelling de geografische bevoegdheid heeft om de opleiding aan te bieden en de
desbetreffende graden te verlenen, hun akkoord verlenen.
Voor de toepassing van het eerste lid
worden het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de provincie Vlaams-Brabant gezamenlijk als één provincie
beschouwd.
§ 3. Wanneer een hogeschool of universiteit niet langer wenst te participeren
aan de gezamenlijk georganiseerde opleiding, dan kan deze hogeschool of universiteit de desbetreffende
opleiding niet organiseren als afzonderlijke opleiding in het geval de hogeschool of universiteit deze
opleiding niet organiseerde op het ogenblik van de start van de gezamenlijke opleiding.
§
4. De desbetreffende hogescholen of universiteiten delen voor 1 mei de opleidingen die ze conform §
1 van dit artikel in het daaropvolgende academiejaar willen organiseren, mee aan de Vlaamse Regering
en aan de instantie belast met de opmaak van het Hoger Onderwijsregister. Bij deze mededeling wordt het
akkoord van de associaties, zoals bedoeld in § 2 van dit artikel, toegevoegd. ».
Artikel
V.44
Artikel 61, § 2, derde lid, 2°, van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt
:
« 2° worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar
volgend op het einde van het academiejaar waarin voor de eerste maal de voor de nieuwe opleiding bepaalde
studieomvang geheel doorlopen werd; ».
Artikel V.45
In artikel 62, § 8, van
hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 19 maart 2004, worden de zinnen « Het besluit is geldig
voor vier daaropvolgende academiejaren en vervalt op het einde van het vierde academiejaar. Het besluit
vervalt automatisch indien de instelling de opleiding niet start in het tweede academiejaar volgend op
de bekendmaking aan de instelling. » vervangen door de zin « De nieuwe opleiding wordt geacht geaccrediteerd
te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar volgend op het einde van het academiejaar waarin
voor de eerste maal de voor de nieuwe opleiding bepaalde studieomvang geheel doorlopen werd. ».
Artikel
V.46
In afdeling 2 van hoofdstuk III van titel I van hetzelfde decreet wordt na onderafdeling
3 een onderafdeling 3bis ingevoegd die luidt als volgt :
« Onderafdeling 3bis. - Wijzigingen
aan de studieomvang van opleidingen
Sectie 1. - Uitbreiding studieomvang
Artikel 63bis
Hogescholen en universiteiten kunnen uiterlijk op 30 juni 2009, 30 juni 2010 of 30 juni 2011
een aanvraag indienen bij de Vlaamse Regering tot uitbreiding van de studieomvang van een masteropleiding
met een studieomvang van 60 studiepunten met het oog op het opstarten van deze masteropleidingen vanaf
het academiejaar 2010-2011, 2011-2012 of 2012-2013. De aanvraag wordt gezamenlijk ingediend door alle
instellingen die de betrokken opleiding aanbieden.
De aanvraag maakt deel uit van een rationalisatieplan
zoals bepaald in artikel 51 van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking
van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen.
Artikel 63ter
In de aanvraag
tonen de instellingen gezamenlijk aan dat de masteropleidingen van 120 studiepunten zullen beantwoorden
aan volgende structuur :
- de vakinhoudelijke vorming betreft 90 studiepunten en kan een differentiatie
bevatten naar verschillende specialismen;
- de gerichte opleidingscomponenten betreffen ten
minste 30 studiepunten en zijn specifiek gericht op één of meer van de volgende finaliteiten :
1°
onderzoeksgerichte finaliteit;
2° lerarenopleiding, waarbij een deel van de lerarenopleiding
ingebouwd wordt als afstudeerrichting in de initiële master zoals bepaald in artikel 55octies, §
2 en § 3, van dit decreet;
3° finaliteit naar andere beroepen dan leraar;
4°
doorgedreven vakinhoudelijke specialisatie.
Artikel 63 quater
De voorstellen tot
uitbreiding van de studieomvang van de masteropleidingen zullen getoetst worden aan de volgende criteria
:
1° de opleidingen kunnen aantonen dat de context tot een uitbreiding van de studieomvang noodzaakt
:
- de voorwaarden voor de erkenning van de kwalificatie zijn gewijzigd;
- de leerresultaten
kunnen niet meer bereikt worden binnen de huidige studieomvang;
- de opleidingsomvang in de
omringende landen voor vergelijkbare opleidingen bedraagt meer dan 60 studiepunten;
- de internationale
en nationale arbeidsmarkt vraagt kwalificaties van meer dan 60 studiepunten;
2° de opleidingen
kunnen aantonen dat er een objectief probleem van studeerbaarheid bestaat en dat de nieuwe studieomvang
en opbouw van het curriculum de studeerbaarheid significant zal verbeteren;
3° de opleiding
leidt in hoge mate tot een uitstroom naar onderzoeksloopbanen, gemeten in het relatieve aantal doctoraten
dat in deze domeinen wordt behaald. De uitbreiding van de studieomvang dient zich te vertalen in een
hoger streefcijfer wat het aantal doctoraten betreft;
4° de betreffende instellingen hebben
de capaciteit en de kritische massa inzake academisch en wetenschappelijk personeel en infrastructuur
om de nieuwe opleidingen op kwaliteitsvolle basis aan te bieden. Zij kunnen aantonen dat zij hierover
beschikken door samenwerking met andere hogescholen en universiteiten.
Artikel 63quinquies
Wanneer
enkel aan de beide laatste criteria is voldaan, dan kan de uitbreiding van de studieomvang enkel betrekking
hebben op de oprichting van masters met een onderzoeksgerichte finaliteit, waarbij er in dat vakgebied
een aanbod van masteropleidingen van 60 studiepunten behouden blijft. Wanneer aan de vier criteria is
voldaan, wordt er een algemene aanpassing van de studieomvang doorgevoerd. De instellingen specificeren
voor welke variant zij een aanvraag indienen.
Ingeval een veralgemeende uitbreiding van de
studieomvang wordt doorgevoerd zullen instellingen die niet over voldoende capaciteit beschikken om de
uitbreiding te realiseren, verplicht zijn om samen te werken met een andere instelling of verplicht zijn
het opleidingsaanbod van de betreffende master stop te zetten.
Artikel 63sexies
De
Vlaamse Regering neemt op basis van het advies van de commissie van experten zoals bepaald in artikel
52, § 3, van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen
en de universiteiten in Vlaanderen en het ingediende dossier een besluit inzake uitbreiding van de studieomvang
uiterlijk vijf maanden na datum van ontvangst van de aanvraag.
Sectie 2. - Vermindering studieomvang
Artikel
63septies
De Vlaamse Regering kan op basis van het advies van de commissie van experten zoals
bepaald in artikel 52, § 3, van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van
de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen beslissen om de studieomvang van een
bestaande masteropleiding te verminderen.
Sectie 3. - Overgangsbepaling
Artikel 63octies
Studenten die ingeschreven waren in een masteropleiding van 60 studiepunten in het academiejaar
voorafgaand aan het academiejaar waarin de uitbreiding van de studieomvang van de masteropleiding wordt
ingevoerd, kunnen hun masteropleiding voltooien binnen de twee daaropvolgende academiejaren of kunnen
inschrijven voor de in studieomvang uitgebreide masteropleiding met behoud van de verworven creditbewijzen.
Instellingen
moeten door middel van de organisatie van specifieke studietrajecten met een studieomvang van ten hoogste
60 studiepunten, studenten die een masteropleiding van 60 studiepunten hebben voltooid, de mogelijkheid
bieden om de graad van master te behalen van de in studieomvang uitgebreide masteropleiding. ».
Artikel
V.47
Aan artikel 93, § 3, van hetzelfde decreet, vervangen bij decreet van 19 maart 2004,
wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Het protocol van kwaliteitszorg voorziet
ten minste in :
1° de mogelijkheid voor het instellingsbestuur om technische opmerkingen en
inhoudelijke bezwaren over te maken alvorens de commissie de externe beoordeling definitief vaststelt;
2°
de plicht voor de visitatiecommissie om ten aanzien van het instellingsbestuur schriftelijk te antwoorden
op de geformuleerde inhoudelijke bezwaren. ».
Artikel V.48
In artikel 95bis 1 van hetzelfde
decreet gewijzigd bij de decreten van 30 april 2004 en van 16 juni 2006 worden de volgende wijzigingen
aangebracht :
1° het eerste lid wordt opgeheven;
2° het tweede en derde lid worden
vervangen door de volgende bepalingen :
« De masteropleidingen die als masteropleidingen worden
geselecteerd overeenkomstig het besluit nr. 2317/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5
december 2003 tot invoering van een programma voor de verhoging van de kwaliteit van het hoger onderwijs
en de bevordering van het intercultureel begrip door middel van samenwerking met derde landen (Erasmus
Mundus ) (2004-2008) of het besluit nr. 1298/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december
2008 tot invoering van het actieprogramma Erasmus Mundus 2009-2013 voor de verhoging van de kwaliteit
van het hoger onderwijs en de bevordering van het intercultureel begrip door middel van samenwerking
met derde landen, worden niet beschouwd als nieuwe opleidingen zoals bedoeld in artikel 60septies. De
instellingen kunnen deze opleidingen alleen maar aanbieden voor zover ze over de vereiste onderwijsbevoegdheid
beschikken. Deze worden geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het tweede academiejaar
volgend op het laatste academiejaar van de Europese erkenning of tot en met het einde van het tweede
academiejaar na de verlenging van de Europese erkenning. De duur van de overgangsaccreditatie kan nooit
meer dan 7 academiejaren zijn. »
Artikel V.49
Aan artikel 124, § 10, van hetzelfde
decreet wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt :
« De Vlaamse Regering kan de nodige
maatregelen aannemen opdat de accreditaties van gezamenlijk gevisiteerde opleidingen op eenzelfde ogenblik
eindigen. ».
Afdeling V. - Decreet betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap
in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie
in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs
Artikel
V.50
Aan artikel II.1, 15°bis, van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling
van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van
het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering
van het hoger onderwijs in Vlaanderen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt
f) worden de woorden « artikel 51 » vervangen door de woorden « artikel 52 »;
2° er wordt een
nieuw punt g) ingevoegd, dat luidt als volgt :
« g) het weigeren van het opnemen van een
bepaald opleidingsonderdeel in het diplomacontract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject
volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven; ».
Artikel V.51
In artikel II.3, §
1, van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Het bestuur
bezorgt het e-mailadres dat de student bij de instelling heeft aan het Vlaams ministerie voor Onderwijs
en Vorming. ».
Artikel V.52
In artikel II.7 van hetzelfde decreet wordt de tweede zin
opgeheven.
Artikel V.53
In artikel II.15, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt het
woord « examen(tucht)beslissingen » vervangen door het woord « studievoortgangsbeslissingen ».
Artikel
V.54
Aan artikel II.22 van hetzelfde decreet, waarvan de bestaande tekst § 1 wordt, wordt
een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
« § 2. Na vernietiging van de onrechtmatig
genomen studievoortgangsbeslissing door de Raad vervalt de verplichting om bij de aanvechting van een
nieuwe ongunstige studievoortgangsbeslissing genomen in opvolging van de uitspraak van de Raad de interne
beroepsprocedure uit te putten vooraleer een beroep in te stellen bij de Raad. ».
Artikel V.55
Aan
artikel VI.9.24 van hetzelfde decreet wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt :
« De werkingsenveloppe
wordt geïndexeerd volgens de formule vastgesteld voor de indexering van de werkingsuitkering van de universiteiten
en hogescholen. ».
Artikel V.56
In artikel VI.9ter van hetzelfde decreet worden de
volgende wijzigingen aangebracht :
« 1° in het eerste lid van § 1 worden de woorden «
2006, 2007 en 2008 » vervangen door de woorden « 2006, 2007, 2008 en 2009 »;
2° in het tweede
lid van § 1 worden de woorden « 2007 en 2008 » vervangen door de woorden « 2007, 2008 en 2009
»;
3° in § 2 worden de woorden « in 2006, in 2007 en in 2008 » vervangen door de woorden
« in 2006, in 2007, in 2008 en in 2009 ». »
Afdeling VI. - Studiefinanciering en studentenvoorziening
hoger onderwijs
Artikel V.57
Artikel 79 van het decreet van 30 april 2004 betreffende
de studiefinanciering en de studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap
wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 79
§ 1. Om de mobiliteitstoelage
te berekenen, worden de studenten ingedeeld in twee categorieën. Deze categorieën worden als volgt samengesteld
:
1° categorie 1 bestaat uit :
- studenten die beantwoorden aan de financiële voorwaarden
die gelden om in aanmerking te komen voor een studietoelage, bepaald in titel IV van het decreet van
8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;
- studenten van wie
het referentie-inkomen lager is dan de toepasselijke maximuminkomensgrens, gehanteerd in het kader van
de toepassing van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap,
doch vermeerderd met een bedrag dat jaarlijks door de Vlaamse Regering wordt bepaald;
2° categorie
2 bestaat uit studenten die niet behoren tot categorie 1.
§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt
jaarlijks de mobiliteitstoelage per categorie op advies van het in artikel 5, § 2, van het besluit
van de Vlaamse Regering van 21 maart 2008 tot oprichting van de overlegorganen die bijdragen tot een
optimale deelname van de Vlaamse Gemeenschap aan het Europees actieprogramma Een Leven Lang Leren bedoelde
Vlaamse Erasmuscomité. »
Artikel V.58
De artikelen 80 en 81 van hetzelfde decreet worden
opgeheven.
Afdeling VII. - Flexibilisering hoger onderwijs
Artikel V.59
In
artikel 27, eerste lid, 9° en 10°, en tweede lid, 9°, en 10°, van het decreet van 30 april 2004 betreffende
de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen
worden de woorden « artikel 51, eerste lid » telkens vervangen door de woorden « artikel 52, §
1 ».
Afdeling VIII. - Financiering hoger onderwijs
Artikel V.60
In artikel
11, § 3, van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen
en de universiteiten in Vlaanderen worden de woorden « voor de onderwijssokkel » vervangen door de woorden
« van alle componenten van de werkingsuitkering ».
Artikel V.61
Artikel 25, §
1, 3°, van hetzelfde decreet wordt aangevuld met de volgende bepalingen :
« Voor de berekening
van de onderwijssokkel van de ontvangende instelling wordt het aantal opgenomen studiepunten in de overgedragen
opleiding(en) van de relevante academiejaren, geacht behoord te hebben tot de ontvangende instelling.
».
Artikel V.62
In hetzelfde decreet wordt een artikel 25bis ingevoegd dat luidt als
volgt :
« Artikel 25bis
§ 1. Als bij of krachtens het decreet in het kader
van een herstructurering de onderwijsbevoegdheid in één of meer studiegebieden van een instelling vanaf
het academiejaar t-1/t geheel of gedeeltelijk wordt overgedragen naar een andere instelling, dan wordt
voor de berekening van de onderwijssokkel van de ontvangende instelling het aantal opgenomen studiepunten
in de overgedragen opleiding(en) van de relevante academiejaren en wordt voor de berekening van het variabel
onderwijsdeel van de ontvangende instelling het aantal financieringspunten van de overgedragen opleiding(en)
van de relevante academiejaren geacht behoord te hebben tot de ontvangende instelling.
§
2. In het geval van een overdracht zoals bedoeld in § 1 zijn de bepalingen van artikel 25, §
1, 4° en 5°, en § 2, van overeenkomstige toepassing. ».
Artikel V.63
Aan het
eerste lid van artikel 49 van hetzelfde decreet worden de volgende zinnen toegevoegd die luiden als volgt
:
« Een student krijgt op het ogenblik van het behalen van het diploma van master eenmalig
en bij wijze van overgangsmaatregel het verschil tussen 60 en het aantal opgenomen studiepunten vanaf
het academiejaar 2008-2009 extra bij het saldo van het leerkrediet. Deze regeling geldt voor zover de
student al in het academiejaar 2007-2008 in de desbetreffende masteropleiding ingeschreven was en op
voorwaarde dat hij vanaf het academiejaar 2008-2009 het initiële masterdiploma behaalt en vanaf datzelfde
academiejaar minder dan 60 studiepunten heeft opgenomen. »
Artikel V.64
Artikel 53
van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 53
De Vlaamse Regering
beslist vóór 1 december van het begrotingsjaar waarin de rationalisatieplannen ingediend werden over
de goedkeuring ervan. »
Artikel V.65
In hetzelfde decreet wordt een artikel 78bis
ingevoegd dat luidt als volgt :
« Artikel 78bis
Bij wijze van overgangsmaatregel zijn
de bepalingen van dit decreet ook van toepassing op de basisopleidingen in afbouw. ».
Afdeling
IX. - Decreet betreffende het onderwijs XVIII
Artikel V.66
In artikel V.63 van het
decreet van 4 juli 2008 betreffende het onderwijs XVIII wordt in 5° de zinsnede « artikel V.10 » vervangen
door de zinsnede « artikel V.9 ».
Afdeling X. - Inwerkingtreding
Artikel V.67
De
bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 september 2009, met uitzondering van :
1°
artikelen V.6, V.7, V.60 en V.65 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2008;
2° artikelen
V.9, V.27, V.28, V.30, V.34, V.63 en V.66 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2008;
3°
artikelen V.19, V.21 tot en met V.25, V.56, V.64 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2009;
4°
artikelen V.31, V.46 die uitwerking hebben met ingang van 1 mei 2009.
HOOFDSTUK VI. - Centra
voor leerlingenbegeleiding
Artikel VI.1
In artikel 2, eerste lid, 22°, in artikel 38,
§ 3, en in artikel 59, § 2, van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor
leerlingenbegeleiding, wordt het woord « onderwijswet » vervangen door het woord « onderwijsnet ».
Artikel
VI.2
In artikel 2, eerste lid van hetzelfde decreet wordt de bepaling onder 31° vervangen door
wat volgt :
« 31° verzekerd aanbod : door de Vlaamse Regering te bepalen diensten die het centrum
verplicht aan de school, de leerlingen en de ouders aanbiedt, maar die zij al dan niet kunnen aanvaarden;
»
Artikel VI.3
In artikel 14 van hetzelfde decreet wordt § 2 vervangen door
wat volgt :
« § 2. De centra zijn gesloten tijdens de kerstvakantie en de paasvakantie,
uitgezonderd de eerste maandag en de tweede vrijdag van de kerstvakantie. Indien deze openingsdagen respectievelijk
gelijk vallen met 24, 25, 26 of 31 december of met 1 of 2 januari, dan worden ze verplaatst naar de datum
binnen de kerstvakantie die hierbij het dichtste aansluit. ».
Artikel VI.4
Artikel
32 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met twee leden, die luiden als volgt :
« Indien de
basisscholen, zoals vermeld in artikel 3, 6°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, in
afspraak met de centra de gerichte consulten laten doorgaan op school, stellen ze de centra hiervoor
tijdens de uitvoering van de gerichte consulten een lokaal ter beschikking dat beschikt over een afdoende
infrastructuur en uitrusting opdat de consulten kwaliteitsvol uitgevoerd kunnen worden en de reglementering
op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan worden nageleefd.
De Vlaamse Regering
bepaalt de normen waaraan de infrastructuur en uitrusting van het lokaal, vermeld in het tweede lid,
minimaal dienen te beantwoorden. ».
Artikel VI.5
In artikel 41 van hetzelfde decreet
worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het punt 3° wordt aangevuld met een zin die
luidt als volgt :
« De Vlaamse Regering werkt de normen voor de infrastructuur en uitrusting
van de centra verder uit; »;
2° het punt 4° wordt vervangen door wat volgt :
« 4°
de bepalingen naleeft over de taalregeling in het onderwijs en de taalkennis van het personeel; ».
Artikel
VI.6
In artikel 176 van hetzelfde decreet wordt het woord « onderwijswetten » vervangen door
het woord « onderwijsnetten ».
Artikel VI.7
De bepalingen van dit hoofdstuk treden
in werking op 1 september 2009.
HOOFDSTUK VII. - Studiefinanciering
Artikel VII.1
In
artikel 5 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap,
ingevoegd bij decreet van 4 juli 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het punt
9°bis wordt aangevuld met de woorden « of zijn schakel- of voorbereidingsprogramma kan voltooien »;
2°
in het punt 15°, tweede zin, worden de woorden « artikel 9 of 9bis » vervangen door de woorden « artikelen
10, 10bis, 40bis of 40ter »;
3° het punt 43° wordt aangevuld met de woorden « , dat niet gevolgd
wordt in voorbereiding op een bachelor-na-bacheloropleiding of een master-na-masteropleiding ».
Artikel
VII.2
In artikel 9, § 2, van hetzelfde decreet, worden in punt 8° de woorden « of 40
» vervangen door de woorden « 40bis of 40ter ».
Artikel VII.3
In artikel 13 van
hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de §§ 1 en 2
worden vervangen door wat volgt :
« § 1. Een leerling heeft geen recht op een schooltoelage
voor het kleuteronderwijs als hij :
1° in het schooljaar in kwestie niet ingeschreven is in
een onderwijsinstelling, als vermeld in artikel 10;
2° gedurende het schooljaar in kwestie en
het daaraan voorafgaande schooljaar niet voldoende aanwezig is geweest.
§ 2. Een leerling
wordt tijdens een schooljaar geacht voldoende aanwezig te zijn als :
1° hij honderd vijftig
halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar
in kwestie begint de leeftijd van drie jaar bereikt. In afwijking hiervan moet de leerling die pas na
31 december van hetzelfde schooljaar de leeftijd van drie jaar bereikt, honderd halve schooldagen aanwezig
zijn op school;
2° hij honderd vijfentachtig halve schooldagen aanwezig is op school, in het
geval dat de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van vier jaar
bereikt;
3° hij tweehonderd twintig halve schooldagen aanwezig is op school, in het geval dat
de leerling tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van vijf jaar bereikt;
4° hij niet meer dan 29 halve schooldagen ongewettigd afwezig is op school, in het geval dat de leerling
tijdens het jaar waarin het schooljaar in kwestie begint de leeftijd van zes of zeven jaar bereikt. »;
2°
een § 4 wordt toegevoegd die luidt als volgt :
« § 4. In afwijking van §
3, bepaalt de Vlaamse Regering wanneer een leerling geacht wordt voldoende aanwezig te zijn, wanneer
de onderwijsinstelling, vermeld in artikel 10, overeenkomstig artikel 8 van het besluit van 17 april
1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs, in het deeltijds onderwijs en in het onderwijs
voor sociale promotie erkend gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, over een afwijkende
uurregeling beschikt. »
Artikel VII.4
Artikel 14 van hetzelfde decreet, wordt aangevuld
met een § 3, die luidt als volgt :
« § 3. In afwijking van § 1, 2°, bepaalt
de Vlaamse Regering het aantal halve schooldagen dat een leerling maximaal per schooljaar ongewettigd
afwezig mag zijn, wanneer de onderwijsinstelling, vermeld in artikel 10, overeenkomstig artikel 8 van
het besluit van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs, in het deeltijds
onderwijs en in het onderwijs voor sociale promotie erkend, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse
Gemeenschap, over een afwijkende uurregeling beschikt. »
Artikel VII.5
Artikel 16 van
hetzelfde decreet, wordt aangevuld met een § 3, die luidt als volgt :
« § 3. In
afwijking van § 1, 2°, bepaalt de Vlaamse Regering het aantal halve schooldagen dat een leerling
in het voltijds secundair onderwijs maximaal per schooljaar ongewettigd afwezig mag zijn, wanneer de
onderwijsinstelling in kwestie overeenkomstig artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31
augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs, over een afwijkende
uurregeling beschikt. ».
Artikel VII.6
In artikel 19 van hetzelfde decreet, worden
de woorden « of in een andere gemeenschap » ingevoegd tussen de woorden « Leerlingen die in het buitenland
» en de woorden « secundair onderwijs volgen, komen in aanmerking voor een schooltoelage ».
Artikel
VII.7
Artikel 31 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 31
Voor
de toepassing van artikelen 21 en 24 wordt voor opleidingen, gevolgd in het kader van verticale mobiliteit,
na advies van de betrokken overheid of NARIC-Vlaanderen, bepaald of het een financierbare opleiding betreft,
en hoeveel opgenomen en verworven studiepunten op het studietoelagekrediet verrekend moeten worden.
»
Artikel VII.8
Artikel 37 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een tweede lid,
dat luidt als volgt :
« In afwijking van artikel 35, § 1, 1°, 2° en 4°, stelt de Vlaamse
Regering de omstandigheden en de nadere regels vast waaronder in geval van feitelijke scheiding enkel
rekening gehouden wordt met het belastbaar inkomen van de onderhoudsverstrekker bij wie de leerling of
student zijn hoofdverblijfplaats heeft. »
Artikel VII.9
In artikel 42 van hetzelfde
decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, wordt het punt 4° aangevuld
met een lid, dat luidt als volgt :
« De categorie van leefeenheid die valt onder het toepassingsgebied
van artikel 34, § 1, 4° of 5°, levert een punt op, op voorwaarde dat het referentie-inkomen van
de zelfstandige, respectievelijk alleenstaande leerling of student in aanmerking genomen kan worden voor
de berekening van de toelage van de persoon, vermeld in § 1, 1° of 2°. »;
2° in §
2 wordt het woord « fiscaal » ingevoegd tussen de woorden « in kwestie » en de woorden « als gehandicapt
»;
3° § 3 wordt vervangen door wat volgt :
« § 3. Voor elke persoon
van wie het referentie-inkomen in aanmerking genomen wordt voor de berekening van de toelage, evenals
voor elke persoon bedoeld in § 1, 1° of 2°, van dit artikel, wordt er een punt toegekend indien
deze personen tijdens het school- of academiejaar in kwestie hoger onderwijs volgen.
In afwijking
van het eerste lid, wordt het totale aantal extra punten voor studenten hoger onderwijs verminderd met
één punt. »;
4° § 4 wordt vervangen door wat volgt :
« § 4. Als er in
de leefeenheid, vermeld in artikel 34, § 1, waarvan de leerling of student deel uitmaakt tevens
één of meerdere niet-verwanten zijn, wordt er voor de berekening van de minimum- en de maximuminkomensgrenzen
een punt afgetrokken, tenzij deze niet-verwanten niet beschikken over financiële middelen zoals vermeld
in artikel 35, § 1, 1°, 2°, 3°, 4° en 7°. »;
5° § 5 wordt vervangen door wat volgt
:
« § 5. In afwijking van de §§ 1 tot en met 4, bedraagt het aantal punten
van de leefeenheid waarvan de leerling of student deel uitmaakt nooit minder dan nul. »;
6°
§ 6 wordt opgeheven.
Artikel VII.10
Artikel 70 van hetzelfde decreet, wordt
aangevuld met een § 6, die luidt als volgt :
« § 6. Indien een student voorafgaand
aan de inwerkingtreding van dit artikel hoger onderwijs, zoals bedoeld in artikel 20, § 1 en §
2, artikel 21, § 1, en artikel 30, § 1, volgde, worden voor de overeenkomstige toepassing
van artikel 23, § 3, volgende regels toegepast :
1° voor elk academiejaar dat de student
voor het academiejaar 2004-2005 voltijds hoger onderwijs volgde, wordt de student geacht zestig studiepunten
verworven te hebben indien hij geslaagd was;
2° voor elk academiejaar dat de student voor het
academiejaar 2004-2005 halftijds hoger onderwijs volgde, wordt de student geacht dertig studiepunten
verworven te hebben indien hij geslaagd was;
3° indien de student in het academiejaar 2004-2005
ingeschreven was voor het volgen van voltijds hoger onderwijs en de gevolgde opleiding toen nog niet
het voorwerp van flexibilisering was, wordt de student geacht zestig studiepunten verworven te hebben
indien hij geslaagd was;
4° indien de student in het academiejaar 2004-2005 ingeschreven was
voor het volgen van halftijds hoger onderwijs en de gevolgde opleiding toen nog niet het voorwerp van
flexibilisering was, wordt de student geacht dertig studiepunten verworven te hebben indien hij geslaagd
was;
5° indien de student in het academiejaar 2004-2005 ingeschreven was voor het volgen van
hoger onderwijs en de gevolgde opleiding toen het voorwerp van flexibilisering was, wordt het reële aantal
verworven studiepunten in rekening gebracht;
6° indien de student in het academiejaar 2005-2006,
2006-2007, 2007-2008 of 2008-2009 ingeschreven was voor het volgen van hoger onderwijs, wordt het reële
aantal verworven studiepunten in rekening gebracht. »
Artikel VII.11
De bepalingen
van dit hoofdstuk treden in werking op 1 september 2009, met uitzondering van artikelen VII.8 en VII.9
die in werking treden op 1 september 2010.
HOOFDSTUK VIII. - Rechtspositie onderwijspersoneel
Afdeling
I. - Geldelijke rechtspositie
Artikel VIII.1
Aan artikel 76 van de wet van 24 december
1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als
volgt :
« Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt kan de Vlaamse Regering de
voorwaarden bepalen waaronder aan een definitief gepensioneerde die, na de leeftijdsgrens bedoeld in
het eerste lid, 2°, tijdelijk en voor een bepaalde duur prestaties levert, wel een salaris of salaristoelage
toegekend wordt. »
Artikel VIII.2
Aan artikel 77, § 2, van dezelfde wet wordt
een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Om tegemoet te komen aan een tekort op de
arbeidsmarkt, is de Vlaamse Regering gemachtigd vast te stellen dat voor sommige personeelsleden onder
bepaalde voorwaarden de beperking tot beloop van een derde van de prestaties die recht geven op een bezoldiging
zoals bepaald onder § 1, niet geldt. »
Artikel VIII.3
Artikel 77 van de wet
van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 wordt opgeheven op een door de
Vlaamse Regering vast te stellen datum voor de personeelsleden bedoeld in artikel IX.1 van het decreet
van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII-Mozaïek.
Afdeling II. - Rechtspositie van bepaalde
personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs
Artikel VIII.4
In het decreet van 27
maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs wordt
in artikel 17, § 1, het punt 4°, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, vervangen door wat
volgt :
« 4° voldoen aan de taalvereisten zoals bepaald in de artikelen 17bis tot en met 17quinquies
; ».
Artikel VIII.5
In hetzelfde decreet worden een artikel 17bis, 17ter, 17 quater
, 17quinquies en 17sexies ingevoegd, die luiden als volgt :
« Artikel 17bis
Een
personeelslid waarvan de aanwerving steunt op een bekwaamheidsbewijs, behaald aan een door de Vlaamse
Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling of op een bekwaamheidsbewijs
dat behaald is in de onderwijstaal, voldoet aan de taalvereisten voor de onderwijstaal.
Artikel
17ter
§ 1. Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs bedoeld
in artikel 17bis, moet met betrekking tot de taalvereisten voor de onderwijstaal voldoen aan de bepalingen
van dit artikel.
§ 2. Een personeelslid dat behoort tot het bestuurs- en onderwijzend
personeel of tot de pedagogische begeleidingsdienst moet de onderwijstaal minstens beheersen op niveau
C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.
§ 3. Een personeelslid
dat behoort tot een andere personeelscategorie dan deze bedoeld in § 2 moet de onderwijstaal minstens
beheersen op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.
§
4. In afwijking van § 2 moet een personeelslid dat aangesteld wordt in een wervingsambt van het
bestuurs- en onderwijzend personeel en dat uitsluitend één of meer levende vreemde talen onderwijst,
de onderwijstaal minstens beheersen op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor
Talen.
In afwijking van het eerste lid moet een personeelslid dat een taal onderwijst in de
opleidingen Arabis ch richtgraad 1 en 2, Chinees richtgraad 1 en 2, Grieks richtgraad 1 en 2, Japans
richtgraad 1 en 2, Pools richtgraad 1 en 2, Russisch richtgraad 1 en 2 en Turks richtgraad 1 en 2 in
het studiegebied talen richtgraad 1 en 2 de onderwijstaal minstens beheersen op niveau A2 van het Gemeenschappelijk
Europees Referentiekader voor Talen.
Artikel 17 quater
Indien de bestuurstaal niet
dezelfde taal is als de onderwijstaal, moet het personeelslid dat behoort tot een selectie- of bevorderingsambt
van het bestuurs- en onderwijzend personeel, tot de pedagogische begeleidingsdienst, tot het ambt van
administratief medewerker of een ambt van het administratief personeel de bestuurstaal beheersen op niveau
B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.
Indien de bestuurstaal niet
dezelfde taal is als de onderwijstaal, moet het personeelslid dat niet bedoeld is in het eerste lid de
bestuurstaal beheersen op niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.
Artikel
17quinquies
Een personeelslid dat de wettelijk of decretaal verplichte tweede taal onderwijst,
moet deze taal minstens beheersen op niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor
Talen voor de vaardigheden op het vlak van lezen en schrijven, en op niveau B2 van het Gemeenschappelijk
Europees Referentiekader voor Talen voor de vaardigheden op het vlak van luisteren en spreken.
Artikel
17sexies
§ 1. Het personeelslid bewijst de in artikel 17ter tot en met artikel 17quinquies
vereiste taalkennis :
1° aan de hand van alle studiebewijzen van door de Vlaamse Gemeenschap
erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs die het door voormelde artikelen vereiste niveau van
taalkennis aantonen;
2° of aan de hand van alle studiebewijzen die gelijkwaardig zijn met de
in 1° vermelde studiebewijzen en die het door voormelde artikelen vereiste niveau van taalkennis aantonen;
3°
of aan de hand van een getuigschrift dat hij heeft behaald bij een bij besluit van de Vlaamse Regering
ingerichte examencommissie.
§ 2. Indien een directeur moeilijkheden ondervindt om een
kandidaat aan te werven die de vereiste taalbekwaamheid bezit, kan hij een kandidaat aanwerven die niet
over de vereiste taalbekwaamheid beschikt. Op aanvraag kent de minister bevoegd voor onderwijs aan deze
kandidaat een tijdelijke afwijking toe die geldt voor een termijn van 3 jaar, te rekenen vanaf de datum
van de eerste aanstelling in een ambt in een personeelscategorie bedoeld in de artikelen 17ter tot en
met 17quinquies.
Tijdens voormelde periode van 3 jaar komt het personeelslid dat voormelde afwijking
heeft verkregen, niet in aanmerking voor een vaste benoeming, tenzij het personeelslid voor het einde
van deze periode aan de voorwaarden inzake taalvereisten, bedoeld in artikel 17ter tot en met 17quinquies,
voldoet. »
Artikel VIII.6
In artikel 21 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten
van 14 februari 2003, 10 juli 2003, 15 juli 2005, 15 juni 2007, 13 juli 2007 en 4 juli 2008 worden de
volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 7bis wordt punt 1° vervangen door wat volgt
:
« 1° dat wordt ontslagen of afgezet volgens artikel 61, 6° of 7°, kan de diensten die het
vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengroep in het ambt waarin
het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals
bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel; »;
2° in § 7ter worden de volgende
wijzigingen aangebracht :
a) in de inleidende zin wordt het woord « ontslagen » vervangen
door de woorden « ontslagen of afgezet »;
b) punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
« 1° volgens artikel 61, 6° of 7°, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde
in alle instellingen van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer
in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4
van dit artikel; »;
3° in § 7 quater worden de woorden « of artikel 61, 6° » vervangen
door de woorden « of na een ontslag of afzetting volgens artikel 61, 6° of 7° » en worden de woorden
« vóór het ontslag » vervangen door de woorden « vóór het ontslag of de afzetting ».
Artikel
VIII.7
In artikel 21bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en
gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999, 14 februari 2003, 10 juli 2003, 2 april 2004, 15 juli 2005,
13 juli 2007 en 4 juli 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 7bis
wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
« 1° dat wordt ontslagen of afgezet volgens artikel
61, 6° of 7°, of volgens artikel 64, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd
onderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van
de scholengemeenschap en van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer
in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4
van dit artikel; »;
2° in § 7ter worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de inleidende zin wordt het woord « ontslagen » vervangen door de woorden « ontslagen of afgezet
»;
b) punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
« 1° volgens artikel 61, 6° of 7°,
of volgens artikel 64, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs,
kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap
en van de scholengroep in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen
voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel; »;
3°
in § 7 quater worden de woorden « of artikel 61, 6° » vervangen door de woorden « of na een
ontslag of afzetting volgens artikel 61, 6° of 7° » en worden de woorden « vóór het ontslag » vervangen
door de woorden « vóór het ontslag of de afzetting ».
Artikel VIII.8
Aan artikel 23
van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999, 14 februari 2003, 7 juli 2006 en 13
juli 2007, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Om tegemoet te komen aan
een tekort op de arbeidsmarkt kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder een definitief
gepensioneerde na de leeftijdsgrens bedoeld onder f) als tijdelijk personeelslid in een wervingsambt
kan worden aangesteld. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit
decreet. Het personeelslid wordt aangesteld voor een bepaalde duur en verwerft geen recht op een tijdelijke
aanstelling van doorlopende duur. »
Artikel VIII.9
Artikel 24, vierde lid, van hetzelfde
decreet, vervangen door het decreet van 13 juli 2007, wordt vervangen door wat volgt :
« Het
personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na ontvangst van het ontslag om dringende redenen bij een
ter post aangetekende brief beroep aantekenen bij de in artikel 71 bedoelde kamer van beroep. Het aantekenen
van beroep schort het ontslag op. Bij ontvangst van het ontslag tijdens een periode van ten minste zeven
opeenvolgende vakantiedagen, wordt voornoemde periode van vijf kalenderdagen verlengd met de duur van
de vakantieperiode. De
raad van bestuur kan het personeelslid tijdens voormelde beroepsprocedure
preventief schorsen volgens artikel 59. Deze preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik
dat de beslissing aan het betrokken personeelslid wordt meegedeeld en tot de beroepsprocedure is beëindigd,
met dien verstande dat de periode alleszins nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling
waarop het ontslag betrekking heeft.
Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na
het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft
genomen.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen van de beroepsprocedure en waarborgt
de rechten van verdediging van de betrokken personeelsleden. De kamer van beroep doet in laatste aanleg
uitspraak over het beroep. »
Artikel VIII.10
In artikel 29 van hetzelfde decreet, gewijzigd
bij het decreet van 7 mei 2004, wordt een § 3 ingevoegd, die luidt als volgt :
« §
3. In het kleuteronderwijs komt een betrekking in het ambt van kinderverzorger die wordt ingericht op
basis van herberekende lestijden, volgens artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni
1997 betreffende de personeelsformatie in het gewoon basisonderwijs, niet in aanmerking voor vacantverklaring
of voor een benoeming in vast verband. In deze betrekking kan ook geen mutatie of een nieuwe affectatie
plaatsvinden. »
Artikel VIII.11
Artikel 40quinquies van hetzelfde decreet, ingevoegd
bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd door het decreet van 10 juli 2003, wordt vervangen door
wat volgt :
« Artikel 40quinquies
§ 1. De personeelscategorie ondersteunend
personeel bestaat uit de wervingsambten die door de Vlaamse Regering worden vastgelegd.
§
2. De ambten bedoeld in § 1 kunnen via voltijdse of halftijdse betrekkingen worden ingevuld. Een
halftijdse betrekking wordt steeds toegekend aan één personeelslid. Een voltijdse betrekking wordt toegekend
hetzij aan één personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden
belast. ».
Artikel VIII.12
In hetzelfde decreet wordt een artikel 42bis ingevoegd,
dat luidt als volgt :
« Artikel 42bis
§ 1. Dit artikel is van toepassing op
een vastbenoemde directeur die titularis is van één volledige betrekking en die gedurende minstens drie
opeenvolgende schooljaren voor zijn volledige betrekking gebruikmaakt van een of meerdere verlofstelsels
zoals vermeld in § 4.
§ 2. Als een vastbenoemde directeur vanaf 1 september 2009
gebruik maakt van een verlofstelsel zoals vermeld in § 4, dan moet de raad van bestuur vóór de
aanvang van dat verlofstelsel aan de vastbenoemde directeur meedelen of hij de volledige betrekking waarvan
hij titularis is, in de loop van zijn verlof al dan niet zal vacant verklaren en, desgevallend, na welke
tijdsspanne dat zal gebeuren.
Deze mededeling moet schriftelijk gebeuren en minstens voor kennisneming
ondertekend worden door de betrokken directeur. Als de betrokken directeur weigert voor kennisname te
tekenen, bezorgt de raad van bestuur zijn beslissing aan de directeur met een ter post aangetekende brief
die uitwerking heeft vanaf de dag van verzending.
Bij gebrek aan dergelijke schriftelijke mededeling
kan de raad van bestuur de betrekking niet vacant verklaren. Deze door de betrokken directeur voor kennisgeving
ondertekende mededeling kan niet meer gewijzigd worden, tenzij na uitdrukkelijk schriftelijk akkoord
van de betrokken directeur. Als deze schriftelijke mededeling niet is gedaan, kan de raad van bestuur
de volledige betrekking maar vacant verklaren mits uitdrukkelijk schriftelijk akkoord van de vastbenoemde
directeur.
De vacantverklaring bedoeld in het eerste lid kan slechts plaatsvinden als de betrokken
directeur voor een periode van minstens drie opeenvolgende schooljaren afwezig is geweest omwille van
een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4. Om de duur van de betrokken periode te bepalen,
wordt alleen rekening gehouden met ononderbroken perioden van afwezigheid vanaf 1 september 2009.
§
3. Als een vastbenoemde directeur op 1 september 2009 minstens gedurende de drie voorgaande volledige
schooljaren ononderbroken afwezig was omdat hij gebruik maakte van een of meerdere verlofstelsels zoals
vermeld in § 4, dan kan de raad van bestuur, in afwijking van § 2, zijn volledige betrekking
vanaf 1 oktober 2009 in aanmerking nemen voor vacantverklaring, maar enkel en alleen als de betrokken
directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document
dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt.
Als een vastbenoemde directeur
op 1 september 2009 slechts gedurende de twee voorgaande volledige schooljaren ononderbroken afwezig
was omdat hij gebruik maakte van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4 en hij ook
gedurende het volledige schooljaar 2009-2010 ononderbroken gebruikt maakt van dit verlofstelsel, dan
kan de raad van bestuur, in afwijking van § 2, zijn volledige betrekking vanaf 1 september 2010
in aanmerking nemen voor vacantverklaring, maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk
akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur
voor akkoord ondertekend wordt.
Als een directeur op 1 september 2009 slechts gedurende het
volledige voorgaande schooljaar ononderbroken afwezig was omdat hij gebruik maakte van een of meerdere
verlofstelsels zoals vermeld in § 4 en hij ook gedurende de volledige schooljaren 2009-2010 en
2010-2011 ononderbroken gebruikt maakt van dit verlofstelsel, dan kan de raad van bestuur, in afwijking
van § 2, zijn volledige betrekking in aanmerking nemen voor vacantverklaring vanaf 1 september
2011 maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet
ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt.
§
4. De in § 1 bedoelde verlofstelsels zijn :
a) verlof om tijdelijk een andere opdracht
uit te oefenen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 1998 tot regeling van
de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs,
de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie en de dienst voor
onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor ze niet vastbenoemd
zijn;
b) verlof voor het uitoefenen van een mandaat dat toegekend wordt aan de algemeen directeur
of coördinerend directeur vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 2001 betreffende
de mandaten van directeur, algemeen directeur en coördinerend directeur in het niet-tertiair onderwijs;
c) verlof wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in artikel 77 quater van dit decreet;
d) verlof wegens opdracht zoals bepaald in artikel 77 quater van dit decreet;
e) verlof
voor vakbondsopdrachten zoals bepaald in artikel 29 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen
ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het
statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van
het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch,
kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en
van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
f)
verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse
Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet
van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van een lid van de federale regering of van een
gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie en een cel
algemeen beleid bij een lid van de federale regering door personeelsleden van het onderwijs en van de
centra voor leerlingenbegeleiding;
g) verlof erkende politieke groepen zoals bepaald in het
besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991betreffende het verlof dat aan de personeelsleden
van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor het verrichten van bepaalde
prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen en of
de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen;
h) politiek verlof zoals bepaald in artikel 29 tot en met artikel 36bis van het decreet van 28 april
1993 betreffende het onderwijs IV;
i) verlof toegekend aan personeelsleden die ter beschikking
van de koning worden gesteld zoals bepaald in artikel 39 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974
genomen ter toepassing van artikel 160 van het van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling
van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel,
van het paramedisch personeel der inrichtingen voor het kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch,
kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en
van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;
j)
terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden vermeld in de artikelen 13 en 14 van het
koninklijk besluit van 18 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 164 van het koninklijk besluit
van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel,
van
het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon,
middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen
afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.
§
5. De directeur wiens betrekking in toepassing van § 2 of § 3 vacant werd verklaard, blijft
na de vacantverklaring van die betrekking in de administratieve en geldelijke toestand die verbonden
is aan zijn verlof of terbeschikkingstelling.
Op het ogenblik dat de betrokken directeur geen
gebruik meer maakt van de in § 4 bedoelde verlofstelsels, wordt hij ter beschikking gesteld wegens
ontstentenis van betrekking, tenzij de betrekking waarvan hij titularis was nog niet werd ingenomen door
een andere vastbenoemde titularis. In dat geval wordt hij opnieuw titularis van de betrokken betrekking.
».
Artikel VIII.13
In artikel 50 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van
13 juli 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° een § 1bis wordt ingevoegd,
die luidt als volgt :
« § 1bis. Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt
kan de raad van bestuur na de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 23, f), een definitief gepensioneerde
waarnemend aanstellen in een betrekking in een selectie- of bevorderingsambt bedoeld in § 1, 1°,
2° en 4°. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het
personeelslid kan niet tot de proeftijd worden toegelaten of vast benoemd worden in deze betrekking.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden. »;
2° in § 4 worden de woorden « -
volgens artikel 23, a, b, c, d, f, h en k; » vervangen door de woorden « - volgens artikel 23, a, b,
c, d, f, h en k. Als de aanstelling gebeurt op grond van § 1bis geldt artikel 23, f, niet; ».
Artikel
VIII.14
In hetzelfde decreet wordt een artikel 52bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
«
Artikel 52bis
Een personeelslid dat een waarnemende aanstelling heeft in een selectie- of bevorderingsambt
kan, zonder opzegging, om dringende redenen worden ontslagen.
Onder dringende redenen wordt
verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de waarnemende aanstelling onmiddellijk en definitief
onmogelijk maakt. Ontslag om dringende redenen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan niet
meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend
is aan de raad van bestuur.
Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven bij een ter
post aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter
rechtvaardiging van het ontslag. Het ontslag om dringende redenen wordt gegeven door de raad van bestuur
of door de afgevaardigd bestuurder voor het personeelslid aangesteld in het vormingscentrum of de pedagogische
begeleidingsdienst.
Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na ontvangst van het ontslag
om dringende redenen bij een ter post aangetekende brief beroep aantekenen bij de in artikel 71 bedoelde
kamer van beroep. Het aantekenen van beroep schort het ontslag op. Bij ontvangst van het ontslag tijdens
een periode van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt voornoemde periode van vijf kalenderdagen
verlengd met de duur van de vakantieperiode. De raad van bestuur kan het personeelslid tijdens voormelde
beroepsprocedure preventief schorsen volgens artikel 59. Deze preventieve schorsing beslaat de periode
vanaf het ogenblik dat de beslissing aan het betrokken personeelslid wordt meegedeeld en tot de beroepsprocedure
is beëindigd, met dien verstande dat de periode alleszins nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke
waarnemende aanstelling waarop het ontslag betrekking heeft.
Het ontslag om dringende redenen
is definitief ofwel na het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve
beslissing heeft genomen.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen van de beroepsprocedure
en waarborgt de rechten van verdediging van de betrokken personeelsleden. De kamer van beroep doet in
laatste aanleg uitspraak over het beroep. »
Artikel VIII.15
In artikel 55, §
2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 14 juli 1998, 18 mei 1999, 14 februari 2003 en
22 juni 2007, worden de woorden « vermeld in artikel 97 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse
maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari
1997 betreffende het basisonderwijs » geschrapt.
Artikel VIII.16
In hetzelfde decreet
worden aan het opschrift van hoofdstuk VI de woorden « , bij de overheveling van een vestigingsplaats
of een filiaal en bij de samensmelting van filialen » toegevoegd.
Artikel VIII.17
In
artikel 56 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 15 juli 1997 en gewijzigd bij de decreten
van 18 mei 1999, 14 februari 2003, 10 juli 2003 en 15 juni 2007, wordt § 5 vervangen door wat
volgt :
« § 5. De personeelsleden die voor de overname recht hadden op een tijdelijke
aanstelling van doorlopende duur, zoals bedoeld in artikel 21, § 3, of 21bis, § 3, van
dit decreet, of in artikelen 23, § 3, of 23bis, § 3, van het decreet Rechtspositie personeelsleden
gesubsidieerd onderwijs behouden dit recht na de overname. »
Artikel VIII.18
In hoofdstuk
VI van hetzelfde decreet wordt een artikel 56/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 56/1
§
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
1° overheveling van een vestigingsplaats
:
a) in het basisonderwijs : een herstructurering zoals vermeld in artikel 3, 22°, van het
decreet van 25 februari 1997 basisonderwijs, waarbij een school een vestigingsplaats, zijnde een gedeelte
van een school, zoals vermeld in artikel 3, 56°, van hetzelfde decreet, afschaft en een andere school
tegelijkertijd op dezelfde locatie een vestigingsplaats opricht;
b) in het voltijds gewoon
secundair onderwijs : de overheveling van een vestigingsplaats, zoals vermeld in artikel 45, §
2, 4°, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair
onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;
c) in het volwassenenonderwijs : de overheveling van het geheel van het onderwijsaanbod georganiseerd
in een vestigingsplaats zoals vermeld in artikel 2, 33°, 40° en 44°, en artikel 65 van het decreet van
15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;
2° overheveling van een filiaal : de overheveling
van een filiaal in het deeltijds kunstonderwijs zoals vermeld in artikel 91, 6° en 8°, van het decreet
van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II;
3° samensmelting : de samensmelting van filialen
in het deeltijds kunstonderwijs zoals vermeld in artikel 91, 6° en 9°, van het decreet van 31 juli 1990
betreffende het onderwijs-II.
§ 2. Wanneer één van de volgende situaties zich voordoet,
stellen de betrokken inrichtende machten, en in het deeltijds kunstonderwijs ook de andere instanties
die bij de organisatie van het filiaal betrokken zijn, ten behoeve van de situatie van het personeel
een schriftelijke overeenkomst op :
1° de overheveling van een vestigingsplaats of een filiaal
naar een instelling van een andere inrichtende macht;
2° de samensmelting tot een nieuwe instelling
van een andere inrichtende macht.
De overeenkomst houdt minstens rekening met :
1°
de personeelsleden die in de vestigingsplaats of het filiaal tewerkgesteld zijn in het schooljaar voorafgaand
aan de overheveling of de samensmelting, en met de omvang van die tewerkstelling;
2° de omvang
van de omkadering die bij de overheveling of de samensmelting betrokken is.
In het volwassenenonderwijs
is de schriftelijke overeenkomst niet vereist als er bij de overheveling geen leraarsuren worden overgedragen.
Als echter bij een overheveling zonder leraarsuren toch een schriftelijke overeenkomst afgesloten wordt,
is alleen § 3 van toepassing.
§ 3. Als de overeenkomst vermeld in § 2
erin voorziet dat de overheveling of de samensmelting gepaard gaat met een overname van personeelsleden,
verkrijgen deze personeelsleden mits hun toestemming de hoedanigheid van personeelslid van de inrichtende
macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal na de overheveling behoort of waartoe de nieuwe instelling
na de samensmelting behoort, ten belope van de opdracht waarvoor ze bij die inrichtende macht tewerkgesteld
worden. Deze personeelsleden gaan, al naargelang ze vastbenoemd of tijdelijk aangesteld zijn, over als
vastbenoemde of tijdelijk aangestelde personeelsleden. De personeelsleden die voor de overheveling of
de samensmelting recht hadden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bedoeld in artikel
21, § 3, en artikel 21bis, § 3, van dit decreet of in artikel 23, § 3, en artikel
23bis, § 3, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, behouden dit
recht na de overheveling of de samensmelting.
De diensten die het personeelslid volgens de bepalingen
van dit decreet of volgens de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden
gesubsidieerd onderwijs gepresteerd heeft in een ambt, betrekking, opleiding, module, vak of specialiteit
bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal voor de overheveling of voor de samensmelting
behoorde, worden geacht ook gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, dezelfde opleiding,
dezelfde module, hetzelfde vak of dezelfde specialiteit bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats
of het filiaal na de overheveling of de nieuwe instelling na de samensmelting behoort.
Een kandidaatstelling
voor een tijdelijke aanstelling, die geldt bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het
filiaal voor de overheveling of voor de samensmelting behoorde, wordt geacht ook gedaan te zijn bij de
inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal na de overheveling of de nieuwe instelling
na de samensmelting behoort.
§ 4. De raad van bestuur van de scholengroep van de instelling
waarnaar een vestigingsplaats of een filiaal overgeheveld wordt zoals vermeld in § 2, deelt in
afwijking van artikel 28, § 2 en § 3, of artikel 28bis, § 2, in het schooljaar van
de overheveling de vacante betrekkingen in die instelling mee na 1 oktober en vóór 15 oktober. De vacante
betrekkingen worden vastgesteld in functie van de toestand op 1 oktober. De vacante betrekkingen in die
instelling die al meegedeeld werden vóór 15 mei in functie van de toestand op 15 april hebben geen uitwerking.
§ 5. De raad van bestuur van de scholengroep van een instelling die ontstaat door de
samensmelting, vermeld in § 2, deelt in afwijking van artikel 28, § 2 en § 3, van
dit decreet, in het schooljaar van de samensmelting de vacante betrekkingen mee na 1 oktober en vóór
15 oktober. De vacante betrekkingen worden vastgesteld in functie van de toestand op 1 oktober. ».
Artikel
VIII.19
Artikel 59, tweede lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 mei
1999, wordt vervangen door wat volgt :
« De preventieve schorsing is enkel mogelijk indien het
belang van het onderwijs of van de dienst dit vereist. De preventieve schorsing is een administratieve
maatregel uitgesproken door de raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst : door de afgevaardigd
bestuurder - na advies van het instellingshoofd.
In het geval van een tuchtvordering wordt
de preventieve schorsing uitgesproken voor de duur van het tuchtonderzoek en mag ze, behoudens bij een
strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, of in het kader van een
beroepsprocedure volgens artikel 71, niet meer dan één jaar bedragen.
De preventieve schorsing
kan maximum zes maanden bedragen indien er binnen deze periode geen tuchtvordering wordt ingesteld, behoudens
bij een strafrechtelijk onderzoek of een strafrechtelijke vervolging. ».
Artikel VIII.20
In
hetzelfde decreet wordt een artikel 59ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 59ter
§ 1. Met uitzondering van de preventieve schorsing in toepassing van artikel 24, artikel
52bis, artikel 53bis, § 5, en artikel 73undecies, § 4, kan het personeelslid tegen de preventieve
schorsing in beroep gaan bij de kamer van beroep, vermeld in artikel 71. Op straffe van verval dient
het beroep ingesteld te worden binnen een termijn van twintig kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag
na het versturen van de ter post aangetekende brief met de kennisgeving van de preventieve schorsing.
Het beroep wordt ingesteld bij beroepsschrift en moet alle middelen bevatten die tegen de preventieve
schorsing kunnen worden ingebracht. Daartoe ontvangt het betrokken personeelslid met dezelfde zending
als die waarmee hem de preventieve schorsing wordt meegedeeld, een kopie van zijn dossier.
Het
personeelslid dat over nieuwe elementen beschikt, kan tegen zijn preventieve schorsing een beroep instellen,
van zodra minstens drie maanden verstreken zijn sinds de dag na het versturen van de ter post aangetekende
brief met de kennisgeving van de preventieve schorsing.
§ 2. Het beroep schort de preventieve
schorsing niet op.
§ 3. Ten aanzien van betwistingen inzake het niet in acht nemen door
de raad van bestuur B de afgevaardigd bestuurder voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst
B van de bepalingen van artikel 59 of het kennelijk onredelijke karakter van de preventieve schorsing
doet de kamer van beroep in laatste aanleg uitspraak. De kamer van beroep beslist bij unanimiteit als
de preventieve schorsing gepaard gaat met een tuchtonderzoek en bij gewone meerderheid van stemmen als
de preventieve schorsing niet gepaard gaat met een tuchtonderzoek.
§ 4. De Vlaamse Regering
kan de nadere regelen van de beroepsprocedure bepalen en waarborgt de rechten van verdediging van de
betrokken personeelsleden. »
Artikel VIII.21
In artikel 60bis van hetzelfde decreet
wordt in de opsomming na het eerste liggende streepje een liggend streepje ingevoegd dat luidt als volgt
:
« - de personeelsleden die toegelaten zijn tot de proeftijd; ».
Artikel VIII.22
In
artikel 61, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999,
13 juli 2001 en 7 juli 2006 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 6° wordt vervangen
door wat volgt :
« 6° het ontslag. Naargelang de aard van de redenen waarom een ontslag gegeven
wordt, kan de raad van bestuur beslissen dat dit ontslag betrekking heeft op één, meerdere of al haar
instellingen; »;
2° een punt 7° wordt toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 7° de afzetting.
Naargelang de aard van de redenen waarom de afzetting gegeven wordt, kan de raad van bestuur beslissen
dat de afzetting betrekking heeft op één, meerdere of al haar instellingen. ».
Artikel VIII.23
In
artikel 70, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden « de afdanking uitgezonderd » vervangen
door de woorden « met uitzondering van het ontslag of de afzetting ».
Artikel VIII.24
Aan
artikel 77 quater , § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 februari
2003 en gewijzigd bij de decreten van 7 mei 2004 en 22 juni 2007, wordt een punt 14° toegevoegd dat luidt
als volgt :
« 14° een opdracht in de internationale school Ferney-Voltaire; ».
Artikel
VIII.25
In artikel 82 van hetzelfde decreet gewijzigd bij de decreten van 15 juli 1997, 14 februari
2003 en 22 juni 2007, wordt het derde lid vervangen door wat volgt :
« Een overeenkomstig a)
en c), ter beschikking gesteld personeelslid kan gedurende twee jaar zijn aanspraken op een selectie-
of bevorderingsambt en op bevordering tot een hoger salaris doen gelden. ».
Artikel VIII.26
In
artikel 83, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003 en 22 juni
2007, wordt volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 4° wordt geschrapt;
2° een punt
7° en 8° worden toegevoegd, die luiden als volgt :
« 7° die ter beschikking zijn gesteld wegens
ziekte en waarvoor er een geschil voor een arbeidsrechtbank lopende is. Dit geschil moet handelen over
het niet-erkennen van een afwezigheid ten gevolge van een arbeidsongeval of een beroepsziekte of over
de consolidatiedatum;
8° die ter beschikking zijn gesteld wegens ziekte en waarvoor de procedure
buitendienstongeval niet is afgesloten. ».
Artikel VIII.27
In artikel 84 van hetzelfde
decreet, gewijzigd bij het decreet van 28 april 1993, worden in punt a) de woorden « artikel 82, eerste
lid, b), c), e) en f) » vervangen door de woorden « artikel 82, eerste lid, c), e) en f) ».
Artikel
VIII.28
In artikel 88 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 13 juli 2007, wordt
punt 3° vervangen door wat volgt :
« 3° het ontslag of de afzetting als gevolg van een tuchtmaatregel
volgens artikel 61, 6° of 7°; ».
Artikel VIII.29
In artikel 88bis van hetzelfde decreet,
ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en vervangen bij het decreet van 13 juli 2007, worden de woorden
« wordt ontslagen » vervangen door de woorden « wordt ontslagen of afgezet ».
Artikel VIII.30
In
hetzelfde decreet wordt een artikel 103octies ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 103octies
De salarisschaal, het bekwaamheidsbewijs en de geldelijke anciënniteit die tussen 1 september
1999 en 30 september 2000 conform de op dat ogenblik geldende regelgeving werden toegekend aan een personeelslid
dat tijdens voormelde periode in een betrekking in een bepaald ambt aangesteld was, en als het gaat om
het ambt van leraar in een bepaald vak of specialiteit, in een centrum voor volwassenenonderwijs, worden
voor dat ambt en als het gaat om het ambt van leraar in dat vak of die specialiteit als verworven beschouwd.
Het
personeelslid behoudt deze salarisschaal voor het in het eerste lid bedoelde ambt, vak of specialiteit
bij een aanstelling in een centrum voor volwassenenonderwijs, het bekwaamheidsbewijs en de geldelijke
anciënniteit bij wijze van overgangsmaatregel, tenzij het personeelslid voor dat ambt, dat vak of die
specialiteit in een centrum voor volwassenenonderwijs conform de vigerende regelgeving recht heeft op
een betere salarisschaal, een beter bekwaamheidsbewijs en een betere geldelijke anciënniteit. »
Artikel
VIII.31
In hetzelfde decreet wordt een artikel 103novies ingevoegd, dat luidt als volgt :
«
Artikel 103novies
§ 1. Een personeelslid dat werd aangesteld op basis van artikel 15
van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs kan na 1 september 2009 opnieuw worden
aangesteld in een zelfde ambt en voldoet vanaf 1 september 2009 aan de taalvereisten inzake de onderwijstaal
zoals bepaald in de artikelen 17bis tot en met 17 quater .
§ 2. Een personeelslid dat
de grondige kennis van de tweede taal bewees en werd aangesteld op basis van artikel 15 van de wet van
30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs kan na 1 september 2009 opnieuw worden aangesteld
in een zelfde ambt en voldoet vanaf 1 september 2009 aan de taalvereisten inzake de onderwijstaal zoals
bepaald in artikel 17quinquies.
§ 3. Personeelsleden die tot en met het academiejaar
2009-2010 een diploma behalen van bachelor in het onderwijs voor het lager onderwijs in een door de Vlaamse
Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde lerarenopleiding worden geacht aan de voorwaarde
van artikel 17quinquies te voldoen voor aanstellingen in basisscholen gelegen in het Vlaamse Gewest
in het ambt van onderwijzer. »
Afdeling III. - Rechtspositie van sommige personeelsleden van
het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding
Artikel VIII.32
In
artikel 4, § 5, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden
in het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, ingevoegd bij
het decreet van 7 juli 2006 en gewijzigd bij het decreet van 4 juli 2008, worden de woorden « en ontslag
» vervangen door de woorden « , ontslag en afzetting ».
Artikel VIII.33
In hetzelfde
decreet worden in artikel 19, § 1, gewijzigd bij de decreten van 7 juli 2006, 15 juni 2007 en
22 juni 2007, volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden « of van artikel 56, 9° » worden
vervangen door de woorden « of van artikel 106, § 1, 1°, a), b) en d) »;
2° het punt
2° wordt vervangen door wat volgt :
« 2° voldoet aan de taalvereisten zoals bepaald in artikel
19bis tot en met 19quinquies ; ».
Artikel VIII.34
In hetzelfde decreet worden de
artikelen 19bis, 19ter, 19 quater , 19quinquies en 19sexies ingevoegd, die luiden als volgt :
«
Artikel 19bis
Een personeelslid waarvan de aanwerving steunt op een bekwaamheidsbewijs, behaald
aan een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling of op
een bekwaamheidsbewijs dat behaald is in de onderwijstaal, voldoet aan de taalvereisten voor de onderwijstaal.
Artikel
19ter
§ 1. Een personeelslid dat niet in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs bedoeld
in artikel 19bis, moet met betrekking tot de taalvereisten voor de onderwijstaal voldoen aan de bepalingen
van dit artikel.
§ 2. Een personeelslid dat behoort tot het bestuurs- en onderwijzend
personeel of tot een pedagogische begeleidingsdienst moet de onderwijstaal minstens beheersen op niveau
C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.
§ 3. Een personeelslid
dat behoort tot een andere personeelscategorie dan deze bedoeld in § 2 moet de onderwijstaal minstens
beheersen op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.
§
4. In afwijking van § 2 moet een personeelslid dat aangesteld wordt in een wervingsambt van het
bestuurs- en onderwijzend personeel en dat uitsluitend één of meer levende vreemde talen of kunstvakken
onderwijst, de onderwijstaal minstens beheersen op niveau B2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader
voor Talen.
In afwijking van het eerste lid moet een personeelslid dat een taal onderwijst in
de opleidingen Arabis ch richtgraad 1 en 2, Chinees richtgraad 1 en 2, Grieks richtgraad 1 en 2, Japans
richtgraad 1 en 2, Pools richtgraad 1 en 2, Russisch richtgraad 1 en 2 en Turks richtgraad 1 en 2 in
het studiegebied talen richtgraad 1 en 2 de onderwijstaal minstens beheersen op niveau A2 van het Gemeenschappelijk
Europees Referentiekader voor Talen.
Artikel 19 quater
Indien de bestuurstaal niet
dezelfde taal is als de onderwijstaal, moet het personeelslid dat behoort tot een selectie- of bevorderingsambt
van het bestuurs- en onderwijzend personeel, tot een pedagogische begeleidingsdienst, tot het ambt van
administratief medewerker of een ambt van het administratief personeel de bestuurstaal beheersen op niveau
B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.
Indien de bestuurstaal niet
dezelfde taal is als de onderwijstaal, moet het personeelslid dat niet bedoeld is in het eerste lid de
bestuurstaal beheersen op niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.
Artikel
19quinquies
Een personeelslid dat de wettelijk of decretaal verplichte tweede taal onderwijst,
moet deze taal minstens beheersen op niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor
Talen voor de vaardigheden op het vlak van lezen en schrijven, en op niveau B2 van het Gemeenschappelijk
Europees Referentiekader voor Talen voor de vaardigheden op het vlak van luisteren en spreken.
Artikel
19sexies
§ 1. Het personeelslid bewijst de in artikel 19ter tot en met artikel 19quinquies
vereiste taalkennis :
1° aan de hand van alle studiebewijzen van door de Vlaamse Gemeenschap
erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs die het door voormelde artikelen vereiste niveau van
taalkennis aantonen;
2° of aan de hand van alle studiebewijzen die gelijkwaardig zijn met de
in 1° vermelde studiebewijzen en die het door voormelde artikelen vereiste niveau van taalkennis aantonen;
3°
of aan de hand van een getuigschrift dat hij heeft behaald bij een bij besluit van de Vlaamse Regering
ingerichte examencommissie.
§ 2. Indien een inrichtende macht moeilijkheden ondervindt
om een kandidaat aan te werven die de vereiste taalbekwaamheid bezit, kan ze een kandidaat aanwerven
die niet over de vereiste taalbekwaamheid beschikt. Op aanvraag kent de minister bevoegd voor onderwijs
aan deze kandidaat een tijdelijke afwijking toe die geldt voor een termijn van 3 jaar, te rekenen vanaf
de datum van de eerste aanstelling in een ambt in een personeelscategorie bedoeld in de artikelen 19ter
tot en met 19quinquies.
Tijdens voormelde periode van 3 jaar komt het personeelslid dat voormelde
afwijking heeft gekregen, niet in aanmerking voor een vaste benoeming, tenzij het personeelslid voor
het einde van deze periode aan de voorwaarden inzake taalvereisten, bedoeld in artikel 19ter tot en
met 19quinquies, voldoet. ».
Artikel VIII.35
Aan artikel 21, § 1, van hetzelfde
decreet, gewijzigd bij de decreten van 21 december 1994, 14 juli 1998, 18 mei 1999, 14 februari 2003,
7 juli 2006 en 13 juli 2007, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Om tegemoet
te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder
een definitief gepensioneerde na de leeftijdsgrens bedoeld onder g) als tijdelijk personeelslid in een
wervingsambt kan worden aangesteld. Deze aanstelling gebeurt met behoud van de toepassing van de bepalingen
van dit decreet. Het personeelslid wordt aangesteld voor een bepaalde duur en verwerft geen recht op
een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. »
Artikel VIII.36
In artikel 23 van
hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003, 10 juli 2003, 15 juli 2005, 15 juni
2007, 13 juli 2007 en 4 juli 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in §
7bis wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
« 1° dat wordt ontslagen of afgezet volgens
artikel 64, 6° of 7°, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen
van de betrokken inrichtende macht die niet behoren tot een scholengemeenschap of in alle centra van
de betrokken inrichtende macht in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking
nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel;
»;
2° in § 7ter worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de inleidende
zin wordt het woord « ontslagen » vervangen door de woorden « ontslagen of afgezet »;
b)
punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
« 1° volgens artikel 64, 6° of 7°, kan de diensten
die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de betrokken inrichtende
macht die niet behoren tot een scholengemeenschap of in alle centra van de betrokken inrichtende macht
in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van
de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel; »;
3° in §
7 quater worden de woorden « of artikel 64, 6° » vervangen door de woorden « of na een ontslag of afzetting
volgens artikel 64, 6° of 7° » en worden de woorden « vóór het ontslag » vervangen door de woorden «
vóór het ontslag of de afzetting ».
Artikel VIII.37
In artikel 23bis van hetzelfde
decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003,
10 juli 2003, 2 april 2004, 15 juli 2005, 13 juli 2007 en 4 juli 2008, worden de volgende wijzigingen
aangebracht :
1° in § 7bis wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
« 1° dat
wordt ontslagen of afgezet volgens artikel 64, 6° of 7°, of volgens artikel 61, 6° of 7°, van het decreet
Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting
presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet,
niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en §
4 van dit artikel; »;
2° in § 7ter worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de inleidende zin wordt het woord « ontslagen » vervangen door de woorden « ontslagen of afgezet
»;
b) punt 1° wordt vervangen door wat volgt :
« 1° volgens artikel 64, 6° of 7°,
of volgens artikel 61, 6° of 7°, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs,
kan de diensten die het vóór het ontslag of de afzetting presteerde in alle instellingen van de scholengemeenschap
in het ambt waarin het werd ontslagen of afgezet, niet meer in aanmerking nemen voor de berekening van
de anciënniteit zoals bedoeld in § 3 en § 4 van dit artikel; »;
3° in §
7 quater worden de woorden « of artikel 64, 6° » vervangen door de woorden « of na een ontslag of afzetting
volgens artikel 64, 6° of 7° » en worden de woorden « vóór het ontslag » vervangen door de woorden «
vóór het ontslag of de afzetting ».
Artikel VIII.38
In artikel 25 van hetzelfde decreet,
gewijzigd bij het decreet van 13 juli 2007, wordt tussen het vierde en het vijfde lid een nieuw lid ingevoegd,
dat luidt als volgt :
« Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na het verstrijken
van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen. »
Artikel
VIII.39
In artikel 34 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 mei 2004, wordt
een § 3 ingevoegd, die luidt als volgt :
« § 3. In het kleuteronderwijs komt een
betrekking in het ambt van kinderverzorger die wordt ingericht op basis van herberekende lestijden, volgens
artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie
in het gewoon basisonderwijs, niet in aanmerking voor vacantverklaring of voor een benoeming in vast
verband. In deze betrekking kan ook geen mutatie of een nieuwe affectatie plaatsvinden. ».
Artikel
VIII.40
Artikel 36ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en
gewijzigd door het decreet van 10 juli 2003, wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 36ter
§ 1. De personeelscategorie ondersteunend personeel bestaat uit de wervingsambten die
door de Vlaamse Regering worden vastgelegd.
§ 2. De ambten bedoeld in § 1 kunnen
via voltijdse of halftijdse betrekkingen worden ingevuld. Een halftijdse betrekking wordt steeds toegekend
aan één personeelslid. Een voltijdse betrekking wordt toegekend hetzij aan één personeelslid, hetzij
aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast. ».
Artikel VIII.41
In
hetzelfde decreet wordt een artikel 39bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 39bis
§ 1. Dit artikel is van toepassing op een vastbenoemde directeur die titularis is van
een volledige betrekking en die gedurende minstens drie opeenvolgende schooljaren voor zijn volledige
betrekking gebruik maakt van één of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4.
§
2. Als een vastbenoemde directeur vanaf 1 september 2009 gebruik maakt van een verlofstelsel zoals vermeld
in § 4, dan moet de inrichtende macht vóór de aanvang van dat verlofstelsel aan de vastbenoemde
directeur meedelen of zij de volledige betrekking waarvan hij titularis is, in de loop van zijn verlof
al dan niet als een vacante betrekking zal beschouwen en, desgevallend, na welke tijdsspanne dat zal
gebeuren.
Deze mededeling moet schriftelijk gebeuren en minstens voor kennisneming ondertekend
worden door de betrokken directeur. Als de betrokken directeur weigert voor kennisname te tekenen, bezorgt
de inrichtende macht haar beslissing aan de directeur met een ter post aangetekende brief die uitwerking
heeft vanaf de dag van verzending.
Bij gebrek aan dergelijke schriftelijke mededeling kan de
inrichtende macht de betrekking niet als een vacante betrekking beschouwen. Deze door de betrokken directeur
voor kennisgeving ondertekende mededeling kan niet meer gewijzigd worden, tenzij na uitdrukkelijk schriftelijk
akkoord van de betrokken directeur. Als deze schriftelijke mededeling niet is gedaan, kan de inrichtende
macht de volledige betrekking maar als een vacante betrekking beschouwen mits uitdrukkelijk schriftelijk
akkoord van de vastbenoemde directeur.
De vacantverklaring bedoeld in het eerste lid kan slechts
plaatsvinden als de betrokken directeur voor een periode van minstens drie opeenvolgende schooljaren
afwezig is geweest omwille van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4. Om de duur
van de betrokken periode te bepalen, wordt alleen rekening gehouden met ononderbroken perioden van afwezigheid
vanaf 1 september 2009.
§ 3. Als een vastbenoemde directeur op 1 september 2009 minstens
gedurende de drie voorgaande volledige schooljaren ononderbroken afwezig was omdat hij gebruik maakte
van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4, dan kan de inrichtende macht, in afwijking
van § 2, zijn volledige betrekking vanaf 1 oktober 2009 als een vacante betrekking beschouwen,
maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig
blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt.
Als
een vastbenoemde directeur op 1 september 2009 slechts gedurende de twee voorgaande volledige schooljaren
ononderbroken afwezig was omdat hij gebruik maakte van een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in
§ 4 en hij ook gedurende het volledige schooljaar 2009-2010 ononderbroken gebruikt maakt van dit
verlofstelsel, dan kan de inrichtende macht, in afwijking van § 2, zijn volledige betrekking vanaf
1 september 2010 als een vacante betrekking beschouwen, maar enkel en alleen als de betrokken directeur
daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de
betrokken directeur voor akkoord ondertekend wordt.
Als een directeur op 1 september 2009 slechts
gedurende het volledige voorgaande schooljaar ononderbroken afwezig was omdat hij gebruik maakte van
een of meerdere verlofstelsels zoals vermeld in § 4 en hij ook gedurende de volledige schooljaren
2009-2010 en 2010-2011 ononderbroken gebruikt maakt van dit verlofstelsel, dan kan de inrichtende macht,
in afwijking van § 2, zijn volledige betrekking als een vacante betrekking beschouwen vanaf 1
september 2011 maar enkel en alleen als de betrokken directeur daarmee uitdrukkelijk akkoord is. Dat
akkoord moet ondubbelzinnig blijken uit een document dat door de betrokken directeur voor akkoord ondertekend
wordt.
§ 4. De in § 1 bedoelde verlofstelsels zijn :
a) verlof om tijdelijk
een andere opdracht uit te oefenen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april
1998 tot regeling van de administratieve en geldelijke toestand van bepaalde vastbenoemde personeelsleden
van het onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdiensten, de inspectie
en de dienst voor onderwijsontwikkeling, tijdelijk aangesteld of tijdelijk belast met een opdracht waarvoor
ze niet vastbenoemd zijn;
b) verlof voor het uitoefenen van een mandaat dat toegekend wordt
aan de algemeen directeur of coördinerend directeur vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van
26 januari 2001 betreffende de mandaten van directeur, algemeen directeur en coördinerend directeur in
het niet-tertiair onderwijs;
c) verlof wegens bijzondere opdracht zoals bepaald in artikel
51 quater van dit decreet;
d) verlof wegens opdracht zoals bepaald in artikel artikel 51
quater van dit decreet;
e) verlof voor vakbondsopdrachten zoals bepaald in artikel 53 van
het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs
of zoals bepaald in het koninklijk besluit van 16 december 1981 betreffende het syndicaal verlof in het
gesubsidieerd onderwijs;
f) verlof om een ambt uit te oefenen in een ministerieel kabinet
zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juli 1995 betreffende het verlof om een ambt
uit te oefenen in een ministerieel kabinet van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, van een
lid van de federale regering of van een gewestelijk staatssecretaris, en bij een secretariaat, de cel
algemene beleidscoördinatie en een cel algemeen beleid bij een lid van de federale regering door personeelsleden
van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding;
g) verlof erkende politieke
groepen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1991betreffende het verlof
dat aan de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt verleend voor
het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en
van de Gemeenschappen en of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de
voorzitters van die groepen;
h) politiek verlof zoals bepaald in artikel 29 tot en met artikel
36bis van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV;
i) terbeschikkingstelling
wegens persoonlijke aangelegenheden zoals bepaald in het koninklijk besluit nr. 76 van 20 juli 1982 betreffende
de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voor de personeelsleden van het gesubsidieerd
onderwijs.
§ 5. De directeur wiens betrekking in toepassing van § 2 of §
3 vacant werd verklaard, blijft na de vacantverklaring van die betrekking in de administratieve en geldelijke
toestand die verbonden is aan zijn verlof of terbeschikkingstelling.
Op het ogenblik dat de
betrokken directeur geen gebruik meer maakt van de in § 4 bedoelde verlofstelsels, wordt hij ter
beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking, tenzij de betrekking waarvan hij titularis was
nog niet werd ingenomen door een andere vastbenoemde titularis. In dat geval wordt hij opnieuw titularis
van de betrokken betrekking. ».
Artikel VIII.42
In artikel 42 van hetzelfde decreet,
gewijzigd bij het decreet van 13 juli 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1°
er wordt een § 1bis ingevoegd, die luidt als volgt :
« § 1bis. Om tegemoet te
komen aan een tekort op de arbeidsmarkt, kan de inrichtende macht een definitief gepensioneerde na de
leeftijdsgrens bedoeld in artikel 21, § 1, g), tijdelijk aanstellen in een betrekking in een selectie-
of bevorderingsambt bedoeld in § 1, a), b) en d). Deze aanstelling gebeurt met behoud van de
toepassing van de bepalingen van dit decreet. Het personeelslid kan niet vast benoemd worden in deze
betrekking. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden. »;
2° aan § 4, eerste
lid, wordt de volgende zin toegevoegd :
« Als de aanstelling gebeurt op grond van §
1bis geldt artikel 21, § 1, g ), niet. »;
3° een paragraaf 6 wordt toegevoegd, die
luidt als volgt :
« § 6. Een personeelslid dat tijdelijk is aangesteld in een selectie-
of bevorderingsambt kan, zonder opzegging, om dringende redenen worden ontslagen.
Onder dringende
redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk
en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende redenen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel
kan niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen
bekend is aan de inrichtende macht.
Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven bij
een ter post aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend
ter rechtvaardiging van het ontslag. Het ontslag om dringende redenen wordt gegeven door de inrichtende
macht.
Het personeelslid kan binnen vijf kalenderdagen na ontvangst van het ontslag om dringende
redenen bij een ter post aangetekende brief beroep aantekenen bij de in artikel 69 bedoelde kamer van
beroep. Het aantekenen van beroep schort het ontslag op. Bij ontvangst van het ontslag tijdens een periode
van ten minste zeven opeenvolgende vakantiedagen, wordt voornoemde periode van vijf kalenderdagen verlengd
met de duur van de vakantieperiode. De inrichtende macht kan het personeelslid tijdens voormelde beroepsprocedure
preventief schorsen volgens artikel 67. Deze preventieve schorsing beslaat de periode vanaf het ogenblik
dat de beslissing aan het betrokken personeelslid wordt meegedeeld en tot de beroepsprocedure is beëindigd,
met dien verstande dat de periode alleszins nooit langer kan zijn dan de oorspronkelijke tijdelijke aanstelling
waarop het ontslag betrekking heeft.
Het ontslag om dringende redenen is definitief ofwel na
het verstrijken van de beroepstermijn, ofwel nadat de kamer van beroep een definitieve beslissing heeft
genomen.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen van de beroepsprocedure en waarborgt
de rechten van verdediging van de betrokken personeelsleden. De kamer van beroep doet in laatste aanleg
uitspraak over het beroep. ».
Artikel VIII.43
In artikel 44, § 2, van hetzelfde
decreet, gewijzigd bij de decreten van 14 juli 1998, 18 mei 1999, 14 februari 2003 en 22 juni 2007, worden
de woorden « vermeld in artikel 97 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met
betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende
het basisonderwijs » geschrapt.
Artikel VIII.44
Aan artikel 51 quater § 2,
eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 februari 2003 en gewijzigd bij de
decreten van 7 mei 2004 en 22 juni 2007, wordt een punt 14° toegevoegd, dat luidt als volgt :
«
14° een opdracht in de internationale school Ferney-Voltaire. ».
Artikel VIII.45
In
artikel 56 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 15 juli 1997, 14 februari 2003 en 22
juni 2007, worden het tweede en derde lid vervangen door wat volgt :
« In afwachting dat de
Vlaamse Regering de hiervoor bedoelde voorwaarden vastlegt, blijven de op het ogenblik van het van kracht
worden van dit decreet geldende wettelijke of reglementaire bepalingen van toepassing.
Een
overeenkomstig a) en c) ter beschikking gesteld personeelslid kan gedurende twee jaar zijn aanspraken
op een selectie- of bevorderingsambt en op een bevordering toe een hoger salaris doen gelden. »
Artikel
VIII.46
In artikel 57, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 14 februari
2003 en 22 juni 2007, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 4° wordt geschrapt;
2°
een punt 7° en 8° worden toegevoegd, die luiden als volgt :
« 7° die ter beschikking zijn gesteld
wegens ziekte en waarvoor er een geschil voor een arbeidsrechtbank lopende is. Dit geschil moet handelen
over het niet-erkennen van een afwezigheid ten gevolge van een arbeidsongeval of een beroepsziekte of
over de consolidatiedatum;
8° die ter beschikking zijn gesteld wegens ziekte en waarvoor de
procedure buitendienstongeval niet is afgesloten. »
Artikel VIII.47
In artikel 58 van
hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 28 april 1993, worden in punt a) de woorden « artikel
56, eerste lid, b), c) en f) » vervangen door de woorden « artikel 56, eerste lid, c) en f) ».
Artikel
VIII.48
In artikel 61 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 13 juli 2007, worden
de woorden « wordt ontslagen » vervangen door de woorden « wordt ontslagen of afgezet ».
Artikel
VIII.49
In artikel 62 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, wordt
punt 3° vervangen door wat volgt :
« 3° het ontslag of de afzetting als gevolg van een tuchtmaatregel
volgens artikel 64, 6° of 7°; »
Artikel VIII.50
In artikel 62bis van hetzelfde decreet,
ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2007, worden de woorden « wordt ontslagen » vervangen door de woorden
« wordt ontslagen of afgezet ».
Artikel VIII.51
In artikel 64, eerste lid, van hetzelfde
decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999, 13 juli 2007, 7 juli 2006 en 13 juli 2007, worden
de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in punt 6° worden de woorden « al haar instellingen
» vervangen door de woorden « al haar instellingen of centra »;
2° een punt 7° wordt toegevoegd,
dat luidt als volgt :
« 7° de afzetting. Naargelang de aard van de redenen waarom tot afzetting
wordt overgegaan, kan de inrichtende macht beslissen dat de afzetting betrekking heeft op één, meerdere
of al haar instellingen of centra. ».
Artikel VIII.52
Artikel 67 van hetzelfde decreet
wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 67
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere
regelen inzake de preventieve schorsing. Deze preventieve schorsing is enkel mogelijk tijdens de behandeling
van een tuchtvordering indien het belang van de dienst dit vereist.
De preventieve schorsing
is een bewarende maatregel uitgesproken door de inrichtende macht voor de duur van het tuchtonderzoek
en mag, behoudens bij een strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten,
of in het kader van een beroepsprocedure volgens artikel 69, § 2, niet meer dan één jaar bedragen.
Het hiervoor bedoelde besluit waarborgt de rechten van verdediging. »
Artikel VIII.53
In
hetzelfde decreet wordt een artikel 67bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 67bis
§ 1. Met uitzondering van de preventieve schorsing in toepassing van artikel 25 en artikel
42, § 6, kan het personeelslid tegen de preventieve schorsing in beroep gaan bij de bevoegde kamer
van beroep, vermeld in artikel 69. Op straffe van verval dient het beroep ingesteld te worden binnen
een termijn van twintig kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag na het versturen van de ter post aangetekende
brief met de kennisgeving van de preventieve schorsing.
Het beroep wordt ingesteld bij beroepsschrift
en moet alle middelen bevatten die tegen de preventieve schorsing kunnen worden ingebracht. Daartoe ontvangt
het betrokken personeelslid met dezelfde zending als die waarmee hem de preventieve schorsing wordt meegedeeld,
een kopie van zijn dossier.
Het personeelslid dat over nieuwe elementen beschikt, kan tegen
zijn preventieve schorsing een beroep instellen, van zodra minstens drie maanden verstreken zijn sinds
de dag na het versturen van de ter post aangetekende brief met de kennisgeving van de preventieve schorsing.
§
2. Het beroep schort de preventieve schorsing niet op.
§ 3. Ten aanzien van betwistingen
inzake het niet in acht nemen door de inrichtende macht van de bepalingen van artikel 67 of het kennelijk
onredelijke karakter van de preventieve schorsing doet de bevoegde kamer van beroep in laatste aanleg
uitspraak. De kamer van beroep beslist bij unanimiteit.
§ 4. De Vlaamse Regering kan
de nadere regelen van de beroepsprocedure bepalen en waarborgt de rechten van verdediging van de betrokken
personeelsleden. »
Artikel VIII.54
In artikel 73, § 1, van hetzelfde decreet
worden de woorden « de afdanking uitgezonderd » vervangen door de woorden « het ontslag en de afzetting
uitgezonderd ».
Artikel VIII.55
In hetzelfde decreet worden aan het opschrift van titel
II, hoofdstuk X, de woorden « , bij de overheveling van een vestigingsplaats of een filiaal en bij de
samensmelting van filialen » toegevoegd.
Artikel VIII.56
Aan artikel 74 van hetzelfde
decreet, vervangen bij het decreet van 15 juli 1997 en gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003
en 15 juni 2007, wordt een § 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
« § 5. De personeelsleden
die voor de overname recht hadden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bedoeld in
artikel 23, § 3, of 23bis, § 3, van dit decreet, of in artikel 21, § 3, of 21bis,
§ 3, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs behouden dit recht na
de overname. ».
Artikel VIII.57
In hoofdstuk X van hetzelfde decreet wordt een artikel
74bis 1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 74bis 1
§ 1. Voor de toepassing
van dit artikel wordt verstaan onder :
1° overheveling van een vestigingsplaats :
a) in het basisonderwijs : een herstructurering zoals vermeld in artikel 3, 22°, van het decreet van
25 februari 1997 basisonderwijs, waarbij een school een vestigingsplaats, zijnde een gedeelte van een
school, zoals vermeld in artikel 3, 56°, van hetzelfde decreet, afschaft en een andere school tegelijkertijd
op dezelfde locatie een vestigingsplaats opricht;
b) in het voltijds gewoon secundair onderwijs
: de overheveling van een vestigingsplaats, zoals vermeld in artikel 45, § 2, 4°, van het decreet
van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging
van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;
c) in het volwassenenonderwijs
: de overheveling van het geheel van het onderwijsaanbod georganiseerd in een vestigingsplaats zoals
vermeld in artikel 2, 33°, 40° en 44°, en artikel 65 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het
volwassenenonderwijs;
2° overheveling van een filiaal : de overheveling van een filiaal in het
deeltijds kunstonderwijs zoals vermeld in artikel 91, 6° en 8°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende
het onderwijs-II;
3° samensmelting : de samensmelting van filialen in het deeltijds kunstonderwijs
zoals vermeld in artikel 91, 6° en 9°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II.
§
2. Wanneer één van de volgende situaties zich voordoet, stellen de betrokken inrichtende machten, en
in het deeltijds kunstonderwijs ook de andere instanties die bij de organisatie van het filiaal betrokken
zijn, ten behoeve van de situatie van het personeel een schriftelijke overeenkomst op :
1° de
overheveling van een vestigingsplaats of een filiaal naar een instelling van een andere inrichtende macht;
2°
de samensmelting tot een nieuwe instelling van een andere inrichtende macht.
De overeenkomst
houdt minstens rekening met :
1° de personeelsleden die in de vestigingsplaats of het filiaal
tewerkgesteld zijn in het schooljaar voorafgaand aan de overheveling of de samensmelting, en met de omvang
van die tewerkstelling;
2° de omvang van de omkadering die bij de overheveling of de samensmelting
betrokken is.
In het volwassenenonderwijs is de schriftelijke overeenkomst niet vereist als
er bij de overheveling geen leraarsuren worden overgedragen. Als echter bij een overheveling zonder leraarsuren
toch een schriftelijke overeenkomst afgesloten wordt, is alleen § 3 van toepassing.
§
3. Als de overeenkomst vermeld in § 2, erin voorziet dat de overheveling of de samensmelting gepaard
gaat met een overname van personeelsleden, verkrijgen deze personeelsleden mits hun toestemming de hoedanigheid
van personeelslid van de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal na de overheveling
behoort of waartoe de nieuwe instelling na de samensmelting van filialen behoort, ten belope van de opdracht
waarvoor ze bij die inrichtende macht tewerkgesteld worden. Deze personeelsleden gaan, al naargelang
ze vastbenoemd of tijdelijk aangesteld zijn, over als vastbenoemde of tijdelijk aangestelde personeelsleden.
De personeelsleden die voor de overheveling of de samensmelting recht hadden op een tijdelijke aanstelling
van doorlopende duur, zoals bedoeld in artikel 23, § 3, en artikel 23bis, § 3, van dit
decreet of in artikel 21, § 3, en artikel 21bis, § 3, van het decreet Rechtspositie personeelsleden
gemeenschapsonderwijs, behouden dit recht na de overheveling of de samensmelting.
De diensten
die het personeelslid volgens de bepalingen van dit decreet of volgens de bepalingen van het decreet
van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs gepresteerd heeft in een ambt,
betrekking, opleiding, module, vak of specialiteit bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats
of het filiaal voor de overheveling of voor de samensmelting behoorde, worden geacht ook gepresteerd
te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, dezelfde opleiding, dezelfde module, hetzelfde vak of
dezelfde specialiteit bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het filiaal na de overheveling
of de nieuwe instelling na de samensmelting behoort.
Een kandidaatstelling voor een tijdelijke
aanstelling van doorlopende duur, die geldt bij de inrichtende macht waartoe de vestigingsplaats of het
filiaal voor de overheveling of voor de samensmelting behoorde, wordt geacht ook gedaan te zijn bij de
inrichtende macht waartoe het filiaal na de overheveling of de nieuwe instelling na de samensmelting
behoort.
§ 4. De inrichtende macht van de instelling waarnaar een vestigingsplaats of
een filiaal overgeheveld wordt zoals vermeld in § 2, deelt in afwijking van artikel 33, §
1, in het schooljaar van de overheveling de vacante betrekkingen in die instelling mee na 1 oktober en
vóór 15 oktober. De vacante betrekkingen worden vastgesteld in functie van de toestand op 1 oktober.
De vacante betrekkingen in die instelling die al meegedeeld werden vóór 15 mei in functie van de toestand
op 15 april hebben geen uitwerking.
§ 5. De inrichtende macht van een instelling die
ontstaat door de samensmelting van filialen, vermeld in § 2, deelt in afwijking van artikel 33,
§ 1, van dit decreet in het schooljaar van de samensmelting de vacante betrekkingen mee na 1 oktober
en vóór 15 oktober. De vacante betrekkingen worden vastgesteld in functie van de toestand op 1 oktober.
»
Artikel VIII.58
In hetzelfde decreet wordt een artikel 84sexies decies ingevoegd
dat luidt als volgt :
« Artikel 84sexies decies
De salarisschaal, het bekwaamheidsbewijs
en de geldelijke anciënniteit die tussen 1 september 1999 en 30 september 2000 conform de op dat ogenblik
geldende regelgeving werden toegekend aan een personeelslid dat tijdens voormelde periode in een betrekking
in een bepaald ambt aangesteld was, en als het gaat om het ambt van leraar in een bepaald vak of specialiteit,
in een centrum voor volwassenenonderwijs, worden voor dat ambt en als het gaat om het ambt van leraar
in dat vak of die specialiteit als verworven beschouwd.
Het personeelslid behoudt deze salarisschaal,
het bekwaamheidsbewijs en de geldelijke anciënniteit bij wijze van overgangsmaatregel voor het in het
eerste lid bedoelde ambt, vak of specialiteit bij een aanstelling in een centrum voor volwassenenonderwijs,
tenzij het personeelslid voor dat ambt, dat vak of die specialiteit in een centrum voor volwassenenonderwijs
conform de vigerende regelgeving recht heeft op een betere salarisschaal, een beter bekwaamheidsbewijs
en een betere geldelijke anciënniteit. ».
Artikel VIII.59
In hetzelfde decreet wordt
een artikel 84septies decies ingevoegd dat luidt als volgt :
« Artikel 84septies decies
§
1. Een personeelslid dat werd aangesteld op basis van artikel 15 van de wet van 30 juli 1963 houdende
taalregeling in het onderwijs kan na 1 september 2009 opnieuw worden aangesteld in een zelfde ambt en
voldoet vanaf 1 september 2009 aan de taalvereisten inzake de onderwijstaal zoals bepaald in de artikelen
19bis tot en met 19 quater .
§ 2. Een personeelslid dat de grondige kennis van de tweede
taal bewees en werd aangesteld op basis van artikel 15 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling
in het onderwijs kan na 1 september 2009 opnieuw worden aangesteld in een zelfde ambt en voldoet vanaf
1 september 2009 aan de taalvereisten inzake de onderwijstaal zoals bepaald in artikel 19quinquies.
§
3. Personeelsleden die tot en met het academiejaar 2009-2010 een diploma behalen van bachelor in het
onderwijs voor het lager onderwijs in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde
lerarenopleiding worden geacht aan de voorwaarde van artikel 19quinquies te voldoen voor aanstellingen
in basisscholen gelegen in het Vlaamse Gewest in het ambt van onderwijzer. »
Afdeling IV. -
Decreet betreffende het onderwijs XI
Artikel VIII.60
In artikel 173, § 1, van
het decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs XI, gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006,
worden tussen de woorden « examencommissie » en « bekomen » de woorden « evenals de personeelsleden
aan wie door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, een verlof wegens bijzonder opdracht is
verleend in het kader van een opdracht in de internationale school Ferney-Voltaire » ingevoegd.
Afdeling
V. - Wet betreffende de taalregeling in het onderwijs
Artikel VIII.61
Hoofdstuk IV
van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs wordt opgeheven voor de personeelsleden
die onder het toepassingsgebied vallen van :
- de decreten van 27 maart 1991 betreffende de
rechtspositie van respectievelijk bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs of van sommige
personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs;
- het artikel 127, 1° en 2°, van het decreet
van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs.
Artikel VIII.62
In artikel 16
van dezelfde wet worden de woorden « en kan slechts twee maal hernieuwd worden » geschrapt.
Afdeling
VI. - Inwerkingtreding
Artikel VIII.63
De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking
op 1 september 2009 met uitzondering van :
1° artikelen VIII.30 en VIII.58 die uitwerking hebben
met ingang van 1 oktober 2000;
2° artikel VIII.62 dat uitwerking heeft met ingang van 1 september
2004;
3° artikelen VIII.10 en VIII.39 die uitwerking hebben met ingang van 1 april 2009;
4°
artikelen VIII.16, VIII.17, VIII.18, VIII.55, VIII.56 en VIII.57 die uitwerking hebben met ingang van
1 juni 2009.
HOOFDSTUK IX. - Andere bepalingen
Afdeling I. - Mentorschap en nascholing
Artikel
IX.1
Artikel 3 van het decreet van 16 april 1996 betreffende het mentorschap en de nascholing
in Vlaanderen, gewijzigd bij het decreet van 15 december 2006 en 22 juni 2007, waarvan de bestaande tekst
§ 1 zal vormen, wordt aangevuld met een § 2, die luidt als volgt :
« §
2. Het budget dat jaarlijks toegekend wordt voor de ondersteuning van de leraren in opleiding is gelijk
aan 4000 euro vermenigvuldigd met het totale aantal leraren in opleiding in de periode van de eerste
lesdag van september tot en met 31 mei van het voorgaande schooljaar en is ten hoogste gelijk aan het
budget, vermeld in § 1, 2°.
Als het budget, vermeld in § 1, 2°, groter is dan
4000 euro vermenigvuldigd met het totale aantal leraren in opleiding in de periode van de eerste lesdag
van september tot en met 31 mei van het voorgaande schooljaar, dan wordt 50 procent van het verschil
tussen beide bedragen toegevoegd aan het budget, vermeld in § 1, 1°, b), en 50 procent aan het
budget, vermeld in het § 1, 3°, b). ».
Afdeling II. - Decreet betreffende het onderwijs
III
Artikel IX.2
In artikel 5 van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs
III, gewijzigd bij de decreten van 14 juli 1998, 1 december 1998, 8 juni 2000, 14 februari 2003 en 13
juli 2007, wordt een § 1 quater ingevoegd, die luidt als volgt :
« § 1 quater
. Deze paragraaf is van toepassing op het personeelslid dat het recht van een procedure voor reïntegratie
inroept, zoals vermeld in het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht
op de werknemers.
Als de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, bij toepassing van artikel 41
van dit koninklijk besluit, adviseert of beslist dat het personeelslid voldoende geschikt is om een andere
functie uit te oefenen, in voorkomend geval mits uitvoering van de nodige aanpassingen en in de voorwaarden
die hij vastlegt, moet het door de inrichtende macht ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis
van betrekking met ingang van de eerste kalenderdag van de maand volgend op het advies of de beslissing
van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer. De terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking
beëindigt in dat geval het ziekteverlof. »
Afdeling III. - Decreet betreffende het onderwijs
XIII
Artikel IX.3
In het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs XIII wordt
in artikel IX.8, tweede lid, tussen de woorden « bijkomende prestaties, » en de woorden « bijzondere
bevoegdheden » de woorden « prestaties binnen een bepaalde geografische omschrijving, » toegevoegd.
Afdeling
IV. - Decreet gelijke kansen
Artikel IX.4
In artikel II.1 van het decreet van 28 juni
2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I, vervangen bij het decreet van 15 juli 2005, wordt punt 3°bis,
dat luidt als volgt, ingevoegd :
« 3°bis extra lesuren : een eenheid waarin de omkadering
voor het voeren van een gelijke onderwijskansenbeleid in het buitengewoon secundair onderwijs uitgedrukt
wordt; ».
Artikel IX.5
In artikel VI.2 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet
van 4 juli 2008, wordt in § 3 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
« §
3. De Vlaamse Regering kent aan elke gelijkekansenindicator een gewicht toe. Voor de eerste graad van
het secundair onderwijs bepaalt zij tevens het maximum van de gecumuleerde gewichten, dat ten minste
gelijk is aan het hoogste gewicht dat aan een gelijkekansenindicator wordt toegekend en ten hoogste gelijk
is aan anderhalf maal dit hoogste gewicht. ».
Artikel IX.6
In artikel VI.14 van hetzelfde
decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2006, worden het tweede en het derde lid opgeheven.
Artikel
IX.7
Aan hoofdstuk VI van hetzelfde decreet wordt een afdeling 5 toegevoegd, bestaande uit artikel
VI.22 tot en met VI.28, die luidt als volgt :
« Afdeling 5. - Buitengewoon basisonderwijs en
buitengewoon secundair onderwijs
Artikel VI.22
De bepalingen van deze afdeling zijn
van toepassing op de scholen van buitengewoon basisonderwijs en op de scholen van buitengewoon secundair
onderwijs.
Onderafdeling 1. - Gelijkekansenindicatoren
Artikel VI.23
§
1. Voor de toepassing van deze afdeling gelden de volgende indicatoren, verder genoemd « gelijkekansenindicatoren
» :
1° de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift
van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig
studiebewijs;
2° de taal die de leerling in het gezin spreekt, dit is de taal die de leerling
spreekt met moeder, vader, broers of zussen, is niet het Nederlands. Die taal is niet het Nederlands
indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend)
met maximaal één gezinslid het Nederlands spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.
§ 2. Het beantwoorden aan de in § 1 vermelde gelijkekansenindicatoren wordt bewezen
aan de hand van een verklaring op eer door de ouders. De Vlaamse Regering legt de procedure vast waarmee
de gegevens worden gemeld aan het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming. Zij houdt daarbij rekening
met de vigerende regelgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
De documenten
of verklaringen die aantonen dat leerlingen aan een of meer van de gelijkekansindicatoren beantwoorden,
worden ten minste vijf jaar bewaard op school.
§ 3. De Vlaamse Regering kent aan elke
gelijkekansenindicator een gewicht toe. Het hoogste gewicht wordt toegekend aan de in § 1, 1°,
bedoelde gelijkekansenindicator. De in § 1, 2°, bedoelde gelijkekansenindicator wordt enkel gewogen
in combinatie met de andere gelijkekansenindicator.
Onderafdeling 2. - Toekenning van de middelen
Artikel
VI.24
§ 1. Scholen kunnen voor een periode van drie schooljaren aanvullende lestijden
of extra lesuren krijgen voor zover ze aan alle onderstaande voorwaarden voldoen :
1° op 1 februari
van het voorafgaande schooljaar ten minste 40 % externe en semi-interne regelmatige leerlingen type 1
en type 3 tellen, die beantwoorden aan de in artikel VI.23, § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator;
2° overeenkomsting de bepalingen van artikel VI.25 batig gerangschikt zijn onder de in punt
1°, bedoelde scholen en ten minste 6 aanvullende lestijden of 6 extra lesuren genereren.
§
2. In afwijking van § 1 krijgen scholen gedurende de schooljaren 2009-2010 en 2010-2011 slechts
voor een periode van twee schooljaren aanvullende lestijden of extra lesuren.
§ 3. De
Vlaamse Regering voorziet voor de schooljaren 2009-2010 en 2010-2011 in een sociale overgangsmaatregel
voor de scholen die in het schooljaar 2008-2009 lesuren voor het voeren van een onderwijsvoorrangsbeleid
kregen.
Artikel VI.25
§ 1. De toekenning van de middelen gebeurt voor het basisonderwijs
enerzijds en voor het secundair onderwijs anderzijds driejaarlijks als volgt :
1° de in artikel
VI.24 bedoelde scholen worden gerangschikt volgens het percentage leerlingen die beantwoorden aan de
in artikel VI.23, § 1, 1°, bedoelde gelijkekansenindicator. Binnen eenzelfde percentage worden
de scholen volgens het absolute aantal van die leerlingen gerangschikt;
2° de leerlingen genereren
een aantal punten op basis van het gewicht van de gelijkekansenindicatoren die op hen van toepassing
zijn.
§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt binnen de beschikbare begrotingskredieten hoeveel
aanvullende lestijden of extra lesuren een punt vertegenwoordigt.
De Vlaamse Regering bepaalt
de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van de aanvullende lestijden of extra lesuren betrekkingen
kunnen worden ingericht.
De Regering bepaalt tevens de regelen inzake de toekenning of herverdeling,
tijdens een lopende periode van drie schooljaren, van nieuwe of vrijkomende aanvullende lestijden of
extra lesuren.
§ 3. In de lestijden of lesuren bekomen op basis van artikel VI.24, §
2, kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden.
Onderafdeling 3. - Aanwending van de middelen
Artikel
VI.26
§ 1. Een school die aanvullende lestijden of extra lesuren krijgt, werkt in het
eerste trimester van het eerste schooljaar een gelijkekansenbeleid uit. Vanuit een analyse van haar beginsituatie
geeft de school aan :
1° welke concrete doelstellingen ze op het vlak van de leerlingen, van
de personeelsleden en de school wil bereiken. De Vlaamse Regering bepaalt doelstellingen die kunnen worden
gekozen binnen de volgende thema's :
a) een gericht aanbod rond taalvaardigheid;
b) het aanbieden van onderwijsgerichte opvoedingsondersteuning aan ouders;
c) het opnemen
van de (laagdrempelige) sociale functie in een netwerk met partners uit andere sectoren;
2°
op welke manier zij die doelstellingen wil bereiken;
3° op welke manier zij zichzelf in de loop
van het tweede trimester van het tweede schooljaar evalueert.
§ 2. De aanvullende lestijden
of extra lesuren kunnen enkel worden aangewend om de in § 1 bedoelde doelstellingen te bereiken.
Artikel
VI.27
De scholen betrekken in het ontwikkelen en realiseren van de in artikel VI.26, §
1, bedoelde doelstellingen het centrum voor leerlingenbegeleiding waardoor ze worden begeleid.
Artikel
VI.28
§ 1. De onderwijsinspectie gaat telkens in de loop van het laatste schooljaar na
of, en in welke mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken van de doelstellingen wordt afgewogen
tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.
Bij een positieve evaluatie
kan de school voor een nieuwe periode van drie schooljaren aanvullende lestijden of extra lesuren krijgen
indien opnieuw aan alle voorwaarden van artikel VI.24 voldaan is.
Bij een negatieve evaluatie
verliest de school elk recht op de in artikel VI.24 bedoelde aanvullende lestijden of extra lesuren voor
de volgende periode van drie schooljaren, tenzij de school een engagement tot remediëring aangaat. In
dat geval krijgt ze de helft van het aantal aanvullende lestijden of extra lesuren waarop ze in geval
van positieve evaluatie recht zou hebben.
Een engagement tot remediëring moet aan de volgende
voorwaarden voldoen :
1° de scholen verbinden er zich toe een stappenplan op te stellen dat
aan de volgende criteria voldoet :
a) het uitgangspunt van het stappenplan zijn de geformuleerde
knelpunten in het evaluatieverslag van de onderwijsinspectie van de betrokken school;
b) de
geformuleerde doelstellingen tot remediëring in het stappenplan passen binnen de doelstellingen van artikel
VI.26, § 1, 1°, van het decreet;
c) de doelstellingen zijn outputgericht, concreet
en operationeel geformuleerd. Ze moeten voldoende controleerbaar zijn;
d) het stappenplan
wordt vóór 1 mei van het schooljaar dat op de negatieve evaluatie volgt, aan de onderwijsinspectie bezorgd;
e) de doelstellingen moeten gerealiseerd zijn vóór 1 juni van het schooljaar volgend op de negatieve
evaluatie;
2° de scholen verbinden er zich toe om een beroep te doen op externe begeleiding
en ondersteuning bij het opstellen en de uitvoering van het stappenplan.
De onderwijsinspectie
gaat in de maand juni van het schooljaar dat op de negatieve evaluatie volgt, opnieuw na of, en in welke
mate, de doelstellingen werden bereikt. Het bereiken van de doelstellingen wordt afgewogen tegenover
de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie.
Bij een positieve evaluatie kan de
school vanaf het tweede schooljaar weer een beroep doen op het volledige aantal van de in artikel VI.24
bedoelde aanvullende lestijden of extra lesuren begeleidingseenheden. Bij een negatieve evaluatie verliest
de school het recht op de in artikel VI.24 bedoelde aanvullende lestijden of extra lesuren voor de volgende
twee schooljaren.
§ 2. De Vlaamse Regering legt de nadere criteria en procedurele bepalingen,
waarmee de onderwijsinspectie de controle uitvoert, vast.
Ze voorziet voor de school in een
beroepsmogelijkheid tegen een negatieve evaluatie. Het beroep wordt ingesteld bij een college van inspecteurs.
»
Afdeling V. - Decreet betreffende het onderwijs XIV
Artikel IX.8
In artikel
X.9 van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV wordt het punt 1° vervangen door
wat volgt :
« 1° de bepalingen over de taalregeling in het onderwijs en de taalkennis van het
personeel; ».
Artikel IX.9
Aan artikel X.35 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de
decreten van 15 juli 2005, 7 juli 2006, 22 juni 2007 en 4 juli 2008 worden de volgende wijzigingen aangebracht
:
1° de punten 5°bis, 5°ter, 5° quater , 5°quinquies, 33°bis, 36°bis worden ingevoegd, die
luiden als volgt :
« 5°bis Koninklijk Besluit nr. 2 van 21 augustus 1978 tot vaststelling
van het maximum aantal lestijden per week in het voltijds secundair onderwijs;
5°ter Koninklijk
Besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend
personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs;
5°quater Koninklijk
Besluit nr. 66 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het administratief
personeel en opvoedend hulppersoneel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs met
uitzondering van de internaten of semi-internaten;
5°quinquies Koninklijk Besluit nr. 67 van
20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch
en orthopedagogisch personeel worden bepaald in het buitengewoon secundair onderwijs;
33°bis
het decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt;
36°bis
het decreet van 22 juni 2002 betreffende de gelijke onderwijskansen I; »;
2° de punten 43°,
44° en 45° worden toegevoegd, die luiden als volgt :
« 43° het decreet van 4 juli 2008 betreffende
de werkingsbudgetten in het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet basisonderwijs van 25
februari 1997 wat de werkingsbudgetten betreft;
44° het decreet van 10 juli 2008 houdende enkele
dringende maatregelen voor het deeltijds kunstonderwijs;
45° het decreet van 8 mei 2009 betreffende
het onderwijs XIX; ».
Artikel IX.10
In artikel X.57 van hetzelfde decreet worden het
tweede en derde lid geschrapt.
Afdeling VI. - Busbegeleiding
Artikel IX.11
In
artikel 55 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de regionale technologische centra en houdende
noodzakelijke en dringende onderwijsbepalingen, wordt het tweede lid aangevuld met de woorden « , en
bepaalt de minimale loon- en arbeidsvoorwaarden voor de busbegeleiders ».
Afdeling VII. - Vlaams
Agentschap voor Ondernemingsvorming
Artikel IX.12
In artikel 37, § 5, van het
decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd Vlaams
Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt
:
« 3° een doeltreffend beleid voeren om het rookverbod kenbaar te maken en te handhaven, controle
uitoefenen over de naleving van het verbod en overtreders sancties opleggen, conform het eigen sanctiebeleid
zoals vermeld in het centrum- of arbeidsreglement. ».
Afdeling VIII. - Decreet betreffende
het flankerend onderwijsbeleid
Artikel IX.13
In artikel 2 van het decreet van 30 november
2007 betreffende het flankerend onderwijsbeleid, gewijzigd door het decreet van 4 juli 2008, wordt punt
8° vervangen door wat volgt :
« 8° lokale besturen : de gemeenten, de provincies en de Vlaamse
Gemeenschapscommissie, tenzij anders bepaald; ».
Afdeling IX. - Decreet rookverbod in onderwijsinstellingen
Artikel
IX.14
In artikel 2 van het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod
in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, worden de volgende wijzigingen aangebracht
:
1° in het eerste lid, 4°, worden de woorden « artikel 3.14.bis » vervangen door de woorden
« artikel 3.14.ter »;
2° het punt 12° wordt vervangen door wat volgt :
« 12° secundair
onderwijs : het voltijds secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair
onderwijs, de deeltijdse vorming georganiseerd door een centrum voor deeltijdse vorming, de leertijd
georganiseerd door een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen
erkend, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap; ».
Afdeling X. - Decreet
betreffende het onderwijs XVIII
Onderafdeling I. - Verbredings- en verdiepingsbegeleiders
Artikel
IX.15
In artikel XI.8 van het decreet van 4 juli 2008 betreffende het onderwijs XVIII van 4
juli 2008 worden de getallen « 22,5 », « 4,5 », « 2,5 » en « 15,5 » vervangen door respectievelijk «
58,5 », « 12 », « 6,5 » en « 40 ».
Onderafdeling II. - Ondersteuning syndicale werkzaamheden
Artikel
IX.16
In artikel XI.9 van hetzelfde decreet wordt § 2 vervangen door wat volgt :
«
§ 2. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag en de wijze van verdeling van dit bedrag over de betrokken
vakorganisaties en legt de aanvraagprocedure vast. ».
Artikel IX.17
In artikel XI.12
van hetzelfde decreet wordt het punt 6° vervangen door wat volgt :
« 6° artikelen XI.4, XI.6,
XI.8 en XI.9 treden in werking op 1 september 2008; ».
Afdeling XI. - Dienstprestaties in internaten
Onderafdeling
I. - Wet tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving
Artikel IX.18
In
artikel 27, § 1, derde lid, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van
de onderwijswetgeving, vervangen bij het decreet van 22 juli 2007, wordt onder 3° een punt c) toegevoegd,
dat luidt als volgt :
« c) het aantal betrekkingen vermeld in a) respectievelijk b), naargelang
van het geval, wordt vanaf het schooljaar 2009-2010 vermeerderd met een aantal betrekkingen dat uitgedrukt
wordt in een aantal uren en dat gelijk is aan vier uren respectievelijk vijf uren. Deze betrekkingen
kunnen slechts worden aangewend om de uren aanwezigheid van een personeelslid gedurende de nacht tussen
het slapengaan en het opstaan van de leerlingen, als prestaties aan te rekenen. Deze aanrekening per
nacht wordt per 1 september 2009 verhoogd van drie naar vier uur. ».
Onderafdeling II. - Koninklijk
besluit tot regeling van de wijze waarop het aantal opvoeders in het rijksonderwijs wordt berekend
Artikel
IX.19
Artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 april 1967 tot regeling van de wijze waarop
het aantal opvoeders in het rijksonderwijs wordt berekend, vervangen bij het koninklijk besluit nr. 456
van 10 september 1986 en gewijzigd door het besluit van de Vlaamse Regering van 7 januari 1992, wordt
vervangen door wat volgt :
« Artikel 2
Het aantal betrekkingen in het ambt van studiemeester-opvoeder
internaat wordt voor het geheel van de internaten verbonden aan een gemeenschapsschool voor basis- of
secundair onderwijs en voor de autonome internaten van het gemeenschapsonderwijs, vastgesteld als volgt
:
a) één betrekking per internaat; en
b) één betrekking per reeks van eenentwintig
internen uit het basis- en secundair onderwijs, ingeschreven op de decretaal toepasbare teldatum; en
c) vanaf het schooljaar 2009-2010 : een aantal betrekkingen dat uitgedrukt wordt in een aantal uren
en dat gelijk is aan het resultaat van het aantal organieke voltijdse equivalenten van betrekkingen in
het ambt van studiemeester-opvoeder internaat, ingericht op de decretaal toepasbare teldatum in het geheel
van de internaten op basis van het in a) en b) gestelde, vermenigvuldigd met 2 uren. Deze betrekkingen
kunnen slechts worden aangewend om de uren aanwezigheid van een personeelslid gedurende de nacht tussen
het slapengaan en het opstaan van de leerlingen, als prestaties aan te rekenen. Deze aanrekening per
nacht wordt per 1 september 2009 verhoogd van drie naar vier uur. »
Afdeling XII. - Decreet
betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur
Onderafdeling I. - Definities betreffende
de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur
Artikel IX.20
In artikel 2 van het decreet
van 7 juli 2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur, worden de punten 1°bis, 5°bis,
7°bis, 7°ter en 12° ingevoegd, die luiden als volgt :
« 1°bis aantal vierkante meter schoolinfrastructuur
: aantal vierkante meter bruto-oppervlakte nieuwbouw of verbouwingswerken in het kader van het DBFM-programma;
5°bis geldende financieringsvoorwaarden : de financieringsvoorwaarden zoals die gelden op grond van
de financieringsovereenkomst(en) met betrekking tot het vreemd vermogen van de DBFM-vennootschap op de
dag voorafgaand aan het verplichte herfinancieringsmo ment;
7°bis onderwijskoepels : Overleg
Kleine Onderwijsverstrekkers, Onderwijssecretariaat voor Steden en Gemeenten, Provinciaal Onderwijs Vlaanderen
en het Vlaams Secretariaat voor het Katholiek Onderwijs;
7°ter publieke aandeelhouder : de
in artikel 5, § 2, bedoelde dochtervennootschap;
12° vreemd vermogen : de schuldfinanciering
die de DBFM-vennootschap voor de uitvoering van de DBFM-overeenkomst(en) heeft verkregen op grond van
financieringsovereenkomsten met financiële instelling(en) handelend in hun hoedanigheid van kredietverstrekker(s)
en met uitzondering van achtergestelde leningen die eventueel worden verstrekt in hun hoedanigheid van
aandeelhouder(s) van de DBFM-vennootschap. ».
Onderafdeling II. - Herfinancieringsgarantie
Artikel
IX.21
In hetzelfde decreet wordt in hoofdstuk II, een afdeling 3bis Herfinancieringsgarantie,
bestaande uit de artikelen 7bis tot en met 7 quater , ingevoegd, die luidt als volgt :
« Artikel
7bis
De bepalingen van het decreet van 7 mei 2004 houdende bepalingen inzake kas- schuld-,
en waarborgbeheer van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest zijn niet van toepassing op de verbintenissen
opgenomen in dit decreet.
Artikel 7ter
Indien de financieringsovereenkomst(en) met
betrekking tot het vreemd vermogen van de DBFM-vennootschap voorziet(n) in een verplicht herfinancieringsmoment
tussen het verstrijken van het vijfde en het tiende jaar vanaf de afsluiting van de financieringsovereenkomsten,
zal de Vlaamse Gemeenschap of een rechtspersoon waarop de Vlaamse Gemeenschap en/of het Vlaamse Gewest
rechtstreeks of onrechtstreeks een determinerende invloed heeft, zoals een door haar opgerichte of gecontroleerde
financieringsmaatschappij, op verzoek van de DBFM-vennootschap, het integrale openstaande saldo van het
vreemd vermogen overeenkomstig de geldende financieringsvoorwaarden, met uitzondering van de eventueel
toepasselijke herfinancieringsvergoeding en enige schulden die het gevolg zijn van tekortkomingen van
de DBFM-vennootschap, zoals nalatigheidsintresten, terugbetalen en het vreemd vermogen van de DBFM-vennootschap
overnemen, onder de hiernavolgende cumulatieve voorwaarden en modaliteiten :
1° de DBFM-vennootschap
kan, om redenen die haar niet toerekenbaar zijn en ondanks alle mogelijke redelijke inspanningen, geen
herfinanciering van het vreemd vermogen verkrijgen aan financieringsvoorwaarden die gunstiger zijn dan
de geldende financieringsvoorwaarden of hiermee overeenstemmen;
2° het vreemd vermogen wordt
door de Vlaamse Gemeenschap of een rechtspersoon waarop de Vlaamse Gemeenschap en/of het Vlaamse Gewest
rechtstreeks of onrechtstreeks een determinerende invloed heeft zoals een door haar opgerichte of gecontroleerde
financieringsmaatschappij terugbetaald aan de kredietverstrekker(s) in naam en voor rekening van de DBFM-vennootschap
en aan de DBFM-vennootschap ter beschikking gesteld voor de resterende looptijd van het DBFM-programma
tegen de geldende financierings-voorwaarden;
3° in de aandeelhoudersovereenkomst met betrekking
tot de DBFM-vennootschap, en met uitdrukkelijke toestemming in de financieringsovereenkomsten, wordt
aan de publieke aandeelhouder - na hieromtrent de goedkeuring van de Vlaamse Regering te hebben bekomen
- het recht toegekend om te allen tijde het initiatief te nemen om aan de raad van bestuur van de DBFM-vennootschap
een gemotiveerd voorstel te doen tot herfinanciering tegen gunstiger financieringsvoorwaarden, waarbij
alle aandeelhouders van de DBFM-vennootschap zich in de aandeelhoudersovereenkomst voor de op hun voordracht
benoemde bestuurders sterk maken dat een dergelijk voorstel vervolgens door de raad van bestuur van de
DBFM-vennootschap wordt goedgekeurd;
4° in de kaderovereenkomst wordt voorzien dat het eventuele
financiële voordeel van de DBFM-vennootschap bij een vrijwillige of verplichte herfinanciering voor 75
% toekomt aan de Vlaamse Gemeenschap en voor 100 % in geval van een eerste herfinanciering na de toepassing
van de in dit decreet bedoelde herfinancieringsgarantie van de Vlaamse Gemeenschap.
Artikel
7 quater
De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen met betrekking tot de voorwaarden
of modaliteiten voor het stellen van deze herfinancieringsgarantie. ».
Onderafdeling III. -
Onderhoudsbetoelaging van de inrichtende machten
Artikel IX.22
In hetzelfde decreet
wordt een artikel 19bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Artikel 19bis
Voor instellingen,
internaten en centra vermeld in artikel 4, in het gesubsidieerd onderwijs, wordt de DBFM-toelage zoals
berekend overeenkomstig artikel 19 verhoogd, derwijze dat 90 % van de daadwerkelijk verschuldigde onderhoudscomponent
in de beschikbaarheidsvergoeding wordt betoelaagd. Voor de toepassing van dit artikel wordt de daadwerkelijk
verschuldigde onderhoudscomponent in de beschikbaarheidsvergoeding begrensd tot 1,54 % van de bouwkost
zoals nader gedefinieerd in de overeenkomst bedoeld in artikel 7. »
Onderafdeling IV. - Waarborg
in het kader van de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur
Artikel IX.23
Artikel
38 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 38
De Vlaamse Regering
is gemachtigd om een gemeenschapswaarborg te stellen voor de overige financiële verplichtingen van de
inrichtende machten voortvloeiende uit een individueel DBFM-contract in het kader van het DBFM-programma
en die niet gedekt worden door een DBFM-toelage, REG-toelage of Pilootproject-toelage. ».
Artikel
IX.24
In hetzelfde decreet wordt een artikel 39 toegevoegd, dat luidt als volgt :
«
Artikel 39
De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen met betrekking tot de voorwaarden
of modaliteiten voor het stellen van de waarborgen bedoeld in artikelen 37 en 38, met inbegrip van de
mogelijkheid om hierbij af te wijken van het interest maximum zoals bepaald in artikel 6, § 4,
van het decreet van 7 mei 2004 houdende bepalingen inzake kas-, schuld- en waarborgbeheer van de Vlaamse
Gemeenschap en het Vlaamse Gewest. »
Onderafdeling V. - Begeleidende maatregelen
Artikel
IX.25
In hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk IX. Begeleidende maatregelen, bestaande uit de
artikelen 40 tot en met 43, toegevoegd, dat luidt als volgt :
« HOOFDSTUK IX. - Begeleidende
maatregelen
Artikel 40
§ 1. Vanaf de publicatie van deze bepalingen in het Belgisch
Staatsblad krijgen het Gemeenschapsonderwijs en de onderwijskoepels een basistoelage en een recurrente
toelage in functie van een aantal vierkante meter schoolinfrastructuur in het kader van het DBFM-programma
met het oog op enerzijds een algemene informering en anderzijds een individuele begeleiding van de inrichtende
machten.
§ 2. De vermelde toelagen zijn beperkt tot het per Gemeenschapsonderwijs en
onderwijskoepel aantal vierkante meter schoolinfrastructuur overeenkomstig de investeringslijst van het
DBFM-programma op 1 januari 2009.
§ 3. De toelagen worden jaarlijks aangepast aan de
gezondheidsindex.
De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 januari 2009.
Artikel
41
§ 1. Een basistoelage van 2 euro per vierkante meter schoolinfrastructuur wordt betaald
door AGIOn aan het Gemeenschapsonderwijs en de onderwijskoepels op basis van het aantal effectieve vierkante
meter schoolinfrastructuur van het respectievelijke jaar, per respectievelijk het Gemeenschapsonderwijs
en de onderwijskoepels en voor de individuele DBFM-contracten waarvoor een stedenbouwkundige vergunning
werd aangevraagd binnen de vier jaar na het afsluiten van de overeenkomst.
§ 2. Gedurende
het eerste jaar wordt een voorschot betaald op de basistoelage. Dit voorschot bedraagt 50 % van het product
van 2 euro en het aantal vierkante meter schoolinfrastructuur overeenkomstig de investeringslijst van
het DBFM-programma op 1 januari 2009 per Gemeenschapsonderwijs en onderwijskoepel.
In het eerste
jaar wordt dit voorschot betaald na de vaststelling door AGIOn dat het Gemeenschapsonderwijs en de onderwijskoepels
een algemeen informatieprogramma hebben uitgewerkt.
§ 3. In het begin van het derde,
vierde jaar en vijfde jaar, gebeurt jaarlijks een afrekening tussen het totaal van de toelage die overeenstemt
met het effectief aantal vierkante meter schoolinfrastructuur en het totaal van de toelagen die voorgaande
jaren werd betaald.
Het effectief aantal gecontracteerde vierkante meter schoolinfrastructuur
wordt hierbij minstens gelijkgesteld aan 50 % van het aantal vierkante meter schoolinfrastructuur overeenkomstig
de investeringslijst van het DBFM-programma op 1 januari 2009 per Gemeenschapsonderwijs en onderwijskoepel.
Artikel
42
Vanaf het vijfde jaar na het afsluiten van de overeenkomst wordt jaarlijks gedurende de resterende
duurtijd van het DBFM-programma een recurrente toelage van 0,5 euro per vierkante meter schoolinfrastructuur
betaald door AGIOn aan het Gemeenschapsonderwijs en de onderwijskoepels op basis van 25 % van het totaal
effectief aantal vierkante meters schoolinfrastructuur per respectievelijk het Gemeenschapsonderwijs
en de onderwijskoepels op 31 december van het voorgaande jaar.
Artikel 43
§
1. Het Gemeenschapsonderwijs en de onderwijskoepels verbinden zich ertoe om de inrichtende machten te
informeren, sensibiliseren en te ondersteunen in het kader van de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur.
Zij
ontwikkelen hiervoor de noodzakelijke en gepaste initiatieven en activiteiten zoals onder meer informatiesessies,
overleg met en bijstand bieden aan de individuele inrichtende machten, constructieve samenwerking met
de DBFM-vennootschap en AGIOn.
§ 2. AGIOn kan steeds om alle nodig geachte informatie
verzoeken bij het Gemeenschapsonderwijs en de onderwijskoepels over hun initiatieven en activiteiten
zoals bedoeld in vorige paragraaf.
Het Gemeenschapsonderwijs en de onderwijskoepels zullen in
elke geval jaarlijks een duidelijk en gedetailleerd activiteitenverslag overmaken aan AGIOn. Hierin zal
onder meer een verklaring van de individuele inrichtende macht worden opgenomen betreffende de geleverde
ondersteuningsactiviteit in het licht van het sluiten van het individueel DBFM-contract. ».
Afdeling
XIII. - Decreet inspectie en begeleiding levensbeschouwelijke vakken
Artikel IX.26
In
artikel 13 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke
vakken, ingevoegd bij het decreet van 22 juni 2007, wordt punt 4° vervangen door wat volgt :
«
4° voldoen aan de taalvereisten zoals bepaald in artikel 50 van het decreet betreffende de kwaliteit
van onderwijs; ».
Afdeling XIV. - Inwerkingtreding
Artikel IX.27
De bepalingen
van dit hoofdstuk treden in werking op 1 september 2009, met uitzondering van :
1° artikel IX.4,
IX.16 en IX.17 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2008;
2° artikel IX.13 dat uitwerking
heeft met ingang van 1 januari 2008;
3° artikelen IX.1 en IX.6 die uitwerking hebben met ingang
van 1 januari 2009;
4° artikel IX.21, IX.23 en IX.24 die uitwerking hebben met ingang van 15
mei 2009;
5° artikel IX.25 dat in werking treedt op de dag van de publicatie in het Belgisch
Staatsblad.
HOOFDSTUK X. - Autonome bepalingen
Afdeling I. - Overdracht naar volgend
schooljaar van uren mentorschap
Artikel X.1
§ 1. Na onderhandeling in het lokale
comité, kan een schoolbestuur, centrumbestuur of instellingsbestuur tijdens het schooljaar 2008-2009
desgevallend niet-aangewende lestijden, lesuren, uren-leraar of leraars-uren overdragen naar het schooljaar
2009-2010, onder volgende voorwaarden :
1° de overdracht heeft betrekking op lestijden, lesuren,
uren-leraar of leraarsuren die in toepassing van de vigerende regelgeving betreffende de toekenning van
de middelen voor het mentorschap in het onderwijs, vanaf 1 januari 2009, in vergelijking met 31 december
2008, bijkomend werden toegekend;
2° de lestijden, lesuren of uren-leraar die overgedragen worden,
kunnen tijdens het schooljaar 2009-2010 slechts aangewend worden voor 2/3e;
3° de overgedragen
lestijden, lesuren, uren-leraar of leraarsuren blijven voorbehouden voor het mentorschap.
In
bovenstaand geval is een overdracht niet toegelaten indien in de betrokken school, centrum of instelling
en in het betrokken schooljaar zich nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis
van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel hebben voorgedaan, niet van toepassing.
§ 2. In de overgedragen lestijden, lesuren, uren-leraar of leraarsuren kunnen geen personeelsleden
benoemd worden. De school, het centrum of de instelling moet met het oog op de controle aan de bevoegde
administratie een verklaring op erewoord bezorgen, waarin de school, het centrum of de instelling aangeeft
die bepaling in acht te zullen nemen. De niet-naleving van die bepaling heeft tot gevolg dat de vaste
benoeming geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid.
Afdeling II. - Subsidie voor opleidingen
inzake knelpuntberoepen
Artikel X.2
Voor het schooljaar 2008-2009 wordt voorzien in
bijkomende financiering voor instellingen voor voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, centra
voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote
ondernemingen, die opleidingen geven die leiden tot de invulling van een knelpuntberoep. Desbetreffende
financiering strekt ertoe de kost voor leerlingen en jongeren in die opleidingen, waarvan de lijst in
bijlage bij dit decreet gaat, te verminderen. De bijkomende financiering vindt plaats onder vorm van
een premie die, rekening houdend met het aantal regelmatige leerlingen en jongeren in die opleidingen
per 1 oktober 2008 en rekening houdend met het beschikbaar budget, maximaal 226 euro per leerling of
jongere bedraagt.
Afdeling III. - Inwerkingtreding
Artikel X.3
De bepalingen
van dit hoofdstuk hebben uitwerking met ingang van 1 september 2008.
Kondigen dit decreet af,
bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 8 mei 2009.
De
minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Werk,
Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE
_______
Nota's
(1) Zitting
2008-2009
Stukken - Ontwerp van decreet : 2159 - Nr. 1
- Amendementen : 2159 - Nrs.
2 en 3.
- In eerste lezing aangenomen artikelen : 2159 - Nr. 4.
- Tekst aangenomen
door de plenaire vergadering : 2159 - Nr. 5.
Handelingen - Bespreking en aanneming : Vergadering
van 30 april 2009.
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
| begin |
| Publicatie : 2009-08-28 |