27 APRIL 2007. - Wet betreffende de hervorming van de echtscheiding (1)
ALBERT II, Koning
der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben
aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling Artikel
1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. HOOFDSTUK
II. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek Art. 2. Artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek,
vervangen bij de wet van 28 oktober 1974, wordt vervangen als volgt : « Art. 229. § 1.
De echtscheiding wordt uitgesproken wanneer de rechter vaststelt dat het huwelijk onherstelbaar ontwricht
is. Het huwelijk is onherstelbaar ontwricht wanneer de voortzetting van het samenleven tussen de echtgenoten
en de hervatting ervan redelijkerwijs onmogelijk is geworden ingevolge die ontwrichting. Het bewijs van
de onherstelbare ontwrichting kan met alle wettelijke middelen worden geleverd. § 2.
De onherstelbare ontwrichting bestaat wanneer de aanvraag gezamenlijk wordt gedaan door de twee echtgenoten,
na meer dan zes maanden feitelijk gescheiden te zijn of wanneer de aanvraag tot tweemaal toe werd gedaan
overeenkomstig artikel 1255, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek. § 3. De onherstelbare
ontwrichting bestaat ook wanneer de aanvraag wordt gedaan door één enkele echtgenoot na meer dan één
jaar feitelijke scheiding of wanneer de aanvraag tot tweemaal toe werd gedaan overeenkomstig artikel
1255, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek. » Art. 3. Artikel 230 van hetzelfde Wetboek,
opgeheven bij de wet van 28 oktober 1974, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 230.
De echtgenoten kunnen ook door onderlinge toestemming uit de echt scheiden volgens de voorwaarden die
vastgesteld zijn in deel IV, boek IV, hoofdstuk XI, afdeling 2, van het Gerechtelijk Wetboek. » Art.
4. In hetzelfde Wetboek worden opgeheven : 1° artikel 231; 2° artikel 232, hersteld
bij de wet van 1 juli 1974 en gewijzigd bij de wetten van 2 december 1982 en 16 april 2000; 3°
artikel 233; 4° artikel 275, vervangen bij de wet van 20 november 1969 en gewijzigd bij de wetten
van 19 januari 1990 en 20 mei 1997; 5° artikel 276, vervangen bij de wet van 20 mei 1997. Art.
5. Artikel 299 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 299. Behoudens overeenkomst
in tegenovergestelde zin verliezen de echtgenoten alle voordelen die ze elkaar bij huwelijksovereenkomst
en sinds het aangaan van het huwelijk hebben toegekend. ». Art. 6. Artikel 300 van hetzelfde
Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt opgeheven. Art. 7. Artikel 301 van hetzelfde
Wetboek, vervangen bij de wet van 9 juli 1975 en gewijzigd bij de wet van 20 mei 1997, wordt vervangen
als volgt : « Art. 301. § 1. Onverminderd artikel 1257 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen
de echtgenoten op elk ogenblik overeenkomen omtrent de eventuele uitkering tot levensonderhoud, het bedrag
ervan en de nadere regels volgens welke het overeengekomen bedrag zal kunnen worden herzien. §
2. Bij gebrek aan overeenkomst zoals bedoeld in § 1, kan de rechtbank in het vonnis dat de echtscheiding
uitspreekt of bij een latere beslissing, op verzoek van de behoeftige echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud
toestaan ten laste van de andere echtgenoot. De rechtbank kan het verzoek om een uitkering weigeren
indien de verweerder bewijst dat verzoeker een zware fout heeft begaan die de voortzetting van de samenleving
onmogelijk heeft gemaakt. In geen geval wordt de uitkering tot levensonderhoud toegekend aan
de echtgenoot die schuldig werd bevonden aan een in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van
het Strafwetboek bedoeld feit dat is gepleegd tegen de persoon van de verweerder of aan een poging tot
het plegen van een in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek bedoeld feit tegen diezelfde
persoon. In afwijking van artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering
kan de rechter in afwachting dat de beslissing over de strafvordering in kracht van gewijsde is getreden,
aan de verzoeker een provisionele uitkering toekennen, hierbij rekening houdend met alle omstandigheden
van de zaak. Hij kan het toekennen van deze provisionele uitkering ondergeschikt maken aan het stellen
van een waarborg die hij bepaalt en waarvoor hij de nadere regels vaststelt. § 3. De
rechtbank legt het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de
uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden
van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde.
Om die terugval te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd
van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen
van de kinderen tijdens het samenleven of daarna. De rechter kan indien nodig beslissen dat de uitkering
degressief zal zijn en in welke mate. De onderhoudsuitkering mag niet hoger liggen dan een derde
van het inkomen van de uitkeringsplichtige echtgenoot. § 4. De duur van de uitkering
mag niet langer zijn dan die van het huwelijk. In geval van buitengewone omstandigheden, kan
de rechtbank de termijn verlengen, indien de uitkeringsgerechtigde aantoont dat hij bij het verstrijken
van de in het eerste lid bedoelde termijn, om redenen onafhankelijk van zijn wil, nog steeds in staat
van behoefte verkeert. In dit geval beantwoordt het bedrag van de uitkering aan het bedrag dat noodzakelijk
is om de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde te dekken. § 5. Indien de verweerder
aantoont dat de staat van behoefte van verzoeker het gevolg is van een eenzijdig door deze laatste genomen
beslissing en zonder dat de noden van de familie deze keuze gerechtvaardigd hebben, kan hij worden ontheven
van het betalen van de uitkering of slechts verplicht worden tot het betalen van een verminderde uitkering. §
6. De rechtbank die de uitkering toekent, stelt vast dat deze van rechtswege aangepast wordt aan de schommelingen
van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Het basisbedrag van de uitkering stemt overeen
met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand gedurende welke het vonnis of het arrest dat
de echtscheiding uitspreekt, kracht van gewijsde heeft verkregen, tenzij de rechtbank er anders over
beslist. Om de twaalf maanden wordt het bedrag van de uitkering van rechtswege aangepast in verhouding
tot de verhoging of de verlaging van het indexcijfer van de consumptieprijzen van de overeenstemmende
maand. Deze wijzigingen worden op de uitkeringen toegepast vanaf de vervaldag die volgt op de
bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het in aanmerking te nemen nieuwe indexcijfer. De
rechtbank kan nochtans in bepaalde omstandigheden een ander systeem van aanpassing van de uitkering aan
de kosten van levensonderhoud toepassen. § 7. Zelfs in geval van echtscheiding door onderlinge
toestemming, en uitgezonderd indien de partijen in dat geval uitdrukkelijk het tegenovergestelde zijn
overeengekomen, kan de rechtbank de uitkering verhogen, verminderen of afschaffen in het vonnis dat de
echtscheiding uitspreekt of door een latere beslissing, indien ten gevolge van nieuwe omstandigheden
onafhankelijk van de wil van de partijen het bedrag ervan niet meer aangepast is. Indien ten
gevolge van de ontbinding van het huwelijk, de vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk vermogen
of van de onverdeeldheid die tussen de echtgenoten bestond, aanleiding geeft tot een wijziging van hun
financiële toestand, die een aanpassing rechtvaardigt van de uitkering tot levensonderhoud welke het
voorwerp was van een vonnis of overeenkomst, gewezen of gesloten vóór de opmaak van de vereffeningsrekeningen,
kan de rechtbank eveneens de uitkering aanpassen, tenzij in geval van echtscheiding door onderlinge toestemming. §
8. De uitkering kan op elk ogenblik worden vervangen door een kapitaal mits een door de rechtbank gehomologeerd
akkoord tussen de partijen. Op verzoek van de uitkeringsplichtige, kan de rechtbank eveneens op elk ogenblik
de omzetting in een kapitaal toestaan. § 9. De echtgenoten kunnen voor de ontbinding
van het huwelijk geen afstand doen van de rechten op een uitkering tot levensonderhoud. Zij
mogen in de loop van de procedure evenwel tot een vergelijk komen over het bedrag van die uitkering,
met inachtneming van de in artikel 1257 van het Gerechtelijk Wetboek gestelde voorwaarden. §
10. De uitkering is niet meer verschuldigd bij overlijden van de uitkeringsplichtige, maar de uitkeringsgerechtigde
mag levensonderhoud vorderen ten laste van de nalatenschap volgens de in artikel 205bis, §§
2, 3, 4 en 5, bepaalde voorwaarden. De uitkering eindigt in ieder geval definitief in geval
van een nieuw huwelijk van de uitkeringsgerechtigde of op het ogenblik waarop deze laatste een verklaring
van wettelijke samenwoning doet, tenzij de partijen anders overeenkomen. De rechter kan de onderhoudsverplichting
beëindigen wanneer de uitkeringsgerechtigde samenleeft met een andere persoon als waren zij gehuwd. §
11. De rechtbank kan beslissen dat in geval de uitkeringsplichtige zijn verplichting tot betaling niet
nakomt, het de uitkeringsgerechtigde toegestaan is diens inkomsten of diens goederen die hij overeenkomstig
hun huwelijksvermogensstelsel beheert, alsmede alle andere bedragen die hem door derden verschuldigd
zijn, in ontvangst te nemen. Deze beslissing kan worden tegengeworpen aan elke derde, huidige
of toekomstige schuldenaar, op grond van de kennisgeving ervan die hen door de griffier gedaan wordt
op verzoek van de eiser. § 12. De rechtbank die een uitspraak doet inzake een uitkering
tot levensonderhoud mag ambtshalve de voorlopige uitvoering van de beslissing bevelen. » Art.
8. Artikel 301bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 9 juli 1975 en gewijzigd bij de wet
van 20 mei 1997, wordt opgeheven. Art. 9. In artikel 302 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij
de wet van 13 april 1995, worden de woorden "een overeenkomst tussen partijen die behoorlijk werd bekrachtigd
zoals bepaald is in artikel 1258" vervangen door de woorden "een overeenkomst tussen partijen die gehomologeerd
werd zoals bepaald is in artikel 1256". Art. 10. In artikel 304 van hetzelfde Wetboek wordt
het woord "toegestane" vervangen door het woord "uitgesproken". Art. 11. In hetzelfde Wetboek
worden opgeheven : 1° artikel 306, hersteld bij de wet van 1 juli 1974; 2° artikel
307, hersteld bij de wet van 1 juli 1974 en gewijzigd bij de wet van 14 juli 1976; 3° artikel
307bis, ingevoegd bij de wet van 1 juli 1974. Art. 12. Artikel 308 van hetzelfde Wetboek, opgeheven
bij de wet van 15 december 1949, hersteld bij de wet van 27 januari 1960 en gewijzigd bij de wet van
27 juni 1960, wordt vervangen als volgt : « Art. 308. Na uitspraak van de scheiding van tafel
en bed blijft de plicht van hulp bestaan. » . Art. 13. Artikel 311bis van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 8 april 1965 en gewijzigd bij de wetten van 14 juli 1976 en 20 mei 1997, wordt
vervangen als volgt : « Art. 311bis. De artikelen 229, 299, 302 en 304 van hetzelfde Wetboek
zijn van toepassing bij scheiding van tafel en bed. » . Art. 14. In artikel 316bis van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2006, worden de woorden "1258, § 2" vervangen door het
getal "1256". Art. 15. In artikel 1428 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli
1976 en gewijzigd bij de wet van 29 april 2001, worden de woorden "vermeld in de artikelen 229, 231 en
232" vervangen door de woorden "vermeld in artikel 229". Art. 16. In artikel 1429, eerste lid
van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, worden de woorden "vermeld in de artikelen
229, 231 en 232" vervangen door de woorden "vermeld in artikel 229". Art. 17. Artikel 1447,
tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976 en gewijzigd bij de wet van
28 januari 2003, wordt vervangen als volgt : « Behoudens uitzonderlijke omstandigheden wordt
het verzoek ingewilligd dat uitgaat van de echtgenoot die slachtoffer is van een feit als bedoeld in
de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek of van een poging tot een feit als
bedoeld in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek, wanneer de andere echtgenoot uit
dien hoofde is veroordeeld bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. ». Art. 18. In
artikel 1459, eerste lid van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, worden de woorden
"vermeld in de artikelen 229, 231 en 232" vervangen door de woorden "vermeld in artikel 229". HOOFDSTUK
III. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek Art. 19. In artikel 628, 1°, van het Gerechtelijk
Wetboek worden de woorden "op grond van bepaalde feiten of een vordering tot omzetting van de scheiding
van tafel en bed in echtscheiding" vervangen door de woorden "op grond van onherstelbare ontwrichting". Art.
20. In artikel 1016bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 mei 1987, vervallen
de woorden "als grond tot echtscheiding". Art. 21. In boek IV, hoofdstuk XI, van het vierde
deel van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het opschrift van
afdeling I wordt vervangen als volgt : « Afdeling I - De echtscheiding op grond van onherstelbare
ontwrichting"; 2° afdeling IV wordt opgeheven. Art. 22. Artikel 1254 van hetzelfde
Wetboek, vervangen bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wet van 20 mei 1997, wordt vervangen
als volgt : « Art. 1254. § 1. Tenzij ze is gegrond op artikel 229, § 1, van het
Burgerlijk Wetboek, kan de vordering wegens onherstelbare ontwrichting worden ingesteld bij verzoekschrift
zoals bepaald in de artikelen 1034bis en volgende. Naast de gewoonlijke vermeldingen waaronder
de identiteit van de betrokken partijen bevat de gedinginleidende akte in voorkomend geval de vermelding
van de identiteit van de minderjarige ongehuwde en niet ontvoogde kinderen waarvan beide echtgenoten
de ouders zijn, van de kinderen die zij hebben geadopteerd, van de kinderen van een van hen die de andere
heeft geadopteerd, van elk kind van elk van de echtgenoten waarvan de afstamming is vastgesteld, evenals
van elk kind dat ze samen opvoeden. De gedinginleidende akte bevat, in voorkomend geval, een
gedetailleerde beschrijving van de feiten en, in de mate van het mogelijke, alle verzoeken met betrekking
tot de gevolgen van de echtscheiding, onverminderd § 5. De gedinginleidende akte kan
ook de eventuele vorderingen bevatten inzake de voorlopige maatregelen met betrekking tot de persoon,
het levensonderhoud en de goederen, van zowel de partijen als de minderjarige ongehuwde en niet ontvoogde
kinderen waarvan beide echtgenoten de ouders zijn, de kinderen die zij hebben geadopteerd en de kinderen
van een van hen die de andere heeft geadopteerd. Als de eiser wenst dat die vorderingen onmiddellijk
in kort geding worden ingeleid, dan wordt de vordering bij gerechtsdeurwaardersexploot ingeleid met dagvaarding
om te verschijnen voor de voorzitter, zitting houdend in kort geding, zoals bepaald in artikel 1280,
en voor de rechtbank. Bij de gedinginleidende akte dienen voor ieder van de echtgenoten en de
eventuele kinderen, hiervoor opgesomd, door de verzoekende partij te worden toegevoegd : 1°
een bewijs van identiteit, van nationaliteit en van de inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen-
of wachtregister; 2° de akten van geboorte van de hierboven vermelde kinderen; 3° een
voor eensluidend verklaard afschrift van de laatste huwelijksakte en van de laatste huwelijksovereenkomst; 4°
indien deze verschilt met de verblijfplaats die in het Rijksregister is vermeld, het bewijs van de huidige
verblijfplaats of, in voorkomend geval, een bewijs van de gewone verblijfplaats in België sinds meer
dan drie maanden. Indien de voorgelegde documenten in een vreemde taal zijn opgemaakt, kan de
griffie om een voor eensluidend verklaarde vertaling ervan verzoeken. § 2. De betrokkenen
worden ervan vrijgesteld de diverse in § 1 vermelde bewijzen van identiteit, van nationaliteit
en van inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister over te leggen, voor zover de respectieve
betrokkenen op de datum van de gedinginleidende akte zijn opgenomen in het Rijksregister van de natuurlijke
personen, opgericht bij de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke
personen. De in dit register opgenomen gegevens gelden tot bewijs van het tegendeel. De griffier van
de rechtbank controleert in dat geval de identiteitsgegevens aan de hand van het Rijksregister en voegt
een uittreksel uit het Rijksregister bij het dossier. Er geldt tevens vrijstelling van het overleggen
van : 1° de in § 1 vermelde geboorteakten voor zover de betrokken kinderen in België
geboren zijn; 2° de huwelijksakte, indien het huwelijk in België plaatsvond. In beide
gevallen vraagt de griffie van de rechtbank zelf afschrift van de akte op bij de houder van het register.
Hetzelfde geldt wanneer de akte in België is overgeschreven en de griffie de plaats van de overschrijving
ervan kent. § 3. De bepalingen van § 2 zijn niet van toepassing op een vordering
in kort geding. Ze zijn evenmin van toepassing op personen die zijn ingeschreven in het wachtregister. §
4. Als de vermeldingen van de akte van rechtsingang onvolledig zijn of indien de griffie bepaalde informatie
niet tijdig kon verkrijgen voor de inleidende zitting, nodigt de rechter de meest gerede partij uit de
nodige inlichtingen te verstrekken of het dossier van de procedure te vervolledigen. Elke partij kan
ook zelf het initiatief nemen om het dossier samen te stellen. § 5. Tot aan de sluiting
van de debatten kunnen de partijen of een van de partijen de zaak of het voorwerp van de vordering uitbreiden
of wijzigen, tegenvorderingen of aanvullende vorderingen inleiden, en dit aan de hand van op tegenspraak
genomen conclusies of door conclusies die aan de andere echtgenoot worden meegedeeld bij gerechtsdeurwaarders-exploot
of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs. » Art. 23. Artikel 1255 van hetzelfde
Wetboek, vervangen bij de wet van 30 juni 1994, wordt vervangen als volgt : « Art. 1255. §
1. Indien de echtscheiding door de partijen gezamenlijk gevorderd wordt op grond van artikel 229, §
2, van het Burgerlijk Wetboek, wordt het verzoekschrift ondertekend door iedere echtgenoot of ten minste
door een advocaat of een notaris. Als vaststaat dat de partijen sinds meer dan zes maanden feitelijk
gescheiden zijn, spreekt de rechter de echtscheiding uit. Als de partijen niet langer dan zes
maanden feitelijk gescheiden zijn, stelt de rechter een nieuwe zitting vast. Deze heeft plaats op een
datum die onmiddellijk volgt op het verstrijken van de termijn van zes maanden, of drie maanden na de
eerste verschijning van de partijen. Tijdens deze zitting spreekt de rechter de echtscheiding uit indien
de partijen hun wil hiertoe bevestigen. Wanneer de rechter de echtscheiding uitspreekt, homologeert
hij desgevallend de tussen de partijen gesloten akkoorden. § 2. Indien de echtscheiding
gevorderd wordt door één van de echtgenoten met toepassing van artikel 229, § 3, van het Burgerlijk
Wetboek, spreekt de rechter de echtscheiding uit als hij vaststelt dat de partijen sinds meer dan één
jaar feitelijk gescheiden zijn. Als de partijen niet langer dan een jaar feitelijk gescheiden
zijn, stelt de rechter een nieuwe zitting vast. Deze heeft plaats op een datum die onmiddellijk volgt
op het verstrijken van de termijn van een jaar, of een jaar na de eerste zitting. Tijdens deze zitting
spreekt de rechter de echtscheiding uit indien een van de partijen erom verzoekt. § 3.
Indien de echtscheiding gevorderd wordt door één van de echtgenoten en de andere echtgenoot in de loop
van de procedure zich met die vordering akkoord verklaart, wordt de echtscheiding uitgesproken, mits
het respecteren van de in § 1 bedoelde termijnen. § 4. De feitelijke scheiding
van de echtgenoten kan aangetoond worden door alle wettelijke middelen, met uitzondering van de bekentenis
en de eed, en onder andere door voorlegging van een getuigschrift van woonplaats waaruit inschrijvingen
op verschillende adressen blijken. § 5. Indien de echtscheiding door een van de partijen
gevorderd wordt met toepassing van artikel 229, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, en het bewijs
van de onherstelbare ontwrichting geleverd is, kan de rechter de echtscheiding dadelijk uitspreken. §
6. Behoudens uitzonderlijke omstandigheden is de persoonlijke verschijning van de partijen vereist in
geval van een gezamenlijke vordering gebaseerd op artikel 229, § 2 van het Burgerlijk Wetboek,
in de andere gevallen is de persoonlijke verschijning van de verzoekende partij vereist. De
zitting heeft in elk geval plaats in raadkamer. Onverminderd artikel 1734 poogt de rechter de
partijen te verzoenen. Hij verstrekt hen alle nuttige inlichtingen over de rechtspleging en met name
over het nut een beroep te doen op de bemiddeling waarin het zevende deel van dit Wetboek voorziet. Hij
kan de schorsing van de procedure bevelen teneinde de partijen de mogelijkheid te bieden alle nuttige
inlichtingen dienaangaande in te winnen. De duur van de schorsing mag niet meer bedragen dan één maand. §
7. Als een echtgenoot zich in een toestand van krankzinnigheid of van diepe geestesgestoordheid bevindt,
wordt hij als verweerder vertegenwoordigd door zijn voogd, zijn voorlopige bewindvoerder of, bij gebreke
van dezen, door een beheerder ad hoc die vooraf door de voorzitter van de rechtbank aangewezen wordt
op verzoek van de eisende partij. » . Art. 24. Artikel 1256 van hetzelfde Wetboek, opgeheven
bij de wet van de 30 juni 1994, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 1256. Op ieder
ogenblik kunnen de partijen de rechter verzoeken hun overeenkomsten te homologeren over de voorlopige
maatregelen met betrekking tot de persoon, het levensonderhoud en de goederen van de echtgenoten of van
hun kinderen. Hij kan weigeren de overeenkomst te homologeren als deze duidelijk in strijd is
met het belang van de kinderen. Bij gebrek aan een overeenkomst of in geval van een gedeeltelijke
overeenkomst wordt de zaak, op verzoek van één van de partijen, verwezen naar de eerst nuttige zitting
van de zaken in kort geding, voor zover deze nog niet is ingeschreven op de rol van de zaken in kort
geding. Artikel 803 is van toepassing. » Art. 25. Artikel 1257 van hetzelfde Wetboek, opgeheven
bij de wet van de 30 juni 1994, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 1257. Onverminderd
artikel 302 van het Burgerlijk Wetboek zijn de tijdens de echtscheidingsprocedure gehomologeerde overeenkomsten
of de maatregelen bevolen in kort geding voorlopig in de zin van artikel 1039, eerste lid, van het Gerechtelijk
Wetboek. Niettemin kunnen de partijen, na het verstrijken van een termijn van drie maanden volgend
op de homologatie van hun overeenkomst of de beschikking in kort geding, om de bekrachtiging van de maatregelen
door de feitenrechter vragen, dit keer definitief en ook voor de periode die volgt op de echtscheiding. De
gedeeltelijke akkoorden inzake de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel die zijn gesloten gedurende
de echtscheidingsprocedure, blijven gesloten onder de opschortende voorwaarden van de definitieve uitspraak
van de echtscheiding en van hun bekrachtiging tijdens de procedure van vereffening en verdeling. » Art.
26. Artikel 1258 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wet
van 20 mei 1997, wordt vervangen als volgt : « Art. 1258. Behoudens andersluidende overeenkomst
worden de kosten verdeeld onder de partijen wanneer de echtscheiding is uitgesproken op grond van artikel
229, §§ 1 en 2, van het Burgerlijk Wetboek. Wanneer de echtscheiding uitgesproken is op
grond van artikel 229, § 1, kan de rechter echter anders beslissen, rekening houdend met alle
omstandigheden van de zaak. Ze worden ten laste gelegd van de eisende partij wanneer de echtscheiding
wordt uitgesproken op grond van artikel 229, § 3, van het Burgerlijk Wetboek. » Art.
27. In hetzelfde Wetboek worden opgeheven : 1° artikel 1259, hersteld bij de wet van 19 februari
2001; 2° artikel 1267; 3° artikel 1268, vervangen bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd
bij de wet van 20 mei 1997; 4° artikel 1269, tweede lid, vervangen bij de wet van 28 oktober
1974 en gewijzigd bij de wet van 30 juni 1994; 5° artikel 1270bis, vervangen bij de wet van
30 juni 1994 en gewijzigd bij de wet van 16 april 2000. Art. 28. Artikel 1274 van hetzelfde
Wetboek, gewijzigd bij de wet van 30 juni 1994, wordt vervangen als volgt : « Art. 1274. De
termijn om zich in cassatie te voorzien tegen een beslissing die de echtscheiding uitspreekt, wordt vastgesteld
op één maand. Deze termijn en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging. » Art.
29. In artikel 1275, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 juni 1994, vervallen
de woorden "op grond van bepaalde feiten ». Art. 30. In artikel 1282 van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wet van 20 mei 1997, worden de volgende wijzigingen
aangebracht : 1° de woorden "de dagvaarding tot echtscheiding is betekend" worden vervangen
door de woorden "de vordering wordt ingeleid"; 2° een tweede lid wordt toegevoegd, luidende
: « In ieder geval hebben de partijen de mogelijkheid om een inventaris te laten opstellen overeenkomstig
hoofdstuk II van boek IV. » Art. 31. In hetzelfde Wetboek worden opgeheven : 1° de
artikelen 1284 tot 1286; 2° artikel 1286bis, ingevoegd bij de wet van 1 juli 1974 en gewijzigd
bij de wet van 30 juni 1994; 3° artikel 1287, vierde lid, gewijzigd bij de wetten van 1 juli
1972, 14 mei 1981 en 30 juni 1994. Art. 32. In artikel 1288, eerste lid, 2° van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 1 juli 1972 en gewijzigd bij de wetten van 30 juni 1994 en 13 april 1995, worden
de woorden "de kinderen bedoeld in artikel 1254" vervangen door de woorden "de minderjarige ongehuwde
en niet ontvoogde kinderen waarvan beide echtgenoten de ouders zijn, de kinderen die zij hebben geadopteerd
en de kinderen van een van hen die de andere heeft geadopteerd ». Art. 33. In artikel 1288bis
van hetzelfde Wetboek worden de woorden "1254, § 2, eerste lid" vervangen door de woorden "1254,
§ 1, tweede lid". Art. 34. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1291bis ingevoegd,
luidende : « Art. 1291bis. Indien de echtgenoten aantonen dat ze op het ogenblik waarop de vordering
wordt ingediend al meer dan zes maanden feitelijk gescheiden zijn, worden ze vrijgesteld van de verschijning
waarin voorzien wordt in artikel 1294. In dat geval worden de artikelen 1295 en volgende toegepast.
» Art. 35. In artikel 1294, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30
juni 1994, worden de woorden ", of vertegenwoordigd door een advocaat of door een notaris," ingevoegd
tussen de woorden "verschijnen de echtgenoten samen en in persoon" en de woorden "voor de voorzitter
van de rechtbank". Art. 36. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1294bis ingevoegd, luidende
: « Art. 1294bis. § 1. Indien een van de partijen niet verschijnt tijdens de zitting
waarin artikel 1294 voorziet of in de loop van de procedure meedeelt dat ze die niet wenst voort te zetten,
kan de meest gerede partij om de toepassing van artikel 1255 verzoeken. In dit geval neemt de termijn
van een jaar voor het bepalen van de zitting waarin artikel 1255, § 2, tweede lid, voorziet een
aanvang op de dag van de in artikel 1289 bedoelde verschijning. § 2. Indien afstand wordt
gedaan van de procedure, verbinden de in artikel 1287 bepaalde overeenkomsten de partijen voorlopig,
tot wanneer de artikelen 1257 of 1280 worden toegepast. Indien de overeenkomsten niet de vorm van een
uitvoerbare titel hebben, wordt, op verzoek van de meest gerede partij, de zaak bepaald op de rechtsdag
van kort geding, in overeenstemming met artikel 1256. Indien een van de partijen daarom verzoekt, spreekt
de voorzitter een voorlopige beschikking uit, in overeenstemming met de overeenkomsten. » Art.
37. Artikel 1305 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 1305. De vordering
tot scheiding van tafel en bed wordt behandeld en gevonnist in dezelfde vormen als de vordering tot echtscheiding. De
vordering tot echtscheiding kan te allen tijde worden omgezet in een vordering tot scheiding van tafel
en bed. De vordering tot scheiding van tafel en bed kan te allen tijde worden omgezet in een
vordering tot echtscheiding. ». Art. 38. In hetzelfde Wetboek worden opgeheven : 1°
artikel 1306, vervangen bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 1994 en
20 mei 1997; 2° artikel 1307, gewijzigd bij de wetten van 24 juni 1970 en 20 mei 1997; 3°
artikel 1309, gewijzigd bij de wetten van 15 mei 1972, 3 augustus 1992, 27 december 1994 en 16 april
2000; 4° artikel 1310, gewijzigd bij de wetten van 1 juli 1972, 27 december 1994 en 16 april
2000. Art. 39. In artikel 1412, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen
aangebracht : 1° in het 1° vervallen de getallen "306, 307" en de woorden "of 1306"; 2°
in het 2° worden de woorden "301bis" vervangen door de woorden "301, § 11". HOOFDSTUK
IV. - Wijzigingen van het Strafwetboek Art. 40. In artikel 391bis van het Strafwetboek worden
de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het tweede lid vervallen de getallen "306, 307"
en de woorden "en 1306, derde lid"; 2° in het derde en het vierde lid vervallen de woorden "en
1306, eerste lid"; 3° in het derde en het vierde lid worden de woorden "301bis" vervangen door
de woorden "301, § 11". HOOFDSTUK V. - Wijzigingen van het Wetboek der registratie-,
hypotheek- en griffierechten Art. 41. Het derde lid van artikel 269 (1) van het Wetboek der
registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt opgeheven. HOOFDSTUK VI. - Overgangsbepalingen Art.
42. § 1. Voor de toepassing van artikel 229, §§ 2 en 3, van het Burgerlijk Wetboek,
wordt de periode van feitelijke scheiding die voorafgaat aan de inwerkingtreding van deze wet in aanmerking
genomen. § 2. De vroegere artikelen 229, 231 en 232 van hetzelfde Wetboek blijven van
toepassing op de procedures van echtscheiding of scheiding van tafel en bed die zijn ingeleid voor de
inwerkingtreding van deze wet en waarvoor geen eindvonnis is uitgesproken. Het recht op levensonderhoud
na echtscheiding blijft bepaald door het bepaalde in de vroegere artikelen 301, 306, 307 en 307bis van
hetzelfde Wetboek, onverminderd het bepaalde in de §§ 3 en 5. § 3. Indien
de echtscheiding werd uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze wet, overeenkomstig de vroegere
artikelen 229, 231 en 232 van hetzelfde Wetboek, blijft het in artikel 301 van hetzelfde Wetboek bepaalde
recht op een uitkering verworven of uitgesloten krachtens de vroegere wettelijke voorwaarden. §
4. Voor de toepassing van de bepalingen van artikel 301, §§ 2, 3 en 5, van hetzelfde Wetboek,
zoals gewijzigd bij artikel 7, kan men zich beroepen op feiten die voorafgaan aan de inwerkingtreding
van deze wet. § 5. Artikel 301, § 4, van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd bij
artikel 7, is van toepassing op de uitkeringen tot levensonderhoud, die zijn vastgesteld door een vonnis
dat voorafgaat aan de inwerkingtreding van deze wet. Indien de duur van de uitkering niet werd
bepaald, neemt de in artikel 301, § 4, bepaalde termijn een aanvang op de datum van de inwerkingtreding
van deze wet. Indien de duur van de uitkering werd bepaald, blijft deze duur van toepassing,
zonder dat ze de beperking waarin wordt voorzien in het tweede lid kan overschrijden. §
6. Artikel 1274 van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 28, is niet van toepassing op de arresten
die uitgesproken zijn voor de inwerkingtreding van deze wet, indien de debatten voordien werden afgesloten. Art.
43. Artikel 1294bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 36, is niet
van toepassing op overeenkomsten die de partijen hebben getekend vóór de inwerkingtreding van deze wet. HOOFDSTUK
VII. - Inwerkingtreding Art. 44. Deze wet treedt in werking op 1 september 2007. Kondigen
deze wet af, bevelen dat zijn met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad
zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 27 april 2007. ALBERT Van Koningswege
: De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX Met 's Lands zegel gezegeld
: De Minister van Justitie, Mevr. L ONKELINX _______ Nota's (1)
Gewone zitting 2005-2006. Kamer van volksvertegenwoordigers. Stukken 51 2341 (2005/2006).
- 001 : Wetsontwerp. - 002 tot 006 : Amendementen. - 007 : Verslag. - 008 tot 017 : Amendementen. -
018 : Verslag. - 019 : Tekst aangenomen door de commissie. - 020 : Amendementen. - 021 : Tekst aangenomen
in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat. Zie ook : Integraal verslag : 14 en 15
februari 2007. Senaat. Stukken 3-2068-2006/2007. - Nr. 1 : Ontwerp geëvoceerd door
de Senaat. - Nrs. 2 en 3 : Amendementen. - Nr. 4 : Verslag. - Nr. 5 : Tekst geamendeerd door de commissie.
- Nr. 6 : Amendementen ingediend na de goedkeuring van het verslag. - Nr. 7 : Tekst geamendeerd door
de commissie. - Nr. 8 : Verslag. - Nr. 9 : Tekst geamendeerd door de Senaat en teruggezonden naar de
Kamer van volksvertegenwoordigers. Zie ook : Handelingen van de Senaat : 22 maart 2007. Kamer
van volksvertegenwoordigers. Stukken 51 2341 (2006/2007) : - 022 : Ontwerp geamendeerd door
de Senaat. 023 : Amendementen. - 024 : Verslag. - 025 : Tekst verbeterd door de commissie. - 026 : Amendement
na verslag. - 027 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd. Zie
ook : Integraal verslag : 12 april 2007.