15 MEI 2007. - Wet betreffende de civiele veiligheid (1)
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij
bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - Algemene bepaling Artikel 1. Deze wet regelt
een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet TITEL II. - Civiele veiligheid HOOFDSTUK
I. - Algemene bepalingen Art. 2. § 1. Voor de toepassing van deze wet moet begrepen
worden onder : 1° « operationele diensten van de civiele veiligheid » : de brandweer- en reddingsposten
van de hulpverleningszones, en de operationele eenheden van de Civiele Bescherming; 2° « minister
» : de minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoren en voor wat betreft de medische, sanitaire
en psychosociale hulpverlening, de minister tot wiens bevoegdheid Volksgezondheid behoort; 3°
« gouverneur » : de provinciegouverneurs met uitzondering van de gouverneur van het administratief arrondissement
Brussel-Hoofdstad; 4° « adequate middelen » : de minimale inzet van personeel en materieel nodig
voor het kwaliteitsvol uitvoeren van de opdrachten en het garanderen van een voldoende veiligheidsniveau
van het interventiepersoneel; 5° « snelste adequate hulp » : de operationele diensten die het
snelst op de plaats van de interventie kunnen zijn met de adequate middelen; 6° « risicoanalyse
» : de inventarisatie en evaluatie van de risico's aanwezig op het grondgebied van de zone die aangeeft
wat de behoeften zijn in materieel en personeel om deze risico's te dekken; 7° « civiele maatregelen
» : maatregelen van niet-politionele en niet-militaire aard; 8° « brandweer- en reddingspost,
hierna genoemd de post » : een operationele structuur die is voorzien van personeel en materieel van
waaruit de adequate middelen worden uitgestuurd om de operationele opdrachten te verzekeren. §
2. Onverminderd de bevoegdheden van de minister van Binnenlandse Zaken is de minister van Volksgezondheid
bevoegd voor wat betreft de medische, sanitaire en psychosociale hulpverlening in uitvoering van de artikelen
: 1° artikel 8; 2° artikel 9; 3° artikel 11, § 1, 2°; 4° artikel
21; 5° artikel 69; 6° artikel 102; 7° artikel 106; 8° artikel 119,
§ 1; 9° artikel 178; 10° artikel 206. Art. 3. De civiele veiligheid
omvat alle civiele maatregelen en middelen nodig voor het volbrengen van de opdrachten vermeld in deze
wet om te allen tijde personen en hun goederen en leefomgeving ter hulp te komen en te beschermen. Behalve
voor wat betreft de medische, sanitaire en psychosociale hulpverlening, worden de diensten van de civiele
veiligheid georganiseerd en gestructureerd, zoals bepaald in de artikelen 4 tot 6. Art. 4.
De federale overheid beschikt voor de uitvoering van zijn opdrachten inzake civiele veiligheid onder
meer over de operationele eenheden van de Civiele Bescherming, het Federaal Opleidingscentrum voor de
hulpdiensten, het federaal Kenniscentrum voor de civiele veiligheid en een algemene inspectiedienst. Art.
5. De hulpverleningszone verzekert de oprichting en de organisatie van de posten op haar grondgebied
en vervult op autonome wijze de taken die de wet haar toewijst. De hulpverleningszone is samengesteld
uit het netwerk van posten waarvan het aantal en de inplanting worden bepaald aan de hand van de risicoanalyse. De
Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de inhoud en de minimale voorwaarden
van de risicoanalyse. Art. 6. De posten voeren, alleen of samen, de opdrachten uit die de wet
hun toewijst rekening houdend met het principe van de snelste adequate hulpverlening. De Koning
bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de minimale voorwaarden van de snelste
adequate hulp en de adequate middelen. Art. 7. De grenzen van de provincies, van de hulpverleningszones
of van de gemeenten vormen geen beperking voor de tussenkomst van de posten zoals voorzien in het eerste
lid van artikel 6. Art. 8. De Koning stelt de inzake civiele veiligheid te nemen maatregelen
vast. Hij kan onder meer : 1° een programma van maatregelen van civiele veiligheid opstellen
dat moet toegepast worden door elke inwoner, door de openbare diensten die Hij aanduidt en door elk privaat
of openbaar organisme of instelling van openbaar nut; 2° de maatregelen voor de identificatie
van de risico's vaststellen, met name de inventaris van de risico's die aanwezig zijn op het nationaal
grondgebied en die door de administratieve overheden in aanmerking kunnen genomen worden in het kader
van de noodplanning; 3° de maatregelen vaststellen met betrekking tot interdepartementaal of
multidisciplinair beheer, coördinatie of ondersteuning van gebeurtenissen of noodsituaties; 4°
de maatregelen vaststellen met betrekking tot de voorbereiding van interdepartementaal of multidisciplinair
beheer, coördinatie of ondersteuning van gebeurtenissen of noodsituaties, hierin inbegrepen de noodplanning
en de opleiding; 5° de normen vaststellen inzake de bluswatervoorraden waarover de gemeenten
moeten beschikken. Art. 9. § 1. De Koning kan de inhoud van de verschillende nood- en
interventieplannen, hun wijze van opmaken en hun organisatorische en functionele structuur bepalen. §
2. De Koning stelt de nood- en interventieplannen op die een antwoordstructuur organiseren voor gebeurtenissen
en noodsituaties die een beheer, een coördinatie of een ondersteuning op nationaal vlak vereisen. §
3. In elke provincie en in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad stelt de gouverneur of
de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad een algemeen nood- en interventieplan
op dat de algemene richtlijnen en de noodzakelijke informatie bevat om het beheer van de noodsituatie
te verzorgen, hierin inbegrepen de te treffen maatregelen en de organisatie van de hulpverlening. De
in het eerste lid bedoelde nood- en interventieplannen worden ter goedkeuring voorgelegd aan de minister. §
4. In elke gemeente stelt de burgemeester een algemeen nood- en interventieplan op dat de algemene richtlijnen
en de noodzakelijke informatie bevat om het beheer van de noodsituatie te verzorgen, hierin inbegrepen
de te treffen maatregelen en de organisatie van de hulpverlening. De in het eerste lid bedoelde
nood- en interventieplannen worden, na aanneming door de gemeenteraad, ter goedkeuring voorgelegd aan
de gouverneur of de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. §
5. De algemene nood- en interventieplannen van de gemeenten, van de provincies en van het administratief
arrondissement Brussel-Hoofdstad kunnen worden aangevuld met bijkomende specifieke bepalingen over bijzondere
risico's. Deze bepalingen worden opgenomen in bijzondere nood- en interventieplannen. De Koning
kan bepalen voor welke risico's door de gemeenten, de provincies en het administratief arrondissement
Brussel-Hoofdstad een bijzonder nood- en interventieplan moet worden opgesteld. Art. 10. Provincies,
gemeenten en zones kunnen verplicht worden de diensten van de civiele veiligheid beschikking te geven
over terreinen, lokalen, meubilair en leveringen welke nodig zijn, hetzij voor de opleiding van het personeel
van die diensten, hetzij voor de uitvoering van de maatregelen van civiele veiligheid op hun grondgebied. De
Koning bepaalt voor welke gevallen en onder welke voorwaarden een schadevergoeding kan toegekend worden. HOOFDSTUK
II. - Algemene opdrachten van de operationele diensten van de civiele veiligheid Art. 11. §
1. De algemene opdrachten van de operationele diensten van de civiele veiligheid zijn : 1° de
redding van en de bijstand aan personen in bedreigende omstandigheden en de bescherming van hun goederen; 2°
de dringende geneeskundige hulpverlening zoals bepaald in artikel 1 van de wet van 8 juli 1964 betreffende
de dringende geneeskundige hulpverlening; 3° de bestrijding van brand en ontploffing en hun
gevolgen; 4° de bestrijding van vervuiling en van het vrijkomen van gevaarlijke stoffen met
inbegrip van radioactieve stoffen en ioniserende straling; 5° de logistieke ondersteuning. §
2. Maken integraal deel uit van de opdrachten opgesomd in § 1, 1°, 3°, 5°, de proactie, de preventie,
de preparatie, de uitvoering en de evaluatie. In de zin van deze paragraaf, worden begrepen
onder : 1° proactie : alle maatregelen om de risico's te inventariseren en te analyseren; 2°
preventie : alle maatregelen om het zich voordoen van de risico's te beperken of de gevolgen van het
zich voordoen te minimaliseren; 3° preparatie : alle maatregelen om te garanderen dat de dienst
klaar is om het hoofd te bieden aan een reëel incident; 4° uitvoering : alle maatregelen die
genomen worden wanneer er zich daadwerkelijk een incident voordoet; 5° evaluatie : alle maatregelen
om de proactie, preventie, preparatie en uitvoering te verbeteren via lessen getrokken uit het incident. §
3. Onverminderd de bevoegdheden van andere openbare diensten, zien de hulpverleningszones toe op de toepassing
van de reglementering inzake de preventie van brand en ontploffing. Art. 12. De Koning bepaalt,
na advies van de gouverneurs en van de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad,
bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, welke taken in het kader van de opdrachten,
bedoeld in artikel 11, door de posten en welke door de operationele eenheden van de Civiele Bescherming
uitgevoerd worden. De Koning kan, na advies van de gouverneurs en van de gouverneur van het
administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad,
bepalen voor welke taken of in welke omstandigheden de operationele eenheden van de Civiele Bescherming
opgeroepen worden of ambtshalve optreden. Art. 13. De Koning bepaalt, na advies van de gouverneurs
en van de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, bij een besluit vastgesteld
na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de coördinatie van de operaties waarbij de operationele
eenheden van de Civiele Bescherming samen met de posten, bedoeld in artikel 2, § 1, 8°, optreden. TITEL
III. - Hulpverleningszones HOOFDSTUK I. - Algemene organisatie van de hulpverleningszones Afdeling
I. - Algemene bepalingen Art. 14. Het grondgebied van het Rijk wordt verdeeld in hulpverleningszones,
hierna genoemd zones. Elke provincie bevat minstens één zone. Elke gemeente maakt deel
uit van één enkele zone. De Koning bepaalt, na advies van het in artikel 15 bedoelde Nationaal
Raadgevend Comité van de Zones, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de territoriale
afbakening van de zones. Art. 15. § 1. In elke provincie wordt een provinciaal raadgevend
comité van de zones, hierna genoemd provinciaal raadgevend comité, opgericht. Het provinciaal raadgevend
comité wordt opgericht voor de duur van zijn opdracht. Het provinciaal raadgevend comité is
samengesteld uit de burgemeesters van alle gemeenten van de provincie en wordt voorgezeten door de gouverneur. Het
provinciaal raadgevend comité wint het advies in van de autoriteiten van de verschillende gemeenten van
de provincie en formuleert op basis hiervan een eenvormig advies aan het nationaal raadgevend comité,
bedoeld in § 2. § 2. Er wordt een nationaal raadgevend comité van de zones, hierna
genoemd nationaal raadgevend comité, opgericht. Het nationaal raadgevend comité wordt opgericht
voor de duur van zijn opdracht. Het nationaal raadgevend comité is samengesteld uit de provinciegouverneurs,
een vertegenwoordiger aangeduid door de « Union des Villes et Communes de Wallonie » en een vertegenwoordiger
aangeduid door de « Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten » en een delegatie van het federaal parlement.
Het wordt voorgezeten door de provinciegouverneur met de grootste anciënniteit als gouverneur. Het
nationaal raadgevend comité wint de adviezen in van de verschillende provinciale raadgevende comités
inzake de territoriale afbakening van de zones en formuleert op basis daarvan een voorstel aan de Koning. §
3. De Koning kan nadere bepalingen inzake de samenstelling, de werking en de procedures van het nationaal
raadgevend comité en de provinciale raadgevende comités nemen. Art. 16. § 1. Bij de
Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken wordt een Begeleidingscommissie voor de Hervorming van de
Civiele Veiligheid opgericht. § 2. De commissie geeft advies over de volgende elementen
: 1° de berekening van de meerkost voor de zone die het gevolg kan zijn van de uitvoering van
de hervorming; 2° de nieuwe opdrachten die worden opgedragen aan de zones en hun financiële
weerslag op de zone; 3° de globale evaluatie van alle aspecten van de hervorming van de civiele
veiligheid op lokaal niveau. Deze evaluatie bevat onder meer een monitoring van alle problemen op lokaal
niveau die met de hervorming gepaard gaan. § 3. De Koning bepaalt de samenstelling en
de werkingsregelen van de commissie. Art. 17. § 1. De volgende bepalingen zijn van toepassing
op het orgaan, dat werd ingericht door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met toepassing van artikel
5 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen : 1°
artikelen 1 tot 13; 2° artikel 17; 3° artikel 70; 4° artikelen 100 en 101; 5°
artikel 102, eerste lid, enkel voor wat betreft het operationeel personeel; 6° artikel 103; 7°
artikel 106 voor wat betreft de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van toepassing
op het operationeel personeel bedoeld in dit artikel; 8° artikelen 107 en 108; 9° artikel
119; 10°artikelen 153 tot 163; 11°artikelen 175 tot 201; 12°artikel 224. §
2. In de volgende artikelen worden onder de termen « zone » of « hulpverleningszone » begrepen de Brusselse
Hoofdstedelijke dienst voor brandweer en dringende medische hulp : 1. artikel 5, eerste lid; 2.
artikel 11, § 3; 3. artikel 101; 4. artikel 106, eerste lid; 5. artikelen
107 en 108; 6. artikel 119; 7. artikel 159; 8. artikel 176; 9. artikel
178; 10. artikel 181; 11. artikel 185; 12. artikel 187; 13. artikelen
189 en 190; 14. artikel 192. § 3. In de volgende artikelen worden onder de termen
« zone » of « hulpverleningszone » begrepen de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : 1.
artikel 5, eerste lid, voor wat betreft het oprichten van posten; 2. artikel 100. §
4. In de volgende artikelen worden onder de termen « zone » of « hulpverleningszone » begrepen het Brussels
Hoofdstedelijk Gewest : 1. artikel 5, tweede lid; 2. artikel 7; 3. artikel
177; 4. artikel 188. Art. 18. De zone beschikt over rechtspersoonlijkheid. Art.
19. Elke zone wordt bestuurd door een zoneraad en een zonecollege, hierna genoemd raad en college. Art.
20. De raad bepaalt de plaats van de maatschappelijke zetel van de zone. Dit besluit wordt binnen de
dertig dagen aan de minister overgemaakt die vervolgens de zetel van elke zone vastlegt. Art.
21. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de minimale administratieve
en operationele structuren die de zone moet oprichten, inzonderheid de structuren om gepast gevolg te
geven aan de vorderingen van het agentschap bedoeld in artikel 197 van de programmawet van 9 juli 2004. Art.
22. Met het oog op een efficiënter beheer van haar opdrachten inzake civiele veiligheid kan de zone
grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden tot stand brengen met elke publiekrechtelijke overheid van
een aangrenzend land. Art. 23. § 1. Elke zone stelt een meerjarenbeleidsplan op, onder
meer op basis van een risicoanalyse. Dit programma wordt opgesteld voor een duur van zes jaar en is vatbaar
voor veranderingen. Het meerjarenbeleidsplan bevat een gemeentelijk en een zonaal luik met de
doelstellingen inzake civiele veiligheid en de personele, materiële en financiële middelen om deze doelstellingen
te bereiken. Het wordt goedgekeurd door de raad. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld
na overleg in de Ministeraad de minimale inhoud en de structuur van het meerjarenbeleidsplan. §
2. Het gemeentelijk luik van het meerjarenbeleidsplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraden
van de zone. Bij gebrek aan goedkeuring binnen de veertig dagen na het nemen van het besluit
wordt de gemeenteraad geacht zijn goedkeuring gegeven te hebben. In geval de gemeenteraad geen
akkoord bereikt over een deel of geheel van het gemeentelijke luik van het meerjarenbeleidsplan, wordt
door de gouverneur een overleg georganiseerd tussen de betrokken zonale en gemeentelijke overheden. Als
dit overleg geen akkoord teweegbrengt, beslist de gouverneur en brengt hij zonder verwijl de zonale en
gemeentelijke overheden en de minister op de hoogte van zijn beslissing. De raad of de gemeenteraad
kan binnen de twintig dagen na de betekening van de beslissing van de gouverneur een beroep instellen
bij de minister. De minister doet uitspraak binnen de veertig dagen. Bij gebrek aan een beslissing binnen
de veertig dagen, wordt de beslissing van de gouverneur definitief. § 3. Het meerjarenbeleidsplan
wordt uitgewerkt door jaarlijkse actieplannen, voorbereid door de zonecommandant bedoeld in artikel 109
onder toezicht van het college en goedgekeurd door de raad. De jaarlijkse actieplannen worden
ter advies voorgelegd aan de gemeenteraden van de zone. Afdeling II. - De raad van de zone Onderafdeling
I. - Algemene bepalingen Art. 24. De zone wordt bestuurd door een raad. De raad is samengesteld
uit één vertegenwoordiger per gemeente. De burgemeester vertegenwoordigt de gemeente van rechtswege.
Indien hij verhinderd is, duidt hij een schepen van zijn gemeente aan om hem te vervangen. In
het geval de provincie bijdraagt in de financiering van de zone zoals bedoeld in artikel 67, 3°, kan
de raad beslissen de hoedanigheid van zoneraadslid toe te kennen aan een lid van de provincieraad. De
provincieraad duidt daartoe één van zijn leden aan. Art. 25. De zonecommandant neemt deel aan
de vergaderingen van de raad met raadgevende stem. Art. 26. De raad is bevoegd voor alle aangelegenheden
die niet uitdrukkelijk aan het college werden toegewezen. De raad is inzonderheid gemachtigd
te onteigenen ten algemenen nutte, zoals bedoeld in artikel 61, § 1, van de programmawet van 6
juli 1989. Onderafdeling II. - De zoneraadsleden Art. 27. De personeelsleden van de
zone mogen geen leden van de raad of van het college zijn. Art. 28. Het mandaat van de leden
van de zoneraad vangt aan de eerste werkdag van de derde maand, volgend op de datum van het aantreden
van de verkozen gemeenteraadsleden na een volledige vernieuwing, tenzij zij rechtsgeldig vroeger bijeengeroepen
zijn of ten laatste de eerste dag van de tweede maand volgend op de maand waarin de uitslag van hun verkiezing
definitief is geworden. De leden van de zoneraad blijven hun mandaat uitoefenen tot de installatie
van de nieuwe raad. Het lid van de zoneraad dat ontslag neemt, blijft zijn mandaat uitoefenen
tot zijn vervanger is beëdigd. De gemeenteraad kiest een vervanger, die het mandaat voleindigt
van het lid van de zoneraad dat hij opvolgt. Art. 29. Met uitzondering van de omstandigheid
bedoeld in artikel 28, leidt het verlies van hoedanigheid van provincieraadslid of van lid van het college
van burgemeester en schepenen van rechtswege tot het beëindigen van het mandaat van lid van de zoneraad. Art.
30. Onverminderd artikel 28 wordt het ontslag van een lid van de zoneraad schriftelijk ingediend bij
de voorzitter van het college. Het ontslag wordt definitief zodra het ter kennis gebracht is van de raad. Art.
31. Het lid van de zoneraad dat ouderschapsverlof wenst te nemen, naar aanleiding van de geboorte of
de adoptie van een kind, wordt, op zijn schriftelijk verzoek, gericht aan de voorzitter van het college,
vervangen voor een maximale periode van vijftien weken, ten vroegste vanaf de zevende week voor de vermoedelijke
datum van de geboorte of van de adoptie. Het lid van de zoneraad dat verhinderd is naar aanleiding
van ouderschapsverlof en om zijn vervanging verzoekt, wordt vervangen overeenkomstig de bepalingen van
het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 38. Het eerste en tweede lid zijn echter slechts
toepasselijk vanaf de eerste raadsvergadering na die waarop het raadslid dat verhinderd is, geïnstalleerd
werd. Art. 32. Het lid van de zoneraad dat ingevolge een handicap niet zelfstandig zijn mandaat
kan vervullen, kan zich voor de uitoefening van dit mandaat laten bijstaan door een vertrouwenspersoon,
gekozen uit de zonekiezers die aan de verkiesbaarheidsvereisten voor het mandaat van gemeenteraadslid
voldoen, en die geen lid is van het zonepersoneel, noch van het gemeentepersoneel. De Koning
bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria die toelaten om op de
toepassing van deze bepaling beroep te doen. Bij het verlenen van die bijstand krijgt de vertrouwenspersoon
dezelfde middelen ter beschikking en heeft hij dezelfde verplichtingen als het lid van de zoneraad. Hij
heeft evenwel geen recht op presentiegeld. Art. 33. De gemeenteraadsleden kunnen de begroting
en de rekeningen raadplegen en kunnen de gebouwen en de diensten van de zone bezoeken. Onderafdeling
III. - Vergaderingen, beraadslagingen en besluiten van de raad Art. 34. De raad vergadert zo
vaak als de zaken die tot zijn bevoegdheid horen het vereisen en ten minste één keer per trimester. Art.
35. De raad wordt bijeengeroepen door het college. Wanneer één derde van de raadsleden het vraagt, is
het college verplicht de raad bijeen te roepen op de aangewezen dag en het aangewezen uur. Art.
36. Behalve in spoedeisende gevallen geschiedt de oproeping per brief, per drager aan huis, per fax
of per e-mail, ten minste tien kalenderdagen vóór de dag van de vergadering; de oproeping vermeldt de
agenda. De agendapunten worden duidelijk omschreven. Voor elk agendapunt worden alle
stukken die erop betrekking hebben, ter plaatse ter inzage gelegd van de leden van de zoneraad vanaf
het verzenden van de agenda. Art. 37. De in artikel 57 bedoelde voorzitter van het college
of de persoon die hem vervangt in toepassing van het huishoudelijk reglement zoals bedoeld in artikel
38, zit de raad voor. Hij opent en sluit de vergadering. Art. 38. De raad stelt zijn huishoudelijk
reglement vast. Art. 39. Plaats, dag, tijdstip en agenda van de vergaderingen van de raad worden
ter kennis gebracht van het publiek, minstens door aanplakking aan de maatschappelijke zetel van de zone
bedoeld in artikel 20, alsook aan de gemeentehuizen van de gemeenten van de zone. De pers en
de belangstellende inwoners worden, op hun verzoek en binnen een nuttige termijn, op de hoogte gesteld
van de agenda van de raad, eventueel tegen betaling van een vergoeding die niet meer mag bedragen dan
de kostprijs. Het door de raad vastgestelde huishoudelijk reglement kan nog andere wijzen van
bekendmaking voorzien. Art. 40. Geen akte, geen stuk betreffende het bestuur van de zone mag
aan het onderzoek van de leden van de zoneraad worden onttrokken. De leden van de zoneraad kunnen
een afschrift verkrijgen van de akten en stukken betreffende het bestuur van de zone onder de in het
huishoudelijk reglement bepaalde voorwaarden. De raadsleden hebben het recht aan het college
schriftelijke en mondelinge vragen te stellen. Het huishoudelijk reglement bepaalt de voorwaarden waaronder
dit recht wordt uitgeoefend. Art. 41. De raad kan slechts besluit nemen indien de meerderheid
van zijn zittinghebbende leden aanwezig is. Indien dit quorum niet bereikt wordt, wordt een nieuwe raad
bijeengeroepen binnen de twintig dagen. De raad zal toch geldig kunnen beslissen, ongeacht zijn samenstelling,
over de onderwerpen die een tweede keer op de agenda geplaatst worden. Art. 42. Het is elk
lid van de zoneraad verboden : 1° tegenwoordig te zijn bij de beraadslaging over zaken waarbij
het een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als gelastigde, voor of na zijn verkiezing,
of waarbij zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk en rechtstreeks belang
hebben. Inzake voordrachten van kandidaten, benoemingen tot bedieningen, en tuchtvervolgingen geldt dit
verbod slechts ten aanzien van bloed- of aanverwanten tot de tweede graad; 2° rechtstreeks of
onrechtstreeks deel te nemen aan een overheidsopdracht van de zone voor aanneming van werken, diensten
of leveringen; 3° als advocaat, notaris of zaakwaarnemer werkzaam te zijn in rechtsgedingen,
tegen de zone ingesteld. Het is hem verboden in dezelfde hoedanigheid ten behoeve van de zone te pleiten,
raad te geven of op te treden in enige betwiste zaak, hetzij hij dit kosteloos doet; 4° op te
treden als raadsman van een personeelslid van de zone in tuchtzaken of in het kader van een beroep tegen
een evaluatie; 5° op te treden als afgevaardigde of technicus van een vakbond in een onderhandelings-
of overlegcomité van de zone. Art. 43. De vergaderingen van de raad zijn openbaar. Onder
voorbehoud van het geval bedoeld in artikel 44, kan de raad, met een tweederde meerderheid van de aanwezige
leden, in het belang van de openbare orde en op grond van ernstige bezwaren tegen de openbaarheid, echter
beslissen dat de vergadering niet openbaar is. De vergadering van de raad is niet openbaar wanneer
het om personen gaat. Uitgezonderd in tuchtzaken of in de door het huishoudelijk reglement vastgelegde
bijzondere omstandigheden, kan de besloten vergadering slechts plaatsvinden na de openbare vergadering. Art.
44. Uiterlijk tien kalenderdagen vóór de vergadering gedurende welke de raad dient te beraadslagen over
de begroting, over een begrotingswijziging of over de rekeningen, doet het college aan elk raadslid een
exemplaar toekomen van het ontwerp van begroting, van het ontwerp van begrotingswijziging of van de rekeningen. Het
ontwerp wordt overgezonden zoals het zal onderworpen worden aan de beraadslagingen van de raad, in de
voorgeschreven vorm en vergezeld van de bijlagen die vereist zijn voor zijn definitieve vaststelling,
met uitzondering van de bewijsstukken, wat de rekeningen betreft. Het ontwerp van begroting en de rekeningen
zijn vergezeld van een verslag. Art. 45. Het verslag betreffende het ontwerp van begroting,
bedoeld in artikel 44, definieert het algemeen en financieel beleid van de zone en bevat een overzicht
van de toestand van het bestuur en van de zonezaken, alsook alle nuttige informatiegegevens. Het
verslag betreffende de rekeningen geeft een overzicht van het beheer van de zonefinanciën gedurende het
dienstjaar waarop die rekeningen betrekking hebben. Vooraleer de raad beraadslaagt, geven de
leden van het college een toelichting bij de inhoud van het verslag. Art. 46. Een punt dat
niet op de agenda voorkomt, mag niet in bespreking worden gebracht, behalve in spoedeisende gevallen.
Tot spoedbehandeling kan niet worden besloten dan door ten minste twee derden van de aanwezige leden
van de zoneraad; de namen van die leden zullen in de notulen vermeld worden. Elk voorstel dat
niet op de agenda voorkomt, moet uiterlijk vijf kalenderdagen vóór de vergadering overhandigd worden
aan de voorzitter; het is vergezeld van een verklarende nota of van elk document dat de raad kan voorlichten.
Van deze mogelijkheid kan geen gebruik worden gemaakt door een lid van het college. De voorzitter deelt
de aanvullende agendapunten onverwijld mee aan de leden van de zoneraad. Art. 47. De notulen
worden ten minste zeven kalenderdagen vóór de dag van de vergadering en uiterlijk samen met de agenda
ter inzage van de raadsleden gelegd. De notulen van de vorige vergadering worden ter goedkeuring aan
de raad voorgelegd. Elk lid heeft het recht tijdens de vergadering opmerkingen te maken over
de redactie van de notulen. Indien deze opmerkingen worden aangenomen, is de in artikel 109 bedoelde
zonecommandant ertoe gehouden tijdens deze vergadering of ten laatste tijdens de volgende vergadering
een nieuwe tekst, in overeenstemming met de beslissing van de raad, voor te leggen. Indien er geen opmerkingen
worden gemaakt vóór het einde van de vergadering, worden de notulen beschouwd als goedgekeurd en worden
zij ondertekend door de voorzitter van het college en de zonecommandant. Art. 48. De secretaris
van de raad en van het college wordt aangewezen door de raad. In geval van afwezigheid of verhindering
van de secretaris, wijst de voorzitter een secretaris ad hoc aan. Art. 49. De secretaris is
belast met : 1° het voorbereiden van de vergaderingen van de raad en van het college; 2°
het garanderen van de openbaarheid van bestuur; 3° het bijhouden van de agenda van de vergaderingen
van de raad en van het college; 4° het bezorgen van de beslissingen, de zonale beraadslagingen,
alsook van alle nodige stukken voor de uitoefening van het toezicht, aan de bevoegde toezichthoudende
overheid; 5° het opstellen van de notulen van de vergaderingen van de raad en van het college. De
notulen worden ondertekend door de secretaris en de voorzitter. De notulen vermelden alle besproken
onderwerpen, alsook het gevolg dat gegeven werd aan de punten waaromtrent geen beslissing genomen werd. Art.
50. De voorzitter is belast met de handhaving van de orde in de vergadering; hij kan, na een voorafgaande
waarschuwing, terstond ieder persoon uit de zaal doen verwijderen, die openlijk tekens van goedkeuring
of van afkeuring geeft of op enigerlei wijze wanorde veroorzaakt. Art. 51. Elk lid van de zoneraad,
de leden van het college inbegrepen, heeft één stem. Onverminderd het eerste lid beschikt elk
lid van de zoneraad voor de stemming over het opstellen van de begroting, de begrotingswijzigingen en
de jaarrekeningen over een gewogen stem in verhouding tot de dotatie van zijn gemeente. De Koning
bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere bepalingen inzake de verdeelsleutel
voor de stemmen. Art. 52. De besluiten worden bij volstrekte meerderheid van stemmen genomen;
bij staking van stemmen is het voorstel verworpen. Art. 53. De raad stemt over de begroting
in haar geheel en over de jaarrekeningen in hun geheel. Elk lid van de zoneraad kan echter de afzonderlijke
stemming eisen over één of meer artikelen of reeksen van artikelen die het aanwijst, indien het om de
begroting gaat of over één of meer artikelen of posten die het aanwijst, indien het om de jaarrekeningen
gaat. In dat geval mag over het geheel eerst gestemd worden na de stemming over het artikel of de artikelen,
reeksen van artikelen of posten die aldus zijn aangewezen. Art. 54. Behalve wanneer de wet
in een geheime stemming voorziet, stemmen de leden van de raad mondeling. Het huishoudelijk reglement
kan een regeling invoeren die gelijkwaardig is met een mondelinge stemming. Alleen de benoemingen tot
ambten, de in disponibiliteitsstellingen, de preventieve schorsingen in het belang van de dienst en de
tuchtstraffen geschieden bij geheime stemming, bij volstrekte meerderheid van stemmen. Afdeling
III. - Het College van de hulpverleningszone Art. 55. Het college is proportioneel samengesteld
uit leden die door de raad onder zijn leden werden gekozen. Art. 56. De zonecommandant neemt
deel aan de vergaderingen van het college met raadgevende stem. Art. 57. De verkiezing gebeurt
tijdens de eerste bijeenkomst van de zoneraad bij geheime stemming en bij volstrekte meerderheid van
de stemmen. De kandidaten die de meeste stemmen behaald hebben, worden verkozen als leden van
het college. Het college wijst zijn voorzitter aan. In geval van staking van stemmen
wordt de voorkeur gegeven zoals hierna bepaald : 1° aan de kandidaat die, op de dag van de verkiezing
reeds lid van het college is. Wanneer twee of meer kandidaten zich in deze omstandigheden bevinden, wordt
de voorkeur gegeven aan diegene die het langst zonder onderbreking in het college zetelt; 2°
aan de kandidaat die lid was van het voorafgaand college. Wanneer twee of meer kandidaten zich in deze
omstandigheden bevinden, wordt de voorkeur gegeven aan diegene die zijn mandaat het langst zonder onderbreking
heeft uitgevoerd, en ingeval van gelijkheid van duur, aan de kandidaat wiens mandaat meest recent beëindigd
is; 3° aan de kandidaat die, zonder de leeftijd van zestig jaar bereikt te hebben, de oudste
is; 4° aan de jongste kandidaat wanneer alle kandidaten de leeftijd van zestig jaar bereikt
hebben. Het mandaat van lid van het college loopt vanaf de dag na de verkiezing bedoeld in het
eerste lid. In geval van afwezigheid of verhindering wordt het lid van het college vervangen
met toepassing van de bepalingen voorzien in het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 59. Art.
58. Binnen het college heeft elk lid één stem. Art. 59. Het college stelt zijn huishoudelijk
reglement vast. Art. 60. Het college vergadert op de dagen en uren door het reglement bepaald,
en zo dikwijls de spoedige afdoening van de zaken het vereist. De vergaderingen van het college
zijn niet openbaar. Alleen de beslissingen worden opgenomen in de notulen en in het register van de beraadslagingen.
Alleen deze beslissingen kunnen rechtsgevolgen hebben. De oproeping voor de buitengewone vergaderingen
geschiedt schriftelijk, per drager, per fax of per e-mail, ten minste twee kalenderdagen vóór de dag
van de vergadering. In spoedeisende gevallen echter staat het aan de voorzitter van het college
vrij dag en uur van de vergadering vast te stellen. Art. 61. Het college kan enkel geldig beraadslagen
als de meerderheid van zijn leden aanwezig is. De besluiten van het college worden bij meerderheid
van stemmen genomen. Bij staking van stemmen verdaagt het college de zaak tot een volgende vergadering.
Indien de meerderheid van het college vóór de behandeling de zaak spoedeisend heeft verklaard of indien
de zaak verdaagd werd tijdens een vorige vergadering na staking van stemmen, is de stem van de voorzitter
beslissend. Art. 62. De in artikel 42 bedoelde regels zijn van toepassing op de leden van het
college. Art. 63. Naast de hem door de raad toevertrouwde opdrachten is het college belast
met : 1° de bekendmaking en de uitvoering van de besluiten van de zoneraad; 2° het
beheer van de gebouwen en eigendommen van de zone; 3° het beheer van de inkomsten, de ordonnancering
van de uitgaven van de zone; 4° de controle op de boekhouding; 5° de leiding van de
werken binnen de zone; 6° het toezicht op het administratieve en operationele personeel van
de zone; 7° de vertegenwoordiging van de zone bij het afsluiten van overeenkomsten waarbij de
zone betrokken partij is; 8° de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit het werkgeversstatuut
van de zone; 9° de vertegenwoordiging van de zone bij rechtsgedingen. De in het eerste
lid, 7° en 9°, bedoelde bevoegdheden kunnen slechts uitgeoefend worden na goedkeuring door de raad. Afdeling
IV. - Technische commissie Art. 64. Binnen elke zone wordt een technische commissie opgericht. Art.
65. De technische commissie bestaat onder meer uit de officieren verantwoordelijk voor de posten van
de zone, alsook uit de zonecommandant, die het voorzitterschap ervan verzekert. De raad stelt
bovendien de samenstelling en de praktische organisatie van de technische commissie vast op voorstel
van de zonecommandant. Art. 66. De technische commissie staat de zonecommandant bij voor het
opstellen van het beleidsplan bedoeld in artikel 23, hierin inbegrepen de opstelling van het aankoopprogramma
voor materieel zoals bedoeld in artikel 118. De commissie heeft bovendien een adviesbevoegdheid
inzake de operationele organisatie van de zone, op verzoek van de organen van de zone. HOOFDSTUK
II. - Financiering van de hulpverleningszone Art. 67. De zones worden gefinancierd door : 1°
de dotaties van de gemeenten van de zone; 2° de federale dotaties; 3° de eventuele
provinciale dotaties; 4° de vergoedingen van de opdrachten waarvan de Koning de terugvordering
machtigt; 5° diverse bronnen. Zolang de verhouding tussen de middelen die voor de toepassing
van deze wet worden voorzien door de gemeenten en federale overheid niet gelijk is aan één, zullen de
gemeenten van een zone, samen, in reële termen niet meer bijdragen dan hun actuele bijdrage. De Koning
bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de vertegenwoordigers van de steden
en gemeenten gehoord, deze verhouding op 31 december 2007 alsook de inkomsten- en uitgavenposten die
worden in aanmerking genomen om de verhouding te berekenen. De in het eerste lid, 1°, bedoelde
gemeentelijke dotatie kan verminderd worden, naar rato van de in het eerste lid, 3° bedoelde provinciale
dotaties. Art. 68. § 1. De gemeentelijke dotatie wordt ingeschreven in de uitgaven van
elke gemeentebegroting. Zij wordt ten minste in twaalfden uitbetaald. § 2. De dotaties
van de gemeenten van de zone worden jaarlijks vastgelegd door de raad op basis van een akkoord, bereikt
tussen de verschillende betrokken gemeenteraden. Bij gebrek aan dergelijk akkoord, wordt de
dotatie van elke gemeente vastgesteld door de raad volgens de nadere bepalingen voor berekening en betaling
van de gemeentelijke dotaties bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De
nadere bepalingen inzake de berekening van de gemeentelijke dotaties worden vastgesteld rekening houdende
met de volgende criteria voor elke gemeente : - de residentiële en actieve bevolking; -
de oppervlakte; - het kadastraal inkomen; - het belastbaar inkomen; - de risico's
aanwezig op het grondgebied van de gemeente. Art. 69. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld
na overleg in de Ministerraad, de nadere bepalingen voor de vaststelling en betaling van de federale
dotatie, die ten minste in twaalfden uitbetaald wordt. De nadere bepalingen inzake de berekening
van de federale dotaties worden vastgesteld, rekening houdende met de volgende criteria voor elke zone
: - de residentiële en actieve bevolking; - de oppervlakte; - het kadastraal
inkomen; - het belastbaar inkomen; - de risico's aanwezig op het grondgebied van de
zone. Art. 70. De Koning kan, binnen de grenzen van de begrotingswetten en onder de door Hem
te bepalen voorwaarden, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, tussenkomen in de
financiering van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad via de toekenning van subsidies
of een specifieke dotatie. Art. 71. De besluiten bedoeld in de artikelen 67 tot 70 worden ten
laatste binnen de zes maanden na hun inwerkingtreding bekrachtigd door een wet. Bij gebrek aan
bekrachtiging binnen deze termijn, houden deze besluiten op uitwerking te hebben. Art. 72.
Als, na uitputting van de middelen bedoeld in artikel 67, de zone niet over voldoende financiële middelen
beschikt om de noodzakelijke uitgaven ter uitvoering van haar opdrachten te dekken, wordt het tekort
gedragen door de gemeenten van de zone volgens de verdeelsleutel bedoeld in artikel 68. HOOFDSTUK
III. - Budgettair, financieel en boekhoudkundig beheer Afdeling I. - Bijzondere rekenplichtige Art.
73. De ontvangsten en uitgaven van de zone worden gedaan door een bijzondere rekenplichtige. De
Koning bepaalt de voorwaarden tot aanstelling van de bijzondere rekenplichtige. Dezelfde persoon
kan bijzondere rekenplichtige zijn van meerdere zones. Art. 74. De Koning bepaalt de nadere
regels voor de uitoefening van het ambt van bijzondere rekenplichtige. Art. 75. § 1.
De bijzondere rekenplichtige wordt aangewezen door het college. De bijzondere rekenplichtige
legt de volgende eed af in handen van de voorzitter van het college : « Ik zweer getrouwheid aan de Koning,
gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk ». Daarvan wordt een
proces-verbaal opgemaakt. De bijzondere rekenplichtige die, zonder geldige reden, de eed niet
aflegt nadat hij per bij de post aangetekende brief uitgenodigd werd om dat te doen tijdens de eerstkomende
vergadering van het college, wordt geacht af te zien van zijn benoeming. § 2. De bijzondere
rekenplichtige heeft tot taak om, alleen en onder zijn verantwoordelijkheid, de ontvangsten van de zone
te innen en tegen regelmatige bevelschriften de betaalbaar gestelde uitgaven te doen ten belope, hetzij
van het bijzonder bedrag bepaald in elk artikel van de begroting, van het bijzonder krediet of van het
voorlopig krediet, hetzij van het bedrag van de overeenkomstig artikel 95 overgeschreven kredieten. §
3. Indien de bijzondere rekenplichtige weigert het bedrag van regelmatige bevelschriften te betalen of
zulks uitstelt, wordt de betaling vervolgd, zoals inzake directe belastingen, door de rijksontvanger,
nadat de gouverneur, die de bijzondere rekenplichtige oproept en hem vooraf hoort, indien hij zich aanmeldt,
de bevelschriften uitvoerbaar heeft verklaard. Art. 76. Onverminderd de artikelen 73 en 75,
§ 2, mogen rechtstreeks gestort worden op de rekening geopend namens de gerechtigde zone bij financiële
instellingen die voldoen, naargelang van het geval, aan de artikelen 7, 65 en 66 van de wet van 22 maart
1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen : 1° de dotaties, de subsidies,
de toelagen en de bijdragen in de uitgaven van de zones; 2° het bedrag van hun aandeel in de
bij de wet, het decreet of de ordonnantie ten voordele van de zones ingestelde fondsen en in het algemeen
alle sommen die de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de gemeenten om niet verlenen
aan de zones. De in het eerste lid bedoeld financiële instellingen worden gerechtigd om het
bedrag van de opeisbare schulden, door de zone tegenover hen aangegaan, ambtshalve in mindering te brengen
van het tegoed van de rekening(en) die zij ten behoeve van deze zone hebben geopend. Art. 77.
§ 1. De bijzondere rekenplichtige is verplicht tot waarborg van zijn beheer, een zekerheid in
geld, in effecten of in de vorm van één of meerdere hypotheken te stellen, tenzij hij al een waarborg
gesteld heeft in zijn hoedanigheid van ontvanger van een gemeente of van een openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn, van gewestelijk ontvanger of van bijzondere rekenplichtige van een politiezone of van een andere
zone. De Koning bepaalt het minimale en maximale bedrag van die zekerheid. De raad
stelt, op de eerstvolgende vergadering na de aanwijzing van de bijzondere rekenplichtige, het bedrag
vast van de zekerheid die deze moet stellen, alsmede de termijn waarover hij daartoe beschikt. De
zekerheid wordt bij de deposito- en consignatiekas gedeponeerd; de rente die zij opbrengt, komt aan de
bijzondere rekenplichtige toe. De akten van zekerheidsstelling worden, zonder kosten voor de
zone, bij authentieke akte voor het college verleden. Indien er registratierechten verschuldigd
zijn, worden deze teruggebracht tot het algemeen vast recht en zijn zij ten laste van de bijzondere rekenplichtige. §
2. De bijzondere rekenplichtige mag de zekerheidsstelling vervangen door, hetzij een bankwaarborg of
verzekering die beantwoordt aan de modaliteiten door de Koning bepaald, hetzij de hoofdelijke borgstelling
van een vereniging die door de Koning is erkend. Deze erkende vereniging moet de vorm van een
coöperatieve vennootschap aannemen. Het besluit tot erkenning van de vereniging alsmede de goedgekeurde
statuten worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De vereniging kan de kas en de boekhouding
controleren van de bijzondere rekenplichtige voor wie ze zich borg heeft gesteld, mits het college instemt
met de contractuele bepalingen waarbij dit recht wordt gevestigd en met de wijze waarop dit recht wordt
uitgeoefend. § 3. Het college zorgt ervoor dat de zekerheid van de bijzondere rekenplichtige
werkelijk gesteld en te bekwamer tijd wordt vernieuwd. § 4. De bijzondere rekenplichtige
die zijn zekerheid niet binnen de voorgeschreven termijn verschaft en dit verzuim niet voldoende verantwoordt,
wordt geacht ontslag te nemen en wordt vervangen. § 5. Alle kosten betreffende de vestiging
van de zekerheid komen ten laste van de bijzondere rekenplichtige. § 6. Is er een tekort
in de kas van de zone, dan heeft de zone een voorrecht op de zekerheid van de bijzondere rekenplichtige. Art.
78. De bijzondere rekenplichtige oefent zijn functie onafhankelijk uit onder gezag van het college. Art.
79. De vergoeding van de bijzondere rekenplichtige wordt door de raad vastgelegd, binnen de door de
Koning bepaalde grenzen en voorwaarden. Art. 80. § 1. In geval van afwezigheid van de
bijzondere rekenplichtige wordt zijn functie waargenomen door een door het college aangewezen vervanger,
op voordracht van de bijzondere rekenplichtige, onder zijn verantwoordelijkheid, voor een periode van
maximaal dertig dagen. Die vervanging kan, voor éénzelfde afwezigheid, tweemaal met ten hoogste
dezelfde termijn verlengd worden. § 2. In alle andere gevallen wijst de raad een waarnemende
bijzondere rekenplichtige aan die voldoet aan de voorwaarden om tot bijzondere rekenplichtige aangewezen
te worden. De waarnemende bijzondere rekenplichtige oefent alle bevoegdheden van de bijzondere
rekenplichtige uit. § 3. In geval van vervanging van de bijzondere rekenplichtige wordt
zijn vergoeding aan zijn vervanger uitgekeerd. Art. 81. De bijzondere rekenplichtige kan gehoord
worden door het college en de raad over alle kwesties die een financiële of budgettaire weerslag hebben. Art.
82. § 1. Er wordt een eindrekening gemaakt wanneer de bijzondere rekenplichtige zijn ambt definitief
neerlegt, bij de ambtsaanvaarding en de ambtsneerlegging van de waarnemende bijzondere rekenplichtige
en in het geval bedoeld in artikel 80, § 2, tweede lid. § 2. Het college legt
de eindrekening van de bijzondere rekenplichtige, in voorkomend geval samen met diens opmerkingen of,
zo hij overleden is, die van zijn rechtverkrijgenden, voor aan de raad die de eindrekening afsluit en
de bijzondere rekenplichtige kwijting verleent of een tekort vaststelt. De beslissing waarmee
de eindrekening wordt afgesloten, wordt door het college bij een ter post aangetekende brief ter kennis
gebracht van de bijzondere rekenplichtige of, zo hij overleden is, aan zijn rechtverkrijgenden; in voorkomend
geval wordt daarbij een verzoek gevoegd om het tekort te vereffenen. § 3. De beslissing
waarbij de eindrekening wordt afgesloten en aan de bijzondere rekenplichtige kwijting wordt verleend,
brengt van rechtswege de teruggave van de zekerheid mee. § 4. De beslissing bedoeld in
§ 3 is onderworpen aan de modaliteiten van toezicht bedoeld in de artikelen 145 tot 147. Afdeling
II. - Budgettair en financieel beheer Onderafdeling I. - Goederen en inkomsten van de zone Art.
83. De giften bij akte onder de levenden worden altijd voorlopig aangenomen, overeenkomstig de bepalingen
van de wet van 12 juli 1931 betreffende de uitbreiding tot alle rechtspersonen van het voordeel van de
voorlopige aanvaarding van bij akten gedane schenkingen onder de levenden. Art. 84. §
1. De raad bepaalt de voorwaarden van de huur en van elk ander gebruik van de opbrengsten en inkomsten
van de eigendommen en rechten van de zone. § 2. De raad verleent, in voorkomend geval,
aan de huurders van de zone de door hen aangevraagde kwijtscheldingen waarop zij aanspraak kunnen maken
ingevolge de wet of krachtens hun contract, dan wel op gronden van billijkheid. Art. 85. De
raad kiest de wijze waarop de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen of diensten worden gegund
en stelt de voorwaarden vast. Hij kan die bevoegdheden voor de opdrachten die betrekking hebben
op het dagelijks beheer van de zone overdragen aan het college, binnen de perken van de daartoe op de
gewone begroting ingeschreven kredieten. In gevallen van dringende spoed die voortvloeien uit
niet te voorziene omstandigheden, kan het college, op eigen initiatief, de in het eerste lid bedoelde
bevoegdheden van de raad uitoefenen. Zijn besluit wordt meegedeeld aan de raad die er op zijn eerstvolgende
vergadering akte van neemt. Onderafdeling II. - Begroting van de zone Art. 86. De
begroting van de zone wordt opgemaakt door het college en goedgekeurd door de raad, overeenkomstig de
minimale budgettaire normen, vastgelegd door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Art.
87. Het financiële dienstjaar van de zones komt overeen met het burgerlijk jaar. Behoren tot
een dienstjaar alleen de rechten verkregen door de zone en de verplichtingen aangegaan ten opzichte van
de schuldeisers tijdens dit dienstjaar, ongeacht het dienstjaar waarin zij worden vereffend. Art.
88. De raad vergadert in de loop van het eerste kwartaal van ieder jaar om de rekeningen van het voorgaande
dienstjaar vast te stellen. Die rekeningen omvatten de begrotingsrekening, de resultatenrekening
en de balans. Het in artikel 44, tweede lid, bedoelde verslag wordt bij de rekeningen gevoegd. Art.
89. De raad vergadert ieder jaar in de loop van de maand oktober om te beraadslagen over de begroting
van uitgaven en ontvangsten van de zone voor het volgende dienstjaar. Art. 90. De begrotingen
en rekeningen worden neergelegd op de zetel van de zone, bedoeld in artikel 20, en op het gemeentehuis
van elke gemeente die deel uitmaakt van de zone, waar eenieder er altijd ter plaatse kennis kan van nemen. Op
die mogelijkheid tot inzage wordt gewezen door middel van aanplakbiljetten die door de zorg van het college
worden aangebracht binnen een maand nadat de begrotingen en rekeningen door de raad zijn aangenomen.
Dat bericht blijft ten minste tien dagen aangeplakt. Art. 91. Wanneer een post voor een niet-verplichte
uitgave door de toezichthoudende overheid verminderd is, mag het college de uitgaven niet doen zonder
een nieuw besluit van de raad dat daartoe machtiging verleent. Art. 92. Geen betaling uit de
kas van de zone mag geschieden dan op grond van een op de begroting voorkomende post, op grond van een
bijzonder krediet of op grond van een voorlopig krediet toegestaan onder de voorwaarden en binnen de
grenzen die de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalt. De
leden van het college zijn persoonlijk aansprakelijk voor de uitgaven die zij in strijd met het eerste
lid hebben gedaan of bevolen. Art. 93. § 1. Geen artikel van de uitgaven van de begroting
mag worden overschreden en geen en hele overschrijving mag geschieden. § 2. Wanneer echter
bij het afsluiten van een dienstjaar sommige posten bezwaard zijn met regelmatig en werkelijk aangegane
verbintenissen tegenover schuldeisers van de gemeente, wordt het kredietgedeelte dat nodig is om de uitgave
te vereffenen naar het volgende dienstjaar overgeschreven door middel van een beslissing van het college;
deze laatste moet bij de rekening over het afgesloten dienstjaar worden gevoegd. Over de aldus
overgeschreven kredieten mag beschikt worden zonder een nieuwe beslissing van de raad. Art.
94. De raad kan echter voorzien in uitgaven die door dwingende en onvoorziene omstandigheden worden
vereist, mits hij daartoe een met redenen omkleed besluit neemt. Wanneer het geringste uitstel
onbetwistbaar schade zou veroorzaken, kan het college onder eigen verantwoordelijkheid in de uitgave
voorzien, onder verplichting om zonder verwijl daarvan kennis te geven aan de raad, die besluit of hij
met die uitgave al dan niet instemt. De leden van het college die uitgaven bevolen hebben in
de gevallen bedoeld in het eerste en tweede lid, die echter afgewezen zijn op de definitief afgesloten
rekeningen, zijn er persoonlijk toe gehouden het bedrag in de kas van de zone te storten. Art.
95. De bevelschriften tot betaling uit de kas van de zone, afgegeven door het college, worden ondertekend
door de voorzitter van het college; zij worden medeondertekend door de zonecommandant. Art.
96. De begroting van de uitgaven en de ontvangsten van de zones mag, ten laatste te rekenen vanaf het
begrotingsjaar dat volgt op de oprichting van de zone, in geen enkel geval, een deficitair saldo op de
gewone of de buitengewone dienst, noch een fictief evenwicht of een fictief batig saldo, vertonen. Art.
97. De raad is verplicht elk jaar op de begroting van uitgaven te brengen alle uitgaven die door de
wetten aan de zone zijn opgelegd, en inzonderheid de volgende : 1° de belastingen op de goederen
van de zone; 2° de vaststaande en opeisbare schulden van de zone, alsmede de schulden die zij
moet voldoen ten gevolge van tegen haar uitgesproken rechterlijke veroordelingen; 3° de wedden
van de zonecommandant en van het administratief en operationeel personeel van de zone; 4° de
kantoorkosten van de centrale zetel van de zone; 5° het onderhoud van de zonegebouwen of de
huur van de gebouwen die tot zonegebouw dienen; 6° de kosten van het drukwerk benodigd voor
de boekhouding van de zone; 7° de pensioenen ten laste van de zone. Art. 98. Indien
de op de begroting gebrachte ontvangsten niet toereikend zijn tot betaling van een zoneschuld die erkend
en opeisbaar is of die voortvloeit uit een beslissing in laatste aanleg gewezen door een gewoon of administratief
gerecht, stelt de raad middelen voor om daarin te voorzien. Art. 99. De raad is verplicht jaarlijks
alle ontvangsten van de zone, onder nadere omschrijving, op de begroting te brengen, evenals die welke
de wet haar toekent, alsmede de overschotten van de vorige dienstjaren. HOOFDSTUK IV. - Personeel Art.
100. De zone beheert de aanwerving, de benoeming en de loopbaan van haar personeel. Art. 101.
Het personeel van de zone bestaat uit twee kaders : een administratief kader en een operationeel kader. Art.
102. De Koning bepaalt, na afbakening van de zones, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad,
het algemeen minimaal kader van het administratief en operationeel personeel van de zones. De
zone gaat, binnen de door de Koning vastgelegde grenzen, over tot de aanpassing van het kader naar gelang
van de resultaten van de risicoanalyse en van de prioriteiten vastgelegd door het in artikel 23 bedoelde
algemeen beleidsprogramma. Art. 103. Het operationeel kader van de zone is samengesteld uit
vrijwillige en/of beroepsbrandweermannen. De vrijwillige brandweermannen zijn diegenen voor
wie de functie van brandweerman niet hun hoofdactiviteit uitmaakt. De beroepsbrandweermannen
zijn de brandweermannen die als hoofdberoep door de zone tewerkgesteld zijn. Art. 104. De zone
stelt aan de private of overheidswerkgever van een vrijwillig operationeel personeelslid voor om een
overeenkomst af te sluiten waarin de modaliteiten van de operationele beschikbaarheid en de beschikbaarheid
voor de opleiding van het vrijwillige lid verduidelijkt worden. De modaliteiten inzake het afsluiten
van een dergelijke overeenkomst en de inhoud ervan worden bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld
na overleg in de Ministerraad. Art. 105. Het administratief kader van de zone is samengesteld
uit vastbenoemde of uit contractuele ambtenaren. Art. 106. De Koning bepaalt, bij een in de
Ministerraad overlegd besluit, het administratief en geldelijk statuut van het administratief en operationeel
personeel van de zones, hierbij inbegrepen de opleiding. Dat statuut houdt rekening met de specifieke
risico's inherent aan de hoofdopdrachten van het operationeel personeel van de hulpverleningszones. HOOFDSTUK
V. - Gezag en leiding Afdeling I. - Algemene bevoegdheden van de gemeenten en provincies Art.
107. Voor de uitvoering van de opdrachten inzake veiligheid op het grondgebied van zijn gemeente kan
de burgemeester beroep doen op de middelen van de posten van de zones. Hij richt daartoe een
verzoek tot de zonecommandant om de nodige voorzieningen te treffen. In dit geval staan de posten
van de zone of zones onder het gezag van de burgemeester. Art. 108. Voor de uitvoering van
zijn opdrachten inzake veiligheid op het grondgebied van zijn provincie kan de gouverneur en de gouverneur
van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, een beroep doen op de zones. Hij richt daartoe
een verzoek tot de zonecommandant om de nodige voorzieningen te treffen. De posten van de zone of zones
staan in dat geval onder het gezag van de gouverneur of de gouverneur van het administratief arrondissement
Brussel-Hoofdstad. Afdeling II. - Beheer van de zone Art. 109. Elke zone staat onder
de leiding van de zonecommandant. Hij is verantwoordelijk voor de leiding, de organisatie en
het beheer evenals de verdeling van de taken binnen de zone. Art. 110. De zonecommandant oefent
de in artikel 109 bedoelde bevoegdheden uit onder het gezag van het college van de zone. Met
het oog op een goed beheer van de zone, licht de zonecommandant zo spoedig mogelijk het college van de
zone in van alles wat de zone en de uitvoering van zijn opdrachten aangaat. Hij brengt elke
drie maanden verslag uit aan het college over de werking van de zone en brengt deze instantie op de hoogte
van klachten van buitenaf aangaande de werking of het optreden van het personeel van de zone. Art.
111. De zonecommandant is belast met de inhoudelijke voorbereiding van de dossiers die aan de raad of
het college van de zone worden voorgelegd. De bepalingen van artikel 42 zijn van toepassing
op de zonecommandant. Art. 112. Alle briefwisseling van de zone wordt ondertekend door de voorzitter
van het college en medeondertekend door de zonecommandant. Art. 113. De Koning bepaalt de inhoud
van het functieprofiel waaraan de zonecommandant moet voldoen en stelt de nadere bepalingen vast voor
de selectie van de zonecommandant. Art. 114. De uit de selectieprocedure als best gerangschikte
kandidaat wordt door de raad in zijn functie aangewezen voor een hernieuwbare periode van zes jaar. Art.
115. Elke twee jaar wordt de zonecommandant door het college geëvalueerd. In geval van twee opeenvolgende
negatieve evaluaties, kan de raad bij gemotiveerde beslissing de aanwijzing van de zonecommandant voortijdig
beëindigen. Na afloop van elke termijn van zes jaar, verlengt de raad de aanstelling van de
zonecommandant na niet bindend, gemotiveerd advies van het college en op grond van een globale evaluatie
uitgevoerd door een evaluatiecommissie. Art. 116. § 1. Een evaluatiecommissie wordt
in elke zone ingesteld. Deze commissie is samengesteld uit : 1° de voorzitter van het college; 2°
de gouverneur of zijn vertegenwoordiger; 3° een lid van de algemene inspectie aangeduid door
de minister. De voorzitter van het college zit de evaluatiecommissie voor. §
2. De evaluatiecommissie wordt samengeroepen door de voorzitter van het college. De commissie
hoort de zonecommandant evenals elk ander persoon die de besprekingen kan helpen. § 3.
De werkingsregels van de evaluatiecommissie worden bepaald door de Koning. HOOFDSTUK VI. - Uitrusting
en materieel Art. 117. De zone verwerft het materieel en de uitrusting die nodig zijn voor
de goede uitvoering van haar opdrachten. De zone staat in voor het beheer en onderhoud ervan. Art.
118. De raad stelt, op voorstel van de zonecommandant, na advies van technische commissie, een aankoopprogramma
voor materieel en uitrusting op, rekening houdende met de voorziene financiële middelen. Het aankoopprogramma
is opgenomen in het meerjarenbeleidsplan van de zone bedoeld in artikel 23. Art. 119. §
1. De minimumnormen voor materieel en uitrusting worden per type interventie vastgesteld door de Koning,
bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De zone past deze normen op basis van de risicoanalyse
zoals bedoeld in artikel 5, zodat de snelste adequate hulp gerealiseerd wordt. § 2. De
Koning bepaalt de normen inzake persoonlijke uitrusting, uniform, kentekens en andere middelen van identificatie
van het operationeel personeel van de zone. HOOFDSTUK VII. - Specifiek toezicht op de hulpverleningszones Afdeling
I. - Algemene bepalingen Art. 120. De toezichthoudende overheid kan, zowel per briefwisseling
als ter plaatse, alle inlichtingen en gegevens inwinnen die nodig zijn voor het onderzoek van de dossiers
die aan haar toezicht zijn onderworpen. Art. 121. Onder voorbehoud van tegengestelde bepalingen,
gebeurt de berekening van de termijnen in kalenderdagen. Art. 122. Onder voorbehoud van de
in artikel 123 bedoelde omstandigheden, vangt de onderzoekstermijn van een besluit aan de dag die volgt
op de dag waarop de toezichthoudende overheid het besluit ontvangen heeft. Art. 123. De termijn
van onderzoek van een besluit van de zoneoverheid door de toezichthoudende overheid wordt onderbroken
door het versturen van een bij de post aangetekende brief waarbij de toezichthoudende overheid het dossier
betreffende het betrokken besluit opeist of bijkomende inlichtingen vraagt aan de zoneoverheid. In de
in dit artikel bedoelde gevallen vangt de onderzoekstermijn aan de dag die volgt op de dag waarop ofwel
het dossier ofwel de gevraagde bijkomende inlichtingen ontvangen worden per aangetekende brief of tegen
ontvangstbewijs. Afdeling II. - Algemeen specifiek toezicht Art. 124. Na elke vergadering
van de raad en van het college wordt van de besluiten van de zoneoverheid binnen de twintig dagen een
lijst met een beknopte omschrijving aan de gouverneur, alsook aan de minister gestuurd. Het college bevestigt
bij die zending dat de bepalingen inzake de openbaarheid, bedoeld in het tweede lid, werden nageleefd. Tegelijk
met de verzending aan de gouverneur wordt de lijst van de besluiten door middel van een aanplakbrief
bekendgemaakt op de centrale zetel van de zone, alsook in de gemeentehuizen van de gemeenten van de zone. Art.
125. Onverminderd de bepalingen van artikel 124, wordt een voor eensluidend verklaard afschrift van
de hierna vernoemde besluiten naar de gouverneur en naar de minister gestuurd, binnen de twintig dagen
na hun goedkeuring : 1° de besluiten van de zoneoverheid waarbij de gunningswijze en de voorwaarden
worden bepaald van opdrachten tot aanneming van werken, leveringen en diensten, alsmede de gunningsbesluiten
van het college genomen in uitvoering van voormelde besluiten; 2° de besluiten van de zoneoverheid
betreffende de uitgaven die door dringende en onvoorziene omstandigheden worden vereist; 3°
de besluiten van de zoneoverheid, betreffende de aanwerving, benoeming en bevordering van de personeelsleden
van de zone; 4° de besluiten van de zoneoverheid houdende aanwijzing van de zonecommandant,
zijn evaluatie of de vernieuwing van zijn mandaat. Art. 126. § 1. Onverminderd de toepassing
van artikel 123, kan de gouverneur, bij besluit en binnen een termijn van vijfentwintig dagen die aanvangt
de dag na de ontvangst van de in artikel 124 bedoelde lijst of van het in artikel 125 bedoelde besluit,
de uitvoering van de besluiten schorsen waarbij een zoneoverheid de bepalingen van deze wet of genomen
krachtens deze wet schendt. Een afschrift van het schorsingsbesluit wordt tegelijk naar de minister verzonden. §
2. De zoneoverheid kan het geschorste besluit rechtvaardigen, binnen een termijn van veertig dagen die
ingaat op de dag na het versturen van het schorsingsbesluit van de gouverneur. In dat geval stuurt zij
haar rechtvaardigingsbesluit naar de minister uiterlijk de laatste dag van de voormelde termijn. Een
afschrift van het rechtvaardigingsbesluit wordt naar de gouverneur gestuurd. De zoneoverheid
kan, binnen dezelfde termijn, het geschorste besluit intrekken. Zij geeft daarvan kennis aan de gouverneur
en aan de minister. § 3. In geval van het versturen van een rechtvaardigingsbesluit of
op eigen initiatief bij het verstrijken van de in § 2 vermelde termijn, kan de minister, bij gemotiveerd
besluit en binnen een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na het inkomen van het rechtvaardigingsbesluit
of na het verstrijken van de in § 2 bedoelde termijn, het geschorste besluit vernietigen of de
schorsing van dat besluit opheffen. Het besluit wordt uiterlijk de laatste dag van de termijn
van veertig dagen naar de zoneoverheid gestuurd. Een afschrift wordt naar de gouverneur gestuurd. Bij
gebrek aan besluit binnen de termijn van veertig dagen, wordt de schorsing opgeheven. §
4. De minister kan bovendien binnen de vijfentwintig dagen na ontvangst ervan, definitief beslissen over
de vernietiging van elke beslissing onderworpen aan het algemeen specifiek toezicht. Hij brengt voorafgaandelijk
de gouverneur en de zoneoverheden hiervan op de hoogte. Het besluit wordt ten laatste op de
laatste dag van de termijn bedoeld in het eerste lid aan de zoneoverheid toegestuurd. Een afschrift wordt
naar de gouverneur gestuurd. Afdeling III. - Bijzonder specifiek toezicht Art. 127.
De goedkeuring door de toezichthoudende overheid van de beslissingen betreffende de personeelsformatie,
de begroting en de erin aangebrachte wijzigingen, de bijdrage van een gemeente aan de financiering van
de zone en de erin aangebrachte wijzigingen en de rekeningen, kan slechts worden geweigerd omwille van
de schending van de bepalingen van deze wet of genomen krachtens deze wet. Art. 128. De minister
beschikt over een algemeen evocatierecht voor de beslissingen onderworpen aan het bijzonder specifiek
toezicht, evenals voor de besluiten genomen door de gouverneur met toepassing van de artikelen 131, 136
tot 139, 142, 145, 148 en 150. Wanneer de minister besluit gebruik te maken van zijn evocatierecht,
brengt hij de gouverneur en de zoneoverheid hiervan op de hoogte binnen de twintig dagen volgend op de
ontvangst van de betrokken beslissing of van het besluit van de gouverneur. Wanneer de minister
gebruik maakt van zijn evocatierecht, geniet hij dezelfde prerogatieven als bedoeld in artikelen 141,
142, 146 en 148. De minister beslist definitief binnen een termijn van veertig dagen vanaf de
dag na de ontvangst van de beslissing of van het besluit van de gouverneur. Hij stuurt zijn
beslissing, ten laatste op de laatste dag van deze termijn, aan de gouverneur en de zoneoverheid. Onderafdeling
I. - Personeel van de zone Art. 129. De beslissingen van de zoneoverheid over het organiek
kader van het operationeel personeel en dat van het administratief personeel van de zone worden voor
goedkeuring overgezonden aan de gouverneur. Een afschrift wordt naar de minister gestuurd. Art.
130. Onder « personeelsformatie » wordt verstaan de opsomming van de graden en de vaststelling van het
aantal statutaire betrekkingen per graad. Art. 131. Onverminderd de toepassing van artikel
123, spreekt de gouverneur zich uit over de goedkeuring van de beslissing bedoeld in artikel 129 binnen
vijfentwintig dagen te rekenen vanaf de dag volgend op de dag dat hij ze heeft ontvangen. Deze beslissing
wordt uiterlijk de laatste dag van deze termijn naar de zoneoverheid verstuurd. Wanneer deze
termijn verstreken is, wordt de beslissing geacht goedgekeurd te zijn. Art. 132. Tegen het
besluit van de gouverneur houdende niet-goedkeuring van de besluiten van de raad betreffende de personeelsformatie
kan de zoneoverheid, wanneer de raad hem die bevoegdheid verleend heeft, bij de minister hoger beroep
instellen binnen een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na het versturen van het besluit
naar de zoneoverheid. Art. 133. De minister spreekt zich uit over het ingesteld beroep binnen
een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na het inkomen van het beroep. Hij verstuurt zijn
besluit uiterlijk de laatste dag van deze termijn naar de gouverneur en naar de zoneoverheid. Bij
gebrek aan een beslissing binnen de in het eerste lid voorziene termijn wordt het tegen de beslissing
van de gouverneur ingestelde beroep als ingewilligd en het desbetreffende besluit als goedgekeurd beschouwd. Onderafdeling
II. - Begroting en begrotingswijzigingen Art. 134. De besluiten van de zoneoverheid betreffende
de begroting van de zone en de erin aangebrachte wijzigingen, alsook de gemeenteraadsbesluiten betreffende
de bijdrage van de gemeente aan de financiering van de zone en de erin aangebrachte wijzigingen worden,
binnen de twintig dagen volgend op hun goedkeuring, ter goedkeuring naar de gouverneur verstuurd. Een
afschrift ervan wordt gestuurd naar de minister. Bij de begroting worden alle bijlagen gevoegd
die vereist zijn voor de definitieve vaststelling van de begroting. De Koning bepaalt, bij een
besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gegevens die door de voor de vaststelling van de
zonebegroting bevoegde zoneoverheid, aan de toezichthoudende overheid moeten worden toegestuurd, de aard
van de informatiedrager en de vorm waarin die gegevens worden vastgelegd. Art. 135. Onverminderd
artikel 123, spreekt de gouverneur zich uit over de goedkeuring van de in artikel 134 bedoelde besluiten
binnen een termijn van veertig dagen die aanvangt de dag na ontvangst van het besluit. Art.
136. De gouverneur bezorgt zijn besluit aan de zoneoverheid of aan de gemeentelijke overheid, uiterlijk
de laatste dag van de in artikel 135 bedoelde termijn. Een afschrift wordt tegelijk naar de minister
verstuurd. Bij gebrek aan besluit bij het verstrijken van deze termijn, wordt de begroting beschouwd
als zijnde door de gouverneur goedgekeurd. Het besluit van de gouverneur wordt aan de zoneoverheid
of aan de gemeenteraad meegedeeld tijdens zijn eerstvolgende vergadering. Art. 137. Indien
de zoneoverheid verplichte uitgaven of ontvangsten die krachtens de wet ten laste van de zone zijn voor
het dienstjaar waarop de begroting betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk weigert op de begroting te
brengen, trekt de gouverneur de vereiste bedragen daarop ambtshalve uit. Tegelijk met de ambtshalve
inschrijving wijzigt de gouverneur het bedrag van de bijdrage aan de financiering van de zone van elke
gemeente van de betrokken zone. Een afschrift van het besluit van de gouverneur wordt tegelijk
naar de minister verstuurd. Het besluit van de gouverneur wordt aan de zoneoverheid of aan de
gemeenteraad meegedeeld tijdens zijn eerstvolgende vergadering. Art. 138. Indien de zoneoverheid
ontvangsten die krachtens de wet niet ten laste van de zone zijn voor het dienstjaar waarop de begroting
betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk op de begroting brengt, gaat de gouverneur over tot de schrapping
van het bedrag of tot de ambtshalve inschrijving van het correcte bedrag. Tegelijk met de ambtshalve
inschrijving wijzigt de gouverneur het bedrag van de bijdrage aan de financiering van de zone van elk
van de gemeenten van de betrokken zone. Een afschrift van het besluit van de gouverneur wordt
tegelijk naar de minister verstuurd. Het besluit van de gouverneur wordt aan de zoneoverheid
of aan de gemeenteraad meegedeeld tijdens zijn eerstvolgende vergadering. Art. 139. Indien
de gemeenteraad van één van de gemeenten van de zone verplichte uitgaven of ontvangsten die krachtens
de wet ten laste van de gemeente zijn voor het dienstjaar waarop de begroting betrekking heeft, geheel
of gedeeltelijk weigert op de begroting te brengen, trekt de gouverneur de vereiste bedragen daarop ambtshalve
uit. Een afschrift van het besluit van de gouverneur wordt tegelijk naar de minister verstuurd. Het
besluit van de gouverneur wordt aan de zoneoverheid of aan de gemeenteraad meegedeeld tijdens zijn eerstvolgende
vergadering. Art. 140. Tegen het besluit van de gouverneur genomen overeenkomstig de artikelen
134 tot 139, kan de zoneoverheid of de gemeenteraad hoger beroep instellen bij de minister binnen een
termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na het versturen van het besluit naar de zoneoverheid
of de gemeentelijke overheid. Art. 141. De minister spreekt zich uit over het ingesteld beroep
binnen een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na de ontvangst ervan. De minister
kan het door de gouverneur, overeenkomstig de artikelen 134 tot 139 genomen besluit, annuleren of wijzigen. Hij
gaat overeenkomstig de artikelen 137 tot 139 over tot de wijzigingen, inschrijvingen en schrappingen. Hij
bezorgt zijn beslissing, uiterlijk de laatste dag van deze termijn, aan de gouverneur en aan de zoneoverheid
of de gemeenteraad. Bij gebrek aan een beslissing bij het verstrijken van deze termijn, wordt
het tegen de beslissing van de gouverneur ingestelde beroep als ingewilligd en de beslissing van de gouverneur
als geannuleerd beschouwd. Het besluit van de minister wordt aan de gouverneur en aan de zoneoverheid
of de gemeenteraad meegedeeld tijdens zijn eerstvolgende vergadering. Art. 142. De artikelen
137 tot 141 zijn van toepassing op de wijzigingen van de begroting door de zoneoverheid, evenals op de
wijzigingen door de gemeenteraad aangebracht aan de bijdrage van de gemeente aan de financiering van
de zone. Onderafdeling III. - Rekeningen Art. 143. De besluiten van de gemeenteraad
of van de zoneoverheid betreffende de rekeningen van de zone worden, binnen de twintig dagen na hun goedkeuring,
verstuurd naar de gouverneur en naar de minister. Art. 144. De Koning bepaalt, bij een besluit
vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gegevens die, voor de vaststelling van die rekeningen,
door de bevoegde overheden aan de toezichthoudende overheid verstuurd worden. Hij bepaalt eveneens
de aard van de informatiedrager en de vorm waarin die gegevens worden vastgelegd. Art. 145.
De in artikel 143 bedoelde besluiten zijn onderworpen aan de goedkeuring van de gouverneur, die de bedragen
ervan vaststelt binnen een termijn van honderd dagen die ingaat op de dag na het inkomen van de rekeningen
onverminderd de toepassing van artikel 123. De gouverneur verstuurt zijn besluit uiterlijk de laatste
dag van deze termijn naar de zoneoverheid, naar de bijzondere rekenplichtige en naar de minister. Het
besluit van de gouverneur wordt aan de zoneoverheid meegedeeld tijdens zijn eerstvolgende vergadering. Bij
gebrek aan besluit bij het verstrijken van deze termijn, worden de rekeningen beschouwd als zijnde door
de gouverneur goedgekeurd. Art. 146. Tegen het besluit van de gouverneur betreffende de rekeningen
van de zone kunnen de raad en de bijzondere rekenplichtige hoger beroep instellen bij de minister, binnen
een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na het versturen van het besluit naar de zoneoverheid. In
geval van gelijktijdige beroepen van de zoneoverheid en de bijzondere rekenplichtige, worden de beroepen
samengevoegd. Dezelfde dag wordt een afschrift van het beroep of de beroepen verstuurd naar
de gouverneur, de bijzondere rekenplichtige en de zoneoverheid. Art. 147. In geval van hoger
beroep worden de rekeningen door de minister vastgesteld binnen een termijn van honderd dagen die ingaat
op de dag na de ontvangst ervan. De minister verstuurt zijn besluit inzake het ingestelde beroep,
uiterlijk de laatste dag van de in het vorige lid bedoelde termijn, naar de gouverneur, de zoneoverheid,
en de bijzondere rekenplichtige. Indien binnen de in het eerste lid vermelde termijnen geen
besluit is verstuurd, is het beroep ingewilligd; in geval van hoger beroep van de bijzondere rekenplichtige
van de zone alleen, is het hoger beroep, bij gebrek aan besluit bij het verstrijken van de in het eerste
lid vermelde termijnen, verworpen. Onderafdeling IV. - Toezicht inzake boekhouding en kas Art.
148. § 1. Bij weigering of vertraging in de betaalbaarstelling van de uitgaven die de wet aan
de zones oplegt, hoort de gouverneur de zoneoverheid en beveelt, indien nodig, de onmiddellijke betaling
van bedoelde uitgaven. De gouverneur bezorgt tegelijk een afschrift van zijn besluit aan de minister. §
2. De zoneoverheid kan hoger beroep instellen bij de minister binnen een termijn van veertig dagen die
ingaat na het versturen van het besluit. De minister spreekt zich uit over het hoger beroep
binnen een termijn van veertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst ervan, en verstuurt zijn besluit
uiterlijk de laatste dag van die termijn naar de gouverneur en naar de zoneoverheid. Indien
binnen de in het derde lid vermelde termijnen geen besluit is verstuurd, is het hoger beroep van de zoneoverheid
ingewilligd. § 3. Bij weigering tot betaling door de bijzondere rekenplichtige, kan deze
laatste tegen het besluit waarbij een regelmatig bevelschrift uitvoerbaar verklaard wordt, bij de minister
hoger beroep instellen, binnen een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na de ontvangst van
het besluit van de gouverneur. De minister spreekt zich uit over het hoger beroep binnen een
termijn van veertig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst ervan, en verstuurt zijn besluit uiterlijk
de laatste dag van die termijn naar de gouverneur, naar de bijzondere rekenplichtige en naar de zoneoverheid. Indien
binnen de in het tweede lid vermelde termijnen geen besluit is verstuurd, is het besluit van de gouverneur
uitvoerbaar. De definitieve beslissing tot betaling geldt als een regelmatig en door de bijzondere
rekenplichtige ambtshalve uit te voeren bevelschrift. Art. 149. De minister of de gouverneur
controleert de boekhouding en de kas van de zone, telkens zij dit nodig achten. Van elke controle wordt
een proces-verbaal opgemaakt dat aan de zoneoverheid wordt voorgelegd. Onderafdeling V. - Schuldherschikking Art.
150. De besluiten van de zoneoverheid, waardoor de financiële lasten van de leningen opgenomen voor
het financieren van de zone worden herschikt, worden binnen de twintig dagen ter goedkeuring naar de
gouverneur gestuurd. Een kopie wordt naar de minister verstuurd. Onverminderd de toepassing
van artikel 123, spreekt de gouverneur zich uit over de goedkeuring van het besluit van de zoneoverheid,
binnen een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na de ontvangst ervan en verstuurt zijn besluit
uiterlijk de laatste dag van deze termijn naar de zoneoverheid en aan de minister. Wanneer die
termijn is verstreken, wordt de herschikking beschouwd als zijnde goedgekeurd. De gouverneur
bezorgt zonder verwijl een afschrift van zijn besluit aan de minister. Art. 151. De zoneoverheid
kan een beroep indienen bij de minister binnen een termijn van veertig dagen na de versturing van het
besluit. De minister beslist over het beroep binnen een termijn van veertig dagen vanaf de dag
na de ontvangst ervan en maakt zijn beslissing ten laatste op de laatste dag van de termijn over aan
de gouverneur en de zoneoverheid. Bij gebrek aan besluit bij het verstrijken van deze termijn,
wordt het beroep als ingewilligd beschouwd. Afdeling IV. - Bijzonder dwangtoezicht Art.
152. De minister of de gouverneur kan, na het verstrijken van de termijn bepaald in een uit briefwisseling
blijkende waarschuwing, één of meer bijzondere commissarissen gelasten zich ter plaatse te begeven, op
de persoonlijke kosten van de overheidspersonen, respectievelijk van de gemeente of van de zone die verzuimd
heeft aan de waarschuwing gevolg te geven, teneinde de gevraagde inlichtingen of opmerkingen in te zamelen
of de maatregelen ten uitvoer te brengen die voortvloeien uit verplichtingen welke aan de toepassing
van de bepalingen van deze wet of genomen krachtens deze wet zijn verbonden. De invordering
van de kosten, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door de bijzondere rekenplichtige, op zicht van een
daartoe getroffen besluit van de overheid die de dwangprocedure heeft ingesteld en dat geldt als een
door de bijzondere rekenplichtige ambtshalve uit te voeren bevelschrift. TITEL IV. - Civiele
Bescherming Art. 153. De federale Staat beschikt, voor de uitoefening van de opdrachten van
civiele veiligheid bedoeld in artikel 11, over een federaal korps van de Civiele Bescherming, georganiseerd
in operationele eenheden, dat bevoegd is op het hele grondgebied van het Koninkrijk. Voor de
uitvoering van hun opdrachten inzake veiligheid kunnen de burgemeester en de gouverneur of de gouverneur
van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad een beroep doen op de Civiele Bescherming. Art.
154. De Civiele Bescherming staat onder het gezag van de minister. Art. 155. De Civiele Bescherming
bestaat uit beroeps- en vrijwillige leden. De beroepsleden zijn diegenen die deze functie als
hoofdactiviteit uitoefenen. De vrijwillige leden van de Civiele Bescherming zijn diegenen voor
wie deze functie niet hun hoofdactiviteit uitmaakt. Art. 156. De Koning legt, bij een besluit
vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het administratief en geldelijk statuut van de beroeps- en
vrijwillige leden van de Civiele Bescherming vast. Art. 157. De Koning bepaalt, op voordracht
van de minister, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de vestiging van de eenheden
van de Civiele Bescherming op het grondgebied van het Koninkrijk, waarbij er niet meer dan één per provincie
mag zijn. De Koning kan de vestiging van deze eenheden via dezelfde procedure wijzigen. Art.
158. De Koning bepaalt, na advies van de gouverneur, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad,
het materieel en de uitrusting waarover elke eenheid van de Civiele Bescherming beschikt. TITEL
V. - De aansprakelijkheid van de leden van het personeel van de zones en van de leden van de diensten
van de Civiele Bescherming Art. 159. Deze titel is van toepassing op de vrijwillige en beroepspersoneelsleden
van de hulpverleningszone en van de diensten van de Civiele Bescherming. Voor de toepassing van deze
titel, worden zij hierna « personeelslid » genoemd. Art. 160. In geval van schade veroorzaakt
door een personeelslid tijdens de uitoefening van zijn functies, aan derden of aan de openbare rechtspersoon
waaronder het personeelslid ressorteert, is de veroorzaker van de schade aansprakelijk voor : 1°
het bedrog en de zware schuld; 2° de lichte schuld, indien die bij hem eerder gewoonlijk voorkomt. Art.
161. De openbare rechtspersoon is aansprakelijk voor de schade die zijn personeelsleden aan derden berokkenen,
overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek. Art. 162. De veroorzaker van schade
aan derden tegen wie voor de burgerlijke rechter of de strafrechter een vordering tot schadeloosstelling
wordt ingesteld, kan de openbare rechtspersoon waaronder hij ressorteert, gedwongen in het geding laten
tussenkomen. Art. 163. De vordering tot schadeloosstelling of de regresvordering, ingesteld
door openbare rechtspersonen tegen hun personeelsleden, is slechts in rechte ontvankelijk, indien zij
wordt voorafgegaan door een aanbod tot minnelijke schikking aan de verweerder. De openbare rechtspersoon
kan beslissen dat de schade slechts gedeeltelijk moet worden vergoed. Art. 164. De Staat of
de zone, naargelang het gaat om federaal, dan wel zonaal personeel, neemt de proceskosten ten laste waartoe
het personeelslid in rechte veroordeeld wordt wegens feiten gepleegd in zijn functies, tenzij hij een
opzettelijke fout, een zware fout of een lichte fout die bij hem gewoonlijk voorkomt, begaan heeft. Wordt
één van dergelijke fouten aangetoond, dan beslist de Staat of de zone, na het personeelslid gehoord te
hebben, of de proceskosten geheel of gedeeltelijk door hem moeten worden gedragen. Art. 165.
§ 1. Het personeelslid dat in rechte wordt gedagvaard of tegen wie de strafvordering wordt ingesteld
wegens feiten gesteld tijdens de uitoefening van zijn functies, heeft recht op rechtshulp van een advocaat
ten laste van de Staat of van de zone. In geval van overlijden van het personeelslid komt het
recht op rechtshulp toe aan diens rechthebbenden. § 2. Aan het personeelslid tegen wie
de Staat of de zone een burgerlijke rechtsvordering instelt zoals bedoeld in artikel 163, wordt geen
enkele rechtshulp verleend. § 3. De rechtshulp kan door de Staat of de zone geweigerd
worden wanneer de feiten klaarblijkelijk in geen enkel verband staan met de uitoefening van de functies. De
rechtshulp kan eveneens worden geweigerd wanneer het personeelslid een opzettelijke of zware fout heeft
begaan. § 4. Wanneer de rechtshulp niet is verleend in toepassing van § 3 en uit
de rechterlijke beslissing blijkt dat deze weigering niet gegrond was, heeft het personeelslid recht
op terugbetaling van de kosten die hij voor zijn verdediging heeft gemaakt. Wanneer de rechtshulp
toegestaan is maar uit de gerechtelijke beslissing blijkt dat dit niet diende te geschieden, kunnen de
kosten die gemaakt zijn voor zijn verdediging, van het personeelslid teruggevorderd worden, op de wijze
bepaald in artikel 163. § 5. De Koning bepaalt de voorwaarden onder welke de honoraria
van de advocaat gekozen om de rechtshulp te verlenen ten laste van de Staat of de zone worden genomen. De
rechtshulp aan de leden van de Civiele Bescherming komt ten laste van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse
Zaken. De rechtshulp aan de personeelsleden van de hulpverleningszone komt ten laste van de
zone. § 6. De voorgeschreven rechtshulp houdt niet in dat de Staat of de zone enige aansprakelijkheid
erkent. Art. 166. § 1. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels volgens
welke het personeelslid wordt vergoed voor de zaakschade die hij, in zijn functies, heeft geleden. Onder
zaakschade wordt begrepen, de schade toegebracht aan goederen waarvan het personeelslid eigenaar of houder
is en die onontbeerlijk zijn voor de uitoefening van zijn functies. § 2. De vergoeding
komt ten laste van de Staat voor de leden van de Civiele Bescherming en ten laste van de hulpverleningszone
voor de personeelsleden van de hulpverleningszone. § 3. De vergoeding is uitgesloten
wanneer de zaakschade te wijten is aan een opzettelijke of zware fout die toegeschreven kan worden aan
het personeelslid. Hetzelfde geldt ten belope van het toegekende of toe te kennen bedrag, wanneer
de zaakschade vergoed wordt of kan vergoed worden : 1° krachtens een door het betrokken personeelslid
of in zijn voordeel afgesloten verzekering behoudens niet-betaling door de verzekeraar binnen een termijn
van één jaar vanaf het ontstaan van de schade; 2° als gerechtskosten in strafzaken. §
4. De Staat of de zone treedt in de rechten en vorderingen van het personeelslid ten belope van het betaalde
bedrag. § 5. De vergoeding door de Staat of de zone sluit, ten belope van het toegekende
bedrag en voor hetzelfde schadelijk feit elk verhaal uit op de Staat of de zone, de organen of aangestelden
hiervan uit. § 6. Wat de personeelsleden van de Civiele Bescherming betreft komt de vergoeding
ten laste van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken. TITEL VI. - Coördinatie Art.
167. Onverminderd de bevoegdheden van de bevoegde minister zorgen de gouverneur en zijn diensten voor
de coördinatie van de civiele veiligheid in de provincie. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld
na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de coördinatie bepalen. TITEL VII. - Algemene
inspectie van de diensten van de civiele veiligheid Art. 168. Binnen de Federale Overheidsdienst
Binnenlandse Zaken wordt een algemene inspectie van de operationele diensten van de civiele veiligheid
ingesteld die rechtstreeks onder het gezag van de minister geplaatst wordt. Zij beschikt over de nodige
onafhankelijkheid om haar opdracht uit te oefenen. Art. 169. De algemene inspectie heeft betrekking
op de werking van de diensten van de civiele veiligheid. Onverminderd de bevoegdheden van de inspecteurs
van Volksgezondheid, omvat zij de controle, op stukken en ter plaatse, van de toepassing van de wettelijke
en reglementaire bepalingen betreffende de in artikel 11 van deze wet bedoelde opdrachten. Art.
170. De algemene inspectie handelt, hetzij op eigen initiatief, hetzij op bevel van de minister, hetzij
op verzoek van de burgemeester, de gouverneur of de zoneoverheid, of de zonecommandant in het kader van
hun bevoegdheden. Art. 171. De algemene inspectie geeft haar adviezen en suggesties aan de
verantwoordelijke overheden over elke maatregel die verbeteringen met zich zou kunnen meebrengen inzake
organisatie en werking van de zones en operationele eenheden van de Civiele Bescherming, evenals inzake
brandvoorkoming. Bovendien vermeldt zij elke overtreding van de reglementering die zij vaststelt. Wanneer
de inspectie feiten vaststelt die aanleiding kunnen geven tot een tuchtprocedure stelt zij de bevoegde
tuchtoverheid hiervan in kennis. Art. 172. Elke inspectie maakt het voorwerp uit van een verslag
dat aan de verzoekende overheid meegedeeld wordt, evenals aan alle in artikel 170 bedoelde overheden. In
het geval bedoeld in artikel 171, tweede lid, vermeldt het verslag de termijn waarbinnen de zone verzocht
wordt de vastgestelde overtredingen te herstellen. Wanneer de zone in gebreke blijft de vastgestelde
overtredingen te herstellen binnen de aangeduide termijn, stelt de algemene inspectie hiervan proces-verbaal
op. Het proces-verbaal wordt gedurende minstens tien vrije dagen aangeplakt aan de zetel van
de betrokken zone en aan elk gemeentehuis van de zone. Niettegenstaande de toepassing van het
eerste lid wordt het proces-verbaal door de inspectie meegedeeld aan de tuchtoverheden bedoeld in de
artikelen 120 en volgende. De gouverneur of de minister kan, overeenkomstig de artikelen 137
tot 141, overgaan tot de ambtshalve inschrijving van de noodzakelijke uitgaven in de begroting om de
vastgestelde overtredingen te verhelpen. Art. 173. De leden van de algemene inspectie hebben,
voor de uitoefening van hun opdrachten, te allen tijde vrije toegang tot de infrastructuren waarover
de diensten van de civiele veiligheid beschikken; deze diensten moeten hun medewerking verlenen aan de
leden van de algemene inspectie en moeten hen alle bewijzen, nuttige inlichtingen en documenten, stukken
en elementen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun opdrachten, bezorgen. Art. 174.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de werkwijze van de algemene
inspectie; Hij bepaalt het kader, de aanwijzingsvoorwaarden voor de leden van de algemene inspectie en
de bijzondere regels die van toepassing zijn op hun statuut. TITEL VIII. - Het federaal kenniscentrum
voor de civiele veiligheid Art. 175. Het Federaal Kenniscentrum voor de civiele veiligheid
dat binnen de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken wordt opgericht, is een Staatsdienst met afzonderlijk
beheer zoals bepaald in artikel 140 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit van 17 juli
1991. De uitvoeringsmodaliteiten worden vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld
na overleg in de Ministerraad. TITEL IX. - Opdracht inzake preventie van brand en ontploffing Art.
176. Op verzoek van de burgemeester moet de zone, op het grondgebied waarvan zij de bescherming verzekert,
overgaan tot de controle van de toepassing van de door de wetten en reglementen voorgeschreven maatregelen
betreffende de preventie van brand en ontploffing. Art. 177. De Koning bepaalt de modaliteiten
inzake de organisatie van de brandvoorkoming op het grondgebied van de zones. TITEL X. - Verhaal
van de kosten van de opdrachten Art. 178. § 1. Van de volgende interventies worden verhaald
door de Staat voor wat betreft de Civiele Bescherming en door de zone voor wat betreft de posten : 1°
ten laste van de begunstigde, de kosten veroorzaakt aan deze diensten tijdens de interventies verricht
buiten de opdrachten bedoeld in artikel 11; 2° ten laste van de begunstigde, een forfaitair
bedrag ter dekking van de kosten veroorzaakt door het vervoer met de ambulance voor dringende geneeskundige
hulpverlening. § 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad,
van welke taken uitgevoerd in het kader van de opdrachten vermeld in artikel 11, de kosten kunnen verhaald
worden ten laste van hun begunstigden en welke de taken zijn die gratis moeten uitgevoerd worden. De
Koning regelt de wijze van vaststelling en van verhaal van deze kosten. § 3. Het bedrag
van de kosten die met toepassing van §§ 1 en 2, en van artikel 179, § 2, door de
Staat worden verhaald, wordt ingeschreven op het Fonds voor beveiliging tegen brand en ontploffing bedoeld
in de wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte
verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen. § 4. Overeenkomstig
de regels van gemeen recht blijft voor de personen, die de kosten moeten betalen bedoeld in §
1 en 2, een beroep open tegen de derde aansprakelijken. Art. 179. § 1. Voor de toepassing
van dit artikel wordt verstaan onder : 1° « beroepsactiviteit » : een in het kader van een economische
activiteit, een bedrijf of een onderneming verrichte activiteit, ongeacht het particuliere, openbare,
winstgevende of niet-winstgevende karakter daarvan; 2° « exploitant » : particuliere of openbare
natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroepsactiviteit verricht of regelt, of aan wie een doorslaggevende
economische zeggenschap over het technisch functioneren van een dergelijke activiteit is overgedragen,
met inbegrip van de houder van een vergunning of toelating voor het verrichten van een dergelijke activiteit
of de persoon die een dergelijke activiteit laat registreren of er kennisgeving van doet; 3°
« kosten » : de kosten die verantwoord zijn in het licht van de tussenkomst door de diensten van de civiele
bescherming en de openbare brandweerdiensten, met inbegrip van ramingskosten van milieuschade of de onmiddellijke
dreiging dat zulke schade ontstaat en de kosten van alternatieve maatregelen, alsook de administratieve,
juridische en handhavingskosten, de kosten van het vergaren van gegevens en andere algemene kosten, en
de kosten in verband met monitoring en toezicht. § 2. In geval van vervuiling bedoeld
in artikel 11, § 1, 4°, zijn de Staat en de zone gehouden de hiervoor aan hun diensten gemaakte
kosten te verhalen op de exploitant die de schade of de onmiddellijke dreiging van schade heeft veroorzaakt
of op de eigenaar van de gewraakte producten. De Staat en de zone kunnen beslissen om af te
zien van verhaal, wanneer de verhaalkosten groter zijn dan het terug te vorderen bedrag of wanneer niet
kan worden vastgesteld wie de exploitant of de eigenaar is. De exploitant of de eigenaar is
niet verplicht de kosten te dragen, indien hij kan bewijzen dat de milieuschade of de onmiddellijke dreiging
dat dergelijke schade ontstaat : a) ofwel veroorzaakt is door een derde ondanks het feit dat
er passende veiligheidsmaatregelen waren getroffen; b) ofwel het gevolg is van de opvolging
van een dwingende opdracht of instructie van een overheidsinstantie, tenzij het een opdracht of instructie
betreft naar aanleiding van een emissie of incident, veroorzaakt door activiteiten van de exploitant
zelf. Wanneer eenzelfde schade of onmiddellijke dreiging van schade door meerdere exploitanten
of eigenaars wordt veroorzaakt, zijn deze hoofdelijk gehouden tot het dragen van de kosten. Wanneer
besmetting of vervuiling op zee plaatsvindt of afkomstig is van een zeeschip, vallen de kosten ten laste
van de persoon die de besmetting of de verontreiniging heeft veroorzaakt, overeenkomstig het internationaal
recht. De eigenaars van de betrokken schepen zijn burgerlijk en hoofdelijk aansprakelijk. §
3. De Staat en de zone kunnen te allen tijde de exploitant of de eigenaar verplichten informatie te verstrekken
over milieuschade die zich heeft voorgedaan, over een onmiddellijke dreiging van milieuschade of in geval
van vermoeden van zulk een onmiddellijke dreiging. Art. 180. § 1. Wanneer milieuschade
of een onmiddellijk dreigende milieuschade, gevolgen heeft of dreigt te hebben voor één of meerdere gewesten,
of andere Lidstaten van de Europese Unie, werken de Staat, de zones of de gemeenten samen, onder andere
door een behoorlijke uitwisseling van informatie, teneinde ervoor te zorgen dat de nodige maatregelen
met betrekking tot die milieuschade of onmiddellijke dreiging van milieuschade worden genomen. §
2. Wanneer zich milieuschade of een onmiddellijk dreigende milieuschade in de zin van § 1 voordoet,
verstrekken de Staat, de zones of de gemeenten voldoende informatie aan de bevoegde instanties van de
gewesten of de andere Lidstaten van de Europese Unie die schade zouden kunnen lijden. §
3. Wanneer de Staat, de zones of de gemeenten, binnen hun grenzen, milieuschade vaststellen, die niet
binnen hun grenzen is veroorzaakt, kunnen zij dit melden aan de bevoegde instanties van de betrokken
gewesten of Lidstaten van de Europese Unie en aan de Europese Commissie. Ze kunnen aanbevelingen
doen inzake de nodige maatregelen en ze kunnen om terugbetaling verzoeken van de kosten van de genomen
maatregelen. § 4. Deze samenwerking doet geen afbreuk aan bestaande samenwerkingsvormen. TITEL
XI. - Opvordering en evacuatie Art. 181. § 1. De minster of zijn gemachtigde kan bij
het optreden van de diensten van de civiele veiligheid en voor hun noden, de personen en zaken die hij
nodig acht, opvorderen. Dezelfde bevoegdheid wordt verleend aan de burgemeester of, bij delegatie
van deze, aan de zonecommandant of aan de officieren van de posten wanneer deze diensten in het kader
van hun opdrachten optreden. § 2. De Staat, in het geval bedoeld in § 1, eerste
lid, en de zone op het grondgebied waarvan werd opgetreden in het geval bedoeld in § 1, tweede
lid, dragen de kosten van het opvorderen van personen of goederen en vergoeden deze aan de rechthebbenden,
volgens de modaliteiten bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. §
3. Voor de duur van de prestaties tijdens het optreden van de operationele diensten van de civiele veiligheid,
worden de arbeidsovereenkomst en de leerovereenkomst geschorst ten behoeve van de werknemers die onder
deze omstandigheden zijn opgevorderd. Art. 182. De minister of zijn gemachtigde kan in geval
van dreigende omstandigheden de bevolking, ter verzekering van haar bescherming, verplichten zich te
verwijderen van plaatsen of streken, die bijzonder blootgesteld, bedreigd of getroffen zijn, en degenen
die bij deze maatregelen betrokken zijn een voorlopige verblijfplaats aanwijzen; om dezelfde reden kan
hij iedere verplaatsing of elk verkeer van de bevolking verbieden. TITEL XII. - Bijzondere bepalingen
inzake oorlogstijd Art. 183. In geval van oorlog omvat de civiele veiligheid alle civiele maatregelen
en middelen om de bescherming en het voortbestaan van de bevolking en het behoud van het nationaal patrimonium
te verzekeren. Art. 184. De Koning kan, met het oog op bescherming tegen oorlogshandelingen,
voorschrijven dat in onroerende goederen speciale plaatsen worden ingericht. Art. 185. In oorlogstijd
of in perioden die daarmee krachtens artikel 7 van de wet van 12 mei 1927 op de militaire opeisingen
gelijkgesteld zijn, kan de Koning bevelen dat inwoners ambtshalve in de diensten van de Civiele Bescherming
worden ingelijfd. De burgemeester kan eveneens, in de gevallen voorzien in het eerste lid en
binnen de grenzen door de Koning bepaald, bevelen dat inwoners van de gemeente ambtshalve in de brandweer-
en reddingspost, die de gemeente bedient, ingelijfd worden. Art. 186. In oorlogstijd worden
de maatregelen welke aan provincies en gemeenten zijn opgelegd, door de gouverneur, de gouverneur van
het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad of door de burgemeester bevolen in plaats van door
de normale bevoegde provinciale of gemeentelijke organen; de reglementen en verordeningen worden in dat
geval bindend zodra zij zijn bekendgemaakt. TITEL XIII. - Strafbepalingen Art. 187.
Weigering of verzuim zich te gedragen naar de maatregelen die met toepassing van artikelen 181, §
1 en 182 zijn bevolen, wordt in vredestijd gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden,
en met geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro, of met één van die straffen alleen. In
oorlogstijd of in daarmede gelijkgestelde perioden wordt weigering of verzuim zich te gedragen naar de
maatregelen die met toepassing van artikel 185 zijn bevolen gestraft met gevangenisstraf van drie maanden
tot zes maanden en met geldboete van vijfhonderd euro tot duizend euro, of met één van de straffen alleen. De
minister of, in voorkomend geval, de burgemeester of de zonecommandant, kan bovendien de genoemde maatregelen
ambtshalve doen uitvoeren, op kosten van de weerspannige of in gebreke gebleven personen. TITEL
XIV. - WIJZIGINGS- EN OPHEFFINGSBEPALINGEN HOOFDSTUK I. - Wijziging van het Strafwetboek Art.
188. In artikel 5, vierde lid van het Strafwetboek, gewijzigd bij de wet van 26 april 2002, worden de
woorden « de hulpverleningszones » toegevoegd tussen de woorden « de provincies » en de woorden « de
Brusselse Agglomeratie ». HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de wet van 30 juli 1979 betreffende
de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke
aansprakelijkheid in dergelijke gevallen Art. 189. In artikel 5, van de wet van 30 juli 1979
betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke
aansprakelijkheid in dergelijke gevallen, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in
het eerste lid worden de woorden « de territoriaal bevoegde brandweerdienst » vervangen door de woorden
« de hulpverleningszone waartoe zijn gemeente behoort, »; 2° in het tweede lid, worden de woorden
« de brandweerdienst » vervangen door de woorden « de hulpverleningszone » en de woorden « overeenkomstig
artikel 9 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming » vervangen door de woorden
« overeenkomstig de artikelen 168 tot 174 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid
»; 3° in het derde lid, worden de woorden « de brandweerdienst » vervangen door de woorden «
de hulpverleningszone ». Art. 190. In artikel 6, § 2, tweede lid, van dezelfde wet,
gewijzigd bij de wetten van 30 december 2001 en van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen
aangebracht : 1° in het punt 1°, worden de woorden « de brandweerdiensten » vervangen door de
woorden « de hulpverleningszones »; 2° in het punt 3°, worden de woorden « de toepassing van
de artikelen 10bis en 12 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming » vervangen
door de woorden « de toepassing van het artikel 67 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele
veiligheid ». Art. 191. Artikel 13 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 december 2001,
wordt opgeheven. HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale
en andere bepalingen Art. 192. In artikel 42, § 3, 5°, van de wet van 1 augustus 1985
houdende fiscale en andere bepalingen, gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, worden de woorden «
aan de leden van de openbare brandweerdiensten » vervangen door de woorden « aan de operationele leden
van de hulpverleningszones ». HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen van de Nieuwe Gemeentewet Art.
193. In artikel 133bis van de Nieuwe Gemeentewet, ingevoegd bij de wet van 15 juli 1992 en gewijzigd
bij de wetten van 3 april 1997 en 7 december 1998, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende
lid ingevoegd : « Zonder op enige wijze afbreuk te kunnen doen aan de aan de burgemeester toegekende
bevoegdheden, heeft de gemeenteraad het recht geïnformeerd te worden door de burgemeester over de wijze
waarop deze de bevoegdheden uitoefent die hem zijn verleend krachtens de artikelen 107, 153 en 181 van
de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid ». Art. 194. Artikel 143, tweede lid,
van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 21 maart 1991, van 16 juli 1993 en van 7 december 1998,
wordt opgeheven. Art. 195. In artikel 144 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 16
juli 1993 en van 7 december 1998, worden het eerste en het tweede lid vervangen als volgt : «
De beslissingen te nemen door de Koning krachtens artikel 29, worden vastgesteld na raadpleging van de
vertegenwoordigers van de meest representatieve organisaties van het gemeentepersoneel. ». Art.
196. In artikel 153, § 1, eerste lid en § 3, derde lid, van dezelfde wet, vervangen bij
koninklijk besluit van 30 juni 1989 en gewijzigd bij de wet van 24 juni 1991, vervallen telkens de woorden
« en vaste brandweerlieden ». Art. 197. In artikel 156, derde lid, van dezelfde wet, gewijzigd
bij de wet van 3 februari 2003, vervallen de woorden « 2° als lid van het operationeel korps van een
brandweer dat rechtstreeks deelneemt aan de brandbestrijding ». Art. 198. Artikel 255 van dezelfde
wet, gewijzigd door de wet van 1 januari 2001, wordt aangevuld als volgt : « 19° de uitgaven
die door of krachtens de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid ten laste van de gemeente
worden gelegd. ». HOOFDSTUK V. - Wijziging van de programmawet van 8 april 2003 Art.
199. In artikel 126 en 129 van de programmawet van 8 april 2003 worden de woorden « wet van 31 december
1963 » telkens vervangen door de woorden « wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid ». HOOFDSTUK
VI. - Wijziging van de programmawet van 9 juli 2004 Art. 200. In artikel 209 van de programmawet
van 9 juli 2004, worden de woorden « wet van 31 december 1963 » vervangen door de woorden « wet van 15
mei 2007 betreffende de civiele veiligheid ». HOOFDSTUK VII. - Opheffing van de wet van 31 december
1963 betreffende de civiele bescherming Art. 201. De wet van 31 december 1963 betreffende de
civiele bescherming wordt opgeheven 10 dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit
waarin de Koning vaststelt dat de voorwaarden voldaan zijn zoals bedoeld in artikel 220. TITEL
XV. - Overgangsbepalingen Art. 202. Voor de toepassing van deze titel wordt met de term « gemeente
» ook een « brandweerintercommunale » verstaan. Art. 203. De beroepsbrandweerlieden in dienst
bij een gemeente worden overgedragen naar het operationele kader van de zone waarvan de gemeente deel
uitmaakt. Onverminderd de toepassing van artikel 207 zijn ze onderworpen aan het statuut van toepassing
op de leden van het operationeel kader van de zone. Art. 204. De brandweerlieden die, op basis
van een dienstnemingscontract, als vrijwillig brandweerman in dienst zijn bij een gemeente worden overgedragen
naar het operationeel kader van de zone waarvan de gemeente deel uitmaakt. Onverminderd de toepassing
van artikel 207 zijn ze onderworpen aan het statuut van toepassing op de leden van het operationeel kader
van de zone. Art. 205. Het administratief en technisch personeel van de gemeentelijke brandweerkorpsen
wordt overgedragen naar het administratief kader van de zone waarvan de gemeente deel uitmaakt, met behoud
van hun hoedanigheid als statutair of contractueel personeel. Onverminderd de toepassing van
artikel 207 is het statutair personeel onderworpen aan het statuut van toepassing op de leden van het
administratief kader van de zone. Art. 206. Het gemeentepersoneel, in dienst bij de centra
voor het eenvormig oproepstelsel, worden vanaf de inwerkingtreding van de zones, zoals voorzien in artikel
220 federaal personeel binnen de daarvoor bevoegde administratie en worden, onverminderd de toepassing
van artikel 207 onderworpen aan een door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad,
bepaald statuut. Art. 207. Het gemeentepersoneel bedoeld in artikelen 203 tot 206 van dit hoofdstuk,
kan beslissen onderworpen te blijven aan de wetten en reglementen die van toepassing zijn op het gemeentepersoneel. De
beslissing bedoeld in het eerste lid wordt genomen binnen de drie maanden die volgen op de bekendmaking
in het Belgisch Staatsblad van het koninklijk besluit bedoeld in artikel 106 en wordt door het betrokken
personeelslid schriftelijk meegedeeld aan de bevoegde overheid. Van zodra de brandweerdiensten in zones
zijn ingedeeld, kan dit personeelslid te allen tijde vragen om te worden onderworpen aan de bepalingen
bedoeld in artikel 106. Art. 208. De operationele leden van de bandweerdiensten behouden hun
graad of krijgen een gelijkwaardige graad bij overdracht naar het zonale operationeel kader. Art.
209. De overdracht van het personeel, bedoeld in artikelen 203 tot 206, wordt voor wat betreft de onmiddellijke
opeisbaarheid van geldelijke rechten, niet beschouwd als een verandering van werkgever. Art.
210. § 1. De roerende goederen van de gemeente, met inbegrip van de roerende goederen door bestemming,
zowel behorend tot het openbaar als tot het privaat domein die worden aangewend voor de uitvoering van
de opdrachten van de brandweerdiensten worden aan de zone overgedragen. § 2. De roerende
goederen van de gemeente, met inbegrip van de roerende goederen door bestemming, zowel behorend tot het
openbaar als tot het privaat domein die worden gebruikt voor de uitrusting van de centra voor het eenvormig
oproepstelsel worden aan de federale Staat overgedragen. § 3. De in §§
1 en 2 bedoelde overdrachten worden van rechtswege uitgevoerd. Zij zijn van rechtswege tegenstelbaar
aan derden, op datum van de inwerkingtreding van de zones, vastgesteld overeenkomstig artikel 220. Art.
211. De goederen die behoren tot de niet-gespecialiseerde individuele uitrusting van de brandweerman
worden van rechtswege overgemaakt aan de zone, naar dewelke de brandweerman overgedragen wordt. Art.
212. De in artikel 210, §§ 1 en 2, bedoelde goederen worden overgedragen in de staat waarin
zij zich bevinden, met inbegrip van de aan deze goederen verbonden lasten en verplichtingen. De
Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de inventaris- en schattingsregels
van deze goederen. Bij deze schatting zal er onder meer rekening worden gehouden met de ouderdom
en de staat van elk roerend goed. Eveneens zal bij de schatting rekening gehouden worden met de subsidies
en bijdragen van de diverse overheden in de waarde van elk roerend goed. Art. 213. §
1. De effectieve overdracht van de goederen vermeld in artikel 210, § 1, gebeurt na goedkeuring
van de ontvanger van de gemeente en de officier-dienstchef van het gemeentelijk brandweerkorps en bevat
op de datum bepaald door de Koning de volledige inventaris van deze goederen. Bij de effectieve
overdracht van de goederen vermeld in artikel 210, § 1, controleert de bijzondere rekenplichtige
samen met de zonecommandant of het volledige pakket goederen werd overgedragen. § 2.
De effectieve overdracht van de goederen bedoeld in artikel 210, § 2, gebeurt na de goedkeuring
van de ontvanger van de gemeente en de officier-dienstchef van het gemeentelijk brandweerkorps en bevat
op de datum bepaald door de Koning de volledige inventaris van deze goederen. Bij de effectieve
overdracht van de goederen bedoeld in artikel 210, § 2, gaat de bevoegde minister na of alle goederen
werden overgedragen. Art. 214. De zone of de federale Staat neemt de rechten en verplichtingen
over van de gemeente betreffende de krachtens artikel 210 overgedragen goederen met inbegrip van de rechten
en verplichtingen verbonden aan hangende en toekomstige gerechtelijke procedures. De gemeente
blijft echter gehouden voor de verplichtingen waarvan de betaling of de uitvoering opeisbaar was voor
de eigendomsoverdracht van de in artikel 210 bedoelde goederen. Indien er een geschil rijst
in verband met een overgedragen goed, kan de zone of de federale Staat de gemeente betrekken in de zaak.
De gemeente kan ook vrijwillig in de zaak tussenkomen. Art. 215. § 1. De kazernes en
de andere onroerende goederen, hierin begrepen de goederen onroerend door bestemming, die eigendom zijn
van de gemeente, en die noodzakelijk zijn voor het onderbrengen van het administratief en operationeel
personeel worden overgedragen aan de zones of ter beschikking gesteld onder de voorwaarden bepaald door
de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. § 2. De onroerende
goederen, hierin begrepen de goederen onroerend door bestemming, die eigendom zijn van de gemeenten en
noodzakelijk zijn voor het onderbrengen van het personeel van de centra voor het eenvormig oproepstelsel,
worden overgedragen aan de federale Staat. § 3. De overdracht van de in §§
1 en 2 bedoelde onroerende goederen gebeurt bij authentieke akte. Art. 216. De in artikel 215
bedoelde goederen worden overgedragen in de staat waarin zij zich bevinden, met inbegrip van de aan deze
goederen verbonden lasten en verplichtingen. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld
na overleg in de Ministerraad, de inventaris- en schattingsregels van deze goederen. Bij deze
schatting zal er onder meer rekening worden gehouden met de oppervlakte, de ligging, de ouderdom en de
staat van elk onroerend goed. Eveneens zal bij de schatting rekening gehouden worden met de subsidies
en bijdragen van de diverse overheden in de waarde van elk onroerend goed. Art. 217. Voor de
inbreng van de roerende en onroerende goederen voorzien in de artikelen 210, § 1, en 215, §
1, van deze titel, ontvangen de gemeenten een compensatie in de vorm van de vermindering van de gemeentelijke
dotatie in de begroting van de zone. Afhankelijk van de behoeften van de zone bepaalt de raad
de effectieve vermindering van de respectievelijke gemeentelijke dotaties. Afhankelijk van de
waarde van de inbreng van de gemeente, wordt de vermindering van de bijdrage van de gemeente gespreid
over meerdere jaren. Ter garantie van het goed functioneren van de zone, mag de jaarlijkse vermindering
per gemeente maximaal 20 % van de jaarlijkse gemeentelijke dotatie bedragen. Art. 218. Voor
de inbreng van de roerende en onroerende goederen bedoeld in de artikelen 210, § 2, en 215, §
2, ontvangen de gemeenten een schadevergoeding, die wordt berekend op basis van de schattingsregels voorzien
in de artikelen 212 en 216. Art. 219. Elke procedure inzake overheidsopdrachten voor werken,
leveringen of diensten ten behoeve van de gemeentelijke brandweerdiensten bij de gemeenten of de federale
Staat wordt op datum van de inwerkingtreding van dit artikel geldig voortgezet door de zone. Het
eerste lid is van toepassing op de uitvoering van de overheidsopdrachten toegewezen voor dezelfde datum. TITEL
XVI. - Slotbepalingen HOOFDSTUK I. - Oprichting van de zones Art. 220. De brandweerdiensten
worden in de brandweer- en reddingsposten ondergebracht, wanneer de Koning vaststelt dat de volgende
voorwaarden vervuld zijn : 1° het territoriale ambtsgebied van de zone is vastgesteld, overeenkomstig
artikel 14; 2° de minimale personeelsbezetting en het minimale materieel van de zone is vastgesteld,
overeenkomstig de artikelen 102 en 119, § 1; 3° de federale dotatie van de zone is bepaald,
overeenkomstig artikel 69; 4° de dotaties van de gemeenten van de zone werden ingeschreven in
de gemeentebegrotingen, overeenkomstig artikel 68. Deze dotaties worden bepaald op basis van een akkoord
tussen de gemeenteraden van de zone. Bij gebrek aan dergelijk akkoord binnen de zes maanden na de vastlegging
van het territoriale ambtsgebied van de zone, worden deze bepaald door de Koning. Art. 221.
Tot de inwerkingtreding van de zone zoals voorzien in artikel 220, worden de brandweerdiensten georganiseerd
op basis van de gewestelijke groepen en op basis van de hulpverleningszones, zoals bedoeld in de artikelen
10 en 10bis van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming. In afwachting
van de inwerkingtreding van de zones maken de gewestelijke groepen en de hulpverleningszones gebruik
van de mogelijkheden voorzien door of krachtens de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming,
om de hulpverlening te organiseren op basis van het beginsel van de snelste adequate hulp. Art.
222. Binnen de drie maanden na het inwerkingtreden van de zone, zoals voorzien in artikel 220, dient
de raad te worden samengesteld conform de bepalingen uit afdeling II van Titel III. Het mandaat
van de raadsleden loopt tot de installatie van een nieuwe raad of tot de beëdiging van hun vervanger,
in geval van voortijdige beëindiging van hun mandaat. Art. 223. De zone keurt uiterlijk voor
het einde van de zesde maand na de installatie van de raad de benodigde personeelsformatie en materieeluitrusting
van de zone, zoals bepaald in de artikelen 102, tweede lid, en artikel 119, § 1, goed. De
beslissing van de zone inzake de personeelsformatie wordt, in uitvoering van artikel 129, aan de gouverneur
en aan de minister overgezonden. Indien de zone niet voldoet aan de in het eerste lid bepaalde
verplichting, kan de minister op kosten van de zone overgaan tot de vaststelling van de in het eerste
lid bedoelde personeelsformatie en materieeluitrusting. HOOFDSTUK II. - Inwerkingtreding Art.
224. Treden in werking tien dagen na de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad : 1°
artikel 1; 2° artikel 2; 3° artikelen 14 en 15; 4° artikelen 68 en 69; 5°
artikel 102, eerste lid; 6° artikel 119, § 1; 7° artikelen 220 et 221; 8°
artikel 224. De andere artikelen van deze wet treden in werking tien dagen na de bekendmaking
van het besluit waarbij de Koning vaststelt dat de voorwaarden vervuld zijn zoals bedoeld in artikel
220. Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het
Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 15 mei 2007. ALBERT Van
Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, P. DEWAEL Met 's Lands zegel
gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota (1)
Gewone zitting 2006-2007. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire stukken.
- Wetsontwerp, nr. 51-2928/1. - Amendementen, nr. 51-2928/2 tot 4. - Verslag van de Commissie, nr. 51-2928/5.
- Tekst aangenomen door de Commissie, nr. 51-2928/6. - Tekst aangenomen in de plenaire vergadering en
overgezonden aan de Senaat, nr. 51-2928/7. Integraal verslag : 12 april 2007. Senaat. Parlementaire
stukken. - Ontwerp geëvoceerd door de Senaat, nr. 3-2403/1. - Amendementen, nr. 3-2403/2. - Verslag namens
de Commissie, nr. 3-2403/3. - Beslissing om niet te amenderen, nr. 3-2403/4. Handelingen van
de Senaat : 26 april 2007.