20 SEPTEMBER 2007. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de toekenning van een premie voor de uitvoering van een bodemonderzoek in het kader van het beheer en de sanering van verontreinigde bodems
De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op de bijzondere wet van 12 januari
1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, zoals gewijzigd; Gelet op de bijzondere wet
van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, zoals gewijzigd; Gelet
op de ordonnantie van 22 december 2006. houdende de algemene uitgavenbegroting van het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest voor het begrotingsjaar 2007; Gelet op de ordonnantie van 13 mei 2004 betreffende het
beheer van verontreinigde bodems en haar uitvoeringsbesluiten; Gelet op ordonnantie van 20 december
2002. houdende instemming met de samenwerkingsovereenkomst tussen de Federale staat, het Vlaams Gewest,
het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van
de bodemsanering van tankstations; Gelet op de ordonnantie van 21 juni 2007 houdende instemming
met de samenwerkingsovereenkomst van 9 februari 2007 tot wijziging van de samenwerkingsovereenkomst van
13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations en houdende wijziging
van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende milieuvergunningen; Gelet op het besluit van
21 januari 1999 tot vaststelling van de uitbatingsvoorwaarden voor tankstations, zoals gewijzigd; Gelet
op het koninklijk besluit van 8 maart 1989 tot oprichting van het Brussels Instituut voor Milieubeheer; Gelet
op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 12 juli 2007; Gelet op het akkoord
van de Minister van Begroting, gegeven op 23 juli 2007; Gelet op het advies van de Raad voor
het Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gegeven op...; Gelet op het advies van
de Economische en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gegeven op 5 september 2007; Gelet
op advies nr. 43.569/1/V van de Raad van State, gegeven op 4 september 2007, in toepassing van artikel
84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende
dat het Brussels Instituut voor Milieubeheer ongeveer 6000 sites geïnventariseerd heeft waarvoor er een
aanwijzing van omvangrijke bodemverontreiniging bestaat; Overwegende dat het van belang is om
de toestand van de bodemverontreiniging van deze sites binnen een redelijke termijn vast te stellen,
omwille van de mogelijke risico's die zij inhouden voor de volksgezondheid en voor het leefmilieu; Overwegende
dat het bodemonderzoek waarmee deze vaststelling kan gebeuren, evenals, in voorkomend geval, het bodemonderzoek
waarmee het risiconiveau kan worden vastgesteld, niet te verwaarloozen kosten met zich mee kunnen brengen
voor de personen die ze moeten uitvoeren; Overwegende dat, in bepaalde gevallen, de uitvoering
van deze onderzoeken ten laste valt van de houders van zakelijke rechten op de desbetreffende percelen,
terwijl zij niet verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de bodemverontreiniging; Overwegende
dat de samenwerkingsovereenkomst van 9 februari 2007 tot wijziging van de samenwerkingsovereenkomst van
13 december 2002 tussen de Federale staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations een nieuwe termijn
van zes maanden opent vanaf de inwerkingtreding ervan om een tegemoetkoming van het fonds te vragen; Overwegende
dat het aangewezen is de uitvoering van prospectieve onderzoeken aan te moedigen die nodig zijn voor
de indiening van een tegemoetkomingsaanvraag bij het fonds, door middel van een gewestelijke premie; Overwegende
dat de samenwerkingsovereenkomst van 9 februari 2007 begin september 2007 van kracht zal worden; Overwegende
dat de dringende noodzakelijkheid ingeroepen moet worden, gelet op de noodzake lijkheid om de mogelijke
begunstigden van het fonds aan te moedigen een prospectief onderzoek uit te voeren binnen een termijn
die de indiening van een aanvraag voor tegemoetkoming bij het fonds mogelijk maakt; Op voorstel
van de Minister van Leefmilieu, Energie en Waterbeleid; Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK
I. - Definities Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder : 1° bodemverontreiniging
: de verontreiniging van de bodem zoals gedefinieerd in artikel 3, 2° van de ordonnantie van 13 mei 2004
betreffende het beheer van verontreinigde bodems; 2° bodemonderzoek : een verkennend bodemonderzoek,
een risicostudie of een prospectief onderzoek; 3° verkennend bodemonderzoek (VBO) : een verkennend
bodemonderzoek zoals gedefinieerd in artikel 9, 13 en 14 van de ordonnantie van 13. mei 2004 betreffende
het beheer van verontreinigde bodems; 4° risicostudie : een risicostudie zoals gedefinieerd
in artikel 17 en 18 van de ordonnantie van 13. mei 2004 betreffende het beheer van verontreinigde bodems; 5°
prospectief onderzoek : een prospectief onderzoek zoals gedefinieerd in artikel 21 tot 30 van het besluit
van 21 januari 1999 tot vaststelling van de uitbatingsvoorwaarden voor tankstations; 6° risicoactiviteit
: een ingedeelde inrichting zoals gedefinieerd in artikel 3, 3° van de ordonnantie van 13 mei 2004 betreffende
het beheer van verontreinigde bodems en in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van
9. december 2004 tot vaststelling van de lijst met risicoactiviteiten; 7° exploitant : een exploitant
zoals gedefinieerd in artikel 3, 4° van de ordonnantie van 13 mei 2004. betreffende het beheer van verontreinigde
bodems; 8° houder van zakelijke rechten : houder van één of meerdere types van zakelijke rechten
op een terrein. De lijst der zakelijke rechten is limitatief : volle eigendom; blote
eigendom; vruchtgebruik; opstal; erfpacht; recht van gebruik; recht
van bewoning. 9° feitelijke gebruiker : de gebruiker zoals gedefinieerd in artikel 2, 12° van
de samenwerkingsovereenkomst van 13 december 2002 tussen de Federale staat, het Vlaams Gewest, het Waals
Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering
van tankstations; 10° instituut : het Brussels Instituut voor Milieubeheer; 11° inventaris
: de inventaris van de verontreinigde bodems of degene waarvoor sterke aanwijzingen op omvangrijke verontreiniging
bestaan, zoals gedefinieerd in artikel 6 van de ordonnantie van 13 mei 2004 betreffende het beheer van
verontreinigde bodems; 12° tankstation : een tankstation zoals gedefinieerd in artikel 2, 2°
van het besluit van 21 januari 1999 tot vaststelling van de uitbatingsvoorwaarden voor tankstations; 13°
interregionale samenwerkingsovereenkomst : de samenwerkingsovereenkomst van 13 december 2002 tussen de
Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende
de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations, zoals gewijzigd. HOOFDSTUK
II. - Hoedanigheid van de aanvragers, de terreinen en de bodemonderzoeken Art. 2.
Een premie voor de uitvoering van een bodemonderzoek in het kader van het beheer en de sanering van verontreinigde
bodems kan worden toegekend, indien er aan de in dit besluit gedefinieerde voorwaarden wordt voldaan. Sectie
1 - Hoedanigheid van de aanvragers Art. 3. § 1. Degene die de premie aanvraagt, moet
voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden : - natuurlijk persoon of rechtspersoon zijn; -
houder zijn of houder geweest zijn van zakelijke rechten op het terrein waarop de premieaanvraag betrekking
heeft of feitelijk gebruiker zijn of geweest zijn van het voornoemde terrein; - persoon zijn
op wiens last het bodemonderzoek uitgevoerd is. § 2. Worden uitgesloten : -
exploitanten van een risicoactiviteit die uitgebaat werd of wordt op het terrein waarop de premieaanvraag
betrekking heeft; - veroorzakers van een ongeluk of een nalatigheid waardoor er een vermoeden
was of is van een omvangrijke bodemverontreiniging van het terrein waarop de premieaanvraag betrekking
heeft; - houders van zakelijke rechten op het terrein waarop de premieaanvraag betrekking heeft,
die een bodemonderzoek op het voornoemde terrein geweigerd hebben; - personen tegen wie een
proces-verbaal werd uitgeschreven voor een inbreuk op de bepalingen van de ordonnantie van 13 mei 2004
betreffende het beheer van verontreinigde bodems of van het besluit van 21 januari 1999 tot vaststelling
van de uitbatingsvoorwaarden voor tankstations, overeenkomstig artikel 11 van de ordonnantie van 25.
maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van de misdrijven
inzake leefmilieu, voor het terrein waarop de premie-aanvraag betrekking heeft. Sectie 2. -
Hoedanigheid van de terreinen Art. 4. § 1. Het terrein waarop de premieaanvraag betrekking
heeft, moet voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden : gelegen zijn op het grondgebied
van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; opgenomen zijn of geweest zijn in de inventaris als
mogelijk vervuild of, zolang de inventaris nog niet helemaal van kracht is, het voorwerp uitmaken of
uitgemaakt hebben van een sterk vermoeden van het Instituut van een omvangrijke verontreiniging, onder
meer gebaseerd op de vroegere of de huidige exploitatie van een risicoactiviteit, de migratie van een
verontreiniging, de aanwezigheid van afval, puin, slakken, as,... of als gevolg van een ongeval, overeenkomstig
artikel 6 van de ordonnantie van 13 mei 2004 betreffende het beheer van verontreinigde bodems. §
2. Worden uitgesloten : - terreinen die reeds het voorwerp uitgemaakt hebben van financiële
steun van het Gewest, met uitsluiting van een door dit besluit georganiseerde premie, voor de realisatie
van een bodemonderzoek of voor de uitvoering van beheersmaatregelen voor de verontreiniging. Sectie
3. - Hoedanigheid van de bodemonderzoeken Art. 5. § 1. Het bodemonderzoek dat het voorwerp
van de premieaanvraag uitmaakt, moet voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden Voor een
verkennend bodemonderzoek en een risicostudie : - het verkennend bodemonderzoek op het terrein
moet na 20 januari 2005 begonnen zijn; de risicostudie op het terrein moet begonnen zijn na
20 januari 2005, na de goedkeuring door het Instituut van een verkennend bodemonderzoek waarbij de aanwezigheid
van bodemverontreiniging, die een tussenkomst rechtvaardigt, is vastgesteld, conform de bepalingen van
de ordonnantie van 13 mei 2004 betreffende het beheer van verontreinigde bodems; als de risicostudie
op het terrein na de inwerkingtreding van dit besluit begonnen is, moet zij uiterlijk binnen drie maanden
volgend op de goedkeuring van het verkennend bodemonderzoek door het Instituut begonnen zijn; het
verkennend bodemonderzoek of de risicostudie moet goedgekeurd zijn door het Instituut. Voor
een prospectief onderzoek : - het prospectief onderzoek moet een terrein betreffen waarop een
vóór 26 maart 2006 gesloten tankstation werd uitgebaat; - het prospectief onderzoek op het terrein
moet begonnen zijn na 26 maart 2004; als het prospectief onderzoek op het terrein na de inwerkingtreding
van dit besluit begonnen is, moet het begonnen zijn uiterlijk binnen zes maanden volgend op de inwerkingtreding
van de interregionale samenwerkingsovereenkomst zoals gewijzigd; het prospectief onderzoek moet
goedgekeurd zijn door het Instituut. De begindatum van een bodemonderzoek op het terrein komt
overeen met de uitvoeringsdatum van de eerste boringswerken die in het kader van dit onderzoek worden
uitgevoerd. § 2. Worden uitgesloten : - de verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd
krachtens de volgende veroorzakende feiten, bedoeld in artikel 10, 2°, 3° en 5° van de ordonnantie van
13 mei 2004 betreffende het beheer van verontreinigde bodems : - vóór elke overdracht van de
milieuvergunning betreffende een risicoactiviteit; - vóór elke nieuwe risicoactiviteit; -
bij stopzetting van een risicoactiviteit. - de risicostudies betreffende bodemverontreiniging
waarvoor er een feitelijk oorzakelijk verband met een na 20 januari 2005 uitgebate ingedeelde inrichting
kan worden vastgesteld, op basis van deze studies; - de prospectieve onderzoeken betreffende
bodemverontreiniging waarvoor er een feitelijk oorzakelijk verband met een na 10 april 1999 uitgebaat
tankstation kan worden vastgesteld, op basis van deze onderzoeken. HOOFDSTUK III. - Inhoud van
de premie Art. 6. Het bedrag van de premie verschilt naargelang de twee volgende regimes : Stelsel
1 is van toepassing op bodemonderzoeken op het terrein die voor de inwerkingtreding van dit besluit begonnen
zijn. Stelsel 2 is van toepassing op bodemonderzoeken op het terrein die na de inwerkingtreding
van dit besluit begonnen zijn. De begindatum van een bodemonderzoek op het terrein komt overeen
met de uitvoeringsdatum van de eerste boringswerken die in het kader van dit onderzoek worden uitgevoerd. Art.
7. Het bedrag van de premie wordt vastgelegd op een percentage van de uitvoeringskosten van het bodemonderzoek,
met inbegrip van, in voorkomend geval, de belasting op de toegevoegde waarde. Een bepaald maximumbedrag
mag echter niet overschreden worden. Het percentage en het maximumbedrag zijn : - voor
stelsel 1 : 30 % en euro 1.100; - voor stelsel 2 : 60 % en euro 2.200. HOOFDSTUK IV.
- Wijze van aanvragen en toekennen van de premie Art. 8. De aanvraag van de premie wordt ingediend
na de uitvoering en de goedkeuring van het bodemonderzoek door het Instituut op basis van de door de
erkende expert in bodemverontreiniging werkelijk gefactureerde kosten. Voor stelsel 1 moet de
premieaanvraag binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit besluit ingediend worden. Voor
stelsel 2 moet de premieaanvraag binnen drie maanden na de goedkeuring door het Instituut van het bodemonderzoek
dat het voorwerp van de aanvraag uitmaakt, ingediend worden. Na deze termijnen zal elke premieaanvraag
als nietontvankelijk worden beoordeeld. Art. 9. Elke premieaanvraag moet naar het Instituut
gestuurd worden. Op straffe van niet-ontvankelijkheid moet de premieaanvraag de volgende documenten
bevatten : - een premieaanvraagformulier, conform het model in bijlage I, ingevuld, gedateerd
en getekend; - een kopie van het bewijs van zakelijke rechten, momenteel of in het verleden,
op het terrein waarop de premieaanvraag betrekking heeft of een bewijs van de status van gebruiker, momenteel
of in het verleden, van het voornoemde terrein door de aanvrager; - een kopie van de identiteitskaart
van de aanvrager; - een kopie van de factuur betreffende de uitvoering van het bodemonderzoek
dat het voorwerp van de premieaanvraag uitmaakt, opgesteld op naam van de aanvrager door een erkende
expert in bodemverontreiniging, gedateerd en getekend door deze laatste; - een betalingsbewijs
van de factuur, gedateerd en getekend door de aanvrager. Art. 10. Het Instituut deelt aangetekend
de beslissing betreffende het al dan niet toekennen van de premie binnen een termijn van dertig dagen
na de ontvangst van de aanvraag aan de aanvrager mee. In geval van toekenning, verduidelijkt
het Instituut het bedrag van de premie. In geval van weigering motiveert het Instituut zijn beslissing. Art.
11. De premie wordt aan de aanvrager uitbetaald binnen drie maanden na de kennisgeving van de toekenning,
bedoeld in artikel 10. Art. 12. De premie wordt toegekend binnen de perken van de beschikbare
budgetten. HOOFDSTUK V. - Terugbetaling Art. 13. Het Instituut kan overgaan tot de
controle van de echtheid van de door de aanvragers geleverde informatie. Wanneer blijkt dat
de informatie fout of onvolledig werd overgedragen aan het Instituut, is de aanvrager verplicht om het
bedrag van de van het Instituut ontvangen premie terug te storten, alsook de bijkomende interesten berekend
tegen de wettelijke rentevoet geldend op de datum van de beslissing tot terugvordering. Deze terugbetaling
vindt plaats zonder afbreuk aan een eventuele gerechtelijke vervolging. Brussel, 20 september
2007. Door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering : De Minister-Voorzitter van de Brusselse
Hoofdstedelijke Regering, Ch. PICQUE De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering belast
met Leefmilieu, Energie en Waterbeleid, Mevr. E. HUYTEBROECK Voor de raadpleging van
de tabel, zie beeld Op straffe van niet-ontvankelijkheid moeten de volgende documenten
bij dit aanvraagformulier voor een premie worden gevoegd : - kopie van het bewijs van zakelijke
rechten, momenteel of in het verleden, op het terrein waarop de premieaanvraag betrekking heeft of bewijs
van de status van feitelijk gebruiker, momenteel of in het verleden, van het voornoemde terrein; -
kopie van de identiteitskaart (en voor de aanvragers met een elektronische identiteitskaart ook het verblijfsattest,
dat door uw gemeentebestuur wordt afgeleverd); - kopie van de factuur betreffende de uitvoering
van het bodemonderzoek dat het voorwerp van de premieaanvraag uitmaakt, opgesteld op naam van de aanvrager
door een erkende expert in bodemverontreiniging, gedateerd en getekend door deze laatste; -
betalingsbewijs van de factuur, gedateerd en getekend door de aanvrager. Gezien om gevoegd te
worden bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de toekenning van een premie
voor de uitvoering van een bodemonderzoek in het kader van het beheer en de sanering van verontreinigde
bodems. De Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Ch. PICQUE De
Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering belast met Leefmilieu, Energie en Waterbeleid, Mevr.
E. HUYTEBROECK