10 MEI 2007. - Wet houdende diverse maatregelen inzake de heling en inbeslagneming (1)
ALBERT
II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De
Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : Artikel 1. Deze wet regelt een
aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Art. 2. In artikel 505 van het Strafwetboek,
vervangen bij de wet van 7 april 1995 en gewijzigd bij de wet van 26 juni 2000, worden de volgende wijzigingen
aangebracht : 1° het eerste lid, 2°, wordt vervangen door de volgende bepaling : « zij die zaken
bedoeld in artikel 42, 3°, kopen, ruilen of om niet ontvangen, bezitten, bewaren of beheren, ofschoon
zij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen, de oorsprong van die zaken kenden of moesten
kennen »; 2° in het eerste lid, 3°, worden de woorden « omgezet of overgedragen hebben » vervangen
door de woorden « omzetten of overdragen »; 3° het eerste lid, 4°, wordt vervangen door de volgende
bepaling : « zij die de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in
artikel 42, 3°, bedoelde zaken verhelen of verhullen, ofschoon zij op het ogenblik van de aanvang van
deze handelingen de oorsprong van die zaken kenden of moesten kennen »; 4° het tweede lid wordt
vervangen door de volgende bepaling : « De in het eerste lid, 3° en 4°, genoemde misdrijven
bestaan, indien de dader ervan ook dader, mededader van of medeplichtige is aan het misdrijf waaruit
de zaken genoemd in artikel 42, 3°, voortkomen. De in het eerste lid, 1° en 2°, genoemde misdrijven bestaan,
ook indien de dader ervan eveneens de dader, mededader van of medeplichtige is aan het misdrijf waaruit
de zaken genoemd in artikel 42, 3°, voortkomen, wanneer dit misdrijf in het buitenland is gepleegd en
in België niet kan worden vervolgd. »; 5° tussen het tweede en derde lid worden volgende leden
ingevoegd, luidende : « Behalve ten aanzien van de dader, de mededader en de medeplichtige van
het misdrijf dat de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, heeft opgeleverd, hebben op fiscaal vlak de misdrijven
bedoeld in het eerste lid, 2° en 4°, uitsluitend betrekking op feiten gepleegd in het raam van ernstige
en georganiseerde fiscale fraude waarbij bijzonder ingewikkelde mechanismen of procédés van internationale
omvang worden aangewend. De in de artikelen 2, 2bis en 2ter van de wet van 11 januari 1993
tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering
van terrorisme beoogde instellingen en personen kunnen zich op het vorige lid beroepen voor zover zij
zich, ten aanzien van de beoogde feiten, hebben geconformeerd aan de voorziene verplichting van artikel
14quinquies van de wet van 11 januari 1993 die de wijze van informatieverstrekking aan de Cel voor financiële
informatieverwerking regelt. »; 6° in het derde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden
« in 10, 2°, 3° en 4° » vervangen door de woorden « in het eerste lid, 1° », worden de woorden « de misdrijven
die gedekt worden door deze bepalingen » vervangen door de woorden « het misdrijf dat gedekt is door
deze bepaling » en worden de woorden « deze verbeurdverklaring » vervangen door de woorden « deze straf
»; 7° tussen het derde lid, dat het vijfde lid wordt, en het vierde lid, dat het achtste lid
wordt, worden volgende leden ingevoegd : « De in het eerste lid, 3° en 4°, bedoelde zaken zijn
het voorwerp van de door deze bepalingen bedoelde misdrijven in de zin van artikel 42, 1°, en worden
verbeurd verklaard ten aanzien van alle daders, mededaders of medeplichtigen van die misdrijven, ook
al heeft de veroordeelde die zaken niet in eigendom. Die straf mag evenwel geen schade berokkenen aan
de rechten die derden op de voor verbeurdverklaring vatbare goederen kunnen doen gelden. Zo die zaken
niet in het vermogen van de veroordeelde kunnen worden aangetroffen, gaat de rechter over tot een raming
van de geldwaarde ervan en heeft de verbeurdverklaring betrekking op een daarmee overeenstemmend geldbedrag.
In dat geval kan de rechter dat bedrag evenwel verminderen teneinde de veroordeelde geen onredelijk zware
straf op te leggen. De in het eerste lid, 2°, bedoelde zaken zijn het voorwerp van het door
deze bepaling bedoeld misdrijf in de zin van artikel 42, 1°, en worden verbeurd verklaard ten aanzien
van alle daders, mededaders of medeplichtigen van die misdrijven, ook al heeft de veroordeelde die zaken
niet in bezit. Daarbij mag die straf geen schade berokkenen aan de rechten die derden op de voor verbeurdverklaring
vatbare goederen kunnen doen gelden. Zo die zaken niet in het vermogen van de veroordeelde kunnen worden
aangetroffen, gaat de rechter over tot een raming van de geldwaarde ervan en heeft de verbeurdverklaring
betrekking op een geldbedrag dat in verhouding staat tot de mate waarin de veroordeelde bij het misdrijf
betrokken was. » Art. 3. In artikel 35, § 1, van het Wetboek van strafvordering, gewijzigd
bij de wetten van 14 januari 1999 en 24 december 2002, worden de woorden « in artikel 42 » vervangen
door de woorden « in de artikelen 42 et 43quater ». Art. 4. In artikel 3, § 1, 1°,
van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de Inbeslagname en de Verbeurdverklaring
en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van
bepaalde vermogenssancties, worden de woorden « 505, derde lid, » vervangen door de woorden « 505, vijfde
tot zevende lid, ». Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed
en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 10 mei 2007. ALBERT Van
Koningswege : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX Met 's Lands zegel
gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota
(1) Wetgevingsstukken : 51-1603/1 Wetsvoorstel 51-1603/2 Verslag namens
de commissie 51-1603/3 Tekst verbeterd door de comissie 51-1603/4 Tekst aangenomen
in de plenaire vergadering en overgzonden aan de Senaat. 51-1603/5 Ontwerp geamendeerd door
de Senaat en teruggezonden naar de Kamer 51-1603/6 Verslag namens de commissie 3-1610/1
Ontwerp geëvoceerd door de Senaat 3-1610/2 Advies van de Raad van State 3-1610/3
Amendementen 3-1610/4 Amendementen 3-1610/5 Advies uitgebracht door de commissie
3-1610/6 Amendementen 3-1610/7 Verslag namens de commissie 3-1610/8 Tekst
geamendeerd door de commissie 3-1610/9 Tekst geamendeerd door de Senaat en teruggezonden naar
de Kamer