4 OKTOBER 2007. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de toekenning van premies voor de renovatie van het woonmilieu
De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet
op de artikelen 91, § 1, 1° en 127 van de ordonnantie van 17 juli 2003 houdende de Brusselse Huisvestingscode; Gelet
op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 13 juni 2002 betreffende de toekenning van
premies voor de renovatie van het woonmilieu; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën
van 20 november 2006; Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting van 14 september 2007; Gelet
op het advies van de Adviesraad voor Huisvesting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 16 maart
2007; Gelet op het advies nr. 43.485/1/V van de Raad van State, gegeven op 10 september 2007,
in toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van
State; Op voorstel van de Minister belast met premies voor Stadsvernieuwing, Besluit
: HOOFDSTUK I. - Bepalingen Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan
onder : 1° Minister : de Minister tot wiens bevoegdheid de premies voor de Stadsvernieuwing
behoren. 2° Woning : hetzij het huis of het appartement dat ten minste dertig jaar
vóór het jaar van de indiening van de premieaanvraag gebouwd werd en dat vóór de werken hoofdzakelijk
bestemd was tot hoofdverblijfplaats van een of meerdere personen, hetzij het gebouw of het deel
van een gebouw dat ten minste dertig jaar vóór het jaar van de indiening van de premieaanvraag gebouwd
werd en dat vóór de werken geheel of gedeeltelijk bestemd was voor een ander gebruik en dat het voorwerp
uitmaakt van een inrichting tot woning. 3° Renovatiewerken : enerzijds de werken betreffende
de bouwfysische toestand van de woning die bijdragen tot het voldoen aan de minimumvoorwaarden op het
vlak van gezondheid en veiligheid overeenkomstig het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering
van 4 september 2003 tot bepaling van de elementaire verplichtingen inzake veiligheid, gezondheid en
uitrusting van de woningen, en anderzijds de werken betreffende het bewonen van de woning die
tot doel hebben er het ontbrekende comfort in aan te brengen, met inbegrip van de werken die tot doel
hebben een oorspronkelijke toestand te doen verdwijnen die het comfort van de woning sterk bezwaart. 4°
Eigenaar of mede-eigenaar bewoner : de natuurlijke persoon van ten minste achttien jaar oud die beschikt
over een wettelijke eigendomstitel die betrekking heeft op de volle eigendom, het vruchtgebruik of de
naakte eigendom van de woning. Deze persoon bewoont of zal de woning bewonen als hoofdverblijfplaats
vanaf het einde van de werken. 5° Eigenaar of mede-eigenaar niet-bewoner : a) de natuurlijke
persoon van ten minste achttien jaar oud die beschikt over een eigendomstitel die betrekking heeft op
de volle eigendom, het vruchtgebruik of op de naakte eigendom van de woning; b) de privaatrechtelijke
rechtspersoon die beschikt over een eigendomstitel die betrekking heeft op de volle eigendom van de woning;
de woning wordt of zal worden bewoond als hoofdverblijfplaats vanaf het einde van de renovatiewerken
door een derde van ten minste achttien jaar oud krachtens een geregistreerd huurcontract of een erfpacht; 6°
Beheerder niet-bewoner : de rechtspersoon die, zonder eigenaar te zijn van de woning, deze beheert krachtens
een wettelijke of conventionele titel. De woning wordt of zal worden bewoond als hoofdverblijfplaats
vanaf het einde van de renovatiewerken door een natuurlijke persoon krachtens een bail à loyer enregistré.
geregistreerd huurcontract. 7° Vereniging : de vereniging zonder winstoogmerk zoals bedoeld
in de wet van 27 juni 1921 op de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder
winstoogmerk en de stichtingen. 8° Sociaal Verhuurkantoor (SVK) : de vereniging zoals bepaald
door de ordonnantie van 17 juli 2003 houdende de Brusselse Huisvestingscode, aangevuld door de ordonnantie
van 1 april 2004. 9° Huisvestingsmaatschappij : hetzij de openbare vastgoedmaatschappij
erkend door de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij, hetzij het Woningfonds van het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest. 10° Gewestelijk Ontwikkelingsplan (GewOP) : het Gewestelijk
Ontwikkelingsplan goedgekeurd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op 12 september 2002. 11°
Perimeter van de ruimte voor versterkte ontwikkeling van de huisvesting en de renovatie (RVOHR) : de
geografische ruimte zoals bepaald in het Gewestelijk Ontwikkelingsplan. 12° Perimeter met wijkcontract
: de geografische ruimte gelegen binnen de perimeter van de ruimte voor versterkte ontwikkeling van de
huisvesting en de renovatie en waarop een herwaarderingsprogramma toepasselijk is dat is goedgekeurd
door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in toepassing van de ordonnantie van 7 oktober 1993 houdende
organisatie van de herwaardering van de wijken, gewijzigd bij de ordonnantie van 20 juli 2000. 13°
Inkomen : het gezamenlijk belastbaar inkomen van de aanvrager zoals bedoeld in 4° en in voorkomend geval
van zijn echtgenote of van de persoon met wie hij samenwoont, in voorkomend geval te verhogen met het
afzonderlijk belastbare inkomen en/of het inkomen van de personen zoals bedoeld in artikel 4 van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 die niet onderworpen zijn aan de personenbelasting. Het
in aanmerking genomen inkomen heeft betrekking op het laatste jaar waarvoor een aanslagbiljet beschikbaar
is, voor alle personen bedoeld in punt 13°, eerste lid van dit artikel bij de Federale Overheidsdienst
Financiën op datum van de indiening van de premieaanvraag. 14° Personen ten laste : de personen
ten laste in de zin van artikel 136 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, tijdens het jaar
bedoeld in punt 13°, tweede lid van dit artikel. 15° Aannemer : een aannemer die, uiterlijk
op het ogenblik van de uitvoering van de werken, geregistreerd is overeenkomstig de artikelen 400 en
404 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. 16° Staat van de eigendom : hetzij
een eigendomstitel opgesteld door de dienst Registratie en Domeinen die alle eigenaars omvat met opgave
van hun eigendomsaandeel en de aard van hun rechten, hetzij een authentieke verkoopakte of een
afschrift ervan, hetzij een eigendomsattest verstrekt door de notaris. 17° Bestek :
het bestek opgesteld op naam van de aanvrager of op naam van de mede-eigendom in het geval van gezamenlijke
werken door een geregistreerde aannemer zoals bepaald in 15°, met vermelding van het adres van de werf
en de volgende gegevens : de naam van de aannemer, zijn BTW-nummer, zijn registratienummer, zijn adres
en de beschrijving van de technieken, methodes en producten die gebruikt zullen worden. 18°
Factuur : de factuur opgesteld op naam van de aanvrager of op naam van de mede-eigendom in het geval
van gezamenlijke werken door een geregistreerde aannemer zoals bepaald in 15°, met vermelding van het
adres van de werf en de volgende gegevens : de naam van de aannemer, zijn B.T.W.-nummer, zijn registratienummer,
zijn adres en de beschrijving van de gebruikte technieken, methodes en producten. 19° Gehandicapte
personen : de personen waarvan is vastgesteld dat : a) hetzij hun fysische of hun psychische
toestand hun vermogen tot verdienen heeft verminderd tot een derde of minder van wat een valide persoon
in staat is te verdienen door uitoefening van een beroep op de algemene arbeidsmarkt; b) hetzij
hun gezondheidstoestand een vermindering van de zelfredzaamheid veroorzaakt van ten minste negen punten
gemeten in overeenstemming met de gids en de medischsociale schaal die worden toegepast in het kader
van de wetgeving inzake de tegemoetkomingen aan gehandicapte personen; c) hetzij na een periode
van primaire ongeschiktheid, voorzien in artikel 87 van de wet betreffende de verplichte verzekering
voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, hun vermogen tot verdienen
is verminderd tot een derde of minder zoals voorzien in artikel 100 van dezelfde wet; d) hetzij
door een administratieve of gerechtelijke beslissing dat zij fysisch of psychisch gehandicapt zijn of
arbeidsongeschikt zijn op permanente wijze voor ten minste 66 procent. 20° Bewoonbare oppervlakte
: de oppervlakte bestemd voor het wonen of die er noodzakelijkerwijze bijhoort, met uitzondering van
garages, niet-ingerichte kelders en niet-ingerichte zolders. HOOFDSTUK II. - Hoedanigheid van
de aanvrager Art. 2. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, mogen een aanvraag indienen tot
een premie voor de renovatiewerken betreffende een woning : 1° de eigenaar of mede-eigenaar
bewoner; 2° de eigenaar of mede-eigenaar niet-bewoner of de beheerder niet-bewoner die een huurcontract
of een beheersmandaat gesloten heeft met een sociaal verhuurkantoor (SVK), voor een minimumtermijn van
negen jaar na de werken; Deze duur kan op vijf jaar teruggebracht worden voor woningen die bewoond
worden door huurders en beheerd worden door het SVK op het ogenblik dat de aanvraag wordt ingediend. 3°
het sociaal verhuurkantoor : is ofwel eigenaar of erfpachter, of heeft, overeenkomstig de reglementering
van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot organisatie van de sociale verhuurkantoren, een huurovereenkomst
of een mandaat van beheer afgesloten voor een minimumduur van 9 jaar na het uitvoeren van werken. Deze
duur kan op vijf jaar teruggebracht worden voor woningen die be-woond worden door huurders en beheerd
worden door het SVK op het ogenblik dat de aanvraag wordt ingediend. Art. 3. Mogen geen aanvraag
indienen tot een premie voor de renovatiewerken betreffende een woning gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest : 1° de huisvestingsmaatschappijen zoals bepaald in artikel 1, 9°; 2° de Brusselse
Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij (BGHM); 3° de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor
het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (GOMB); 4° de gewestelijke en gemeentelijke Grondregie; 5°
de gemeenten; 6° de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (O.C.M.W.); 7° de
bejaardentehuizen, rusthuizen, rust- en verzorgingstehuizen en tehuizen die openbare subsidies genieten
voor hun infrastructuren; 8° de Maatschappij voor de Verwerving van Vastgoed (MVV). Art.
4. Binnen de perken van de beschikbare kredieten die daartoe ingeschreven staan op de begroting van
het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, kent de Minister onder de in dit besluit gestelde voorwaarden een
premie toe voor de renovatie van het woonmilieu. Art. 5. In het geval van een mede-eigendom,
moeten alle delen toebehoren aan personen die beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld in artikel 1, 4°,
5° en 6°. Als de eigendom van de woning verdeeld is onder één of meer mede-eigenaar(s) bewoner(s)
en één of meer mede-eigenaar(s) nietbewoner(s), dan moet de aanvraag ingediend worden door de mede-eigenaar(s)
bewoner(s). HOOFDSTUK III. - Subsidieerbare werken Art. 6. § 1. De werken zoals
bedoeld in artikel 1, 3°, kunnen worden gesubsidieerd. Bedoeld zijn de werken die bijdragen
tot de aanpassing van de woning aan de minimumnormen inzake bewoonbare oppervlakte en aantal woonvertrekken
bepaald in de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening zoals op 21 november 2006 door de Brusselse
Hoofdstedelijke Regering vastgesteld en in de ordonnantie van 17 juli 2003 houdende de Brusselse Huisvestingscode.
Het kan gaan om uitbreidings- en/of aanpassingswerken en eventueel om verkleiningswerken. Indien
het om een uitbreiding buiten het bestaande volume gaat, dan mag deze geen kwart van de bewoonbare oppervlakte
van het bestaand gebouw overtreffen en moet deze verantwoord zijn door de woonbestemming. Art.
7. De gedetailleerde lijst van de aanvaarde werken, van de toegestane werkwijzen en materialen, evenals
van de maximumprijzen die voor de berekening van de tegemoetkoming in aanmerking worden genomen, zullen
door de Minister worden bepaald. Voor de gebouwen die deels voor andere doeleinden dan huisvesting
bestemd zijn, gebeurt de berekening van de toelage voor werken aan gemeenschappelijke gedeelten naar
evenredigheid van de oppervlakte van de voor huisvesting bestemde gedeelten van het gebouw waarvoor krachtens
dit besluit een premie werd aangevraagd. Tevens worden in aanmerking genomen de renovatiewerken
die plaatsvinden in de gedeelten van het gebouw die niet rechtstreeks voor huisvesting zijn bestemd,
indien deze werken noodzakelijk worden om de renovatie van het gedeelte van het gebouw dat voor huisvesting
is voorbehouden, te waarborgen. In dat geval gebeurt de berekening van de toelage naar evenredigheid
van de oppervlakte van de voor huisvesting bestemde gedeelten van het gebouw waarvoor krachtens dit besluit
een premie werd aangevraagd. De werken waarbij, vóór en tijdens de heropbouw, alleen de voor-
en achtergevels, en/of de gemene muren van de woning behouden blijven, evenals de werken aan gemeubileerde
woningen, worden niet gesubsidieerd. Art. 8. De premie wordt berekend op basis van de kostprijs
van de materialen en van het werk. De maximumbedragen van de aanvaarde werken zijn de volgende : 1°
35.000 EUR per woning. 2° Indien de woning meer dan twee slaapkamers omvat na de werken, dan
wordt dit bedrag van 35.000 EUR met 5.000 EUR per bijkomende slaapkamer verhoogd. Art. 9. Indien
in een periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag een toelage wordt of werd toegekend aan de aanvrager
voor aan een beschermd goed uitgevoerde werken tot behoud, overeenkomstig het besluit van de Brusselse
Hoofdstedelijke Regering van 30 april 2003 tot vaststelling van de voorwaarden voor het toekennen van
een subsidie voor werken tot behoud van een beschermd goed, dan worden de krachtens dit voornoemde besluit
van 30 april 2003 gesubsidieerde werken niet in aanmerking genomen bij de raming van de kostprijs van
de werken. HOOFDSTUK IV. - Gewestelijke tegemoetkoming Art. 10. § 1. Voor de
aanvragers bedoeld in artikel 2, 1°, wordt het bedrag van de premie vastgesteld : 1° in de perimeters
met wijkcontract : a) op 70 procent van de kostprijs van de aanvaarde werken wanneer het inkomen
van de aanvrager niet hoger ligt dan 30.000 EUR; b) op 50 procent van de kostprijs van de aanvaarde
werken wanneer het inkomen van de aanvrager niet hoger ligt dan 60.000 EUR; c) op 40 procent
van de kostprijs van de aanvaarde werken wanneer het inkomen van de aanvrager hoger ligt dan 60.000 EUR; 2°
in een perimeter van de ruimte voor versterkte ontwikkeling van de huisvesting en de renovatie : a)
op 70 procent van de kostprijs van de aanvaarde werken wanneer het inkomen van de aanvrager niet hoger
ligt dan 30.000 EUR; b) op 40 procent van de kostprijs van de aanvaarde werken wanneer het
inkomen van de aanvrager niet hoger ligt dan 60.000 EUR; c) op 30 procent van de kostprijs
van de aanvaarde werken wanneer het inkomen van de aanvrager hoger ligt dan 60.000 EUR; 3° buiten
deze perimeters : a) op 70 procent van de kostprijs van de aanvaarde werken wanneer het inkomen
van de aanvrager niet hoger ligt dan 30.000 EUR; b) op 30 procent van de kostprijs van de aanvaarde
werken wanneer het inkomen van de aanvrager niet hoger ligt dan 60.000 EUR; § 2. Voor
de aanvragers bedoeld in artikel 2, 2° en 3° wordt het bedrag van de premie vastgesteld op 80 procent
van de kostprijs van de aanvaarde werken en dit ongeacht de ligging van het te renoveren gebouw in het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest. § 3. Indien het gebouw in verschillende perimeters of
zones gelegen is, is de perimeter of de zone die het meest voordelig is voor de aanvrager bepalend voor
het percentage van de premie. § 4. De bedragen van het inkomstenplafond vermeld in §
1 van dit artikel worden om de vijf jaar geïndexeerd op basis van de index van de comsumptieprijzen geldend
op het moment van het in voege treden van dit besluit. Art. 11. Betreffende het inkomen bedoeld
in artikel 10, § 1, wordt het bedrag van het in aanmerking genomen inkomen voor de berekening
van de premies vermeerderd : 1° met 5.000 EUR indien de aanvrager en zijn echtgenote of de persoon
met wie hij samenwoont, beide minder dan vijfendertig jaar oud zijn op de datum van de aanvraag; 2°
met 5.000 EUR voor elke persoon ten laste. Art. 12. De tegemoetkoming van het Gewest wordt
toegekend als het bedrag van de door de afgevaardigde van de Minister aanvaarde werken, rekening houdende
met de maximumprijzen vastgesteld door de Minister, een minimum van 1.250 EUR (BTW inclusief) per gebouw
bereikt. Eenzelfde woning kan het voorwerp uitmaken van verscheidene premieaanvragen, voor zover
het bedrag van de aanvaarde werken voor elke aanvraag het voornoemde minimum bereikt. Art. 13.
Elke woning die, sinds 1 januari 1989, het voorwerp heeft uitgemaakt van de toekenning van één of meer
premies bedoeld door het besluit, waarvoor het totaalbedrag van de aanvaarde werken het in artikel 8
bedoelde maximumbedrag bereikt, kan, met toepassing van dit besluit, slechts opnieuw voor een premie
in aanmerking komen na een termijn van twintig jaar na de datum van het besluit tot uitbetaling van de
laatste schijf. HOOFDSTUK V. - Indiening en behandeling van de aanvragen Art. 14.
§ 1. Op straffe van niet-ontvankelijkheid moet de aanvraag ingediend worden hetzij bij aangetekend
schrijven, hetzij door afgifte tegen ontvangstbewijs aan het onthaal van de dienst Huisvesting van het
Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, door middel van behoorlijk ingevulde formulieren die
op eenvoudige aanvraag ter beschikking van het publiek worden gesteld. § 2. Het aanvraagformulier
moet vergezeld zijn van de volgende stukken : 1° Voor de aanvragers bedoeld in artikel 2, 1°
: a) een eigendomstitel van de te renoveren woning, zoals bedoeld in artikel 1, 16°. Indien
de authentieke aankoopakte nog niet verleden of geregistreerd werd, kan de aanvraag worden ingediend
op basis van een afschrift van de onderhandse verkoopovereenkomst. In dit geval wordt de premie slechts
uitbetaald na overhandiging van een eigendomsattest afgeleverd door de notaris; b) een toestemming
aan de administratie om de kadastrale gegevens te gebruiken, met naleving van de wet van 8 december 1992
tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer of, bij gebrek, een uittreksel van de kadastrale legger
dat niet ouder is dan één jaar en waarin de einddatum van de bouwwerken aan de woning vermeld wordt indien,
in verband met punt a), een ander document dan de authentieke verkoopakte of een afschrift hiervan is
ingediend; c) het gedetailleerde bestek van de werken zoals bepaald in artikel 1, 17°, waarbij
in geval van geluidsisolatiewerken de verbintenis van de aannemer is opgenomen om gecertificeerde materialen
te gebruiken, in overeenstemming met de bepalingen van het ministerieel besluit, en om de voorschriften
van de gedragscode die door de administratie ter beschikking wordt gesteld na te leven; d)
het afschrift van de overeenkomst gesloten met een architect, in voorkomend geval; e) het afschrift
van de stedenbouwkundige vergunning, in voorkomend geval. Indien een stedenbouwkundige vergunning nodig
is voor de verwezenlijking van de geplande werken maar nog niet werd afgeleverd op het ogenblik van de
premieaanvraag, dan kan deze ingediend worden op basis van een afschrift van de vergunningsaanvraag.
In dit geval wordt de premie slechts uitbetaald op voorlegging van de definitieve vergunning en voor
werken verwezenlijkt in overeenstemming hiermee; f) een beschrijving van de overwogen werken
en foto's van de te renoveren delen; g) een toestemming aan de administratie om de gegevens
van het rijksregister te gebruiken, met naleving van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de
persoonlijke levenssfeer of, bij gebrek, een gezinssamenstelling afgeleverd door het gemeentebestuur
van de woonplaats binnen drie maanden na de indiening van de aanvraag; h) een toestemming aan
de administratie om de gegevens van het ministerie van Financiën met betrekking tot het inkomen te gebruiken,
met naleving van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer of, bij gebrek,
een afschrift van het aanslagbiljet betreffende het inkomen bepaald in artikel 1, 13°; i) in
het geval van een mede-eigendom, een afschrift van het proces-verbaal van de algemene vergadering van
de mede-eigendom tot toestemming van de werken of, bij gebrek, een afschrift van de instemming van alle
mede-eigenaars. 2° Voor de aanvragers bedoeld in artikel 2, 2° : a) het afschrift
van de eigendomstitel of van het beheersmandaat met een minimumduur van twintig jaar, van een renovatiehuurcontract
met een minimumduur van negen jaar of van een erfpachtovereenkomst met een minimumduur van twintig jaar; b)
het afschrift van het huurcontract of van het beheersmandaat gesloten met een sociaal verhuurkantoor
voor een minimumduur van negen jaar na de werken; c) een toestemming aan de administratie om
de kadastrale gegevens te gebruiken, met naleving van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van
de persoonlijke levenssfeer of, bij gebrek, een uittreksel van de kadastrale legger waarin de einddatum
van de bouwwerken aan de woning vermeld wordt indien, in verband met punt a) een ander document dan
de authentieke verkoopakte of een afschrift hiervan is ingediend; d) het gedetailleerde bestek
van de werken per woning zoals bepaald in artikel 1, 17°, waarbij in geval van geluidsisolatiewerken
de verbintenis van de aannemer is opgenomen om gecertificeerde materialen te gebruiken, in overeenstemming
met de bepalingen van het ministerieel besluit, en om de voorschriften van de gedragscode die door de
administratie ter beschikking wordt gesteld na te leven; e) het afschrift van de overeenkomst
gesloten met een architect, in voorkomend geval; f) een beschrijving van de overwogen werken
en foto's van de te renoveren delen; g) het afschrift van de stedenbouwkundige vergunning,
in voorkomend geval. Indien een stedenbouwkundige vergunning nodig is voor de verwezenlijking van de
geplande werken maar nog niet werd afgeleverd op het ogenblik van de premieaanvraag, dan kan deze ingediend
worden op basis van een afschrift van de vergunningsaanvraag. In dit geval wordt de premie slechts uitbetaald
op voorlegging van de definitieve vergunning en voor werken verwezenlijkt in overeenstemming hiermee; h)
in het geval van een mede-eigendom, een afschrift van het proces-verbaal van de algemene vergadering
van de mede-eigendom tot toestemming van de werken of, bij gebrek, een afschrift van de instemming van
alle mede-eigenaars. 3° Voor de aanvragers bedoeld in artikel 2, 3° : a) het afschrift
van de eigendomstitel of van het beheersmandaat met een minimumduur van twintig jaar, van een renovatiehuurcontract
met een minimumduur van negen jaar of van een erfpachtovereenkomst met een minimumduur van twintig jaar; b)
een toestemming aan de administratie om de kadastrale gegevens te gebruiken, met naleving van de wet
van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer of, bij gebrek, een uittreksel van
de kadastrale legger waarin de einddatum van de bouwwerken aan de woning vermeld wordt indien, in verband
met punt a) een ander document dan de authentieke verkoopakte of een afschrift hiervan is ingediend; c)
het gedetailleerde bestek van de werken zoals bepaald in artikel 1, 17°, waarbij in geval van geluidsisolatiewerken
de verbintenis van de aannemer is opgenomen om gecertificeerde materialen te gebruiken, in overeenstemming
met de bepalingen van het ministerieel besluit, en om de voorschriften van de gedragscode die door de
administratie ter beschikking wordt gesteld na te leven; d) het afschrift van de overeenkomst
gesloten met een architect, in voorkomend geval; e) een beschrijving van de overwogen werken
en foto's van de te renoveren delen; f) het afschrift van de stedenbouwkundige vergunning,
in voorkomend geval. Indien een stedenbouwkundige vergunning nodig is voor de verwezenlijking van de
geplande werken maar nog niet werd afgeleverd op het ogenblik van de premieaanvraag, dan kan er een afschrift
van de vergunningsaanvraag ingediend worden. In dit geval wordt de premie slechts uitbetaald op voorlegging
van de definitieve vergunning en voor werken verwezenlijkt in overeenstemming hiermee; g) in
het geval van een mede-eigendom, een afschrift van het proces-verbaal van de algemene vergadering van
de mede-eigendom tot toestemming van de werken of, bij gebrek, een afschrift van de instemming van alle
mede-eigenaars. § 3. Voor de aanvragers bedoeld in artikel 2, 1°, kan de aanvraag slechts
op één enkele woning betrekking hebben. Voor de aanvragers bedoeld in artikel 2, 2° en 3° heeft
de aanvraag betrekking op één of meer woningen gelegen in hetzelfde gebouw en waarvan de renovatie gelijktijdig
gebeurt. Art. 15. Wanneer het aanvraagdossier volledig is, wordt er binnen dertig dagen een
ontvangstbewijs van het volledig dossier aan de aanvrager gericht. De zending met het ontvangstbewijs
bevat ook de lijst van de aanvaarde werken en een raming van het bedrag van de premie op basis van de
ingediende bestekken en de toestemming om de werken aan te vangen. De toestemming om de werken
aan te vangen heeft betrekking op werken waarvoor geen vergunning nodig is of deze waarvoor een stedenbouwkundige
vergunning afgeleverd is. Op straffe van verval van het recht op de renovatiepremie mogen de
renovatiewerken waarvoor de premie aangevraagd wordt niet begonnen worden vóór het door de administratie
opgestelde ontvangstbewijs van het volledig dossier ontvangen is. Wanneer het aanvraagdossier
onvolledig is, wordt in de zending gepreciseerd welke bijkomende documenten overgemaakt dienen te worden. Indien
de gevraagde documenten niet binnen de drie maanden na de datum van de zending overgemaakt zijn, vervalt
de aanvraag. Art. 16. Zodra de premieaanvraag volledig verklaard is, kan een voorschot overeenstemmend
met 90 % van het bedrag van de raming van de premie aan de aanvrager uitbetaald worden, op voorlegging
van een factuur van de aannemer waarmee vastgesteld wordt dat het geheel of een deel van de werken die
het voorwerp van de aanvraag vormen besteld zijn. Art. 17. Alle wijzigingen ten opzichte van
de lijst van de aanvaarde werken bedoeld in artikel 14 moeten het voorwerp uitmaken van een voorafgaande
en schriftelijke toestemming van de administratie. Bovendien dient elke wijziging in de keuze van de
aannemer tussen de aanvraag en de verwezenlijking van de werken schriftelijk aan de administratie meegedeeld
te worden. Art. 18. Binnen een termijn van twee jaar na datum van de kennisgeving van het ontvangstbewijs
bedoeld in artikel 15, moet de aanvrager : 1° de werken hebben laten uitvoeren en factureren; 2°
door indiening tegen ontvangstbewijs of door verzending aan de dienst Huisvesting van het Ministerie
van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het door de Minister bepaalde formulier van het einde van de
werken behoorlijk ingevuld en ondertekend bezorgen, samen met een afschrift van de facturen, op naam
van de aanvrager en met vermelding van het adres van de werf. In voorkomend geval, brengt de
dienst Huisvesting de aanvrager schriftelijk op de hoogte van de bijkomende stukken die ingediend moeten
worden. De aanvrager dient deze binnen drie maanden na datum van deze brief over te maken. Op
basis van een met redenen omkleed verzoek, kan de termijn van twee jaar met een maximum van twee jaar
door de Minister worden verlengd. Art. 19. Binnen twee weken na de ontvangst van het formulier
van het einde van de werken, verwittigt de afgevaardigde van de administratie de aanvrager per schrijven
van de dag en het uur van zijn bezoek dat plaatsvindt binnen dertig dagen vanaf de datum van het schrijven
en bedoeld is om vast te stellen dat de werken klaar zijn en uitgevoerd werden in overeenstemming met
de aanvraag en volgens de regels van de kunst zoals erkend door het Wetenschappelijk en Technisch Centrum
voor het Bouwbedrijf (WTCB). Binnen dertig kalenderdagen vanaf dit bezoek richt de afgevaardigde
van de administratie per schrijven aan de aanvrager de beslissing tot toekenning van de premie waarin
het detail van de per post aanvaarde werken en de berekening van de premie wordt gegeven. Art.
20. Zonder afbreuk te doen aan artikel 17, wordt het bedrag van de premie of het saldo binnen dertig
dagen uitbetaald vanaf de zending van de definitieve belofte van de toekenning van de premie. HOOFSTUK
VI. - Verplichtingen van de aanvrager Art. 21. Ingeval van mede-eigendom zijn alle medeeigenaars
hoofdelijk en ondeelbaar tot de overeengekomen verplichtingen verbonden. Art. 22. §
1. Gedurende het onderzoek van het dossier, dient de aanvrager een bezoek toe te staan van de afgevaardigde
van de administratie die de oorspronkelijke staat van de woning kan komen controleren, evenals de realiteit
der werken; hij is belast met het vaststellen ter plaatse of de voorwaarden vastgelegd in dit besluit
vervuld zijn. § 2. De eigenaar of mede-eigenaar bewoner : 1° moet ingeschreven
zijn in het bevolkingsregister op het adres van de woning waarvoor de aanvraag werd ingediend, en dit
uiterlijk op het ogenblik van de uitbetaling van de in artikel 19 bedoelde premie en zulks voor een minimumduur
van vijf jaar vanaf de datum van het schrijven dat door de administratie gestuurd wordt overeenkomstig
artikel 19, tweede lid; 2° moet zijn woning conform maken met de minimumvoorwaarden zoals bepaald
in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 september 2003 tot bepaling van de elementaire
vereisten inzake veiligheid, gezondheid en uitrusting van de woningen; 3° mag zijn eigendom,
noch geheel noch gedeeltelijk, verkopen, ruilen of schenken vóór het einde van een periode van vijf jaar
na de datum van het ministerieel besluit tot uitbetaling van de premie, behoudens afwijking toegestaan
door de Minister ingeval van overmacht; 4° mag zijn eigendom, noch geheel noch gedeeltelijk,
inbrengen in een vennootschap vóór het einde van een periode van vijf jaar na de datum van het ministerieel
besluit tot uitbetaling van de premie; 5° mag zijn eigendom, noch geheel noch gedeeltelijk,
verhuren gedurende een periode van vijf jaar na de datum van het schrijven van de administratie bedoeld
in artikel 19, tweede lid. Er kan afgeweken worden van de verplichting bedoeld in 1° en van
de verboden bedoeld in 3°, 4° en 5° van dit artikel in het geval van het verhuren bij een SVK voor de
hele periode bedoeld door de genoemde verboden. De eigenaar of mede-eigenaar niet-bewoner mag
zijn eigendom niet vrijwillig, noch geheel noch gedeeltelijk, vervreemden en evenmin inbrengen in een
vennootschap vóór het einde van een periode van tien jaar na de datum van het schrijven van de administratie
bedoeld in artikel 19, tweede lid. HOOFDSTUK VII. - Terugbetaling Art. 23. §
1. Onverminderd de bepalingen van het Strafwetboek of gerechtelijke vervolgingen in toepassing van het
koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaring af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen
en toelagen, is de begunstigde van de gestorte tegemoetkoming krachtens dit besluit verplicht de op basis
van dit besluit ontvangen bedragen aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest terug te betalen, alsook de
bijkomende interesten berekend tegen de wettelijke rentevoet geldend op de datum van de beslissing tot
terugvordering : 1° ingeval van onjuiste of bedrieglijke verklaring afgelegd teneinde de bij
dit besluit toegekende premie onterecht te verkrijgen; 2° ingeval van niet-naleving van een
verbintenis aangegaan overeenkomstig de artikelen 21 en 22; 3° ingeval van weigering tot indiening
van de stukken die door de administratie worden gevorderd op basis van artikel 23, § 4; 4°
ingeval van niet-voltooiing van de werken voorzien in de aanvraag. § 2. Het bedrag van
de aan het Gewest terug te betalen premie moet worden gestort aan het Fonds voor Stedenbouw en Grondbeheer
ingeschreven onder Titel III, afdeling 16 van de Middelenbegroting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. §
3. Ingeval van niet-terugbetaling van de premie binnen de termijn vastgelegd door de Minister van het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zal de terugvordering worden toevertrouwd aan de Administratie van de
BTW, Registratie en Domeinen, die handelt overeenkomstig de bepalingen van artikel 94 van het koninklijk
besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit. §
4. Het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kan aan de begunstigden alle nodige stukken
vragen om de naleving van de verbintenissen ingevolge de artikelen 21 en 22 te bewijzen. §
5. In de gevallen voorzien in 2° en 4°, kan de Minister eraan verzaken de gehele of gedeeltelijke terugbetaling
van de premie te vorderen, alsook de interesten, wanneer hij van oordeel is dat een geval van overmacht
de aanvrager verhinderd heeft zijn verplichtingen na te leven. HOOFDSTUK VIII. - Overgangs-
en slotbepalingen Art. 24. De Ministers belast met Energie en Renovatiepremies zorgen voor
complementariteit tussen dit besluit en de premies toegekend krachtens artikelen 24 tot en met 26 van
de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van openbare dienstopdrachten inzake elektriciteit
en krachtens artikel 18 van de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt. Art.
25. Het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 13 juni 2002 met betrekking tot de toekenning
van premies voor de renovatie van het woonmilieu wordt opgeheven. Art. 26. Bij wijze van overgangsmaatregel
blijft het besluit bedoeld in artikel 25 van toepassing op de aanvragen ingediend vóór de inwerkingtreding
van dit besluit. Art. 27. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2008. Art. 28.
De Minister tot wiens bevoegdheid de Stadsvernieuwing behoort, wordt belast met de uitvoering van dit
besluit. Brussel, 4 oktober 2007. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering : De
Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Ch. PICQUE De Minister
van Leefmilieu, Energie en Waterbeleid, belast met Renovatiepremies, Mevr. E. HUYTEBROECK