9 MEI 2007. - Wet tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden (1)
ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn
en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen
volgt : HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid
als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek Art.
2. Het opschrift van hoofdstuk I, van boek I, titel IV, van het Burgerlijk Wetboek, wordt vervangen
als volgt : « Hoofdstuk I. - Afwezigheid ». Art. 3. In boek I, titel IV, hoofdstuk I van hetzelfde
Wetboek, wordt een afdeling I, bestaande uit de artikelen 112 tot 117, ingevoegd, met als opschrift : «
Afdeling I. - Vermoeden van afwezigheid ». Art. 4. Artikel 112 van hetzelfde Wetboek wordt
vervangen als volgt : « Art. 112. § 1. Wanneer een persoon sinds meer dan drie maanden
niet meer verschijnt in zijn woon- of verblijfplaats en men van hem gedurende ten minste drie maanden
geen nieuws heeft ontvangen en daaruit onzekerheid voortvloeit over zijn leven of zijn dood, kan de rechtbank
van eerste aanleg, op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings, het vermoeden
van afwezigheid vaststellen. § 2. Een eensluidend verklaard afschrift van de beslissing
houdende vaststelling van het vermoeden van afwezigheid wordt door de griffier ter kennis gebracht van
de vrederechter van de laatste woonplaats in België van de vermoedelijk afwezige of, indien deze nooit
een woonplaats in België heeft gehad, van de vrederechter van het eerste kanton te Brussel. De territoriaal
bevoegde vrederechter handelt overeenkomstig artikel 113. § 3. Het openbaar ministerie
is ermede belast te waken over de belangen van de vermoedelijk afwezigen. Het wordt gehoord over alle
rechtsvorderingen die hen aangaan. » Art. 5. Artikel 113 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen
als volgt : « Art. 113. § 1. Wanneer de rechtbank van eerste aanleg vaststelt dat er
een vermoeden van afwezigheid is en de vermoedelijk afwezige geen algemeen gevolmachtigde heeft aangewezen
om zijn goederen te beheren, wijst de vrederechter bij een met redenen omklede beschikking een gerechtelijk
bewindvoerder aan met inachtneming van de aard en de samenstelling van de te beheren goederen. Binnen
drie dagen na de uitspraak geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van de beschikking van de vrederechter
aan de bewindvoerder. De gerechtelijk bewindvoerder laat binnen acht dagen na zijn aanwijzing schriftelijk
weten of hij die aanvaardt. Wordt de aanwijzing, bedoeld in het vorige lid, niet aanvaard, dan
stelt de vrederechter ambtshalve een andere gerechtelijk bewindvoerder aan. Na de aanvaarding
door de gerechtelijk bewindvoerder wordt een afschrift van de beschikking van zijn aanwijzing medegedeeld
aan de procureur des Konings. § 2. De vrederechter kan te allen tijde, hetzij ambtshalve,
hetzij op verzoek van iedere belanghebbende, van de procureur des Konings of van de gerechtelijk bewindvoerder,
bij een met redenen omklede beschikking, een einde maken aan het mandaat van deze laatste, de bevoegdheden
wijzigen die hem werden opgedragen of hem vervangen. De vrederechter kan daartoe eenieder horen
die hij geschikt acht om hem in te lichten. § 3. Elke beslissing tot aanwijzing of tot
vervanging van een gerechtelijk bewindvoerder, tot beëindiging van zijn mandaat of tot wijziging van
zijn bevoegdheden, wordt, door toedoen van de griffier, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch
Staatsblad en in twee dagbladen verspreid in het gerechtelijk arrondissement van de laatste woonplaats
in België van de vermoedelijk afwezige of, indien deze nooit een woonplaats in België heeft gehad, van
het gerechtelijk arrondissement Brussel en in één nationaal verspreid dagblad in de taal van de procedure.
De bekendmaking moet geschieden binnen vijftien dagen na de uitspraak; de ambtenaren aan wie
het verzuim of de vertraging te wijten zou zijn, zijn aansprakelijk jegens de betrokkenen indien bewezen
wordt dat de vertraging of het verzuim het gevolg is van collusie. Binnen dezelfde termijn wordt
de beslissing door de griffier betekend aan de burgemeester van de woonplaats van de beschermde persoon
teneinde te worden aangetekend in het bevolkingsregister. » Art. 6. Artikel 114 van hetzelfde
Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 114. § 1. Uiterlijk één maand na de aanvaarding
van zijn aanwijzing stelt de gerechtelijk bewindvoerder een verslag op met betrekking tot de vermogenstoestand
van de vermoedelijk afwezige en zendt dit over aan de vrederechter. De gerechtelijk bewindvoerder
geeft jaarlijks rekenschap van zijn beheer aan de vrederechter door voorlegging van een schriftelijk
verslag dat minstens de volgende gegevens vermeldt : 1° de naam, de voornaam en de woon- of
verblijfplaats van de gerechtelijk bewindvoerder; 2° de naam, de voornaam en de laatste bekende
woonplaats van de vermoedelijk afwezige; 3° een overzicht van de inkomsten en uitgaven tijdens
de voorbije periode en een overzicht van de stand van het beheerde vermogen bij de aanvang en op het
einde van deze periode. Indien hij zulks nodig acht, kan de vrederechter van de gerechtelijk
bewindvoerder waarborgen eisen, hetzij bij zijn aanwijzing, hetzij gedurende de uitoefening van zijn
mandaat. § 2. De schriftelijke verslagen opgemaakt met toepassing van § 1, worden
op de griffie van het vredegerecht bewaard in een dossier op naam van de vermoedelijk afwezige. Het
dossier omvat eveneens : 1° een afschrift van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg
tot vaststelling van het vermoeden van afwezigheid; 2° een afschrift van de beschikking tot
aanstelling van een gerechtelijk bewindvoerder; 3° een afschrift van alle beschikkingen getroffen
met toepassing van dit hoofdstuk; 4° de door de vrederechter gevoerde briefwisseling met betrekking
tot het gerechtelijk bewind. Aan het dossier wordt een inventaris van de stukken met vermelding
van de datum van hun neerlegging toegevoegd. § 3. De vrederechter kan aan de gerechtelijk
bewindvoerder, bij een met redenen omklede beslissing, na de overlegging door deze van het verslag bedoeld
in § 1, een bezoldiging toekennen waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan drie procent van
de inkomsten van de goederen van de vermoedelijk afwezige. Naast de bezoldiging worden de gemaakte kosten
vergoed, na door de vrederechter behoorlijk te zijn nagezien. Hij kan hem nochtans, na overlegging van
met redenen omklede staten, een bezoldiging toekennen in verhouding tot de vervulde buitengewone ambtsverrichtingen. Het
is de gerechtelijk bewindvoerder verboden, buiten de in het eerste lid vermelde bezoldigingen, enige
bezoldiging of voordeel, van welke aard ook of van wie ook, te ontvangen met betrekking tot het uitoefenen
van het mandaat van gerechtelijk bewindvoerder. » Art. 7. In hetzelfde Wetboek vervalt het
opschrift : « Hoofdstuk II. - Verklaring van afwezigheid ». Art. 8. Artikel 115 van hetzelfde
Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 115. § 1. De gerechtelijk bewindvoerder heeft
tot taak de goederen van de vermoedelijk afwezige als een goede huisvader te beheren. Hij kan zich in
zijn beheer laten bijstaan door een of meer personen die onder zijn verantwoordelijkheid optreden. §
2. Wanneer de belangen van de gerechtelijk bewindvoerder in strijd zijn met die van de vermoedelijk afwezige,
kan hij slechts optreden krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter. Deze machtiging wordt
verleend bij een met redenen omklede beschikking op verzoek van de gerechtelijk bewindvoerder. De artikelen
1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing. § 3. Bij gebreke van
aanwijzingen in de in artikel 113 bedoelde beschikking, vertegenwoordigt de gerechtelijk bewindvoerder
de vermoedelijk afwezige in alle rechtshandelingen en procedures als eiser of als verweerder, behalve
wanneer de echtgenoot van de vermoedelijk afwezige gemachtigd is om alleen te handelen overeenkomstig
artikel 220, § 2, of artikel 1420. De gerechtelijk bewindvoerder kan slechts krachtens
een bijzondere machtiging van de vrederechter : 1° de vermoedelijke afwezige in rechte vertegenwoordigen
als eiser bij de andere rechtsplegingen en handelingen dan die : - met betrekking tot huurcontracten; -
met betrekking tot bewoning zonder akte of bewijs; - met betrekking tot sociale wetgeving ten
gunste van de vermoedelijk afwezige; - met betrekking tot de burgerlijke partijstelling; -
bedoeld in de artikelen 1187, tweede lid, 1193bis en 1225 van het Gerechtelijk Wetboek; 2°
de roerende en onroerende goederen van de vermoedelijk afwezige vervreemden; 3° leningen aangaan
en hypotheken toestaan alsook toestemming geven tot het doorhalen van een hypothecaire inschrijving,
met of zonder kwijting, en tot de overschrijving van een bevel tot uitvoerend beslag zonder betaling; 4°
berusten in een vordering betreffende onroerende rechten; 5° een nalatenschap, een algemeen
legaat of een legaat onder algemene titel verwerpen of aanvaarden, wat slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving
kan geschieden; 6° een schenking of een legaat onder bijzondere titel aanvaarden; 7°
een pachtovereenkomst of een handelshuurovereenkomst sluiten alsook een handelshuurovereenkomst hernieuwen
en een huurovereenkomst voor een duur van meer dan negen jaar sluiten; 8° een dading aangaan
of een arbitrageovereenkomst sluiten; 9° een onroerend goed aankopen. De vrederechter
wordt geadieerd bij eenzijdig verzoekschrift. Hij wint alle dienstige inlichtingen in; hij kan de mening
vragen van eenieder die hij geschikt acht om hem in te lichten, onverminderd de artikelen 1186 en 1193bis
van het Gerechtelijk Wetboek, inzake verkopingen van onroerende goederen. De artikelen 1026
tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing. Indien de vrederechter dat nuttig
acht, wordt de handelszaak van de vermoedelijk afwezige voortgezet door zijn gerechtelijk bewindvoerder
onder de door de vrederechter vastgestelde voorwaarden. Het bestuur ervan kan worden opgedragen aan een
bijzondere bewindvoerder onder het toezicht van de gerechtelijk bewindvoerder. De bijzondere bewindvoerder
wordt aangewezen door de rechtbank van koophandel op verzoek van de vrederechter. § 4.
Onverminderd het eventueel bestaande huwelijksvermogensstelsel tussen de vermoedelijk afwezige en de
gerechtelijk bewindvoerder, worden de gelden en de goederen van de vermoedelijk afwezige volledig en
duidelijk afgescheiden van het persoonlijk vermogen van de bewindvoerder. De banktegoeden van de vermoedelijk
afwezige worden op zijn naam ingeschreven. » Art. 9. Artikel 116 van hetzelfde Wetboek wordt
vervangen als volgt : « Art. 116. Is de vermoedelijk afwezige betrokken bij een verdeling of
een erfenis, dan wordt hij vertegenwoordigd door de gerechtelijk bewindvoerder aangewezen overeenkomstig
artikel 113. Is er geen bewindvoerder aangewezen en heeft de vermoedelijk afwezige geen algemeen
gevolmachtigde aangewezen om zijn goederen te beheren, dan kan de vrederechter, hetzij ambtshalve, hetzij
op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings, een notaris aanwijzen om hem te
vertegenwoordigen. Iedere verdeling waarbij de vermoedelijk afwezige betrokken is, geschiedt
overeenkomstig artikel 1225 van het Gerechtelijk Wetboek. » Art. 10. Artikel 117 van hetzelfde
Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 117. § 1. Indien de vermoedelijk afwezige
terugkeert, kan hij derdenverzet instellen tegen het vonnis waarbij de rechtbank van eerste aanleg het
vermoeden van afwezigheid heeft vastgesteld. Indien de vermoedelijk afwezige terugkeert of indien
men van hem nieuws ontvangt tijdens de periode van de vermoedelijke afwezigheid, maakt de vrederechter
bij een met redenen omklede beschikking een einde aan het mandaat van de gerechtelijk bewindvoerder,
hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de vermoedelijk afwezige, van de procureur des Konings of van
iedere belanghebbende. De vermoedelijk afwezige krijgt de goederen terug die tijdens de periode
van de vermoedelijke afwezigheid voor zijn rekening werden beheerd of verworven. De handelingen die de
gerechtelijk bewindvoerder of de notaris bedoeld in artikel 116, tweede lid, op regelmatige wijze heeft
verricht, kunnen hem worden tegengeworpen, behalve wanneer daarbij bedrog is gepleegd. §
2. Indien de vermoedelijk afwezige afwezig wordt verklaard, indien hij overleden is of indien hij gerechtelijk
overleden wordt verklaard, maakt de vrederechter bij een met redenen omklede beschikking een einde aan
het mandaat van de gerechtelijk bewindvoerder, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de procureur
des Konings of van iedere belanghebbende. § 3. Onverminderd de toepassing van de artikelen
1358 tot 1369 van het Gerechtelijk Wetboek, dient de gerechtelijk bewindvoerder binnen dertig dagen na
de beschikking waarmee een eind wordt gemaakt aan zijn mandaat, zijn eindverslag in ter griffie van het
vredegerecht. Indien de vermoedelijk afwezige gehuwd was op de dag van zijn verdwijnen en indien
hij afwezig of gerechtelijk overleden wordt verklaard, maakt de gerechtelijk bewindvoerder een inventaris
op van alle roerende en onroerende goederen die deel uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen dat
toebehoort aan de vermoedelijk afwezige en aan zijn echtgenoot, en dient hij de inventaris binnen de
in § 1 bedoelde termijn in ter griffie van het vredegerecht. Indien de vermoedelijk afwezige
wettelijk samenwoonde op de dag van zijn verdwijning en indien hij afwezig of gerechtelijk overleden
wordt verklaard, maakt de gerechtelijk bewindvoerder een inventaris op van alle roerende en onroerende
goederen die geacht worden in onverdeeldheid te zijn op grond van artikel 1478 en dient hij die inventaris
binnen de in het eerste lid bedoelde termijn in ter griffie van het vredegerecht. Hij handelt op dezelfde
wijze ingeval de wettelijk samenwonende van de vermoedelijk afwezige na de vaststelling van het vermoeden
van afwezigheid de wettelijke samenwoning overeenkomstig artikel 1476, § 2, tweede lid, beëindigt.
De ambtenaar van de burgerlijke stand stelt de gerechtelijk bewindvoerder in kennis van de beslissing
om de wettelijke samenwoning te beëindigen. Het eindverslag en, in voorkomend geval, de inventaris
worden bij het dossier bedoeld in artikel 114, § 2, gevoegd. » Art. 11. In boek I, titel
IV, hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek, wordt, na artikel 117, een afdeling II ingevoegd, bestaande uit
de artikelen 118 tot 124, met als opschrift : « Afdeling II. - Verklaring van afwezigheid » Art.
12. Artikel 118 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 15 december 1949, wordt vervangen als
volgt : « Art. 118. § 1. Wanneer er vijf jaar verlopen zijn sinds het vonnis waarbij
het vermoeden van afwezigheid werd vastgesteld, of zeven jaar sinds men voor het laatst nieuws ontvangen
heeft van de afwezige, kan de verklaring van afwezigheid worden uitgesproken door de rechtbank van eerste
aanleg op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings. § 2. De
griffier moet, in voorkomend geval, een eensluidend verklaard afschrift van het vonnis houdende verklaring
van afwezigheid ter kennis brengen van de in artikel 112, § 2, bedoelde vrederechter. » Art.
13. Artikel 119 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 119. Het in artikel
118 bedoelde verzoek wordt, door toedoen van de griffier, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch
Staatsblad, in twee dagbladen verspreid in het gerechtelijk arrondissement van de laatste woonplaats
in België van de afwezige of, indien deze nooit een woonplaats in België heeft gehad, in het gerechtelijk
arrondissement Brussel en in één nationaal verspreid dagblad in de taal van de procedure. De
rechtbank kan alle andere maatregelen bevelen die zij nodig acht om dit verzoek bekend te maken. » Art.
14. In hetzelfde Wetboek vervallen de opschriften « Hoofdstuk III. - Gevolgen van afwezigheid » en «
Afdeling I. - Gevolgen van afwezigheid ten aanzien van de goederen die de afwezige bezat op de dag van
zijn verdwijning ». Art. 15. Artikel 120 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : «
Art. 120. De rechtbank van eerste aanleg mag een vonnis houdende verklaring van afwezigheid eerst wijzen
een jaar na de laatste bekendmaking bepaald in artikel 119, eerste lid. Het vonnis houdende
verklaring van afwezigheid wordt bij uittreksel bekendgemaakt op de wijze bepaald in artikel 119, binnen
de termijn bepaald door de rechtbank. » Art. 16. Artikel 121 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen
als volgt : « Art. 121. § 1. Het beschikkend gedeelte van de beslissing houdende verklaring
van afwezigheid vermeldt de gegevens opgesomd in artikel 79; het stelt, in voorkomend geval, de onmogelijkheid
vast om sommige van die gegevens te vermelden. Op verzoek van de procureur des Konings wordt
het beschikkend gedeelte van de beslissing houdende verklaring van afwezigheid die in kracht van gewijsde
is gegaan, overgeschreven in de lopende registers van de burgerlijke stand van de laatste woonplaats
in België van de afwezige. Heeft deze nooit een woonplaats in België gehad, dan geschiedt de overschrijving
te Brussel. § 2. De beslissing houdende verklaring van afwezigheid die in kracht van
gewijsde is gegaan, geldt als een akte van de burgerlijke stand. Zij heeft alle gevolgen van
het overlijden vanaf de datum van de overschrijving. Deze akte kan worden verbeterd overeenkomstig
artikel 101 van dit Wetboek en de artikelen 1383 tot 1385 van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid
wanneer het bewijs wordt geleverd dat de afwezig verklaarde persoon nog in leven is. » Art.
17. Artikel 122 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 122. Indien de afwezige
terugkeert, kan hij derdenverzet instellen tegen het vonnis van verklaring van afwezigheid uitgesproken
door de rechtbank van eerste aanleg, waarna artikel 121, § 2, derde lid wordt toegepast. Indien
het bewijs van het bestaan van de afwezige geleverd wordt na de dag waarop de beslissing houdende verklaring
van afwezigheid in kracht van gewijsde is gegaan, wordt artikel 121, § 2, derde lid, toegepast.
» Art. 18. Artikel 123 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 123.
Het op grond van artikel 122 gewezen vonnis houdende verbetering wordt bij uittreksel bekendgemaakt op
de bij artikel 119 bepaalde wijze en binnen de door de rechtbank bepaalde termijn. » Art. 19.
Artikel 124 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt vervangen als volgt
: « Art. 124. Indien de afwezige terugkeert of indien het bewijs van zijn bestaan geleverd wordt,
krijgt de afwezige door het vonnis houdende verbetering zijn goederen en de goederen die hij tijdens
zijn afwezigheid had moeten verkrijgen, terug in de staat waarin zij zich bevinden, alsook de prijs van
de goederen die mochten zijn vervreemd, en de goederen die door wederbelegging mochten zijn verkregen. Zijn
huwelijk en zijn huwelijksvermogensstelsel blijven ontbonden. Onverminderd de toepassing van de artikelen
1205 tot 1224 van het Gerechtelijk Wetboek, krijgt de afwezige zijn deel van de goederen van het gemeenschappelijk
vermogen in de staat waarin zij zich bevinden, alsook de prijs van de goederen die mochten zijn vervreemd,
op grond van de inventaris opgemaakt overeenkomstig artikel 117, § 3, tweede lid. Ingeval
de afwezige wettelijk samenwoonde, krijgt hij zijn deel van de goederen die geacht worden in onverdeeldheid
te zijn terug in de staat waarin zij zich bevinden, alsmede het deel van de prijs van de goederen die
mochten zijn vervreemd op grond van de inventaris die werd opgesteld overeenkomstig artikel 117, §
3, derde lid. Er wordt een einde gemaakt aan de maatregelen ten aanzien van de minderjarige
kinderen. » Art. 20. In boek I, titel IV, hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek wordt, na artikel
124, een afdeling III ingevoegd, bestaande uit het artikel 125, met als opschrift : « Afdeling
III. - Gevolgen van de afwezigheid of van het vermoeden van afwezigheid voor de minderjarige kinderen
». Art. 21. Artikel 125 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 125.
Indien er minderjarige kinderen zijn, moet de griffier een eensluidend verklaard afschrift van elke beslissing
gewezen op grond van de artikelen 112, 113, 117, 118 en 122 ter kennis brengen van de territoriaal bevoegde
vrederechter. Deze laatste handelt overeenkomstig de regels voor de voogdij. » Art. 22. In
boek I, titel IV, van hetzelfde Wetboek, wordt een hoofdstuk II ingevoegd, bestaande uit de artikelen
126 tot 135, met als opschrift : « Hoofdstuk lI. - Gerechtelijke verklaring van overlijden ». Art.
23. Artikel 126 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1976, wordt vervangen als volgt
: « Art. 126. Bij ontstentenis van een akte van overlijden, kan de rechtbank van eerste aanleg,
op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings, die ambtshalve optreedt of op verzoek
van de minister van Justitie, het overlijden verklaren van iedere persoon die in levensbedreigende omstandigheden
verdween, indien zijn lichaam niet kon worden teruggevonden of niet kon worden geïdentificeerd, en zijn
overlijden, gelet op de omstandigheden, als zeker kan worden beschouwd. » Art. 24. Artikel
127 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 127. Onverminderd de toepassing
van artikel 1226 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de procureur des Konings het verzoek tot verklaring
van overlijden van diverse personen instellen bij een enkel verzoekschrift en kan de rechtbank in dat
geval uitspraak doen bij een enkel vonnis. » Art. 25. Artikel 128 van hetzelfde Wetboek wordt
vervangen als volgt : « Art. 128. Is de verdwenen persoon betrokken bij een verdeling of een
erfenis, dan gaat de rechtbank, overeenkomstig artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek, over tot het
aanwijzen van de notaris die zijn belangen moet vertegenwoordigen tot het tijdstip waarop het vonnis
houdende verklaring van overlijden wordt uitgesproken. » Art. 26. Artikel 129 van hetzelfde
Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 129. De rechtbank kan bepalen dat het verzoek in
het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. In dat geval bepaalt de rechtbank de termijn tijdens welke
hij, na deze bekendmaking, zijn uitspraak over het verzoek zal opschorten. » Art. 27. Artikel
130 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 130. Binnen vijftien dagen na de
uitspraak brengt de griffier het beschikkend gedeelte van het vonnis bij gerechtsbrief ter kennis van
de partijen. De termijn van hoger beroep bedraagt twee maanden te rekenen van deze kennisgeving. Het
hoger beroep wordt bij verzoekschrift bij het hof van beroep ingesteld. Op straffe van nietigheid moet
het binnen acht dagen na de datum waarop het verzoekschrift is ontvangen bij deurwaardersexploot of bij
een ter post aangetekende brief ter kennis worden gebracht van de griffie van de rechtbank die de bestreden
beslissing heeft gewezen. De griffier maakt van het beroep melding op de kant van de bestreden beslissing.
De regels die gelden in eerste aanleg zijn van toepassing voor hoger beroep. De griffier van
het hof van beroep geeft kennis van het arrest overeenkomstig de bepalingen die gelden in eerste aanleg.
De termijn voor voorziening in cassatie bedraagt één maand vanaf deze kennisgeving. De termijn
voor voorziening in cassatie en de voorziening tegen het arrest waarbij het overlijden wordt vastgesteld
hebben schorsende kracht. » Art. 28. Artikel 131 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als
volgt : « Art. 131. De gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden stelt de datum
van het overlijden vast, rekening houdend met de vermoedens voortvloeiend uit de omstandigheden van de
zaak; zo niet stelt ze die datum vast op de dag van de verdwijning. Deze datum mag niet onbepaald zijn. Het
beschikkend gedeelte van de gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden bevat de in artikel
79 omschreven vermeldingen; het stelt in voorkomend geval de onmogelijkheid vast melding te maken van
sommige ervan. » Art. 29. Artikel 132 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : «
Art. 132. Op verzoek van de procureur des Konings wordt het beschikkend gedeelte van de in kracht van
gewijsde gegane gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden overgeschreven in de lopende registers
van de burgerlijke stand van de laatste woonplaats van de overledene in België. Ingeval deze persoon
nooit zijn woonplaats in België heeft gehad, geschiedt de overschrijving te Brussel. In geval
van een collectief vonnis geschiedt de overschrijving overeenkomstig het eerste lid, bij uittreksels
in de registers. Van de overschrijving wordt melding gemaakt in de tabellen van de registers
van het jaar van overlijden. » Art. 30. Artikel 133 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als
volgt : « Art. 133. De in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing tot verklaring
van overlijden geldt als akte van de burgerlijke stand. Zij heeft uitwerking op de datum van
het overlijden dat erin wordt verklaard. De akte die deze beslissing vormt, kan worden verbeterd
overeenkomstig de bepalingen van artikel 101 van dit Wetboek en de artikelen 1383 tot 1385 van het Gerechtelijk
Wetboek, inzonderheid wanneer het bewijs wordt geleverd dat de overleden verklaarde persoon nog in leven
is. De vonnissen en arresten waarbij een verzoek tot verklaring van overlijden wordt afgewezen,
beletten niet dat een soortgelijk verzoek later ontvankelijk zou zijn, ingeval het gegrond is op nieuw
bewijsmateriaal. » Art. 31. Artikel 134 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij deze wet, wordt
hersteld in de volgende lezing : « Art. 134. Indien de persoon die gerechtelijk overleden is
verklaard terugkeert, worden de artikelen 123 en 124 toegepast. » Art. 32. In hetzelfde Wetboek
vervalt het opschrift « Afdeling II. - Gevolgen van afwezigheid ten aanzien van de rechten die aan de
afwezige mochten opkomen. ». Art. 33. Artikel 135 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij deze
wet, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 135. De hoofdgriffiers van de hoven en rechtbanken
stellen de minister van Buitenlandse Zaken onmiddellijk in kennis van enige krachtens dit hoofdstuk gevoerde
rechtspleging. » Art. 34. De artikelen 136 tot 139 van hetzelfde Wetboek, evenals het artikel
142, gewijzigd bij de wet van 29 april 2001, worden opgeheven. Art. 35. In hoofdstuk III van
hetzelfde Wetboek « Gevolgen van afwezigheid » worden de volgende wijzigingen aangebracht : A.
Het opschrift « Afdeling III. - Gevolgen van afwezigheid ten aanzien van het huwelijk » vervalt; B.
Het opschrift « Afdeling IV. - Gevolgen van afwezigheid ten aanzien van de kinderen » vervalt. Art.
36. 1° In artikel 214, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt
het woord « afwezig » vervangen door de woorden « vermoedelijk afwezig ». 2° In artikel 220,
§ 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt het woord « afwezig »
vervangen door de woorden « vermoedelijk afwezig ». 3° In artikel 316 van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 31 maart 1987, worden de woorden « uit een vonnis van afwezigheidsverklaring
» vervangen door de woorden « uit een beslissing houdende vaststelling van het vermoeden van afwezigheid
». 4° In artikel 348-2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden
de woorden « afwezig is verklaard » vervangen door de woorden « vermoedelijk afwezig is ». 5°
In artikel 348-3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden de
woorden « afwezig is verklaard » vervangen door de woorden « vermoedelijk afwezig is ». 6° In
artikel 348-5, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden de woorden
« afwezig zijn verklaard » vervangen door de woorden « vermoedelijk afwezig zijn ». 7° In artikel
348-6, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden de woorden «
afwezig is verklaard » vervangen door de woorden « vermoedelijk afwezig is ». 8° In artikel
348-7 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, worden de woorden « afwezig zijn
verklaard » vervangen door de woorden « vermoedelijk afwezig zijn ». 9° In artikel 375, eerste
lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, wordt het woord « afwezig » vervangen
door de woorden « vermoedelijk afwezig ». 10° Artikel 817, tweede lid, van hetzelfde Wetboek,
wordt opgeheven. 11° In artikel 1031, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, wordt het woord « afwezigen
» vervangen door de woorden « vermoedelijk afwezigen ». 12° In artikel 1676, tweede lid, van
hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 13 februari 2003, wordt het woord « afwezigen » vervangen
door de woorden « vermoedelijk afwezigen ». 13° In artikel 16, III, van boek III, titel VIII,
hoofdstuk II, afdeling IIbis, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 april 1951 en gewijzigd
bij de wet van 13 februari 2003, worden de woorden « de afwezige » vervangen door de woorden « de vermoedelijk
afwezige ». 14° Artikel 75, tweede lid, van boek III, titel XVIII, van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 16 december 1851, wordt opgeheven. 15° In artikel 840 van hetzelfde Wetboek wordt
het woord « afwezig » vervangen door de woorden « vermoedelijk afwezig ». HOOFDSTUK III. - Wijzigingen
van het Gerechtelijk Wetboek Art. 37. In artikel 598, eerste lid, 1°, van het Gerechtelijk
Wetboek, vervangen bij de wet van 18 juli 1991, wordt het woord « afwezigen » vervangen door de woorden
« vermoedelijk afwezigen ». Art. 38. In artikel 764, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 3 augustus 1992, worden de woorden « betreffende de inbezitstelling van de goederen
van een afwezige » vervangen door de woorden « betreffende het vermoeden of de verklaring van afwezigheid
en de gerechtelijke verklaring van overlijden ». Art. 39. In artikel 1151, 2°, van hetzelfde
Wetboek wordt het woord « afwezig » vervangen door de woorden « vermoedelijk afwezig ». Art.
40. In artikel 1186, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 29 april 2001 en gewijzigd
bij de wet van 3 mei 2003, worden de woorden « aan vermoedelijk afwezigen, » ingevoegd tussen de woorden
« aan minderjarigen, » en de woorden « aan onbekwaamverklaarden ». Art. 41. In artikel 1187,
eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 29 april 2001, worden de woorden « vermoedelijk
afwezigen, » ingevoegd tussen de woorden « aan minderjarigen, » en het woord « onbekwaamverklaarden ». Art.
42. In artikel 1187, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 29 april 2001, worden
de woorden « vermoedelijk afwezigen, » ingevoegd tussen het woord « minderjarigen, » en het woord « onbekwaamverklaarden
». Art. 43. Artikel 1188 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven. Art. 44. In artikel
1225 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 18 juli 1991, worden de woorden « en van afwezigen
» vervangen door de woorden « en van verdwenen personen, als bedoeld in artikel 128 van het Burgerlijk
Wetboek, en van vermoedelijk afwezigen ». Art. 45. Het opschrift van hoofdstuk VII van het
vierde deel, boek IV, van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt : « Hoofdstuk VII. -
Vermoeden en verklaring van afwezigheid en gerechtelijke verklaring van overlijden ». Art. 46.
Artikel 1226 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 1226. § 1. Verzoeken
op grond van de artikelen 112, 118, 126 en 127 van het Burgerlijk Wetboek worden bij verzoekschrift ingesteld,
vergezeld van de stukken tot staving. De artikelen 1026 tot 1034 zijn van toepassing, onverminderd
de bepalingen die volgen, artikel 112 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 118 tot 135 van hetzelfde
Wetboek. § 2. Het verzoekschrift vermeldt, op straffe van nietigheid : 1° de
dag, de maand en het jaar; 2° de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker
evenals de graad van verwantschap of de aard van de betrekkingen die bestaan tussen de verzoeker en de
verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon; 3° het onderwerp en in het kort de gronden van het
verzoek; 4° de naam, de voornaam, de verblijfplaats of de woonplaats van de verdwenen of vermoedelijk
afwezige persoon en, in voorkomend geval, van de echtgenoot, de samenwonende en de bloed- en aanverwanten
in de erfelijke graad van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon; 5° de aanwijzing van
de rechter die ervan kennis moet nemen. Wanneer de aanvraag gegrond is op artikel 126 van het
Burgerlijk Wetboek, bevat het verzoekschrift, op straffe van nietigheid, de naam, voornaam en woonplaats
van de notaris die de belangen van de verdwenen persoon moet vertegenwoordigen bij iedere verdeling of
erfenis die hem kan aanbelangen, tot het tijdstip waarop het vonnis wordt uitgesproken. Het
verzoekschrift moet worden ondertekend door de verzoeker, door zijn notaris of zijn advocaat. Indien
de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon een woonplaats in België heeft gehad, moet het verzoekschrift
vergezeld zijn van een attest van woonplaats van deze persoon dat ten hoogste vijftien dagen oud is. Het
verzoekschrift vermeldt bovendien, voor zover mogelijk, de plaats en datum van geboorte van de verdwenen
of vermoedelijk afwezige persoon, alsmede de aard en de samenstelling van de te beheren goederen. Als
het verzoekschrift onvolledig is, vraagt de rechter de verzoeker om het binnen de door hem vooropgestelde
termijn aan te vullen. § 3. De procureur des Konings wint alle dienstige inlichtingen
in, in voorkomend geval bij de echtgenoot, de samenwonende en de bloed- en aanverwanten tot de vierde
graad van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon. Ingeval de verdwijning in het buitenland
is gebeurd, kan hij bovendien de medewerking vorderen van de federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken
en van de Belgische diplomatieke en consulaire ambtenaren in het buitenland. Deze verstrekken hem alle
inlichtingen en afschriften van documenten die hij nuttig acht voor het voortzetten van het onderzoek. De
rechtbank doet uitspraak na het advies van het openbaar ministerie te hebben gehoord. §
4. Daarenboven verwittigt de griffier bij gerechtsbrief de in het verzoekschrift vermelde familieleden
dat er een verzoekschrift werd ingediend. De personen die bij gerechtsbrief worden opgeroepen,
worden aldus partij in het geding, tenzij zij zich er ter zitting tegen verzetten. De griffier geeft
de partijen kennis ervan in de gerechtsbrief. Deze kunnen persoonlijk op de zitting verschijnen
en vragen om gehoord te worden. Zij kunnen ook hun opmerkingen schriftelijk vóór de dag van de zitting
aan de rechter meedelen. » Art. 47. Artikel 1227 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als
volgt : « Art. 1227. § 1. Onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek waarbij
het aanhangig maken bij de rechter ambtshalve wordt toegestaan, worden de verzoeken op grond van de artikelen
113 tot 117 van het Burgerlijk Wetboek bij verzoekschrift ingesteld, vergezeld van de stukken tot staving. De
artikelen 1026 tot 1034 zijn van toepassing, onverminderd de bepalingen die volgen. §
2. Het verzoekschrift vermeldt, op straffe van nietigheid, de gegevens bedoeld in artikel 1226, §
2, eerste lid. Het bevat daarenboven, op straffe van nietigheid, de naam, de voornaam en de woonplaats
van de gerechtelijk bewindvoerder. Het verzoekschrift moet worden ondertekend door de verzoeker,
door zijn notaris of zijn advocaat. Het verzoekschrift vermeldt bovendien, voor zover mogelijk,
de plaats en datum van geboorte van de vermoedelijk afwezige persoon, alsmede de aard en de samenstelling
van de te beheren goederen. Als het verzoekschrift onvolledig is, vraagt de rechter de verzoeker
om het binnen acht dagen aan te vullen. § 3. De procureur des Konings wint alle dienstige
inlichtingen in bij de gerechtelijk bewindvoerder en, in voorkomend geval, bij de echtgenoot, de samenwonende
en de bloed- en aanverwanten tot de vierde graad van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon. De
rechtbank doet uitspraak na het advies van het openbaar ministerie te hebben gehoord. §
4. Daarenboven verwittigt de griffier bij gerechtsbrief de in het verzoekschrift vermelde gerechtelijk
bewindvoerder en familieleden dat er een verzoekschrift werd ingediend. De personen die bij
gerechtsbrief worden opgeroepen, worden aldus partij in het geding, tenzij zij zich er ter zitting tegen
verzetten. De griffier geeft de partijen kennis ervan in de gerechtsbrief Deze personen kunnen
persoonlijk op de zitting verschijnen en vragen om gehoord te worden. Zij kunnen ook hun opmerkingen
schriftelijk vóór de dag van de zitting aan de rechter meedelen. » HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen
van het Strafwetboek Art. 48. In artikel 31, 5°, van het Strafwetboek, vervangen bij de wet
van 29 april 2001, worden de woorden « , gerechtelijk bewindvoerder over de goederen van een vermoedelijk
afwezige » ingevoegd tussen de woorden « gerechtelijk raadsman » en de woorden « of voorlopig bewindvoerder
». HOOFDSTUK V. - Wijzigingen van het Wetboek der Successierechten Art. 49. Artikel
3 van het Wetboek der Successierechten wordt opgeheven. Art. 50. Artikel 40, tweede lid, van
hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt : « In geval van gerechtelijke verklaring van overlijden,
begint de termijn te lopen, zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. » HOOFDSTUK VI Wijzigingen
van het Wetboek van internationaal privaatrecht Art. 51. In artikel 41, eerste lid, van de
wet houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht van 16 juli 2004 worden de woorden « door het
recht van de Staat waarvan de persoon bij zijn verdwijning de nationaliteit had. » vervangen door de
woorden « door het recht van de Staat waarvan de persoon bij zijn verdwijning de nationaliteit had, of
als het recht een dergelijk instituut niet kent, door het recht van de Staat op wiens grondgebied de
persoon bij zijn verdwijning zijn gewone verblijfplaats had. » HOOFDSTUK VII. - Wijziging van
de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen Art.
52. In artikel 3, eerste lid, 6°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister
van de natuurlijke personen, worden de woorden « de plaats en datum van overlijden; » vervangen door
de woorden « de plaats en datum van het overlijden, of, in het geval van een verklaring van afwezigheid,
de datum van de overschrijving van de beslissing houdende verklaring van afwezigheid; » HOOFDSTUK
VIII. - Opheffingsbepaling Art. 53. De wet van 28 juli 1921 op de geldigverklaring van de akten
van de burgerlijke stand, de verbetering van de tijdens de oorlog opgemaakte akten van overlijden en
de rechterlijke bevestiging van het overlijden alsook de wet van 20 augustus 1948 betreffende de verklaringen
van overlijden en van vermoedelijk overlijden, alsmede betreffende de overschrijving en de administratieve
verbetering van sommige akten van overlijden, worden opgeheven. HOOFDSTUK IX. - Overgangsbepalingen Art.
54. Deze wet is van toepassing op personen die, vóór haar inwerkingtreding, verdwenen zijn of niet meer
verschenen zijn in hun woon- of verblijfplaats en van wie men geen tijding heeft ontvangen. Art.
55. Wanneer uitspraak is gedaan volgens de oude artikelen 112 en 113 van het Burgerlijk Wetboek, kunnen
de voorgeschreven maatregelen indien nodig worden gewijzigd in de vorm en onder de voorwaarden bepaald
in de nieuwe artikelen 112 tot 117 van dat Wetboek. Art. 56. Wanneer het verzoekschrift tot
verklaring van afwezigheid is ingediend vóór de inwerkingtreding van deze wet, wordt het verzoek behandeld
en berecht volgens de oude wet; het vonnis houdende verklaring van afwezigheid zal de gevolgen hebben
die aan die wet verbonden zijn. Art. 57. Elk vonnis houdende verklaring van afwezigheid gewezen
vóór de inwerkingtreding van deze wet of na de inwerkingtreding ervan, met toepassing van artikel 49
zal na verloop van vijf jaar te rekenen van de bekendmaking ervan, de gevolgen hebben die deze wet eraan
verbindt. Art. 58. De bepalingen van deze wet betreffende de gerechtelijke verklaring van overlijden
zijn van overeenkomstige toepassing op de aan gang zijnde procedures, inclusief die welke worden gevolgd
overeenkomstig de wet van 28 juli 1921 op de geldigverklaring van de akten van de burgerlijke stand,
de verbetering van de tijdens de oorlog opgemaakte akten van overlijden en de rechterlijke bevestiging
van het overlijden en de wet van 20 augustus 1948 betreffende de verklaringen van overlijden en van vermoedelijk
overlijden, alsmede betreffende de overschrijving en de administratieve verbetering van sommige akten
van overlijden. Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed
en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 9 mei 2007. ALBERT Van
Koningswege : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX Met 's Lands zegel
gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota
(1) Gewone zitting 2003-2004. Kamer van volksvertegenwoordigers : Stukken.
- Wetsvoorstel van de heren Borginon, Marinower en Mevr. Taelman, 51-0614 - Nr. 001. - Amendementen,
51-0614 - Nr. 002. - Advies van de Raad van State, 51-0614 - Nr. 003. - Amendementen. 51-0614 - Nrs.
004 tot 007. - Verslag, 51-0614 - Nr. 008. - Tekst aangenomen door de commissie (art. 77 van de Grondwet),
51-0614 - Nr. 009. - Tekst aangenomen door de commissie (art. 78 van de Grondwet), 51-0614 - Nr. 010.
- Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat (art. 78 van de Grondwet), 51-0614
- Nr. 011. Zie ook : integraal verslag : 6 juli 2006. Gewone zitting 2006-2007. Senaat
: Stukken. Ontwerp geëvoceerd door de Senaat, 3-1792 - Nr. 1. - Amendementen, 3-1792 - Nrs.
2 tot 4. - Verslag, 3-1792 - Nr. 5. - Tekst aangenomen door de commissie, 3-1792 - Nr. 6. - Tekst geamendeerd
door de Senaat en teruggezonden naar de Kamer van volksvertegenwoordigers, 3-1792 - Nr. 7. Zie
ook : handelingen van de Senaat : 8 maart 2007. Kamer van volksvertegenwoordigers : Stukken.
- Ontwerp geamendeerd door de Senaat, 51-0614 - 012. - Verslag, 51-0614 - 013. - Tekst verbeterd door
de commissie, 51-0614 - 014. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging
voorgelegd, 51-0614 - 015. Zie ook : integraal verslag : 24 en 25 april 2007.