FEDERALE OVERHEIDSDIENST KANSELARIJ VAN DE EERSTE MINISTER
27 APRIL 2007. - Programmawet (1)
ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die
nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen,
hetgeen volgt : TITEL I. - Algemene bepaling Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid
als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. TITEL II. - Energie HOOFDSTUK I. - Wijziging
van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) Art. 2. Artikel 46 van de
wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I), wordt vervangen als volgt : « Art.
46. - De individuele bijdrageplicht wordt gestort ten gunste van een wachtrekening bij de Thesaurie,
beheerd door de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie. De Koning bepaalt, bij een besluit
vastgelegd na overleg in de Ministerraad, en na overleg met de deelnemende ondernemingen of, indien gewenst
door deze ondernemingen, met hun federaties, de eigenlijke bestemming van de eenmalige bijdrage. De
Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een facultatieve subsidie toekennen
van maximaal 5 miljoen euro voor de financiering van het Federale Energie Instituut ten behoeve van onderzoeksprojecten
inzake petroleum. ». HOOFDSTUK II. - Automatische toepassing van de maximumprijzen voor levering
van elektriciteit en aardgas aan beschermde residentiële afnemers met een laag inkomen of in een onzekere
situatie Art. 3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet worden verstaan onder : 1°
« wet van 12 april 1965 » : de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten
en andere door middel van leidingen; 2° « wet van 15 januari 1990 » : de wet van 15 januari
1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid; 3° «
wet van 29 april 1999 » : de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt; 4°
« eindafnemer » : de eindafnemer gedefinieerd in artikel 2, 14°, van de voornoemde wet van 29 april
1999 en in artikel 1, 23° van de voornoemde wet van 12 april 1965; 5° « distributienetbeheerder
» : elke natuurlijke of rechtspersoon die het beheer van een distributienet verzorgt, zoals gedefinieerd
in artikel 2, 12° van de wet van 29 april 1999, of de gasdistributie verzorgt, zoals gedefinieerd in
artikel 1, 12° van de wet van 12 april 1965; 6° « leverancier » : de leverancier gedefinieerd
in artikel 2, 15°bis van de wet van 29 april 1999 en de leveringsonderneming gedefinieerd in artikel
1, 15° van de wet van 12 april 1965; wordt gelijkgesteld met een leverancier, de distributienetbeheerder
die elektriciteit of aardgas verkoopt aan een eindafnemer waarvan het leveringscontract werd ontbonden; 7°
« gezin » : de persoon die gewoonlijk alleen leeft of de personen die gewoonlijk dezelfde wooneenheid
betrekken en er samen wonen; de samenstelling van het gezin wordt vastgesteld op basis van de gegevens
in het Rijksregister van de natuurlijke personen; 8° « EAN-code » : European Article Numbering
Code, uniek numeriek veld van 18 posities voor de identificatie van een aansluitingspunt op het elektriciteits-
of aardgasdistributienet; 9° « identificatienummer van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid
» : het identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990; 10° « FOD
Economie » : de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie. Art. 4. Worden
beschouwd als beschermde residentiële afnemers met een laag inkomen of in een onzekere situatie in de
zin van artikel 20, § 2, van de wet van 29 april 1999 en van artikel 15/10, § 2, van de
wet van 12 april 1965, de eindafnemers of een lid van hun gezin : 1° die bedoeld worden in
artikel 37, § 19, eerste lid, 1° tot 5°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor
geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; 2° die recht hebben
op een financiële sociale steun verstrekt door een OCMW aan een persoon die is ingeschreven in het vreemdelingenregister
met een machtiging tot verblijf voor onbeperkte tijd en die omwille van zijn nationaliteit niet kan beschouwd
worden als een gerechtigde op maatschappelijke integratie; 3° die recht hebben op een tegemoetkoming
hen toegekend door het OCMW in afwachting van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, een inkomensgarantie
voor ouderen of een tegemoetkoming voor gehandicapten, zoals bedoeld in artikel 37, § 19, eerste
lid, 1°, 3° en 4° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen,
gecoördineerd op 14 juli 1994. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad kan
de lijst met afnemers bedoeld in het eerste lid door de Koning worden aangevuld. Art. 5. De
FOD Economie is gelast te zorgen voor de automatische toepassing van de maximumprijzen voor de levering
van elektriciteit en aardgas aan beschermde residentiële afnemers met een laag inkomen of in een onzekere
situatie. Art. 6. De toekenning en de intrekking van het recht op maximumprijzen voor de levering
van elektriciteit en aardgas gebeuren met inachtneming van artikel 11bis van de voornoemde wet van
15 januari 1990. De toepassing van de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit en aardgas
gebeurt automatisch indien de gegevens die voor deze toepassing nodig zijn beschikbaar zijn in het netwerk,
bedoeld in artikel 2, 9°, van de voornoemde wet van 15 januari 1990. Indien de gegevens beschikbaar
zijn in dat netwerk, vraagt de FOD Economie ze op bij de Kruispuntbank van de sociale Zekerheid. De modaliteiten
voor de gegevensstromen die beschikbaar zijn binnen het netwerk bedoeld in artikel 2, 9° van de wet van
15 januari 1990 worden onderworpen aan een machtiging vanwege het sectoraal comité voor de sociale zekerheid. Niettegenstaande
de automatische toepassing van de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit en aardgas, dienen
de leveranciers de attesten te aanvaarden waarmee de eindafnemers bewijzen dat ze tot één van de in artikel
4 bedoelde categorieën behoren. Iedere leverancier houdt een lijst van eindafnemers die een attest hebben
geleverd ter beschikking van de FOD Economie. De betrokkene heeft het recht zich kosteloos te
verzetten tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens met het oog op de automatische toekenning van
de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit en aardgas, middels een gedateerde en ondertekende
kennisgeving hiervan aan zijn leverancier. Art. 7. § 1. De FOD Economie actualiseert
regelmatig de gegevens die noodzakelijk, relevant en proportioneel zijn voor de samenstelling van het
informatiesysteem voor de automatische toekenning van de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit
en aardgas. De Koning bepaalt hiervan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de
periodiciteit en de modaliteiten. De FOD Economie raadpleegt hiervoor het Rijksregister van
de natuurlijke personen opgericht bij de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van
de natuurlijke personen alsook de gegevens beschikbaar via de Kruispuntbank van de sociale zekerheid
in het netwerk van de sociale zekerheid, overeenkomstig de modaliteiten vastgesteld of vast te stellen
door enerzijds het sectoraal comité van het rijksregister en door het sectoraal comité van de sociale
zekerheid anderzijds. Voor zover dit noodzakelijk blijkt voor de automatische toepassing van
de maximumprijzen voor de levering van aardgas en elektriciteit, heeft de FOD Economie : 1°
het recht om het identificatienummer van het Rijksregister te gebruiken; 2° het recht om het
identificatienummer van de sociale zekerheid te gebruiken. Bij een besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad kan de Koning de nadere regels voor de raadpleging van andere authentieke informatieverwerkingssystemen
vastleggen. De mededeling en de koppeling van gegevens van deze systemen is in ieder geval slechts toelaatbaar
indien dit verenigbaar is met de oorspronkelijke doelstellingen van de oprichting van deze systemen. §
2. Voor zover dit noodzakelijk blijkt voor de automatische toepassing van de maximumprijzen voor de levering
van elektriciteit en aardgas, vragen de leveranciers aan de eindafnemers hun geboortedatum mee te delen. §
3. Voorzover dit noodzakelijk blijkt voor de automatische toepassing van de maximumprijzen voor de levering
van elektriciteit en aardgas, kan door de leveranciers een unieke identificator worden gebruikt met het
oog op de identificatie van de eindafnemers. De FOD Economie staat in voor de omzetting tussen
het identificatienummer van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid en het rijksregisternummer enerzijds
en de unieke identificator die wordt gebruikt door de leveranciers voor de identificatie van hun eindafnemers
anderzijds, en vice-versa. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad
en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de nadere regels voor
de toepassing hiervan. Art. 8. De FOD Economie verzamelt tenminste eenmaal per jaar en uiterlijk
30 september van elk kalenderjaar, de volgende gegevens die noodzakelijk zijn voor de automatische toepassing
van de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit en aardgas : 1° bij de leveranciers
: de naam, de voornaam en het adres van de hoofdverblijfplaats van de eindafnemers, de datum van inwerkingtreding
van hun leveringsovereenkomst, hun EAN-code en hun adres voor de aansluiting van de elektriciteits- en
aardgaslevering alsook desgevallend hun geboortedatum; 2° bij de distributienetbeheerders :
de EAN-codes en de adressen voor de aansluiting voor de levering van elektriciteit en aardgas van alle
eindafnemers. Art. 9. § 1. De FOD Economie coördineert en organiseert de uitwisseling
van de nodige gegevens voor de automatische toepassing van de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit
en aardgas, in overleg met : 1° de Kruispuntbank van de sociale zekerheid; 2° de beheerders
van andere authentieke informa-tieverwerkingssystemen, aangewezen overeenkomstig de bepalingen genomen
in uitvoering van artikel 7, § 1, vierde lid. De Kruispuntbank van de sociale zekerheid
kan het identificatienummer van de sociale zekerheid van de eindafnemers overnemen uit zijn repertorium
van de personen, bedoeld in artikel 6 van de wet van 15 januari 1990. § 2. De FOD Economie
coördineert en organiseert de uitwisseling van de nodige gegevens voor de automatische toepassing van
de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit en aardgas, met de leveranciers en de distributienetbeheerders. §
3. De FOD Economie is verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens uitgewisseld krachtens
§§ 1 en 2. Art. 10. § 1. De leveranciers verbinden zich ertoe de in artikel
8 bedoelde gegevens enkel over te maken nadat een geldige leveringsovereenkomst met de betrokken eindafnemers
werd afgesloten en nadat de betrokken eindafnemers geen gebruik hebben gemaakt van het in artikel 6,
vijfde lid, bedoelde recht. § 2. De FOD Economie zorgt ervoor dat elke leverancier enkel
de gegevens ontvangt die betrekking hebben op de eindafnemers waarvan de leverancier op basis van artikel
8 de naam en de EAN-code heeft bezorgd. Deze gegevens bevatten : 1° de naam en de
EAN-code van de eindafnemer; 2° het toekennen of niet toekennen van de toepassing van de maximumprijzen
voor de levering van elektriciteit en aardgas. Art. 11. Iedere beslissing die over de toepassing
van de maximumprijzen voor levering van elektriciteit en aardgas aan eindafnemers wordt genomen op basis
van een geautomatiseerde verwerking, zoals bedoeld in de artikelen 8 tot 10, wordt aan de betrokken personen
schriftelijk gemeld door de leverancier. Indien de procedure zoals bepaald door de artikelen
8 tot 10, tot gevolg heeft dat een begunstigde van het recht op de automatische toepassing van de maximumprijzen
voor de levering van elektriciteit en aardgas de hoedanigheid van beschermde residentiële afnemer met
een laag inkomen of in een onzekere situatie verliest, dan kan deze, binnen dertig dagen na ontvangst
van de schriftelijke mededeling, aan de leverancier het bewijs leveren dat hij nog steeds een beschermde
residentiële afnemer is in de zin van artikel 4. Gedurende deze termijn blijft betrokkene recht hebben
op de automatische toepassing van maximumprijzen voor de levering van aardgas en elektriciteit. Art.
12. Dit hoofdstuk treedt in werking op de door de Koning te bepalen datum. TITEL III. - Sociale
Zaken en Volksgezondheid HOOFDSTUK I. - Kinderbijslag - Toekenning van een maandeliijkse bijslag
aan sommige éénoudersgezinnen Art. 13. Artikel 41 van de op 19 december 1939 samengeordende
wetten betreffende de kinderslag voor loonarbeiders, opgeheven bij de wet van 22 december 1989, wordt
hersteld in de volgende lezing : « Art. 41. Wanneer de rechthebbende een recht opent op de
in artikel 40 bedoelde maandelijkse bijslag, wordt deze bijslag verhoogd met een bijslag van 17,41 euro
onder de volgende cumulatieve voorwaarden : -de bijslagtrekkende vormt geen feitelijk gezin
in de zin van artikel 56bis, § 2, en is niet gehuwd, behalve indien een feitelijke scheiding zich
na het huwelijk heeft voorgedaan. De feitelijke scheiding moet blijken uit de afzonderlijke hoofdverblijfplaats
van de personen in kwestie, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot
regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, met uitzondering van gevallen waarbij uit
andere daarvoor overgelegde officiële documenten blijkt dat de feitelijke scheiding effectief is, ook
al stemt dit niet of niet meer overeen met de informatie verkregen bij het voormelde register; -
de bijslagtrekkende geniet geen beroeps- en/of vervangingsinkomsten waarvan het bedrag het maximaal dagbedrag
van de invaliditeitsuitkering voor een werknemer met persoon ten laste, zoals vastgesteld in artikel
213, derde lid, eerste zin, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende
de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994,
vermenigvuldigd met 27, overschrijdt. De inkomsten waarmee rekening wordt gehouden zijn die welke door
de Koning zijn bepaald voor de omschrijving van de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste; -
de rechthebbende mag daarenboven geen recht op een bijslag bedoeld in artikel 42bis of 50ter openen.
». Art. 14. Artikel 42bis, § 2, 3°, van dezelfde wetten, vervangen bij de programmawet
(I) van 27 december 2006, wordt aangevuld met de volgende zin : « Wanneer de toeslag evenwel
verschuldigd is aan een bijslagtrekkende bedoeld in artikel 41, eerste en tweede streepje, bedraagt de
bijslag 17,41 EUR. ». Art. 15. In artikel 44 van dezelfde wetten, vervangen bij het koninklijk
besluit van 10 december 1996 en gewijzigd bij de wet van 3 mei 1999 en het koninklijk besluit van 11
december 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In § 1, enig lid, worden
de woorden « artikel 42bis, 47 of 50ter » vervangen door de woorden « artikel 41, 42bis, 47 of 50ter
»; 2° In § 2, enig lid, worden de woorden « artikel 42bis, 47 of 50ter » vervangen
door de woorden « artikel 41, 42bis, 47 of 50ter ». Art. 16. In artikel 44bis, van dezelfde
wetten, vervangen bij het koninklijk besluit van 10 december 1996 en gewijzigd bij de wet van 3 mei 1999
en het koninklijk besluit van 11 december 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
In § 1, eerste lid, worden de woorden « artikel 42bis, 47 of 50ter » vervangen door de woorden
« artikel 41, 42bis, 47 of 50ter »; 2° In § 2, tweede lid, worden de woorden « artikel
42bis, 47 of 50ter » vervangen door de woorden « artikel 41, 42bis, 47 of 50ter ». Art.
17. Artikel 47bis van dezelfde wetten, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr 122 van 30 december
1982 en gewijzigd bij de wetten van 27 februari 1987 en 22 december 1989, het koninklijk besluit van
10 december 1996 en de wet van 9 juli 2004, wordt aangevuld met het volgende lid : « De in
artikel 41 bedoelde bijslag is eveneens verschuldigd aan de bijslagtrekkende bedoeld in het eerste en
het tweede streepje van deze bepaling, voor kinderen bedoeld in de vorige leden. ». Art. 18.
Artikel 48, vijfde lid, van dezelfde wetten, vervangen bij de wet van 11 juli 2005 en gewijzigd bij
de wet van 20 juli 2006, wordt vervangen als volgt : « In afwijking van het vierde lid vangt
de toekenning van de kinderbijslag aan vanaf de eerste dag van de maand tijdens dewelke een indexering
plaatsheeft of een nieuw voordeel bij de wet wordt ingevoerd. Het vierde lid is niet van toepassing wanneer
de gebeurtenis leidt tot het verlies van een van de in artikelen 41, 42bis en 50ter bedoelde bijslagen.
». Art. 19. Artikel 50ter, 3°, van dezelfde wetten, vervangen bij de wet van 22 december 1989
en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 december 2001 en de wet van 27 december 2005, wordt aangevuld
met de volgende zin : « Wanneer de toeslag evenwel verschuldigd is aan een bijslagtrekkende
bedoeld in artikel 41, eerste en tweede streepje, bedraagt de toeslag 17,41 EUR. ». Art. 20.
In artikel 50septies van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1981 en gewijzigd bij de
wet van 22 december 1989 en het koninklijk besluit van 21 april 1997, worden de woorden « artikelen 42bis,
eerste lid » vervangen door de woorden « artikelen 41, 42bis ». Art. 21. In artikel 54 van
dezelfde wetten, vervangen bij de wet van 22 december 1989 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van
21 april 1997 en de wet van 12 augustus 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
in § 3 worden de woorden « bijslagen, bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter » vervangen door
de woorden « bijslagen, bedoeld in de artikelen 41, 42bis en 50ter »; 2° in § 4 worden
de woorden « bijslagen bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter » vervangen door de woorden « bijslagen
bedoeld in de artikelen 41, 42bis en 50ter ». Art. 22. In artikel 70bis, tweede lid, van
dezelfde wetten, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 april 1997, worden de woorden « bijslagen
bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter » vervangen door de woorden « bijslagen bedoeld in de artikelen
41, 42bis en 50ter ». Art. 23. In artikel 75, 1°, van dezelfde wetten, hersteld bij het koninklijk
besluit nr. 7 van 18 april 1967 en gewijzigd bij de wetten van 1 augustus 1985, 29 december 1990 en 30
december 1992 en het koninklijk besluit van 21 april 1997 worden de woorden « in artikelen 40, 42bis
vermelde bedragen » vervangen door de woorden « in artikelen 40, 41, 42bis vermelde bedragen ». Art.
24. In artikel 76bis, § 1, tweede lid, van dezelfde wetten, vervangen bij het koninklijk besluit
van 10 december 1996 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 december 2001, worden de woorden
« vermeld in de artikelen 40, 42bis » vervangen door de woorden « vermeld in de artikelen 40, 41, 42bis
». Art. 25. Artikel 1, achtste lid, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde
gezinsbijslag, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998 en 24 december 2002, wordt aangevuld als
volgt : « 6° de jaarlijkse bijslagen; 7° de maandelijkse bijslag. ». Art.
26. Artikel 8, § 2, van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot uitvoering van de wet
van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, vervangen bij het koninklijk besluit
van 18 december 1996 en gewijzigd bij de wet van 20 juli 2006, wordt aangevuld met het volgende lid : «
Het kind dat gerechtigd kan zijn op kinderbijslag bij toepassing van de wet tegen het bedrag bepaald
in artikel 42bis, § 2, 3°, eerste zin, van de samengeordende wetten, heeft recht, in plaats van
dit bedrag, op de maandelijkse bijslag bedoeld in artikel 1 van de wet, tegen het bedrag en volgens de
regels bepaald in artikel 41, enig lid, inleidende zin en eerste en tweede gedachtestreep, van de samengeordende
wetten. ». Art. 27. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking vanaf 1 mei 2007. HOOFDSTUK
II. - Kinderbijslag Kadaster van de kinderbijslag - Sanctie Art. 28. Artikel 101,
derde lid, van de op 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders,
vervangen bij de wet van 22 december 1989, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, bij het koninklijk
besluit van 27 mei 2004 en bij de wet van 27 december 2006, wordt aangevuld met wat volgt : «
9° aan hen die aanspraak maken op kinderbijslag ten laste van en via de in artikel 3, 1° en 2°, bedoelde
publiekrechtelijke rechtspersonen, wanneer die publiekrechtelijke rechtspersonen zich op 1 oktober 2008
niet hebben geconformeerd aan het bepaalde in artikel 33 van de programmawet van 20 juli 2006. Een protocol
stelt de nadere regels vast voor de overheveling van de dossiers en de gegevens op grond waarvan de Rijksdienst
de betalingen kan overnemen. ». Art. 29. In artikel 111, eerste lid, van dezelfde wetten,
vervangen bij de wet van 29 april 1996 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 mei 2004, worden
de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden « met toepassing
van artikel 101, derde lid, 2°, 3°, 4°, 7° en 8° » vervangen door de woorden « met toepassing van artikel
101, derde lid, 2°, 3°, 4°, 7°, 8° en 9° »; 2° tussen het eerste en het tweede lid wordt het
volgende lid ingevoegd : « De administratiekosten die worden gestort door de in artikel 101,
derde lid, 9°, bedoelde publiekrechtelijke rechtspersonen, worden vastgesteld op 1,35 % van het bedrag
van de in hun plaats betaalde kinderbijslag, wegens de overdracht, door die rechtspersonen, van het type
gegevens dat het, overeenkomstig de bij de Koning vastgestelde nadere regels, mogelijk maakt dat het
percentage van de aan de Rijksdienst verschuldigde kosten kan worden verminderd. ». HOOFDSTUK
III. - RIZIV en IV-NIOOO Art. 30. Het Instituut voor Veteranen - Nationaal Instituut voor Oorlogsinvaliden,
Oud-Strijders en Oorlogsslachtoffers wordt jaarlijks gefinancierd door een bedrag van 1 200 000 euro
ten laste van de administratiekosten van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering. HOOFDSTUK
IV. - Alternatieve financiering Art. 31. In artikel 66, § 8, eerste lid, van de programmawet
(1) van 2 januari 2001, ingevoegd bij de programmawet (1) van 27 december 2006, worden de woorden «
euro toegekend aan de RSZ » vervangen door de woorden « euro van de inkomsten van de personenbelasting
en de vennootschapsbelasting toegewezen aan de RSZ ». HOOFDSTUK V. - Federaal Agentschap voor
geneesmiddelen Afdeling 1. - Wet inzake experimenten op de menselijke persoon Art.
32. Artikel 30 van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon, gewijzigd bij
de wet van 20 juli 2005, 13 december 2006 en 27 december 2006 wordt vervangen als volgt : «
Art. 30. § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 31, § 5, zijn het verzoek
om een gunstig advies bij het ethische comité evenals het verzoek om toelating bij de minister, slechts
ontvankelijk voorzover het bewijs van betaling van de bijdragen, zoals bepaald door de Koning, hierbij
is gevoegd. § 2. Het indienen van een dossier bij de minister, in de zin van de artikelen
12 of 19, verplicht de opdrachtgever tot het betalen van een bijdrage aan die overheid. Deze
bijdrage wordt gestort aan het Federaal Agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten. §
3. 25 % van de bijdragen bedoeld in § 2 zijn bestemd voor het Federaal Agentschap voor geneesmiddelen
en gezondheidsproducten voor de financiering van de opdrachten resulterende uit deze wet. 75
% van deze bijdragen dienen voor de financiering, volgens de regels vastgesteld door de Koning, van de
ethische comités voor de opdrachten resulterende uit deze wet. De Koning kan jaarlijks de hierboven
bedoelde verdeling herzien. § 4. De minister kan jaarlijks, na advies van het Raadgevend
Comité voor bio-ethiek, maximaal 10 % van het in de derde §, tweede lid, bedoelde bedrag en bestemd
tot de ethische comités aanwenden voor de betaling van projecten die een administratieve of informaticaondersteuning
bieden voor de uitoefening van de opdrachten van het geheel van ethische comités in het kader van deze
wet. Het resterende bedrag wordt, door het Federaal Agentschap voor de geneesmiddelen en gezondheidsproducten
via een subsidiëring, als volgt aan de ethische comités toegekend : - 1 punt wordt toegekend
voor de analyse van een nieuw protocol van multicentrisch experiment in de hoedanigheid van comité dat
bevoegd is voor het uitbrengen van het enkel advies; - 1 punt wordt toegekend voor de analyse
van een nieuw testprotocol van fase 1 in de hoedanigheid van comité dat bevoegd is voor het uitbrengen
van het enkel advies; - 0,25 punt wordt toegekend voor de analyse van een nieuw protocol in
de hoedanigheid van comité dat niet bevoegd is voor het uitbrengen van het enkel advies; - 0,25
punt wordt toegekend voor de analyse van een nieuw protocol van monocentrisch experiment, met uitzondering
van het geval waarin dit experiment een proef van fase 1 is en van het geval waarin dit wordt uitgevoerd
in het kader van de werkzaamheden die vereist zijn voor het verwerven van een diploma van hoger onderwijs; -
0,1 punt wordt toegekend voor de analyse van een nieuw protocol van experiment in het geval waarin dit
wordt uitgevoerd in het kader van de werkzaamheden die vereist zijn voor het verwerven van een diploma
van hoger onderwijs. De waarde van een punt wordt jaarlijks bepaald door voornoemd resterend
bedrag te delen door het totale aantal punten dat wordt toegekend aan het geheel van ethische comités
overeenkomstig de bepaling van vorig lid. Bij wijze van overgangsmaatregel zullen alle bedragen
bedoeld in dit artikel voorwerp zijn van een globale regeling voor de jaren 2004 en 2005 en zullen ze
in 2007 overgemaakt worden. § 5. De opdrachtgever van een monocentrisch experiment in
de zin van artikel 11, § 2, dient rechtstreeks aan de betrokken ethische comités een retributie
te betalen. De opdrachtgever van een multicentrisch experiment in de zin van artikel 11, §
7, dient rechtstreeks aan de betrokken ethische comités een retributie te betalen. Het indienen
van een dossier door een onderzoeker, conform artikel 19, § 2, verplicht de opdrachtgever, afhankelijk
van het feit of het om een monocentrisch of multicentrisch experiment gaat, tot het betalen van een retributie
rechtstreeks betaalbaar aan het ethisch comité, het ethisch comité bevoegd om het enkel advies uit te
brengen, en van een retributie rechtstreeks betaalbaar aan elk ethisch comité niet bevoegd om het enkel
advies uit te brengen, maar waarop een beroep gedaan wordt met betrekking tot artikel 11, § 4,
4°, 6° en 7°. § 6. De Koning bepaalt het bedrag en de regels van betaling van de bijdragen
en retributies voorzien in dit artikel. § 7. Elk ethisch comité is ertoe gehouden jaarlijks
een verslag over te zenden aan de minister. Dit verslag bevat een lijst van de adviesaanvragen die aan
het ethisch comité in uitvoering van deze wet werden voorgelegd, evenals een lijst van de gemotiveerde
antwoorden die op de adviesaanvragen werden gegeven. De Koning kan de vorm van dit verslag vaststellen. §
8. De Koning kan, ten laste van de opdrachtgever of de aanvragers van een vergunning om een experiment
te voeren of de houders van een vergunning om een experiment te voeren, bedoeld in deze wet en ten voordele
van de bevoegde overheid, andere bijdragen instellen dan die voorzien in § 2, voor de uitvoering
van de in deze wet voorziene opdrachten van het Federaal Agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten,
waarvan Hij het bedrag en de regels bepaalt. § 9. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld
na overleg in de Ministerraad, voor de geneesmiddelen voor onderzoek, een heffing opleggen ten laste
van de opdrachtgever van een klinische proef ten gunste van het Federaal Agentschap voor geneesmiddelen
en gezondheidsproducten. Daarbij bepaalt Hij de regels voor de inning ervan. Het bedrag van deze heffing
wordt vastgesteld naar gelang van de risico's verbonden aan de geneesmiddelen voor onderzoek voor de
volksgezondheid en de daaraan verbonden activiteiten. De besluiten genomen ter uitvoering van
het eerste lid, zijn van rechtswege opgeheven wanneer zij niet door de wetgever worden bekrachtigd binnen
18 maanden na hun inwerkingtreding. § 10. De heffingen en retributies bedoeld in het
huidige artikel worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen
van het Rijk, in functie van het indexcijfer van de maand september. Het aanvangsindexcijfer
is dat van de maand september voorafgaand aan de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het koninklijk
besluit tot vaststelling van het bedrag van de heffing of van de retributie. De geïndexeerde
bedragen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en zijn van toepassing op de heffingen en
retributies opeisbaar vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op dat gedurende hetwelk de aanpassing is
uitgevoerd. Afdeling 2 - Financiering van de NAT-testen Art. 33. In Hoofdstuk III,
afdeling 1, van de wet van 5 juli 1994 betreffende bloed en bloedderivaten van menselijke oorsprong wordt
een artikel 7bis ingevoegd, luidend als volgt : « Art. 7bis . De financiering van de NAT
HIV1 en NAT HCV testen, uitgevoerd door of voor de instellingen in het kader van deze wet geschiedt ten
laste vanhet Federaal Agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten. Die financiering gebeurt
via een subsidiëring. Voor de toepassing van het eerste lid, wordt bedoelde subsidiëring aan
de instellingen uitbetaald door het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten,
die hiervoor de nodige middelen van de Staat ontvangt via de kredieten bedoeld in artikel 13, §
1, 1° van de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap
voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten. De Koning bepaalt de bedragen, de voorwaarden
en modaliteiten voor de toepassing van dit artikel. ». Afdeling 3. - Inwerkingtreding Art.
34. De artikelen van dit hoofdstuk treden in werking op 15 januari 2007. HOOFDSTUK VI. - Hoge
Gezondheidsraad Art. 35. Er wordt een Hoge Gezondheidsraad opgericht bij de Federale Overheidsdienst
Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Art. 36. De in artikel 35 bedoelde
Raad heeft als taken : 1. rekening houdend met de huidige stand van de wetenschap, op verzoek
of op eigen initiatief, onafhankelijke adviezen, aanbevelingen of rapporten te verstrekken inzake volksgezondheid
met als doel het beleid terzake te ondersteunen; 2. inzonderheid samen te werken met de Commissie
van de Europese Gemeenschappen, in uitvoering van Richtlijn 93/5/EEG van de Raad van 25 februari 1993
betreffende de bijstand aan de Commissie en de samenwerking van de lidstaten bij het wetenschappelijk
onderzoek van vraagstukken in verband met levensmiddelen. Art. 37. De Koning bepaalt de nadere
werking en de samenstelling van de in artikel 35 bedoelde Raad. HOOFDSTUK VII. - Tegemoetkomingen
aan personen met een handicap Art. 38. In artikel 12, § 1, van de wet van 27 februari
1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, gewijzigd bij de wetten van 22 december
1989, 24 december 2002 en 9 juli 2004, worden de woorden « voor een derde » vervangen door de woorden
« voor 28 procent ». Art. 39. Artikel 38 treedt in werking op 1 juni 2007. HOOFDSTUK
VIII. - Maatregelen met betrekking tot de werkgevers van de sectoren die gelegenheidswerknemers tewerkstellen Afdeling
1. - Champignons Art. 40. Het globaal beheer van de sociale zekerheid voor werknemers stort
in 2007 en 2008 een forfaitair bedrag van 400 000 euro aan het Waarborg- en sociaal fonds voor het tuinbouwbedrijf,
voorzover een bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst die
minstens geldig is voor de periode van 1 april 2007 tot 31 december 2008 de thans door het voornoemde
Fonds toegekende tewerkstellingspremies versterkt. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld
na overleg in de Ministerraad, de toekenningsperiode van het forfaitaire bedrag na 2008 verlengen alsook
het bedrag ervan wijzigen vanaf 2009. Afdeling 2. - Alternatieve financiering Art.
41. In artikel 66, § 11, van de programmawet van 2 januari 2001, ingevoegd bij de programmawet
(I) van 27 december 2006, worden de woorden « van 22 051 duizend euro » vervangen door de woorden «
van 22 451 duizend euro ». Afdeling 3. - Maatregelen ten gunste van de sectoren die gelegenheidswerknemers
onderworpen aan het geheel der regelingen van de sociale zekerheid tewerkstellen Art. 42.
Artikel 345 van de programmawet (I) van 24 december 2002, waarvan de huidige tekst § 1 wordt,
wordt aangevuld met een tweede paragraaf, luidende : « § 2. Bij een besluit vastgesteld
na overleg in de Ministerraad, kan de Koning, voor de werkgevers van de sectoren die gelegenheidswerknemers
tewerkstellen in de zin van de uitvoeringsbesluiten van de wet tot uitvoering van de wet van 27 juni
1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid
der arbeiders, die onderworpen zijn aan het geheel der regelingen als bedoeld in artikel 21, §
1, van de wet van 29 juni 1981 en voor de categorieën van werknemers tewerkgesteld door deze werkgevers
die Hij bepaalt, bepalen dat de bijdragen voor de administratiekosten die de werkgever verschuldigd is
aan een erkend sociaal secretariaat van werkgevers voor de bedoelde werknemers ten laste worden genomen
door de Rijksdienst voor sociale zekerheid volgens de modaliteiten en ten belope van de bedragen die
Hij bepaalt. Hij bepaalt eveneens de periode tijdens welke dit voordeel wordt toegekend. ». Art.
43. Artikel 17 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende
de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij de wetten van 24 december 1972, 28 maart 1973,
16 juli en 23 december 1974, 28 maart 1975, 5 januari 1976 en 8 augustus 1980 en de koninklijke besluiten
van 24 december 1980 en 30 december 1982, wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende : «
§ 5. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de werkgevers
van de sectoren die gelegenheidswerknemers tewerkstellen in de zin van de uitvoeringsbesluiten van de
wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke
zekerheid der arbeiders, die onderworpen zijn aan het geheel der regelingen als bedoeld in artikel 21,
§ 1, van de wet van 29 juni 1981 en voor de categorieën werknemers die Hij bepaalt, volledig of
gedeeltelijk vrijstellen van één of meerdere bijdragen bedoeld bij § 2, 1°, van dit artikel. ». Art.
44. Artikel 188 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I), wordt aangevuld met
een tweede lid, luidende : « De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad,
de werkgevers van de sectoren die gelegenheidswerknemers tewerkstellen in de zin van de uitvoeringsbesluiten
van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke
zekerheid der arbeiders, die onderworpen zijn aan het geheel der regelingen als bedoeld in artikel 21,
§ 1, van de wet van 29 juni 1981 en voor de categorieën werknemers die Hij bepaalt, onttrekken
aan de toepassing van de bepalingen van deze afdeling. ». Art. 45. In artikel 192, §
1, van dezelfde wet, wordt een tweede lid ingevoegd, luidende : « De Koning kan, bij een besluit
vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de werkgevers van de sectoren die gelegenheidswerknemers tewerkstellen
in de zin van de uitvoeringsbesluiten van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van
28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die onderworpen zijn aan het
geheel der regelingen als bedoeld in artikel 21, § 1, van de wet van 29 juni 1981 en voor de categorieën
werknemers die Hij bepaalt, onttrekken aan de toepassing van de bepalingen van deze afdeling. ». Art.
46. Artikel 122, eerste lid van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, gewijzigd
bij het koninklijk besluit van 19 mei 1995 en bij de wet van 27 december 2006, wordt aangevuld als volgt
: « De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de werkgevers
van de sectoren die gelegenheidswerknemers tewerkstellen in de zin van de uitvoeringsbesluiten van de
wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke
zekerheid der arbeiders, die onderworpen zijn aan het geheel der regelingen als bedoeld in artikel 21,
§ 1, van de wet van 29 juni 1981 en voor de categorieën werknemers die Hij bepaalt, vrijstellen
van deze bijdrage. ». Art. 47. Artikel 332 van de programmawet (I) van 24 december 2002, gewijzigd
bij de wet van 22 december 2003, wordt aangevuld met een derde lid, luidende : « De Koning kan,
bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, met betrekking tot de werkgevers van de sectoren
die gelegenheidswerknemers kunnen tewerkstellen in de zin van de uitvoeringsbesluiten van de wet van
27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid
der arbeiders, die onderworpen zijn aan het geheel der regelingen als bedoeld in artikel 21, §
1, van de wet van 29 juni 1981, voorzien dat een minimumdrempel met betrekking tot de globale prestaties
van de verschillende tewerkstellingen van dezelfde werknemer bij dezelfde werkgever niet moet worden
bereikt. ». Afdeling 4. - Inwerkingtreding Art. 48. De bepalingen van dit hoofdstuk
hebben uitwerking met ingang vanaf 1 april 2007. HOOFDSTUK IX. - Wijziging van artikel 148
van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) Art. 49. Artikel 148 van de
wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Nationale Arbeidsraad
bepaalt de Koning de dag waarop dit hoofdstuk in werking treedt. In afwijking op de bepalingen
van het eerste lid hebben de artikelen 114 en 115 uitwerking met ingang van 1 januari 2007. Vanaf
1 april 2007 en tot de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, geven de debiteurs van de inhouding
bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 33 van 30 maart 1982 betreffende een inhouding op
invaliditeitsuitkeringen en brugpensioenen en van de bijzondere werkgeversbijdrage bedoeld in artikel
268 van de programmawet van 22 december 1989, de inhoudingen en bijdragen per kwartaal aan en storten
ze die aan de Rijksdienst voor pensioenen tijdens de maand volgend op dit kwartaal. ». TITEL
IV. - Pensioenen HOOFDSTUK I. - Coördinatie van de artikelen 26, 26bis en 26ter van de wet van
28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingsstelsel van die pensioenen en van
sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid Art. 50. Artikel 26 van de wet van 28
april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingsstelsel van die pensioenen en van sommige
aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, wordt vervangen als volgt : « Art. 26. §
1. De pensioeninstelling of de inrichter zelf, indien deze laatste daar om vraagt, deelt ten minste éénmaal
per jaar aan de aangeslotenen, behalve aan de rentegenieters, een pensioenfiche mee waarop ten minste
volgende gegevens worden vermeld : 1° het bedrag van de verworven reserves, in voorkomend geval
met vermelding van het bedrag dat overeenstemt met de waarborgen bedoeld in artikel 24; 2° behalve
voor de pensioentoezeggingen van het type vaste bijdragen zonder tariefgarantie, het bedrag van de verworven
prestaties en de datum waarop deze opeisbaar zijn; 3° de variabele elementen waarmee bij de
berekening van de bedragen onder 1° en 2° wordt rekening gehouden; 4° het bedrag van de verworven
reserves van het vorige jaar; 5° het actuele financieringsniveau van de verworven reserves en
van de waarborg bedoeld in artikel 24. Bij deze gelegenheid deelt de pensioeninstelling of desgevallend
de inrichter de aangeslotene mee dat de tekst van het reglement op eenvoudig verzoek kan worden verkregen
bij de persoon die daartoe overeenkomstig het reglement is aangeduid. § 2. De pensioeninstelling
of de inrichter zelf, indien deze laatste daar om vraagt, deelt op eenvoudig verzoek aan de aangeslotene
een historisch overzicht van de gegevens bedoeld in § 1, 1° en 2°, mee. Dit overzicht
kan worden beperkt tot de periode van aansluiting bij de pensioeninstelling en tot de periode na 1 januari
1996. § 3. De pensioeninstelling of de inrichter zelf, indien deze laatste daar om vraagt,
deelt ten minste om de vijf jaar het bedrag mee van de verwachte rente op de leeftijd van 65 jaar, zonder
aftrek van de belastingen, aan alle aangeslotenen vanaf de leeftijd van 45 jaar. Deze mededeling
geldt niet als kennisgeving van een recht op een aanvullend pensioen. § 4. Bij de pensionering
of wanneer er andere uitkeringen verschuldigd worden, licht de pensioeninstelling of de inrichter zelf,
indien deze laatste daar om vraagt, de begunstigde of zijn rechthebbenden in over de uitkeringen die
verschuldigd zijn en over de mogelijke wijzen van uitbetaling. § 5. De pensioeninstelling
waarnaar de aangeslotene bij zijn uittreding zijn reserves overdraagt bij toepassing van artikel 32,
§ 1, 2°, en de pensioeninstelling die door de werknemer wordt aangeduid overeenkomstig artikel
33, delen ten minste eenmaal per jaar aan de betrokkene een pensioenfiche mee waarop ten minste volgende
gegevens worden vermeld : 1° het bedrag van de reserves; 2° het bedrag van de prestaties
en de datum waarop deze opeisbaar zijn; 3° de variabele elementen waarbij bij de berekening
van de bedragen onder 1° en 2° wordt rekening gehouden; 4° het bedrag van de reserves van het
vorige jaar. De pensioeninstellingen delen op eenvoudig verzoek aan de betrokkene een historisch
overzicht van de gegevens bedoeld in 1° en 2° van het eerste lid mee. De pensioeninstelling
deelt ten minste om de vijf jaar het bedrag mee van de verwachte rente op de leeftijd van 65 jaar, zonder
aftrek van de belastingen, aan alle betrokkenen vanaf de leeftijd van 45 jaar. Deze mededeling geldt
niet als kennisgeving van een recht op een aanvullend pensioen. Bij de pensionering of wanneer
er andere uitkeringen verschuldigd worden, licht de pensioeninstelling de begunstigde of zijn rechthebbenden
in over de uitkeringen die verschuldigd zijn en over de mogelijke wijzen van uitbetaling. §
6. De Koning bepaalt na advies van de Commissie voor Aanvullende Pensioenen bij een besluit vastgesteld
na overleg in de Ministerraad op basis van welke elementen en hypothesen en op welke wijze de te verwachten
rente bedoeld in § 3 en § 5, derde lid, moet worden berekend. In afwachting dat
de koning het besluit bedoeld in het eerste lid heeft genomen, wordt voor de berekening van de in §
3 en § 5, derde lid, bedoelde verwachte rente uitgegaan van de volgende hypotheses : 1°
voor de actieve aangeslotenen : a) de stortingen blijven doorlopen; b) voor de toezeggingen
van het type vaste prestaties wordt rekening gehouden met de beloofde prestaties; c) voor de
toezeggingen van het type vaste bijdragen worden de verworven reserves en de nog te storten bijdragen
gekapitaliseerd aan de rentevoet bedoeld in artikel 24, § 2, eerste lid; 2° voor de uitgetreden
aangeslotenen : a) voor de toezeggingen van het type vaste prestaties, indien de aangeslotene
gekozen heeft voor de mogelijkheid bedoeld in artikel 32, § 1, 3°, a), wordt er rekening gehouden
met de gereduceerde prestaties; b) voor de toezeggingen van het type vaste bijdragen en de
toezeggingen in een onthaalstructuur worden de verworven reserves gekapitaliseerd aan de rentevoet bedoeld
in artikel 24, § 2, eerste lid. 3° Voor de pensioenregelingen bedoeld in § 5 worden
de reserves gekapitaliseerd aan de rentevoet bedoeld in artikel 24, § 2, eerste lid. §
7. De mededelingen bedoeld in de paragrafen 1 tot en met 5 vermelden eveneens volgende gegevens : 1°
de identificatie van de aangeslotene of betrokkene; 2° in voorkomend geval de identificatie
van de inrichter; 3° de identificatie van de pensioeninstelling; 4° de identificatie
van de pensioenregeling; 5° in het geval het een mededeling betreft bedoeld in § 3 of
§ 5, derde lid : de mededeling dat de raming niet geldt als kennisgeving van een recht op aanvullend
pensioen. De Koning kan de lijst met gegevens vermeld in het eerste lid aanvullen. Indien
de inrichter of de pensioeninstelling bijkomende informatie wensen mee te delen aan de betrokkene, dient
dit te gebeuren in een duidelijk onderscheiden gedeelte. § 8. Vanaf een datum bepaald
door de Koning maar die zich in geen geval mag bevinden na 31 december 2010, moet de informatie bedoeld
in de paragrafen 1, 2, 3 en 5 door de pensioeninstelling of de inrichter zelf, indien deze laatste daar
om vraagt, worden meegedeeld aan de aangeslotene die daar om vraagt. De Koning bepaalt de verdere modaliteiten
voor het indienen van de aanvraag, de ontvankelijkheid van de aanvraag en de wijze waarop en de termijn
waarbinnen de informatie ter beschikking wordt gesteld. Hij kan daarbij een onderscheid maken naargelang
de wijze waarop de aanvraag is ingediend. Onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, is de
pensioeninstelling of desgevallend de inrichter ontslagen van de verplichting bedoeld in de paragrafen
1 tot en met 5 wanneer er gevolg is gegeven aan de aanvraag bedoeld in het eerste lid. §
9. De CBFA kan een gestandaardiseerde presentatiewijze bepalen die voor mededelingen bedoeld in dit artikel
dient gebruikt te worden. § 10. De inrichter of de pensioeninstelling kan voor een deel
of het geheel van de pensioenregelingen die zij beheert, worden ontheven van de uitvoering van de verplichtingen
opgelegd in dit artikel voor zover de vzw SIGeDIS, opgericht overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk
besluit van 12 juni 2006 tot uitvoering van Titel III, hoofdstuk II, van de wet van 23 december 2005
betreffende het generatiepact, zich er op grond van een overeenkomst met de inrichter of de pensioeninstelling
toe verbindt om de uitvoering van die verplichtingen over te nemen. ». Art. 51. De artikelen
26bis en 26ter van dezelfde wet worden opgeheven. HOOFDSTUK II. - Overdracht tussen pensioenstelsels Art.
52. In artikel 1, laatste lid, van de wet van 5 augustus 1968 tot vaststelling van een zeker verband
tussen de pensioenstelsels van de openbare sector en die van de privé-sector, ingevoegd bij de programmawet
(I) van 27 december 2006, worden de woorden « van de werknemer » vervangen door de woorden « van de
belanghebbende ». TITEL V. - Middenstand Enig HOOFDSTUK. - Wijziging van het koninklijk
besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen,
in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen Art. 53. Artikel 7 van het koninklijk
besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen,
in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen, met toepassing van de artikelen 29 en 49
van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid
van de wettelijke pensioenstelsels, bekrachtigd door de wet van 13 juni 1997 en laatst gewijzigd bij
de programmawet van 27 december 2004, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 7.
De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen die de voorwaarden van artikel 4, § 2, vervullen,
kunnen gedurende ten hoogste twaalf maanden een uitkering verkrijgen. Naargelang de betrokkenen
al dan niet minstens één persoon ten laste hebben in de zin van artikel 225, § 1, eerste lid,
1° tot en met 5°, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de
verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, bedraagt
het maandelijks bedrag van de uitkering het maandelijks bedrag van het minimumpensioen van een zelfstandige
die de voorwaarden, naargelang het geval, van ofwel artikel 9, § 1, 1°, van het koninklijk besluit
nr 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen vervult, ofwel
van artikel 9, § 1, 2°, van hetzelfde besluit vervult. De in het eerste lid bedoelde
periode van twaalf maanden vangt aan op de eerste dag van de maand die volgt op die van het vonnis van
faillietverklaring. Wanneer de betrokkenen in de loop van deze periode een persoon ten laste krijgen
of ophouden een persoon ten laste te hebben, in de zin van artikel 225, § 1, eerste lid, 1° tot
en met 5°, van voormeld koninklijk besluit van 3 juli 1996 wordt de wijziging in het maandelijks bedrag
uitgevoerd vanaf de maand die op die gebeurtenis volgt. ». Art. 54. Artikel 53 treedt in werking
op 1 juli 2007 en is van toepassing voor de faillissementen die ten vroegste op 1 juli 2007 werden uitgesproken. TITEL
VI. - Werk HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet
van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders Art. 55. Artikel
30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende
de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, vervangen bij koninklijk besluit van 26 december 1998, wordt
vervangen als volgt : « Art. 30bis. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan
onder : 1° werken : de door de Koning bepaalde werkzaamheden; 2° opdrachtgever : eenieder
die de opdracht geeft om tegen een prijs werken uit te voeren of te laten uitvoeren; 3° aannemer
: - eenieder die er zich toe verbindt om tegen een prijs voor een opdrachtgever werken uit te
voeren of te laten uitvoeren; - iedere onderaannemer ten overstaan van de na hem komende onderaannemers; 4°
onderaannemer : eenieder die er zich toe verbindt, hetzij rechtstreeks, hetzij onrechtstreeks, in welk
stadium ook, tegen een prijs het aan de aannemer toevertrouwde werk of een onderdeel ervan uit te voeren
of te laten uitvoeren of daartoe werknemers ter beschikking te stellen; 5° iemand die niet als
aannemer is geregistreerd : de aannemer of onderaannemer die geen registratie als aannemer heeft gevraagd,
noch verkregen of van wie de registratie als aannemer is geschrapt. § 2. De registratie
als aannemer en de schrapping ervan worden verricht onder de voorwaarden, in de gevallen en volgens de
modaliteiten die de Koning bepaalt. Daartoe richt de Koning commissies op waarvan Hij de opdracht, de
samenstelling en de werking bepaalt. Bij gebrek aan een beslissing omtrent een aanvraag tot
registratie binnen de door de Koning bepaalde termijn, is de aannemer die een aanvraag tot registratie
bij de ad hoc Commissie heeft ingediend, automatisch geregistreerd. Bovendien richt de Koning
een stuurgroep op waarvan Hij de samenstelling en de werking bepaalt. De stuurgroep heeft als opdracht
de eenvormigheid van de door de commissies getroffen beslissingen te waarborgen, de goede werking van
de secretariaten van de commissies te regelen en de commissies bij te staan in geval van verhaal tegen
een beslissing. De commissies behouden niettemin het recht de adviezen van de stuurgroep die betrekking
hebben op algemene beginselen, te toetsen aan de feitelijke omstandigheden van elk individueel dossier. Alvorens
in functie te treden leggen de leden van de commissie of van de stuurgroep in de handen van de voorzitter
de eed af hun opdracht in volle onpartijdigheid te vervullen en de beraadslagingen waaraan zij deelnemen
geheim te houden. De beslissingen van de commissies zijn vanaf de kennisgeving aan de betrokkene
bij een ter post aangetekend schrijven, uitvoerbaar bij voorraad. Tegen deze beslissingen kan
binnen twintig dagen na de in het vierde lid bedoelde kennisgeving een verhaal worden ingesteld. Dit
verhaal wordt ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg overeenkomstig de algemene bevoegdheid welke
aan deze rechtbank wordt toegekend door artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek. Alvorens dit
verhaal wordt ingesteld, kan de betrokkene, binnen twintig dagen na de in het vierde lid bedoelde kennisgeving,
bij een ter post aangetekend schrijven, aan de commissie vragen om te worden gehoord; hij kan zich op
de zitting door een raadsman laten bijstaan of vertegenwoordigen. Wanneer de betrokkene of zijn raadsman
niet verschijnt na bij een ter post aangetekend schrijven te zijn uitgenodigd om tijdens de zitting van
de commissie zijn recht om te worden gehoord, uit te oefenen, wordt hij geacht aan dat recht te verzaken.
De commissie bevestigt of herziet haar beslissing en de in het vijfde lid vermelde verhaaltermijn van
twintig dagen gaat slechts in op de dag waarop de betrokkene kennis is gegeven van die bevestiging of
herziening. De beslissingen van de commissies worden definitief indien binnen de in het vijfde
of zesde lid beoogde termijn, geen verhaal is ingesteld door de betrokkene of door of vanwege de door
de Koning aangeduide ministers. De bepalingen van artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek
zijn van toepassing op de berekening van die termijn. De beslissingen tot registratie en de
beslissingen tot schrapping van de registratie, met uitzondering van de motivering van deze laatste,
worden bekendgemaakt door de invoeging of de schrapping van de hoedanigheid van geregistreerd aannemer
op de website van de Kruispuntbank van Ondernemingen. Het beschikkend gedeelte van de in kracht
van gewijsde gegane uitspraken over het in het vijfde lid bedoelde verhaal wordt bovendien in het Belgisch
Staatsblad bekendgemaakt. Onverminderd het vierde lid hebben de beslissingen tot schrapping
van de registratie als aannemer tegenover derden slechts uitwerking met ingang van de dag volgend op
hun bekendmaking op de website van de Kruispuntbank van Ondernemingen. § 3. De opdrachtgever
die voor de in § 1 vermelde werken een beroep doet op een aannemer die sociale schulden heeft
op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst, is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van
de sociale schulden van zijn medecontractant. De aannemer die voor de in § 1 vermelde
werken een beroep doet op een onderaannemer die sociale schulden heeft op het ogenblik van het afsluiten
van de overeenkomst, is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale schulden van zijn medecontractant. De
artikelen 1200 tot en met 1216 van het Burgerlijk Wetboek zijn toepasselijk op de in de vorige leden
bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid. De hoofdelijke aansprakelijkheid wordt beperkt tot de
totale prijs van de werken toevertrouwd aan de aannemer of onderaannemer exclusief belasting over de
toegevoegde waarde. De aannemer zonder personeel, die hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld
bij toepassing van §§ 3 en 4, wordt gelijkgesteld met een werkgever schuldenaar en is als
dusdanig aangegeven in de databank die voor het publiek toegankelijk is, bedoeld in § 4, zesde
lid, indien hij de geëiste bedragen niet vereffent binnen de dertig dagen na verzending van een aangetekende
ingebrekestelling. De aannemer die bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid als werkgever zonder
eigen sociale schulden is geïdentificeerd en die hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld bij toepassing
van §§ 3 en 4, is aangegeven als schuldenaar in de databank die voor het publiek toegankelijk
is, bedoeld in § 4, zesde lid, indien hij de geëiste bedragen niet vereffent binnen de dertig
dagen na verzending van een aangetekende ingebrekestelling. Men verstaat onder eigen sociale
schulden, het geheel van de sommen die verschuldigd kunnen zijn aan de Rijksdienst voor de Sociale Zekerheid
in zijn hoedanigheid van werkgever. De Koning stelt hiervan een lijst op. Als sociale schulden
worden ook beschouwd de sommen die opgeëist worden in het kader van de hoofdelijke aansprakelijkheid
in de situaties bedoeld in het vijfde en het zesde lid. De schulden waarvoor de schuldenaar
bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of bij een Fonds voor bestaanszekerheid een afbetalingsplan
heeft verkregen zonder gerechtelijke procedure of bij gerechtelijke beslissing die in kracht van gewijsde
is getreden, en het bewijs levert dat hij de opgelegde termijnen strikt naleeft, worden niet in aanmerking
genomen om te bepalen of er al dan niet schulden bestaan. De in deze paragraaf vermelde hoofdelijke
aansprakelijkheid geldt ook voor de sociale schulden van de vennoten van een tijdelijke handelsvennootschap,
een stille handelsvennootschap of een maatschap die optreedt als aannemer of onderaannemer. De
in deze paragraaf vermelde hoofdelijke aansprakelijkheid is eveneens van toepassing op de sociale schulden
van de aannemer of de onderaannemer die ontstaan in de loop van de uitvoering van de overeenkomst. De
hier bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid in hoofde van de opdrachtgever of de aannemer wordt beperkt
tot 65 pct. wanneer de in artikel 402, § 4, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde
hoofdelijke aansprakelijkheid is toegepast in hoofde van dezelfde opdrachtgever of aannemer. §
4. De opdrachtgever die voor de in § 1 vermelde werken een deel of het geheel van de prijs betaalt
aan een aannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, is verplicht bij die betaling
35 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in
te houden en te storten aan voormelde Rijksdienst, volgens de modaliteiten bepaald door de Koning. De
aannemer die, voor de in § 1 vermelde werken een deel of het geheel van de prijs betaalt aan een
onderaannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, is verplicht bij die betaling
35 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in
te houden en te storten aan voormelde Rijksdienst, volgens de modaliteiten bepaald door de Koning. De
in deze paragraaf bedoelde inhoudingen en stortingen worden in voorkomend geval beperkt tot het bedrag
van de schulden van de aannemer of onderaannemer op het ogenblik van de betaling. Wanneer de
in deze paragraaf bedoelde inhouding en storting correct zijn uitgevoerd bij elke betaling van een deel
of het geheel van de prijs aan een aannemer of onderaannemer die op het ogenblik van de betaling sociale
schulden heeft, wordt de in § 3 bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid niet toegepast. Wanneer
de in deze paragraaf bedoelde inhouding en storting niet correct zijn uitgevoerd bij elke betaling van
een deel of het geheel van de prijs aan een aannemer of onderaannemer die op het ogenblik van de betaling
sociale schulden heeft, worden bij de toepassing van de in § 3 bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid
de eventueel gestorte bedragen in mindering gebracht van het bedrag waarvoor de opdrachtgever of de aannemer
aansprakelijk wordt gesteld. Wanneer de opdrachtgever of de aannemer vaststelt, met behulp van
de voor het publiek toegankelijke gegevensbank die is opgericht door de Rijksdienst voor sociale zekerheid
en die bewijskracht heeft voor de uitvoering van de §§ 3 en 4, dat hij inhoudingen moet
verrichten op de door zijn medecontractant voorgelegde facturen, en wanneer het bedrag van de factuur
die hem is voorgelegd hoger is dan of gelijk aan 7 143,00 euro, nodigt hij zijn medecontractant uit om
hem een attest over te leggen dat het bedrag van de schuld weergeeft als bijdrage, verhoging van bijdrage,
burgerlijke sanctie, nalatigheidsinteresten en gerechtelijke kosten. Het bedoelde attest houdt rekening
met de schuld op de dag waarop het is opgesteld. De Koning bepaalt de geldigheidstermijn van dit attest.
Indien zijn medecontractant bevestigt dat de schulden hoger zijn dan de te verrichten inhoudingen of
wanneer hij het bedoelde attest niet binnen de maand na de aanvraag overlegt, houdt de opdrachtgever
of de aannemer 35 pct. van het factuurbedrag in en stort het aan de voormelde Rijksdienst. De
Koning kan het bedrag van 7 143 euro, bedoeld in het voorgaande lid, aanpassen. Wanneer de aannemer
een niet in België gevestigde werkgever is, die geen sociale schulden in België heeft en waarvan alle
werknemers in het bezit zijn van een geldig detacheringsbewijs, zijn de inhoudingen, bedoeld in deze
paragraaf, niet van toepassing op de aan hem verschuldigde betaling. De Koning bepaalt de inhoud
en de voorwaarden en modaliteiten inzake toezending van de inlichtingen die de personen, bedoeld in deze
paragraaf, moeten verstrekken aan voormelde Rijksdienst. De Koning bepaalt de nadere regelen
volgens welke de voormelde Rijksdienst de in toepassing van het eerste en tweede lid gestorte bedragen
verdeelt, ter betaling aan de Rijksdienst of aan een Fonds voor bestaanszekerheid in de zin van de wet
van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid, van de bijdragen, de bijdrageopslagen,
de burgerlijke sanctie, de verwijlintresten en de gerechtskosten die in welk stadium ook door de medecontractant
verschuldigd zijn. De Koning bepaalt binnen welke termijn dit bedrag kan worden aangerekend,
alsook de modaliteiten van terugbetaling of aanwending van het eventueel saldo. De Koning bepaalt
binnen welke termijn de medecontractant het gestorte bedrag recupereert in de mate dat de stortingen
het bedrag van de schulden overschrijden. § 5. Onverminderd de toepassing van de sancties
voorzien in artikel 35, eerste lid, 3, is de opdrachtgever die de in § 4, eerste lid, bedoelde
storting niet verricht heeft, benevens de betaling van het te storten bedrag, aan de voormelde Rijksdienst
bovendien een bijslag verschuldigd gelijk aan het te betalen bedrag. Onverminderd de toepassing
van de sancties voorzien in artikel 35, eerste lid, 3, is de aannemer die de in § 4, tweede lid,
bedoelde storting niet verricht heeft, benevens de betaling van het te storten bedrag, aan de voormelde
Rijksdienst bovendien een bijslag verschuldigd gelijk aan het te betalen bedrag. De Koning kan
bepalen onder welke voorwaarden de bijslag kan worden verminderd. § 6. De vennoten van
een tijdelijke handelsvennootschap, een stille handelsvennootschap of een maatschap zijn onderling hoofdelijk
aansprakelijk voor de betaling van de sommen die in uitvoering van dit artikel door de tijdelijke handelsvennootschap,
de stille handelsvennootschap of de maatschap verschuldigd zijn. § 7. Alvorens de werken
aan te vatten, moet de aannemer, op wie de opdrachtgever beroep heeft gedaan, volgens de door de Koning
bepaalde modaliteiten, aan voormelde Rijksdienst alle juiste inlichtingen verstrekken die nodig zijn
om de aard en de belangrijkheid van de werken te ramen en er de opdrachtgever en, in voorkomend geval,
in welk stadium ook, de onderaannemers van te identificeren. Indien tijdens de uitvoering van de werken
andere onderaannemers tussenkomen, moet deze aannemer voorafgaandelijk de voormelde Rijksdienst hiervan
verwittigen. Daartoe moet iedere onderaannemer die op zijn beurt een beroep doet op een andere
onderaannemer, voorafgaandelijk de aannemer daarvan schriftelijk in kennis stellen en hem alle juiste
inlichtingen verstrekken, zoals bepaald door de Koning, die nodig zijn om de voormelde Rijksdienst in
te lichten. De aannemer licht de voormelde Rijksdienst in over de begin- en einddatum van de
werken en over de begin- en einddatum van de werken die uitgevoerd worden door de onderaannemers. De
Koning bepaalt wat moet worden verstaan onder einddatum van de werken en begin en einddatum van de werken
uitgevoerd door de onderaannemer. Op dezelfde wijze, wanneer de aan de voormelde Rijksdienst
gemelde tussenkomst van een onderaannemer wordt afgezegd, licht de aannemer de voormelde Rijksdienst
hiervan in binnen de vijftien dagen na de aanvankelijk voorziene begindatum. Voor de toepassing
van deze paragraaf, wordt met de aannemer gelijkgesteld, eenieder die de in § 1, 1°, bedoelde
werken zelf uitvoert of laat uitvoeren voor eigen rekening om daarna het onroerend goed geheel of gedeeltelijk
te vervreemden. De voormelde Rijksdienst stelt een elektronische kopie van de ontvangen meldingen
ter beschikking van de bevoegde diensten van de Federale overheidsdienst Financiën. Deze meldingen
worden ter beschikking gesteld van de inspectiediensten, bedoeld in artikel 1 van de wet van 16 november
1972 betreffende de arbeidsinspectie, die er om vragen. § 8. De aannemer of diegene die
met hem wordt gelijkgesteld, die zich niet schikt naar de verplichtingen van § 7, eerste lid,
is aan voormelde Rijksdienst een som verschuldigd gelijk aan 5 pct. van het totaal bedrag van de werken,
exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, die niet aan de Rijksdienst werden gemeld. De som
die bij de aannemer gevorderd wordt, wordt verminderd met het bedrag dat daadwerkelijk werd betaald aan
de Rijksdienst door de onderaannemer met toepassing van de bepaling van het hierna volgende lid. De
onderaannemer die zich niet schikt naar de bepalingen van § 7, tweede lid, is aan de Rijksdienst
een som verschuldigd gelijk aan 5 pct. van het totaal bedrag van de werken, exclusief de belasting over
de toegevoegde waarde, die hij heeft toevertrouwd aan zijn onderaannemer of aan zijn onderaannemers. De
aannemer die zich niet schikt naar de bepalingen van § 7, derde en vierde lid, is aan de Rijksdienst
een forfaitaire vergoeding verschuldigd van 150,00 euro per onjuist aangegeven inlichting. §
9. De Koning kan de toepassing van de §§ 7 en 8 beperken tot de werken waarvan het totaal
bedrag hoger is dan een door Hem te bepalen bedrag en waarvoor geen beroep is gedaan op een onderaannemer. De
Koning kan bepalen onder welke voorwaarden de som die verschuldigd is ingevolge § 8 kan worden
verminderd of vrijgesteld. § 10. Dit artikel is niet van toepassing op de opdrachtgever-natuurlijke
persoon die de in § 1 vermelde werken uitsluitend voor privé-doeleinden laat uitvoeren. §
11. Dit artikel blijft van toepassing in geval van faillissement of elke andere samenloop van schuldeisers
alsook bij cessie, beslag onder derden, inpandgeving, inbetalinggeving of in artikel 1798 van het Burgerlijk
Wetboek bedoelde rechtstreekse vordering. ». Art. 56. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1
januari 2008. De Koning bepaalt de vereiste overgangsmaatregelen wanneer de betrokken overheidsdiensten
tegen die datum nog niet kunnen beschikken over de passende informaticatoepassingen die nodig zijn voor
de correcte uitvoering van dit hoofdstuk. HOOFDSTUK II. - Afwezigheid van het werk met het oog
op het verstrekken van pleegzorgen Art. 57. In de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten
wordt een artikel 30quater ingevoegd, luidende : « Art. 30quater. § 1. De werknemer
die is aangesteld als pleegouder door de rechtbank, door een door de gemeenschap erkende dienst voor
pleegzorg, door de diensten van l'Aide à la Jeunesse of door het Comité Bijzondere Jeugdbijstand heeft
het recht om van het werk afwezig te zijn voor de vervulling van verplichtingen en opdrachten of om het
hoofd te bieden aan situaties die voortvloeien uit de plaatsing in zijn gezin van één of meerdere personen
die in het kader van die pleegzorg aan hem zijn toevertrouwd. De duur van de afwezigheid mag 5 dagen
per jaar niet overschrijden. Indien het pleeggezin bestaat uit twee werknemers, die beiden zijn aangesteld
als pleegouder, dienen deze dagen onder hen te worden verdeeld. § 2. Onverminderd gunstiger
regelingen kan de Koning, na advies van de Nationale Arbeidsraad, op algemene wijze, het aantal dagen,
bedoeld in § 1, verhogen. Vanaf 1 januari 2008 verhoogt de Koning, na advies van de
Nationale Arbeidsraad, het aantal dagen, bedoeld in § 1, tot maximum 10 per kalenderjaar en per
gezin. De Koning bepaalt tevens, na advies van de Nationale Arbeidsraad, wat moet worden begrepen
onder pleegouder en pleeggezin en stelt de nadere regelen vast voor de uitoefening van het recht op afwezigheid
van het werk, inzonderheid de soort plaatsing, de soort verplichtingen, opdrachten en situaties die voortvloeien
uit de plaatsing in zijn gezin en de wijze en het tijdstip waarop de werkgever moet verwittigd worden.
De Koning kan eveneens het in § 1 bedoelde aantal dagen aanpassen ten aanzien van sommige categorieën
van werknemers. ». Art. 58. In artikel 7, § 1, derde lid, van de besluitwet van 28 december
1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt een punt zb) toegevoegd, luidende
: « zb) de uitbetaling verzekeren van de uitkeringen toegekend met het oog op het verstrekken
van pleegzorgen bedoeld bij Titel VI, Hoofdstuk II, van de programmawet van 27 april 2007 ». Art.
59. Een uitkering wordt toegekend aan de werknemer die gebruik maakt van het recht erkend door dit hoofdstuk. De
Koning bepaalt het bedrag van de uitkering alsmede de nadere voorwaarden en regelen tot toekenning van
deze uitkering. Art. 60. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie,
houden de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht op de naleving van deze wet en de uitvoeringsbesluiten
ervan. Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van
16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie. De artikelen 27 tot 32 van titel II van hoofdstuk
III van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel,
zijn eveneens van toepassing op dit hoofdstuk en haar uitvoeringsbesluiten. Art. 61. Na advies
van de Nationale Arbeidsraad, neemt de Koning de nodige maatregelen met het oog op de aanpassing van
de sociale zekerheidswetgeving ten behoeve van de werknemers die gebruik maken van het recht erkend door
dit hoofdstuk. Art. 62. Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch
Staatsblad wordt bekendgemaakt. HOOFDSTUK III. - Start- en stagebonus Art. 63. In
2007 wordt een bedrag, bepaald bij de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad,
ingehouden op de beschikbare middelen bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid - Globaal beheer en toegekend
als bijzondere vergoeding aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening voor de financiering van de start-
en stagebonussen, met toepassing van artikel 7, § 1, derde lid, w, van de besluitwet van 28 december
1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. HOOFDSTUK IV. - Financiering RVA
in het kader van de moederschapshulp ten gunste van zelfstandige vrouwen onder de vorm van dienstencheques Art.
64. In artikel 66, § 3sexies, van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en
andere bepalingen, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht
: 1° het eerste lid wordt aangevuld als volgt : « Het bedrag van 1 500 duizend euro
wordt vervangen door 2 100 duizend euro vanaf 1 januari 2007 en door 2 530 duizend euro vanaf 1 januari
2008. »; 2° de paragraaf wordt aangevuld met het volgende lid : « De Koning kan, bij
een in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag bedoeld in het vorige lid verhogen, ten einde een volledige
financiering van de kostprijs ten laste van de RVA van de dienstencheques toegekend aan zelfstandige
vrouwen in het kader van de hulp bij moederschap, te verzekeren. ». HOOFDSTUK V. - Wijziging
van de wet van 5 maart 2002 tot omzetting van de richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de
Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten
van diensten, en tot invoering van een vereenvoudigd stelsel betreffende het bijhouden van sociale documenten
door ondernemingen die in België werknemers ter beschikking stellen Art. 65. Artikel 8 van
de wet van 5 maart 2002 tot omzetting van de richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten
van diensten, en tot invoering van een vereenvoudigd stelsel betreffende het bijhouden van sociale documenten
door ondernemingen die in België werknemers ter beschikking stellen, vervangen bij de programmawet (I)
van 27 december 2006, wordt aangevuld met het volgende lid : « In afwijking op het eerste en
tweede lid, kan de Koning bepalen dat specifieke modaliteiten inzake de publiciteit met betrekking tot
het werkrooster zullen van toepassing zijn indien de gegevens met betrekking tot het werkrooster, zoals
aangegeven in de melding geviseerd bij artikel 139 van de programmawet (I) van 27 december 2006, niet
meer overstemmen met het echte werkrooster van de gedetacheerde werknemers. ». TITEL VII. -
Financiën HOOFDSTUK I. - Maatregelen inzake fraudebestrijding en betere inning van de belastingen Afdeling
1. - Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 66. Artikel 393 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met een
§ 2, luidende : « Het kohier is uitvoerbaar tegen de personen die er niet zijn in opgenomen
in de mate zij gehouden zijn tot de betaling van de belastingschuld op grond van het gemeen recht of
op grond van de bepalingen van dit Wetboek. ». Art. 67. Artikel 413bis, § 4, van hetzelfde
Wetboek, wordt vervangen als volgt : « § 4. Onverminderd artikel 410, derde lid, kan
de directeur der belastingen geen onbeperkt uitstel van de invordering verlenen voor betwiste belastingen
of voor belastingen waarvoor nog een bezwaar of een vordering in rechte kan worden ingediend, noch voor
belastingen of aanvullende belastingen gevestigd ten gevolge van de vaststelling van een fiscale fraude,
noch in geval van samenloop van schuldeisers. » Art. 68. In artikel 423, tweede lid, van hetzelfde
Wetboek, worden de woorden « en roerende voorheffing » ingevoegd tussen de woorden « bedrijfsvoorheffing
» en de woorden « dezelfde rang ». Art. 69. In artikel 435 van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij het koninklijk besluit van 25 februari 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
in § 1 wordt het eerste lid vervangen als volgt : « § 1. Wanneer de in artikel
433 bedoelde akte verleden is, geldt de in artikel 434 bedoelde kennisgeving als beslag onder derden
in handen van de notaris op de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening
of ten bate van de belastingschuldige en geldt als verzet tegen de prijs in de zin van artikel 1642 van
het Gerechtelijk Wetboek in de gevallen waarin de notaris gehouden is de bedragen en waarden overeenkomstig
de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen. »; 2° in § 1 wordt
tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd : « Onverminderd de rechten
van derden, is de notaris ertoe gehouden, wanneer de in artikel 433 bedoelde akte verleden is, behoudens
toepassing van de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij
krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige, uiterlijk de
achtste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, aan de ontvangers der directe belastingen te
storten tot beloop van het bedrag van de belastingen en bijbehoren die hem ter uitvoering van artikel
434 ter kennis werden gebracht en in zoverre deze belastingen en bijbehoren een zekere en vaststaande
schuld in de zin van artikel 410 vormen. »; 3° in § 2 worden de woorden « tweede lid
», vervangen door de woorden « derde lid »; 4° in § 3, eerste lid, worden de woorden
« derde lid », vervangen door de woorden « vierde lid »; 5° in § 3, tweede lid, worden
de woorden « tweede lid », vervangen door de woorden « derde lid ». Afdeling 2. - Wetboek
van de belasting over de toegevoegde waarde Art. 70. In het Wetboek van de belasting over de
toegevoegde waarde wordt een artikel 84quinquies ingevoegd, luidende : « Art. 84quinquies.
§ 1. Op verzoek van elke belastingschuldige, natuurlijke persoon, die niet meer de hoedanigheid
van belastingplichtige van de belasting over de toegevoegde waarde heeft, of van zijn echtgenoot op wiens
goederen de belasting over de toegevoegde waarde wordt ingevorderd kan de gewestelijke directeur van
de belasting over de toegevoegde waarde onbeperkt uitstel van de invordering verlenen van de door de
belastingschuldige verschuldigde belastingschuld, bestaande uit de belasting, de intresten, de belastingboeten. De
gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde stelt de voorwaarden waaronder hij,
geheel of gedeeltelijk, onbeperkt uitstel van de invordering verleent van een of meerdere belastingschulden.
Hij verbindt zijn beslissing aan de voorwaarde dat de verzoeker onmiddellijk of gespreid een betaling
doet van een som die bestemd is om te worden aangewend op de verschuldigde belastingen en waarvan het
bedrag door hem wordt bepaald. Het onbeperkt uitstel van de invordering van de belastingschuld
zal slechts uitwerking hebben na de betaling van de in het tweede lid vermelde som. §
2. Het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering van de belastingschuld is enkel ontvankelijk
voor zover : 1° de verzoeker, die niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, zich
in een toestand bevindt waarin hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare schulden te
betalen; 2° de belastingplichtige geen beslissing tot onbeperkt uitstel van de invordering van
de belastingschuld heeft verkregen binnen de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. §
3. Het onbeperkt uitstel van de invordering van de belastingschuld kan eveneens ambtshalve worden verleend
aan de belastingschuldige, onder de voorwaarden bedoeld in de §§ 1 en 2, op voorstel van
de ambtenaar belast met de invordering. § 4. De gewestelijke directeur van de belasting
over de toegevoegde waarde kan geen onbeperkt uitstel verlenen van de invordering van de belastingschuld
die het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk geschil, noch van de belastingen of de belastingboeten
gevestigd ten gevolge van de vaststelling van een fiscale fraude of ingeval van samenloop van schuldeisers.
». Art. 71. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 84sexies ingevoegd, luidende : «
Art. 84sexies. § 1. Het verzoek tot uitstel moet worden gemotiveerd en moet bewijskrachtige elementen
bevatten met betrekking tot de toestand van de verzoeker. § 2. Het wordt bij ter post
aangetekende brief ingediend bij de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde
in wiens ambtsgebied de belastingschuldige zijn woonplaats heeft. § 3. Er wordt hiervan
een ontvangstbewijs uitgereikt aan de verzoeker met vermelding van de datum van ontvangst van het verzoek.
». Art. 72. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 84septies ingevoegd, luidende : «
Art. 84septies. De behandeling van het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering wordt toevertrouwd
aan de ambtenaar belast met de invordering. Teneinde de behandeling van het verzoek te verzekeren,
beschikt deze ambtenaar over de onderzoeksbevoegdheden zoals bedoeld in artikel 63bis. In het
kader van deze behandeling, kan hij met name van de kredietinstellingen, die onderworpen zijn aan de
wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, alle hen gekende
inlichtingen eisen die nuttig kunnen zijn teneinde de vermogenssituatie van de verzoeker te bepalen.
». Art. 73. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 84octies ingevoegd, luidende : «
Art. 84octies. § 1. De gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde doet
uitspraak bij gemotiveerde beslissing binnen de zes maanden na ontvangst van het verzoek. Zijn
beslissing wordt ter kennis gebracht van de verzoeker bij ter post aangetekende brief. §
2. Ze kan, binnen de maand van de kennisgeving, het voorwerp uitmaken van een beroep bij een commissie
samengesteld uit ten minste twee en ten hoogste vier gewestelijke directeurs van de belasting over de
toegevoegde waarde aangewezen door de minister die de Financiën onder zijn bevoegdheden heeft, onder
het voorzitterschap van de ambtenaar die de leiding heeft over de diensten belast met de invordering
van de belasting over de toegevoegde waarde, of zijn afgevaardigde. Er wordt een ontvangstbewijs
van uitgereikt aan de eiser met vermelding van de datum van ontvangst van het beroep. De commissie
doet uitspraak bij gemotiveerde beslissing binnen de drie maanden na ontvangst van het beroep. De
beslissing van de commissie is niet vatbaar voor beroep. Ze wordt ter kennis gebracht van de eiser per
aangetekende brief. ». Art. 74. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 84nonies ingevoegd,
luidende : « Art. 84nonies. - De indiening van het verzoek of van het voorstel tot onbeperkt
uitstel van de invordering van de belastingschuld schorst alle middelen van tenuitvoerlegging tot op
de dag dat de beslissing van de directeur definitief is geworden of, in het geval van beroep, tot op
de dag van de kennisgeving van de beslissing van de commissie bedoeld in artikel 84octies. De reeds gelegde
beslagen behouden echter hun bewarende werking. Het indienen van het verzoek of van het voorstel
tot onbeperkt uitstel van de invordering van de belastingschuld doet echter geen afbreuk aan andere maatregelen
welke ertoe strekken de invordering te waarborgen, noch aan de betekening of de kennisgeving van het
dwangbevel bedoeld in artikel 85 teneinde de verjaring te stuiten. ». Art. 75. In hetzelfde
Wetboek wordt een artikel 84decies ingevoegd, luidende : « Art. 84decies. De belastingschuldige
verliest het voordeel van het onbeperkt uitstel van de invordering van de belastingschuld wanneer hetzij
: 1° hij onjuiste informatie heeft verstrekt teneinde het voordeel van het onbeperkt uitstel
van de invordering te verkrijgen; 2° hij de door de gewestelijke directeur van de belasting
over de toegevoegde waarde in zijn beslissing vastgestelde voorwaarden niet eerbiedigt; 3° hij
onrechtmatig zijn passief heeft verhoogd of zijn actief heeft verminderd; 4° hij zijn onvermogen
heeft bewerkt. ». Art. 76. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 84undecies ingevoegd, luidende
: « Art. 84undecies . De Koning bepaalt de toepassingsvoorwaarden voor de artikelen 84quinquies
tot 84decies. Hij kan met name de objectieve voorwaarden bepalen voor het vaststellen van de som die
moet worden betaald door de verzoeker, zoals bedoeld in artikel 84quinquies, § 1. ». Art.
77. In artikel 93quinquies van hetzelfde Wetboek, vervangen door artikel 7 van het koninklijk besluit
van 25 februari 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, eerste lid,
wordt vervangen door het volgende lid : « § 1. Wanneer de in artikel 93ter bedoelde
akte verleden is, geldt de in artikel 93quater bedoelde kennisgeving als beslag onder derden in handen
van de notaris op de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of
ten bate van de belastingschuldige en geldt als verzet tegen de prijs in de zin van artikel 1642 van
het Gerechtelijk Wetboek in de gevallen waarin de notaris gehouden is de bedragen en waarden overeenkomstig
de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen, voorzover de in artikel 85, §
1, voorgeschreven kennisgeving werd verricht. »; 2° in § 1 wordt tussen het eerste en
het tweede lid het volgende lid ingevoegd : « Onverminderd de rechten van derden, is de notaris
ertoe gehouden, wanneer de in artikel 93ter bedoelde akte verleden is, behoudens toepassing van de artikelen
1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich
houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op
het verlijden van de akte, aan de krachtens artikel 93ter aangewezen ambtenaar te storten tot beloop
van het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren die hem ter uitvoering van artikel
93ter ter kennis werden gebracht en in zoverre deze belasting en bijbehoren aanleiding hebben gegeven
tot een dwangbevel als bedoeld in artikel 85 waarvan de tenuitvoerlegging niet werd gestuit door een
bij artikel 89 bedoelde vordering in rechte. »; 3° in § 2 worden de woorden « tweede
lid », vervangen door de woorden « derde lid »; 4° in § 3, eerste lid, worden de woorden
« derde lid », vervangen door de woorden « vierde lid »; 5° in § 3, tweede lid, worden
de woorden « tweede lid », vervangen door de woorden « derde lid ». HOOFDSTUK II. - Wijzigingen
van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Afdeling 1. - Personenbelasting Onderafdeling
1. - Belastingvermindering voor de uitgaven voor energiebesparende maatregelen Art. 78. Artikel
14524, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de
wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de programmawet van 5 augustus 2003, bij de wet van 31 juli
2004, bij de programmawetten van 27 december 2005 en 27 december 2006, wordt aangevuld als volgt : «
Dit bedrag wordt echter verhoogd met 600 EUR voorzover deze verhoging uitsluitend betrekking heeft op
de uitgaven als bedoeld in het eerste lid, 2° of 3°. ». Art. 79. Artikel 14528
van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 9 juli 2004 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2006,
wordt opgeheven. Art. 80. Artikel 78 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2008. Artikel
79 is van toepassing in geval van verwerving van een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een
minibus vanaf 1 juli 2007. Onderafdeling 2. - Belastbare inkomsten Art. 81. In artikel
26, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen door de wet van 28 juli 1992,
worden de woorden « onder voorbehoud » vervangen door de woorden « onverminderd de toepassing van artikel
49 en onder voorbehoud ». Art. 82. Artikel 81 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2008. Afdeling
2. - Vennootschapsbelasting Onderafdeling 1. - Bedrijfswagen Art. 83. In titel III,
hoofdstuk II, afdeling II, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een artikel 185ter
ingevoegd, luidende : « Art. 185ter. In afwijking van artikel 24, derde lid, worden meerwaarden
op in artikel 65 vermelde voertuigen, andere dan die vermeld in artikel 66, § 2, slechts tot het
overeenkomstig artikel 198bis, 2°, bepaalde tarief in aanmerking genomen. Gedurende de periode
vanaf 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008 is het eerste lid slechts van toepassing op de vaste activa
aangeschaft of vervaardigd gedurende deze periode. ». Art. 84. In titel III, hoofdstuk II,
afdeling IV, onderafdeling I, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 198bis ingevoegd, luidende : «
Art. 198bis. - Het in artikel 66, § 1, vermelde percentage, wordt : 1° wat het tarief
van aftrekbaarheid betreft, naargelang het geval, gebracht op of verminderd tot : a) voor de
voertuigen met een dieselmotor : - 90 pct. indien ze een uitstoot hebben van minder dan 105
gram CO2 per kilometer; - 80 pct. indien ze een uitstoot hebben van 105 gram CO2 per kilometer
tot maximaal 115 gram CO2 per kilometer; - 75 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan
115 gram CO2 per kilometer tot maximaal 145 gram CO2 per kilometer; - 70 pct. indien ze een
uitstoot hebben van meer dan 145 gram CO2 per kilometer tot maximaal 175 gram CO2 per kilometer; -
60 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 175 gram CO2 per kilometer; b) voor de voertuigen
met een benzinemotor : - 90 pct. indien ze een uitstoot hebben van minder dan 120 gram CO2 per
kilometer; - 80 pct. indien ze een uitstoot hebben van 120 gram CO2 per kilometer tot maximaal
130 gram CO2 per kilometer; - 75 pct. indien ze een uitstoot hebben van meer dan 130 gram CO2
per kilometer tot maximaal 160 gram CO2 per kilometer; - 70 pct. indien ze een uitstoot hebben
van meer dan 160 gram CO2 per kilometer tot maximaal 190 gram CO2 per kilometer; - 60 pct. indien
ze een uitstoot hebben van meer dan 190 gram CO2 per kilometer; 2° wat het in aanmerking te
nemen tarief voor de minderwaarden betreft, bepaald op het percentage dat gelijk is aan het percentage
dat de som van de vóór de verkoop fiscaal aangenomen afschrijvingen vertegenwoordigt in de som van de
geboekte afschrijvingen voor de overeenstemmende belastbare tijdperken. Gedurende de periode
vanaf 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008 is het eerste lid slechts van toepassing op de vaste activa
aangeschaft of vervaardigd gedurende deze periode. ». Art. 85. De artikelen 83 en 84 hebben
uitwerking met ingang van 1 april 2007. Onderafdeling 2. - Belastingaftrek voor octrooi-inkomsten Art.
86. In titel III, hoofdstuk II, afdeling IV, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, waarvan
de onderafdeling IIIbis de onderafdeling IIIter wordt, wordt na artikel 205 een onderafdeling IIIbis
ingevoegd waarvan het opschrift luidt als volgt : « Onderafdeling IIIbis. - Aftrek voor octrooi-inkomsten.
». Art. 87. In titel III, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling IIIbis, van hetzelfde Wetboek,
wordt een artikel 2051 ingevoegd, luidende : « Art. 2051.
- De winst van het belastbare tijdperk wordt verminderd met 80 pct. van de overeenkomstig de artikelen
2052 tot 2054 bepaalde octrooi-inkomsten. Deze vermindering wordt «
aftrek voor octrooi-inkomsten » genoemd. ». Art. 88. In titel III, hoofdstuk II, afdeling
IV, onderafdeling IIIbis, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 2052 ingevoegd, luidende
: « Art. 2052. - § 1. Voor de toepassing van artikel 2051
wordt verstaan onder « octrooien » : - de octrooien of aanvullende beschermingscertificaten
waarvan de vennootschap octrooihouder of certificaathouder is en die geheel of gedeeltelijk door de vennootschap
werden ontwikkeld in onderzoekscentra die een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid vermeld in
artikel 46, § 1, eerste lid, 2° vormen; - de door de vennootschap verworven octrooien,
aanvullende beschermingscertificaten of licentierechten met betrekking tot octrooien of aanvullende beschermingscertificaten,
op voorwaarde dat die geoctrooieerde producten of procédés geheel of gedeeltelijk door de vennootschap
verder werden verbeterd in onderzoekscentra die een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid vermeld
in artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, vormen ongeacht of deze verdere verbetering aanleiding heeft
gegeven tot bijkomende octrooien. § 2. Voor de toepassing van artikel 2051
wordt verstaan onder « octrooi-inkomsten » : - de vergoedingen, van welke aard ook, voor licenties
die door de vennootschap zijn verleend op octrooien, in zover deze vergoedingen in het in België belastbare
resultaat van het belastbaar tijdperk voorkomen en indien er bijzondere verhoudingen zijn tussen de schuldenaar
van de vergoedingen en de ontvangende vennootschap, enkel in zover deze vergoedingen niet hoger zijn
dan de vergoedingen die tussen onafhankelijke ondernemingen zouden zijn overeengekomen; - de
vergoedingen die aan de vennootschap voor het belastbaar tijdperk zouden verschuldigd zijn indien de
goederen die door of voor rekening van de vennootschap worden geproduceerd of de diensten die door of
voor rekening van de vennootschap worden geleverd, zouden worden geproduceerd of geleverd door een derde
op grond van een licentie verleend door de vennootschap op octrooien en indien tussen de vennootschap
en de derde zodanige voorwaarden zouden zijn overeengekomen als tussen onafhankelijke ondernemingen en
in zover deze vergoedingen in het in België belastbare resultaat van het belastbaar tijdperk zouden voorkomen. Ingeval
de in het eerste lid bedoelde vergoedingen niet uitsluitend betrekking hebben op octrooien, komt alleen
het gedeelte dat betrekking heeft op octrooien in aanmerking voor de aftrek voor octrooi-inkomsten. De
in het eerste lid bepaalde octrooi-inkomsten omvatten niet de bijdragen in de werkelijke kosten van onderzoek
en ontwikkeling die door de vennootschap worden gedragen. Art. 89. In titel III, hoofdstuk
II, afdeling IV, onderafdeling IIIbis, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 2053
ingevoegd, luidende : « Art. 2053. - § 1. De octrooi-inkomsten van
een belastbaar tijdperk die betrekking hebben op door de vennootschap verworven octrooien, worden verminderd
: - met de vergoedingen, van welke aard ook, die zijn verschuldigd aan derden voor deze octrooien,
in zover deze vergoedingen ten laste worden gelegd van het in België belastbare resultaat van hetzelfde
belastbaar tijdperk; en - met tijdens het belastbaar tijdperk toegepaste afschrijvingen op de
aanschaffings- of beleggingswaarde van deze octrooien in zover deze afschrijvingen ten laste worden gelegd
van het in België belastbare resultaat van hetzelfde belastbaar tijdperk. In geval de in het
eerste lid bedoelde vergoedingen en afschrijvingen niet uitsluitend betrekking hebben op octrooien, worden
de in aanmerking te nemen octrooi-inkomsten alleen verminderd met het gedeelte dat betrekking heeft op
octrooien. De in het eerste lid bedoelde vergoedingen omvatten niet de door de vennootschap
aan derden verschuldigde bijdragen in de werkelijke kosten van onderzoek en ontwikkeling die door deze
derden worden gedragen. § 2. Indien de vergoedingen die zijn verschuldigd aan derden
met betrekking tot de door de vennootschap verworven octrooien lager zijn dan de vergoedingen die tussen
onafhankelijke ondernemingen zouden zijn overeengekomen, worden de octrooi-inkomsten van het belastbaar
tijdperk met betrekking tot deze octrooien, in afwijking van § 1, eerste streepje, verminderd
met de vergoedingen die tussen onafhankelijke ondernemingen zouden zijn overeengekomen en die ten laste
zouden komen van het belastbare tijdperk. De in het eerste lid bedoelde vergoedingen omvatten
niet de vergoedingen die afgeschreven worden, zoals bedoeld in § 3. § 3. Indien
de aanschaffings- of beleggingswaarde van de door de vennootschap verworven octrooien lager is dan de
prijs die tussen onafhankelijke ondernemingen zou zijn overeengekomen, worden de octrooi-inkomsten van
het belastbaar tijdperk met betrekking tot deze octrooien, in afwijking van § 1, tweede streepje,
verminderd met de afschrijvingen die tijdens het belastbaar tijdperk zouden zijn toegepast op de aanschaffingsprijs
die tussen onafhankelijke ondernemingen zou zijn overeengekomen. ». Art. 90. In titel III,
hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling IIIbis, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 2054
ingevoegd, luidende : « Art. 2054. Om het voordeel van de aftrek voor octrooi-inkomsten
te rechtvaardigen moet de belastingplichtige bij zijn aangifte een opgave voegen waarvan het model door
de minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld, voor het aanslagjaar waarvoor de aftrek
voor octrooi-inkomsten wordt genoten. ». Art. 91. In titel V, hoofdstuk III, afdeling II,
van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 236bis ingevoegd, luidende : « Art. 236bis. De artikelen
2051 tot 2054 zijn van toepassing op de in artikel 227, 2°, bedoelde
belastingplichtigen voor de octrooi-inkomsten met betrekking tot octrooien die worden aangewend in hun
Belgische inrichtingen. Voor de toepassing van artikel 2053, worden de octrooi-inkomsten
verminderd met de aan derden verschuldigde vergoedingen, evenals met de afschrijvingen op de verworven
octrooien die ten laste van het belastbaar resultaat van de Belgische inrichtingen worden gelegd. ». Art.
92. Artikel 286 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 17 mei 2004, wordt aangevuld als volgt
: « In afwijking van het eerste lid, wordt met betrekking tot octrooi-inkomsten waarvoor overeenkomstig
de artikelen 2051 tot 2054 of artikel 236bis een aftrek voor octrooi-inkomsten
wordt verleend, het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting bepaald volgens het product van een
breuk waarvan de teller gelijk is aan de werkelijk ingehouden buitenlandse belasting uitgedrukt in een
percentage van het inkomen waarop die belasting betrekking heeft, zonder 15 pct. van dit inkomen te mogen
overschrrijden en waarvan de noemer gelijk is aan 100 verminderd met het cijfer van de teller. Het
forfaitaire gedeelte van de buitenlandse belasting als bedoeld in het vorige lid is slechts verrekenbaar
ten belope van de belasting verschuldigd op diezelfde octrooi-inkomsten waarvoor overeenkomstig de artikelen
2051 tot 2054 of artikel 236bis een aftrek voor octrooi-inkomsten
wordt verleend. Wanneer de schuldenaar van het inkomen de buitenlandse belasting heeft gedragen
tot ontlasting van de verkrijger, bedraagt de in het tweede lid vermelde noemer 100. ». Art.
93. De artikelen 86 tot 92 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2008 op de octrooi-inkomsten bedoeld
in artikel 2052 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, die betrekking hebben
op octrooien in de zin van artikel 2052, § 2, van hetzelfde Wetboek, die niet
door de vennootschap, een licentienemer of verbonden ondernemingen zijn gebruikt voor de verkoop van
goederen of diensten aan onafhankelijke derden vóór 1 januari 2007. Afdeling 3. - Vestiging
van de belasting Art. 94. Artikel 308, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
1992, wordt vervangen als volgt : « § 3. De in § 1 bedoelde belastingplichtigen
die geen aangifteformulier hebben ontvangen, moeten bij de aanslagdienst waaronder zij ressorteren uiterlijk
op 1 juni van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd een aangifteformulier aanvragen en, zo
zulks nodig is, de termijn vermelden waarop zij in voorkomend geval ingevolge § 2 aanspraak kunnen
maken. Deze verplichting geldt niet voor : - belastingplichtigen die overeenkomstig
artikel 306 van aangifteplicht zijn vrijgesteld; - belastingplichtigen die in de elektronische
aangifte bedoeld in artikel 307bis voor het voorgaand aanslagjaar zich ertoe hebben verbonden om het
daaropvolgend aanslagjaar eveneens gebruik te maken van de overlegging op elektronische wijze. ». Art.
95. Artikel 94 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2008. Afdeling 4. - Belastingkrediet voor
de vastbenoemde personeelsleden Art. 96. Voor aanslagjaar 2008 wordt het bedrag van het belastingkrediet
bedoeld in artikel 289ter, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met 80 pct.
verhoogd voor de belastingplichtigen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten
in de overheidssector. De Koning regelt de inwerkingtreding van dit artikel. HOOFDSTUK
III. - Belasting over de toegevoegde waarde Afdeling 1. - Opheffing van de richtlijn 77/388/EEG Art.
97. In artikel 15, § 5, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde
waarde, vervangen bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden « artikel 28ter, B, 2, van de richtlijn
van de Raad van de Europese Gemeenschappen 77/388/EEG van 17 mei 1977 en gewijzigd door de richtlijn
91/680/EEG van 16 december 1991 » vervangen door de woorden « artikel 34 van de richtlijn 2006/112/EG
van de Raad van 28 november 2006 ». Art. 98. In artikel 7, eerste lid, van het koninklijk
besluit nr. 10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld
in de artikelen 15, § 5, derde lid, en 25ter, § 1, derde lid, van het Wetboek van de belasting
over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande
kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij het koninklijk besluit van
28 mei 2004, worden de woorden « artikel 28ter, B, 2, van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen
77/388/EEG van 17 mei 1977, gewijzigd door de richtlijn 91/680/EEG van 16 december 1991 » vervangen door
de woorden « artikel 34 van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 ». Art.
99. In artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 47 van 25 februari 1996 tot regeling van de controle
van de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd ter zake van de levering,
intracommunautaire verwerving en invoer van vervoermiddelen, in de zin van artikel 8bis, § 2,
1°, van het Wetboek, vervangen bij het koninklijk besluit van 24 augustus 2005, worden de woorden «
artikel 15, paragraaf 10, van de zesde richtlijn 77/388/EEG » vervangen door de woorden « artikel 151
van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 ». Art. 100. De artikelen 97
tot 99 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2007. Afdeling 2. - BTW-eenheid Art.
101. In het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wordt een artikel 19bis ingevoegd,
luidende : « Art. 19bis. - Met een dienst verricht onder bezwarende titel wordt eveneens gelijkgesteld,
het verstrekken van een dienst zoals bepaald in artikel 21, § 3, 7° door een buiten België gevestigde
belastingplichtige voor één van zijn vestigingen die lid is van een BTW-eenheid in België in de zin van
artikel 4, § 2. ». Art. 102. In artikel 33, § 1, 3°, van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de programmawet van 27 december 2006, worden de woorden « en artikel 19bis, » ingevoegd tussen de
woorden « artikel 19, § 2, 1°, » en de woorden « de overeenkomstig artikel 32 ». Art.
103. Artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling
voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij het koninklijk besluit
van 29 december 1992, wordt vervangen als volgt : « Art. 10. § 1. De in het vorige artikel
bedoelde herziening moet worden verricht wanneer gedurende het in dat artikel bedoelde tijdvak : 1°
het bedrijfsmiddel door de belastingplichtige geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt voor privé-doeleinden
of ter verwezenlijking van handelingen die geen recht op aftrek verlenen, of die recht op aftrek verlenen
in een andere verhouding dan die welke als grondslag heeft gediend voor de oorspronkelijke aftrek; deze
bepaling geldt evenwel niet wanneer het hele privé-gebruik aanleiding geeft tot een belastbare levering
in de zin van artikel 12, § 1, 1° of 2°, van het Wetboek; 2° enige wijziging is ingetreden
in de factoren die, met inachtneming van de uitgeoefende economische activiteit, aan de berekening van
de aftrek gedaan voor het bedrijfsmiddel ten grondslag hebben gelegen; 3° het bedrijfsmiddel
het voorwerp is van een handeling die recht op aftrek verleent en in de mate waarin de aftrek van de
belasting geheven op dat goed een beperking heeft ondergaan andere dan die voortspruitend uit artikel
45, § 2, van het Wetboek; 4° het bedrijfsmiddel ophoudt in de onderneming te bestaan
of wanneer het niet meer gebruikt wordt voor de BTW-eenheid ingevolge de uittreding van één van haar
leden, tenzij wordt aangetoond dat zulks het gevolg is van een handeling die recht op aftrek verleent
of dat het bedrijfsmiddel vernietigd of ontvreemd werd; 5° iemand de hoedanigheid van belastingplichtige
verliest of wanneer hij toetreedt tot een BTW-eenheid, of nog slechts handelingen verricht die geen recht
op aftrek verlenen wat betreft de aan herziening onderworpen onroerende goederen uit hun aard en de zakelijke
rechten, tenzij die goederen het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering die recht op aftrek verleent
of die zakelijke rechten met toepassing van de belasting werden overgedragen of wederovergedragen. In
het geval van het 3° wordt het bedrag van de belasting, dat ingevolge de herziening in aftrek mag worden
gebracht, beperkt tot het bedrag dat wordt bekomen door de maatstaf van heffing voor de levering te vermenigvuldigen
met het tarief waartegen de belasting, waarvan de aftrek wordt herzien, werd berekend. §
2. De herziening moet ook worden verricht wanneer gedurende het in het vorig artikel bedoelde tijdvak
: - het bedrijfsmiddel dat het voorwerp heeft uitgemaakt van de in § 1, eerste lid, 4°,
bedoelde herziening, gebruikt wordt door het uittredend lid van de BTW-eenheid ter verwezenlijking van
handelingen die recht op aftrek verlenen; - het bedrijfsmiddel dat het voorwerp heeft uitgemaakt
van de in § 1, eerste lid, 5°, bedoelde herziening, door de btw-eenheid gebruikt wordt ter verwezenlijking
van handelingen die recht op aftrek verlenen. § 3. In het kader van het stelsel van de
BTW-eenheid kunnen de bedragen verschuldigd ingevolge de in § 1, 4° en 5°, bedoelde herzieningen,
worden verrekend met het bedrag van de belasting die in aftrek kan worden gebracht overeenkomstig de
in § 2 bedoelde herziening. Deze verrekening vereist de schriftelijke toestemming van
het betrokken lid en van de vertegenwoordiger van de BTW-eenheid. De verrekening moet gebeuren
in hoofde van de BTW-eenheid. Daartoe moet aan de BTW-controlekantoren waaronder de BTW-eenheid
en het betrokken lid ressorteren, een inventaris worden verstrekt van de aan herziening onderworpen goederen,
waarvan het model is vastgesteld door of vanwege de minister van Financiën, en van een afschrift van
de bovenbedoelde toestemming. ». Art. 104. In artikel 50 van het Wetboek van de belasting over
de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 7 maart 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht
: a) § 1, eerste lid, wordt aangevuld als volgt : « 4° aan elk lid van een
BTW-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, die overeenkomstig 1° en 2° voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd.
Dit identificatienummer vormt een sub-BTW-identificatienummer van de BTW-eenheid. »; b) er
wordt in de plaats van § 2, die § 3 wordt, een nieuwe § 2 ingevoegd, luidende : «
§ 2. De administratie van de BTW, registratie en domeinen kent aan elke BTW-eenheid in de zin
van artikel 4, § 2 die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht waarvoor zij geen
recht op aftrek heeft en die niet in § 1 wordt bedoeld een BTW-identificatienummer toe dat niet
de letters BE bevat. Dezelfde administratie kent aan de leden van de in het eerste lid bedoelde
BTW-eenheid eveneens een BTW-identificatienummer toe dat niet de letters BE bevat. Dit btw-identificatienummer
vormt een sub-BTW-identificatienummer van deze BTW-eenheid. ». Art. 105. Artikel 53, van hetzelfde
Wetboek, vervangen bij de wet van 28 januari 2004, wordt aangevuld met een § 3, luidende : «
§ 3. In het kader van een BTW-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, is het lid dat goederen
of diensten verschaft aan een ander lid ertoe gehouden een bijzonder stuk uit te reiken aan dat lid of
ervoor te zorgen dat in zijn naam en voor zijn rekening, door het lid in zijn hoedanigheid van medecontractant
of door een derde een dergelijk stuk wordt uitgereikt, als de in § 2 bedoelde factuur niet werd
uitgereikt. De Koning kan andere verplichtingen bepalen om de juiste heffing van de belasting
te waarborgen en om de fraude te vermijden. ». Art. 106. In artikel 53quater, § 1,
van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 maart 2002, wordt tussen het eerste en het tweede lid
het volgende lid ingevoegd : « De leden van de BTW-eenheid in de zin van artikel 4, §
2, zijn gehouden aan hun leveranciers en hun klanten het sub-BTW-identificatienummer bedoeld in artikel
50, § 1, eerste lid, 4° of § 2, mee te delen. ». Art. 107. In artikel 53quinquies,
van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 maart 2002 en gewijzigd bij de wet van 20 december
2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in het eerste lid worden de woorden «
de leden van een BTW-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, die overeenkomstig artikel 50, §
1, eerste lid, 4°, voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd, » ingevoegd tussen de woorden « voor BTW-doeleinden
zijn geïdentificeerd, » en de woorden « de belastingplichtigen bedoeld in artikel 56, § 2 » en
worden de woorden « artikel 50, § 2 » vervangen door de woorden « artikel 50, § 3 »; b)
het artikel wordt aangevuld met het volgende lid : « De BTW-eenheid in de zin van artikel
4, § 2, die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd,
is bovendien gehouden jaarlijks de administratie van de BTW, registratie en domeinen in kennis te stellen
van het totale bedrag van de in de loop van het vorige jaar door elk lid van die BTW-eenheid aan elk
van de andere leden van die BTW-eenheid verrichte handelingen. ». Art. 108. In artikel 53sexies,
§ 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 december 1992 en gewijzigd
bij het koninklijk besluit van 22 december 1995 en de wetten van 7 maart 2002 en 20 december 2002, worden
de woorden « de leden van een BTW-eenheid in de zin van artikel 4, § 2 » ingevoegd tussen de
woorden « voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd, » en de woorden « alsook de niet in België gevestigde
belastingplichtigen ». Art. 109. In artikel 56, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden « , met uitzondering van de BTW-eenheden
in de zin van artikel 4, § 2, » ingevoegd tussen de woorden « De kleine ondernemingen » en de
woorden « waarvan de jaaromzet ». Art. 110. In artikel 57, § 1, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden « , met uitzondering van de BTW-eenheden
in de zin van artikel 4, § 2, » ingevoegd tussen het woord « Landbouwondernemers » en « die
producten van hun bedrijf leveren ». Art. 111. In artikel 61, § 1, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de wetten van 7 maart 2002 en 28 januari 2004,
worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) tussen het eerste en het tweede lid wordt het
volgende lid ingevoegd : « Het ter inzage voorleggen van de boeken, facturen en andere stukken
overeenkomstig het eerste lid, gebeurt, wat de BTW-eenheid in de zin van artikel 4, § 2 betreft,
door de vertegenwoordiger aangeduid door de andere leden om in hun naam en voor hun rekening de rechten
en de verplichtingen van die BTW-eenheid uit te oefenen. De ambtenaren van de administratie die de belasting
over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, kunnen echter eisen dat het lid van de BTW-eenheid
zelf de in het eerste lid bedoelde voorlegging van de boeken, facturen en andere stukken die hem aanbelangen
verricht. »; b) in het vijfde lid dat het zesde lid wordt, worden de woorden « artikel 50,
§ 2 » vervangen door de woorden « artikel 50, § 3 ». Art. 112. Artikel 62,
§ 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992, wordt vervangen
als volgt : « Iedere belastingplichtige of lid van een BTW-eenheid in de zin van artikel 4,
§ 2, eigenaar of houder van een zakelijk recht op een voor hypotheek vatbaar goed, is gehouden,
op verzoek van de notaris die belast is met het opmaken van de akte houdende vervreemding of hypotheekstelling
betreffende dat goed, aan deze laatste zijn hoedanigheid van belastingplichtige of lid van een BTW-eenheid
in de zin van artikel 4, § 2, kenbaar te maken. ». Art. 113. Artikel 93ter, §
1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980 en vervangen bij de wet
van 25 februari 2007, wordt vervangen als volgt : « § 1. De notaris die verzocht wordt
een akte op te maken met betrekking tot het vervreemden of het bezwaren met een hypotheek van een voor
hypotheek vatbaar goed, is gehouden aan de eigenaar of vruchtgebruiker van dat goed of van een gedeelte
ervan te vragen of deze een belastingplichtige of een lid van een BTW-eenheid in de zin van artikel 4,
§ 2, is. ». Art. 114. De artikelen 101 tot 113 hebben uitwerking met ingang van 1 april
2007. Afdeling 3. - Maatstaf van heffing Art. 115. In artikel 33bis van het Wetboek
van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden
« artikel 33, 1° » vervangen door de woorden « artikel 33, § 1, 1° ». Art. 116. In
artikel 36 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden « artikel
32, tweede lid » vervangen door de woorden « artikel 32, eerste lid ». Art. 117. In artikel
71 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 22 juli 1993 en bij het koninklijk besluit van 20
juli 2000, worden de woorden « artikel 32, tweede lid » vervangen door de woorden « artikel 32, eerste
lid ». Art. 118. De artikelen 115 tot 117 hebben uitwerking met ingang van 7 januari 2007. Afdeling
4. - Maatregelen inzake fraudebestrijding en betere invordering van de belastingen Art. 119.
Artikel 52bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 27 december 2006, wordt in de
Nederlandse versie vervangen als volgt : « Art. 52bis. § 1. Wanneer de ambtenaren van
de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft ter gelegenheid
van hun onderzoeken goederen ontdekken waarvoor redelijkerwijs kan worden verondersteld dat de bepalingen
van dit Wetboek en de uitvoeringsbesluiten inzake BTW niet werden nageleefd omdat het onmogelijk is de
tussenkomende partijen te identificeren of de oorsprong, de hoeveelheid, de prijs of de waarde van de
goederen vast te stellen, kunnen zij overgaan tot het bewarend beslag van deze goederen evenals van de
voor hun vervoer dienende middelen. De voormelde ambtenaren stellen een proces-verbaal van beslag
op dat de vastgestelde feiten vermeldt die het niet naleven van de wettelijke of reglementaire bepalingen
ter zake aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen en dat een inventaris bevat van de goederen die
het voorwerp van het beslag uitmaken. Dit proces-verbaal wordt aan de houder ter kennis gegeven uiterlijk
binnen de vierentwintig uur volgend op zijn opmaak. Indien de houder het bewijs levert van de
oorsprong, de hoeveelheid, de prijs of de waarde van de goederen en van de identiteit van de partijen,
spreekt de administratie de opheffing van het beslag uit. Ingeval van verduistering door de
houder van de goederen die het voorwerp van de beslagmaatregel uitmaken, zijn de bepalingen van artikel
507 van het Strafwetboek van toepassing. § 2. Op straffe van nietigheid moet de geldigheid
van het beslag bedoeld in § 1 binnen de termijn van een maand te rekenen vanaf de kennisgeving
van het proces-verbaal bedoeld in § 1, tweede lid, worden bekrachtigd door de beslagrechter van
het ambtsgebied waarin zich het kantoor bevindt waar de inning moet worden uitgevoerd. De procedure wordt
ingeleid op eenzijdig verzoekschrift. De beslissing van de beslagrechter is uitvoerbaar bij voorraad. §
3. Indien de houder de gegrondheid van het beslag bedoeld in § 1 betwist, wordt er uitspraak gedaan
zoals in kort geding, door de beslagrechter van het ambtsgebied waarin zich het kantoor bevindt waar
de inning moet worden uitgevoerd. ». Art. 120. Artikel 88bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de programmawet van 27 december 2006, wordt in de Nederlandse versie vervangen als volgt : «
Art. 88bis. § 1. Bij gemotiveerde beslissing van de gewestelijke directeur van de belasting over
de toegevoegde waarde kan een zakelijke zekerheid of een persoonlijke borgstelling worden geëist van
elke persoon die schuldenaar is van de belasting, krachtens artikel 51, §§ 1, 2 en 4, wanneer
de venale waarde van zijn in België gelegen goederen die het pand van de Schatkist vormen, na aftrek
van de schulden en lasten die ze bezwaren, ontoereikend is om het bedrag te dekken dat vermoedelijk voor
een periode van twaalf kalendermaanden zal verschuldigd zijn, krachtens dit Wetboek of ter uitvoering
ervan. De Koning bepaalt de gegevens die als grondslag dienen voor de bepaling van de bedragen
van de zakelijke zekerheid en van de verbintenis van de persoonlijke borg, alsook de voorwaarden en de
modaliteiten van vaststelling. § 2. Binnen de maand na de kennisgeving van de beslissing
als vermeld in § 1, kan de schuldenaar van de belasting een verhaal inleiden voor de beslagrechter
van het ambtsgebied waarin zich het kantoor bevindt waar de inning moet worden uitgevoerd. De
rechtspleging geschiedt zoals in kort geding. § 3. Het stellen van een zakelijke zekerheid
of van een persoonlijke borg bedoeld in § 1, dient te geschieden binnen de twee maanden na de
kennisgeving van de beslissing van de directeur of na de datum waarop de rechterlijke uitspraak kracht
van gewijsde heeft verkregen, tenzij de betrokken schuldenaar van de belasting, vóór het verstrijken
van deze termijn, elke economische activiteit staakt waaruit voortvloeit dat hij de schuldenaar van de
belasting is krachtens artikel 51, §§ 1, 2 en 4. ». Art. 121. In artikel 88ter
van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen
aangebracht : 1° in § 1, eerste lid, 1°, wordt in de Nederlandse versie het woord «
waarborgen » vervangen door het woord « zekerheden »; 2° in § 2, tweede lid, worden
in de Nederlandse versie de woorden « van de kennisgeving » vervangen door de woorden « van de kennisgeving
van de beslissing ». Art. 122. In artikel 89bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet
van 27 december 2006, worden in de Nederlandse versie de woorden « de belastingschuldige » vervangen
door de woorden « de schuldenaar van de belasting ». Art. 123. In artikel 93undecies D,
eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 27 december 2006, wordt in de Nederlandse
versie het woord « schuldig » vervangen door het woord « verschuldigd ». Art. 124. De artikelen
119 tot 123 hebben uitwerking met ingang van 7 januari 2007. Afdeling 5. - Aftrekregeling Art.
125. Artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling
voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij het koninklijk besluit
van 29 december 1992 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 november 1994, wordt vervangen als
volgt : « Art. 6. Onder bedrijfsmiddelen, waarvoor de aftrek van belasting onderworpen is aan
herziening overeenkomstig artikel 48, § 2, van het Wetboek, moet worden verstaan, de lichamelijke
goederen, de zakelijke rechten bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek en de diensten die
bestemd zijn om op een duurzame wijze te worden gebruikt als werkinstrumenten of exploitatiemiddelen. In
het eerste lid worden evenwel niet bedoeld verpakkingsmiddelen, klein materieel, klein gereedschap en
kantoorbehoeften, wanneer die goederen voldoen aan de door de minister van Financiën gestelde criteria. De
in dit artikel bedoelde bepalingen gelden eveneens voor de toepassing van de artikelen 12, § 1,
en 19, § 2, van het Wetboek. ». Art. 126. Artikel 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd
bij de koninklijke besluiten van 29 december 1992 en 22 november 1994, wordt vervangen als volgt : «
Art. 7. Onder de belasting waarvan de aftrek onderworpen is aan herziening overeenkomstig artikel 48,
§ 2, van het Wetboek, dient te worden verstaan de belasting geheven op de aankoop, de intracommunautaire
verwerving, de invoer of de handelingen die strekken of bijdragen tot de totstandkoming, het omvormen
of het verbeteren van in artikel 6, eerste lid, bedoelde bedrijfsmiddelen. Voor de toepassing
van het vorige lid, is geen belasting waarvan de aftrek onderworpen is aan herziening : 1° de
belasting die wordt geheven op herstellings- of onderhoudswerk, aan bedrijfsmiddelen, alsmede de belasting
die wordt geheven op de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van reserve-onderdelen
die voor zulk werk bestemd zijn; 2° de belasting die wordt geheven op de huur van bedrijfsmiddelen
en, meer algemeen, op de overdracht van het genot van bedrijfsmiddelen of het verlenen van rechten op
dat genot. ». Afdeling 6. - Vrijstellingsregeling Art. 127. In artikel 56, §
2, derde lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij het koninklijk
besluit van 29 december 1992, wordt, na het eerste streepje, een nieuw streepje ingevoegd, luidende : «
- de handelingen die bestaan uit een werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2,
tweede lid, en de door de Koning ermee gelijkgestelde handelingen; ». Art. 128. In artikel
2 van het koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingsregeling
bepaald door artikel 56, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde in het
voordeel van kleine ondernemingen, wordt, na het eerste streepje, een nieuw streepje ingevoegd, luidende
: « - de handelingen die bestaan uit een werk in onroerende staat in de zin van artikel 19,
§ 2, tweede lid, van het Wetboek en de handelingen opgesomd in artikel 20, § 2, tweede
en derde lid, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor
de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde; ». Art. 129. De artikelen 127 en
128 treden in werking de eerste dag van het tweede kalenderkwartaal volgend op de dag van de publicatie
van deze wet in het Belgisch Staatsblad. Afdeling 7. - Toetreding van de Republiek Bulgarije
en van Roemenië - Invoer Art. 130. In het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
wordt een artikel 107ter ingevoegd, luidende : « Art. 107ter. § 1. Wanneer goederen
afkomstig uit de Republiek Bulgarije of Roemenië : - vóór 1 januari 2007 zijn binnengebracht
in de Gemeenschap zoals die bestond vóór de toetreding van die lidstaten en - sedert
hun binnenkomst in voornoemde Gemeenschap werden geplaatst onder een regeling voor tijdelijke invoer
met volledige vrijstelling van invoerrechten of onder één van de in artikel 23, § 4, 1° en 4°
tot 7°, bedoelde regelingen en - niet vóór 1 januari 2007 aan deze regeling zijn onttrokken, blijven
de bepalingen die van toepassing waren op het tijdstip dat de goederen onder deze regeling werden geplaatst
van toepassing tot op het ogenblik dat de goederen aan deze regeling worden onttrokken. §
2. Wanneer een goed : - vóór 1 januari 2007 werd geplaatst onder de regeling voor gemeenschappelijk
douanevervoer of een andere regeling voor douanevervoer en - niet vóór die datum aan
deze regeling is onttrokken, blijven de bepalingen die van toepassing waren op het tijdstip
dat het goed onder deze regeling werd geplaatst van toepassing tot op het ogenblik dat het goed aan deze
regeling wordt onttrokken. § 3. Met de invoer van een goed in België in de zin van artikel
23 wordt gelijkgesteld, voor zover wordt aangetoond dat het een goed betreft dat zich in het vrije verkeer
bevond in de Republiek Bulgarije of Roemenië : 1° elke onttrekking, met inbegrip van een onregelmatige
onttrekking, van dat goed in België aan een regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling
van invoerrechten waaronder het goed vóór 1 januari 2007 werd geplaatst onder de in § 1 bedoelde
voorwaarden; 2° elke onttrekking, met inbegrip van een onregelmatige onttrekking, van dat goed
in België aan één van de in artikel 23, § 4, 1° en 4° tot 7°, bedoelde regelingen waaronder het
goed vóór 1 januari 2007 werd geplaatst onder de in § 1 bedoelde voorwaarden; 3° het
einde in België van één van de in § 2 bedoelde regelingen, waarmee vóór 1 januari 2007 werd aangevangen
binnen de Republiek Bulgarije of Roemenië ten behoeve van een vóór deze datum onder bezwarende titel
verrichte levering van dat goed binnen één van deze lidstaten door een als zodanig handelende belastingplichtige; 4°
elke onregelmatigheid of overtreding die werd begaan tijdens één van de in § 2 bedoelde regelingen
aangevangen op de onder 3° bedoelde voorwaarden. § 4. Eveneens wordt met de invoer van
een goed in België in de zin van artikel 23 gelijkgesteld, de bestemming in België, door een belastingplichtige
of een niet-belastingplichtige, van een goed dat hem is geleverd, vóór 1 januari 2007, binnen de Republiek
Bulgarije of Roemenië wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan : - de levering van dat
goed is of kon worden vrijgesteld uit hoofde van zijn uitvoer in de Republiek Bulgarije of Roemenië; -
dat goed is niet vóór 1 januari 2007 ingevoerd in één van de lidstaten van de Gemeenschap zoals die bestond
vóór de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië. § 5. In afwijking van artikel
24 wordt de invoer van een goed in de zin van de §§ 3 en 4 verricht zonder dat een belastbaar
feit plaatsvindt wanneer : 1° het goed uit de Gemeenschap wordt verzonden of vervoerd of 2°
het in de zin van § 3, 1°, ingevoerde goed geen vervoermiddel is en herverzonden of vervoerd wordt
naar de lidstaat waaruit het werd uitgevoerd en naar degene die het heeft uitgevoerd of 3°
het in de zin van § 3, 1°, ingevoerde goed een vervoermiddel is dat vóór 1 januari 2007 onder
de algemene belastingvoorwaarden van de binnenlandse markt van de Republiek Bulgarije of Roemenië werd
verworven of ingevoerd en/of waarvoor, uit hoofde van zijn uitvoer, geen vrijstelling of teruggaaf van
de belasting over de toegevoegde waarde werd verleend. Aan deze voorwaarde wordt geacht te zijn
voldaan wanneer de datum van de eerste ingebruikneming van het vervoermiddel voorafgaat aan 1 januari
1999. ». Art. 131. Artikel 130 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007. Afdeling
8. - Afbraak en heropbouw van gebouwen in stadsgebieden Art. 132. In rubriek XXXVII van tabel
A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven
van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven,
ingevoegd bij de programmawet van 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a)
in het tweede lid, 2°, vervallen de woorden « van de stadsgebieden zoals bepaald door de bevoegde overheid
»; b) het tweede lid, 4°, a), derde streepje, vervalt; c) het tweede lid wordt aangevuld
als volgt : « 5° het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig artikel 22
van het Wetboek, moet zich voordoen uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming
van het gebouw; 6° de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart,
moeten, op basis van het afschrift bedoeld onder punt 4°, b), hiervoor, melding maken van het voorhanden
zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van
samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast de
verklaring van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van
het tarief. »; c) de rubriek wordt aangevuld met het volgende lid : « Het verlaagd
tarief is in geen geval van toepassing op : 1° werk in onroerende staat en andere onroerende
handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg
en oprichten van afsluitingen; 2° werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen
die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midget-golfbanen,
tennisterreinen en dergelijke installaties; 3° gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning.
». Art. 133. Artikel 132 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2007. HOOFDSTUK
IV. - Wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel
voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme Art. 134. In de wet van 11 januari
1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voorhet witwassen van geld en de financiering
van terrorisme, wordt een artikel 14quinquies ingevoegd, luidende : « Art. 14quinquies. Wanneer
de in de artikelen 2, 2bis en 2ter beoogde instellingen en personen vermoeden dat een feit of een verrichting
verband kan houden met witwassen van geld afkomstig uit ernstige en georganiseerde fiscale fraude waarbij
bijzonder ingewikkelde mechanisme of procédés van internationale omvang worden aangewend, brengen zij
dit ter kennis van de Cel voor financiële informatieverwerking, inclusief van zodra zij minstens een
van de indicatoren opsporen die de Koning vastlegt bij in Ministerraad overlegd besluit. Ten
aanzien van de in het artikel 2ter beoogde instellingen en personen, wordt de informatie overeenkomstig
artikel 14bis, § 3, overgemaakt. ». Art. 135. Artikel 23 van dezelfde wet wordt vervangen
als volgt : « Art. 23. De overtredingen van de bepalingen van artikel 10ter worden gestraft
met een geldboete van 250 tot 225 000 euro. Evenwel mag deze geldboete niet meer bedragen dan 10 % van
de ten onrechte in contanten betaalde sommen. Met dezelfde geldboete worden gestraft zij die
het vervullen van de opdracht van de in artikel 23bis genoemde personen met het oog op de opsporing
en vaststelling van de overtredingen op artikel 10ter, met opzet verhinderen of belemmeren. De
bepalingen van Boek I van het Strafwetboek met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85 zijn van toepassing
op de bij dit artikel bedoelde inbreuken. ». Art. 136. In dezelfde wet wordt een artikel 23bis
ingevoegd, luidende : « Art. 23bis . Onverminderd de plichten van de officieren van gerechtelijke
politie zijn de ambtenaren die zijn aangesteld door de minister die de Economische Zaken onder zijn bevoegdheid
heeft, bevoegd om de inbreuken bepaald bij artikel 23 op te sporen en vast te stellen. De processen-verbaal
welke door die ambtenaren worden opgesteld, hebben bewijskracht tot het tegendeel is bewezen. Een afschrift
ervan wordt bij een per post aangetekende brief met ontvangstmelding binnen dertig dagen na de datum
van vaststellingen aan de overtreder toegezonden. De bepalingen met betrekking tot de opsporing
en de vaststelling van de inbreuken bepaald bij artikel 113 van de wet van 14 juli 1991 op de handelspraktijken
en de voorlichting en bescherming van de consument zijn eveneens van toepassing op de opsporing en vaststelling
van inbreuken bepaald bij artikel 23. ». Art. 137. In dezelfde wet wordt een artikel 23ter
ingevoegd, luidende : « Art. 23ter. De ambtenaren die in het kader van de voornoemde wet op
de handelspraktijken daartoe zijn aangesteld kunnen, op inzage van de processen-verbaal die een inbreuk
op de bepalingen bedoeld in artikel 23 vaststellen en opgemaakt zijn door de ambtenaren bedoeld in artikel
23bis , eerste lid, aan de overtreders een som voorstellen waarvan de betaling de strafvordering doet
vervallen. De tarieven hiervan zijn dezelfde als de geldboetes bepaald bij artikel 23, verhoogd
met de opdeciemen. De regels voor de betaling en de inning zijn die welke door de Koning zijn vastgesteld
in het kader van de voornoemde wet van 14 juli 1991 op de handelspraktijken. ». HOOFDSTUK
V. - Hoofdelijke aansprakelijkheid voor de belastingschulden van een aannemer Art. 138. In
titel VII, hoofdstuk VIII, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt het opschrift van
afdeling II vervangen als volgt : « Afdeling II. - Hoofdelijke aansprakelijkheid voor de belastingschulden
van een aannemer ». Art. 139. In artikel 400, 5°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij koninklijk
besluit van 26 december 1998, worden de woorden « die geen registratie als aannemer heeft bekomen »
vervangen door de woorden « die geen registratie als aannemer heeft gevraagd, noch verkregen ». Art.
140. In artikel 401 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij koninklijk besluit van 26 december 1998, worden
de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 wordt het volgende lid ingevoegd tussen
het eerste en het tweede lid : « Bij gebrek aan een beslissing omtrent een aanvraag tot registratie
binnen de door de Koning bepaalde termijn, is de aannemer die een aanvraag tot registratie bij de ad
hoc Commissie heeft ingediend, automatisch geregistreerd. »; 2° § 2 wordt aangevuld als
volgt : « De bepalingen van artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing
op de berekening van die termijn. »; 3° § 3 wordt vervangen als volgt : « §
3. De beslissingen tot registratie en de beslissingen tot schrapping van de registratie, met uitzondering
van de motivering van deze laatste, worden bekendgemaakt door de invoeging of de schrapping van de hoedanigheid
van geregistreerd aannemer op de website van de Kruispuntbank van Ondernemingen. Het beschikkend
gedeelte van de in kracht van gewijsde gegane uitspraken over het in § 2, tweede lid, bedoelde
verhaal wordt bovendien in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Onverminderd § 2,
eerste lid, hebben de beslissingen tot schrapping van de registratie als aannemer tegenover derden slechts
uitwerking met ingang van de dag volgend op hun bekendmaking op de website van de Kruispuntbank van Ondernemingen.
». Art. 141. In artikel 402 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij koninklijk besluit van 26
december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 worden de woorden
« een aannemer die niet is geregistreerd » en de woorden « van de belastingschulden » respectievelijk
vervangen door de woorden « een aannemer die fiscale schulden heeft » en de woorden « van de fiscale
schulden »; 2° in § 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in het
eerste lid worden de woorden « een onderaannemer die niet is geregistreerd » en de woorden « van de
belastingschulden » respectievelijk vervangen door de woorden « een onderaannemer die fiscale schulden
heeft » en de woorden « van de schulden »; b) het tweede lid wordt opgeheven; 3°
de §§ 3 tot 6 worden vervangen als volgt : « § 3. De artikelen 1200 tot
en met 1216 van het Burgerlijk Wetboek zijn toepasselijk op de in de §§ 1 en 2 bedoelde
hoofdelijke aansprakelijkheid. § 4. De hoofdelijke aansprakelijkheid wordt beperkt tot
35 % van de totale prijs van de werken toevertrouwd aan de aannemer of onderaannemer, exclusief belasting
over de toegevoegde waarde. Zij kan worden aangewend voor de betaling in hoofdsom, verhogingen,
kosten en interesten, ongeacht hun datum van vestiging, van de volgende schulden die bestaan op het ogenblik
van het afsluiten van de overeenkomst : 1° alle schulden inzake directe en met de inkomstenbelastingen
gelijkgestelde belastingen op de inkomsten; 2° alle schulden inzake voorheffingen; 3°
de buitenlandse belastingschuldvorderingen waarvoor in het kader van een internationale overeenkomst
de invorderingsbijstand is gevraagd; 4° de niet betaalde bedragen in het kader van de in dit
artikel bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid. De schulden waarvoor een correct nageleefd afbetalingsplan
bestaat, worden niet beschouwd als schulden in de zin van deze paragraaf. § 5. De in
dit artikel vermelde hoofdelijke aansprakelijkheid geldt ook voor de belastingschulden van de vennoten
van een tijdelijke handelsvennootschap, een stille handelsvennootschap of een maatschap die optreedt
als aannemer of onderaannemer. § 6. De hoofdelijke aansprakelijkheid bedoeld in dit artikel
is eveneens van toepassing op de fiscale schulden van de aannemer of de onderaannemer die ontstaan in
de loop van de uitvoering van de overeenkomst. »; 4° het artikel wordt aangevuld als volgt : «
§ 7. De in dit artikel bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid in hoofde van de opdrachtgever
of aannemer vervalt wanneer de in artikel 30bis, § 3, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening
van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, bedoelde
hoofdelijke aansprakelijkheid reeds is toegepast in hoofde van dezelfde opdrachtgever of aannemer. ». Art.
142. In artikel 403 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het koninklijk besluit van 26 december 1998,
worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 worden de woorden « aan een aannemer
die op het ogenblik van de betaling niet is geregistreerd, een deel of het geheel van de prijs betaalt,
» vervangen door de woorden « een deel of het geheel van de prijs betaalt aan een aannemer die op het
ogenblik van de betaling fiscale schulden heeft, »; 2° in § 2 worden de volgende wijzigingen
aangebracht : a) in het eerste lid worden de woorden « aan een onderaannemer een deel of het
geheel van de prijs betaalt, » vervangen door de woorden « een deel of het geheel van de prijs betaalt
aan een onderaannemer die op het ogenblik van de betaling fiscale schulden heeft, »; b) het
tweede lid wordt opgeheven; 3° § 3 wordt vervangen als volgt : « § 3.
De in dit artikel bedoelde inhoudingen en stortingen worden in voorkomend geval beperkt tot het bedrag
van de schulden van de aannemer of onderaannemer op het ogenblik van de betaling. »; 4° het
artikel wordt aangevuld als volgt : « § 4. Wanneer de in §§ 1 en 2 bedoelde
inhouding en storting correct zijn uitgevoerd bij elke betaling van een deel of het geheel van de prijs
aan een aannemer of onderaannemer die op het ogenblik van de betaling fiscale schulden heeft, wordt de
in artikel 402 bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid niet toegepast. Wanneer de in §§
1 en 2 bedoelde inhouding en storting niet correct zijn uitgevoerd bij elke betaling van een deel of
het geheel van de prijs aan een aannemer of onderaannemer die op het ogenblik van de betaling fiscale
schulden heeft, worden bij de toepassing van de in artikel 402 bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid
de eventueel gestorte bedragen in mindering gebracht van het bedrag waarvoor de opdrachtgever of de aannemer
aansprakelijk wordt gesteld. § 5. Teneinde het bestaan van fiscale schulden in hoofde
van de aannemer of de aannemer te kunnen vaststellen, stelt de Federale Overheidsdienst Financiën een
gegevensbank ter beschikking van het publiek die bewijskracht heeft voor de uitvoering van de artikelen
402 en 403. Wanneer de opdrachtgever of de aannemer met behulp van die gegevensbank vaststelt
dat hij de in de §§ 1 en 2 vermelde inhoudingen moet doen, nodigt hij zijn medecontractant
uit om hem een attest over te leggen dat het bedrag van de schuld weergeeft. Het bedoelde attest houdt
rekening met de schuld op de dag waarop het is opgesteld. De Koning bepaalt de geldigheidstermijn van
dit attest. Indien zijn medecontractant bevestigt dat de schulden hoger zijn dan de te verrichten inhoudingen
of wanneer hij het bedoelde attest niet binnen de maand na de aanvraag overlegt, is de opdrachtgever
of de aannemer ertoe gehouden 15 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief belasting over
de toegevoegde waarde, in te houden en te storten. ». Art. 143. Artikel 404 van hetzelfde
Wetboek, vervangen bij het koninklijk besluit van 26 december 1998, wordt vervangen als volgt : «
Art. 404. Als de in artikel 403 bedoelde stortingen niet werden verricht, wordt het verschuldigde bedrag
verdubbeld en binnen de in artikel 354 bedoelde termijn als administratieve boete ingekohierd ten name
van degene die de inbreuk heeft begaan. De Koning kan bepalen onder welke voorwaarden de boete
kan worden verminderd. ». Art. 144. Artikel 405 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het koninklijk
besluit van 26 december 1998, wordt vervangen als volgt : « Art. 405. De vennoten van een tijdelijke
handelsvennootschap, een stille handelsvennootschap of een maatschap zijn onderling hoofdelijk aansprakelijk
voor de betaling van de sommen die in uitvoering van de artikelen 402 tot 404 door de tijdelijke handelsvennootschap,
de stille handelsvennootschap of de maatschap verschuldigd zijn. ». Art. 145. In artikel 406,
§ 3, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het koninklijk besluit van 26 december 1998, worden
de woorden « in de mate dat het niet werd aangewend voor de gestelde doeleinden. » vervangen door de
woorden « in de mate dat de stortingen het bedrag van de schulden overschrijden. ». Art. 146.
Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2008. De Koning bepaalt de vereiste overgangsmaatregelen
wanneer de betrokken overheidsdiensten tegen die datum nog niet kunnen beschikken over de passende informaticatoepassingen
die nodig zijn voor de correcte uitvoering van dit hoofdstuk. HOOFDSTUK VI. - Milieuvriendelijke
maatregelen betreffende de autovoertuigen Art. 147. § 1. Er wordt een korting op factuur
verleend voor alle uitgaven die werkelijk zijn betaald om een personenauto, een auto voor dubbel gebruik
of een minibus in nieuwe staat te verwerven met een maximale uitstoot van 115 gram CO2
per kilometer. De korting is gelijk aan 15 % van de aanschaffingswaarde met een maximum van
3 280 euro wanneer de CO2-uitstoot minder dan 105 gram per kilometer bedraagt. De
korting is gelijk aan 3 % van de aanschaffingswaarde met een maximum van 615 euro wanneer de CO2-uitstoot
105 tot maximaal 115 gram per kilometer bedraagt. De kortingen worden toegekend aan de rechthebbende
door tussenkomst van de leverancier van de in het eerste lid bedoelde voertuigen. De in het
tweede en derde lid vermelde maximale bedragen van de korting kunnen door de Koning worden herzien bij
een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. § 2. Er wordt een korting op factuur
verleend voor alle uitgaven die werkelijk zijn betaald om een personenauto, een auto voor dubbel gebruik
of een minibus met dieselmotor in nieuwe staat te verwerven voorzover die motor standaard is uitgerust
met een roetfilter en met een uitstoot van minder dan 130 gram CO2 per kilometer. De
korting is gelijk aan 150 euro en wordt toegekend aan de rechthebbende door tussenkomst van de leverancier
van de in het eerste lid bedoelde voertuigen. Voor de toepassing van deze paragraaf mag de roetfilter
maximaal 5 mg deeltjes per kilometer uitstoten. § 3. De voertuigen bedoeld in de §§
1 en 2 zijn de voertuigen waarvoor het bezit van een Belgisch rijbewijs geldig voor voertuigen van categorie
B of een gelijkwaardig Europees of buitenlands rijbewijs vereist is voor de besturing ervan. §
4. Deze toegestane kortingen worden door de Staat als een element van de prijs van de in §§
1 en 2 gedane bedoelde uitgaven aan de leverancier betaald. § 5. De bedragen bedoeld
in de §§ 1 en 2 worden geïndexeerd overeenkomstig artikel 178, §§ 1 en 3,
2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Art. 148. De inbreuken op dit hoofdstuk
of op haar uitvoeringsbesluiten worden bestraft met een administratieve boete die ten hoogste het dubbel
bedraagt van de toegekende of toe te kennen korting of terugbetaling. De boete die daadwerkelijk
wordt opgelegd moet proportioneel zijn aan de ernst van de feiten die haar verantwoorden. Art.
149. De ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën zijn belast met de controle op de naleving
van dit hoofdstuk en van haar uitvoeringsbesluiten. Daartoe beschikken zij over alle onderzoeks-
en controlebevoegdheden die hen zijn toegekend door het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en het
Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde. Art. 150. Zonder afbreuk te doen aan
de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde, kunnen de betwistingen met betrekking
tot de toepassing van dit hoofdstuk, met uitsluiting van de betwistingen inzake invordering, aanhangig
gemaakt worden bij een administratieve instantie. De administratieve instantie, belast met de
uitspraak over het administratief beroep, bedoeld in het eerste lid, wordt binnen de Federale Overheidsdienst
Financiën aangewezen. Het administratief beroep kan worden ingediend binnen de drie maanden
te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing met betrekking tot de aanvraag tot toekenning
van de korting of van de beslissing betreffende het opleggen van een administratieve boete. Bij gebreke
van kennisgeving van de beslissing met betrekking tot de aanvraag tot toekenning van de korting, kan
het beroep worden ingesteld binnen de negen maanden te rekenen vanaf de datum van indiening van de aanvraag. Het
administratief beroep moet worden gemotiveerd. Ingeval een vordering in rechte wordt ingesteld
alvorens een definitieve beslissing over het administratief beroep werd genomen, is de administratieve
overheid die zich moet uitspreken over het beroep van rechtswege ontheven van haar bevoegdheid. Art.
151. In afwijking van artikel 38 van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit,
wordt een toewijzingsfonds geopend die de nodige middelen ter beschikking stelt aan de rechthebbenden
bedoeld in dit hoofdstuk. Art. 152. Dit fonds wordt gespijsd door uit de bedrijfsvoorheffing
geaffecteerde ontvangsten of door de inkomsten uit milieuheffing. Art. 153. De Koning bepaalt
de toepassingsmodaliteiten van dit hoofdstuk. De Koning kan met name : 1° de manier
bepalen waarop het bewijs moet worden geleverd dat aan de voorwaarden bepaald bij artikel 116 werd voldaan; 2°
de vorm en de wijze bepalen waaronder de aanvragen tot het bekomen van terugbetaling van de toegestane
kortingen moeten worden ingediend, alsook de verantwoordingsstukken aanduiden die bij deze aanvragen
dienen te worden gevoegd; 3° de ambtenaren aanduiden belast met het nemen van een beslissing
over de aanvragen als bedoeld in 2°; 4° de personen aanduiden die belast zijn om uitspraak te
doen over de betwistingen bedoeld in artikel 119 en de modaliteiten van het beroep te organiseren. Art.
154. Artikel 147, §§ 1, 3, 4 en 5, is van toepassing op de uitgaven gedaan vanaf 1 juli
2007. Artikel 147, § 2, is van toepassing op de uitgaven gedaan vanaf 1 juli 2007 tot
31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar in hetwelk de Europese Commissie de verplichting invoert
dat alle modellen standaard moeten worden uitgerust met een roetfilter. De artikelen 148 tot
153 treden in werking op 1 juli 2007. HOOFDSTUK VII. - Wijziging van de gewone wet van 16 juli
1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur Art. 155. In artikel 369 van de gewone
wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur worden de volgende wijzigingen
aangebracht : 1° punt 11° wordt vervangen als volgt : « 11° : in het verbruik brengen
: - inzake milieutaks : de levering van producten aan kleinhandelaars door ondernemingen die
gehouden zijn zich te laten registreren volgens de modaliteiten vastgesteld door de minister van Financiën; -
inzake milieuheffing : de levering van verpakkingen (en gerei) aan kleinhandelaars, meerbepaald van huishoudelijke
verpakkingen (en huishoudgerei), door belastingplichtigen die gehouden zijn zich te laten registreren
volgens de modaliteiten vastgesteld door de minister van Financiën. »; 2° punt 12° wordt vervangen
als volgt : « 12° belastingplichtige : - voor wat betreft de milieutaks en de milieuheffing,
iedere natuurlijke of rechtspersoon die overgaat tot het in het verbruik brengen van producten onderworpen
aan een milieutaks of aan een milieuheffing; - voor wat betreft de verpakkingsheffing, hetzij
de schuldenaar van de accijns wanneer de inning van de verpakkingsheffing samenvalt met de inning van
de accijns, hetzij de natuurlijke of rechtspersoon die dranken verpakt in individuele verpakkingen wanneer
de accijns voorafgaandelijk werd betaald op deze dranken. »; 3° punt 19° wordt vervangen als
volgt : « 19° individuele herbruikbare verpakking : elke verpakking bedoeld in punt 18° waarvan
de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de producten bedoeld in artikel 370 verpakt in deze verpakking
in het verbruik brengt of op de markt brengt, het bewijs levert dat deze verpakking ten minste zevenmaal
hervuld kan worden, dat deze verpakking wordt teruggenomen via een systeem van statiegeld en dat zij
daadwerkelijk opnieuw wordt gebruikt. Het bedrag van het statiegeld bedraagt minstens 0,16 euro voor
de verpakkingen met een inhoud van meer dan 0,5 liter en 0,08 euro voor deze met een inhoud van minder
dan of gelijk aan 0,5 liter. »; 4° er wordt een punt 20° ingevoegd, luidende : « 20°
milieuheffing : taks die gelijkgesteld is met accijnzen, welke wordt geheven in het bijzonder wegens
de CO2-uitstoot die wordt voortgebracht bij de productie van het aan de taks onderworpen
product. »; 5° er wordt een punt 21° ingevoegd, luidende : « 21° wegwerp : bestemd
om te worden weggeworpen na een eerste gebruik. ». Art. 156. Het opschrift van hoofdstuk VI
van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Hoofdstuk VI. - Milieuheffing ». Art.
157. In dezelfde wet wordt een nieuw artikel 381 ingevoegd, luidende : « Art. 381. Een milieuheffing
wordt geheven, bij het in het verbruik brengen, op de hiernavermelde producten aan het hiernavolgende
tarief uitgedrukt in - per kg : - wegwerp tassen en zakken van kunststof, bestemd voor het vervoer
van goederen gekocht in de kleinhandel, van de GN- code 39.23 : 3,00 euro; - wegwerpeetgerei,
van kunststof, van de GN-code 39.24 : 3,60 euro; - platen, vellen, foliën, stroken, strippen
en andere platte producten, zelfs zelfklevend, van kunststof, ook indien op rollen, voor huishoudelijk
gebruik, van de GN-code 39.19 : 2,70 euro; - bladaluminium, ook indien bedrukt of op een drager
van papier, van karton, van kunststof of op dergelijke dragers, met een dikte van niet meer dan 0,2 mm
(de dikte van de drager niet meegerekend), ook indien op rollen, voor huishoudelijk gebruik, van de GN-code
76.07 : 4,50 euro. ». Art. 158. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2007. HOOFDSTUK
VIII. - Roerende voorheffing plaatselijke besturen Art. 159. Artikel 265, tweede lid, van
het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 15 december 2004 en gewijzigd
bij de wet van 25 april 2006, wordt aangevuld als volgt : « 3° op de interesten : -
die worden verleend of toegekend door een verzekeringsonderneming aan een openbaar bestuur of een overheidsbedrijf
die zijn bedoeld in de artikelen 161 en 161bis van de Nieuwe gemeentewet, die afhangen van plaatselijke
besturen en onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting; - en die worden voortgebracht door
kapitalen die zijn bestemd voor toekomstige pensioenuitkeringen, voorzover : a) in hoofde van
de verzekeringsonderneming, het voorwerp van de afgesloten overeenkomst louter bestaat uit het inzamelen,
het centraliseren, het kapitaliseren en het verdelen van de fondsen die uitsluitend bestemd zijn voor
de dekking van toekomstige lasten inzake wettelijke pensioenen als bedoeld in de voornoemde artikelen
161 en 161bis ; b) de kapitalen die door het voornoemd openbaar bestuur of overheidsbedrijf
zijn geïnvesteerd, bestemd zijn om de lasten te dekken met betrekking tot de wettelijke pensioenen door
middel van een storting vanwege de verzekeringsonderneming : - ofwel rechtstreeks aan de gewezen
werknemers van het betrokken openbaar bestuur of overheidsbedrijf of aan hun rechthebbenden, -
ofwel onrechtstreeks aan een instelling voor sociale zekerheid belast met de betaling van de voormelde
wettelijke pensioenen; c) de sommen die aan de gepensioneerden of hun rechthebbenden worden
gestort, beroepsinkomsten zijn als bedoeld in artikel 23, § 1, 5°; d) op het tijdstip
van de toekenning of de betaalbaarstelling van de interesten, de verzekeringsonderneming in het bezit
wordt gesteld van een attest uitgereikt door het openbaar bestuur of het overheidsbedrijf dat bevestigt
dat aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan, en dat ter beschikking van de administratie wordt
gehouden. ». Art. 160. Artikel 159 is van toepassing op de interesten betaald of toegekend
vanaf 1 januari 2007. HOOFDSTUK IX Wijziging van de programmawet van 27 december 2004 Art.
161. Artikel 429, § 2, m), van de programmawet van 27 december 2004 wordt vervangen als volgt
: « m) koolzaadolie van de GN-code 1514 gebruikt als motorbrandstof, wanneer deze wordt geproduceerd
door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, die alleen handelt of in een samenwerkingsverband,
op basis van zijn eigen productie, en wanneer deze zonder tussenpersoon aan de eindverbruiker wordt verkocht.
». HOOFDSTUK X. - Wijzigingen van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de
financiële sector en de financiële diensten Art. 162. In artikel 47 van de wet van 2 augustus
2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, wordt het woord « voorzitter
» vervangen door de woorden « voorzitter van het directiecomité ». Art. 163. In artikel 48
van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003, worden de volgende wijzigingen
aangebracht : 1° in § 1, 6°, vervalt de laatste zin; 2° in § 1 wordt
in de plaats van 7°, dat 8° wordt, een nieuw 7° ingevoegd, luidende : « 7° de leden van de
sanctiecommissie aanduiden volgens de modaliteiten van § 6 »; 3° in § 2 worden
de volgende wijzigingen aangebracht : a) het woord « twaalf » wordt vervangen door het woord
« veertien »; b) het woord « negen » wordt vervangen door het woord « elf »; c)
het woord « voorzitter » wordt telkens vervangen door de woorden « voorzitter van de raad van toezicht
»; 4° in § 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) het woord « twee
» wordt vervangen door het woord « vier »; b) het woord « voorzitter » wordt telkens vervangen
door de woorden « voorzitter van de raad van toezicht »; 5° het artikel wordt aangevuld met
een § 5, luidende : « § 5. De voorzitter van de raad van toezicht zit de raad
van toezicht voor. De voorzitter van de raad van toezicht wordt door de Koning benoemd, op gezamenlijke
voordracht van de minister en de minister bevoegd voor Economie, voor een hernieuwbare termijn van zes
jaar. De Koning bepaalt de bezoldiging van de voorzitter. »; 6° het artikel wordt aangevuld
met een § 6, luidende : « § 6. Er wordt een sanctiecommissie opgericht. Deze
commissie bestaat uit de voorzitter van de raad van toezicht en zes leden van de raad van toezicht die
door de raad van toezicht worden aangeduid voor een hernieuwbare termijn van 24 maanden. Het verlies
van de hoedanigheid van lid van de raad van toezicht leidt tot het verlies van die van lid van de sanctiecommissie.
De sanctiecommissie wordt voorgezeten door de voorzitter van de raad van toezicht. De sanctiecommissie
beslist over de oplegging van administratieve geldboetes of dwangsommen volgens de procedure bedoeld
in artikel 72. De sanctiecommissie kan geldig beslissen als twee van haar leden en haar voorzitter
aanwezig zijn. Wanneer haar voorzitter verhinderd is, kan zij geldig beslissen als drie van haar leden
aanwezig zijn. Wanneer een lid of de voorzitter een belangenconflict heeft, kan hij niet zetelen. De
Koning bepaalt het bedrag van de vergoeding die wordt toegekend aan de leden van de sanctiecommissie,
op basis van de dossiers waarover zij beraadslaagd zullen hebben. »; Art. 164. In artikel 49
van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003, de wet van 19 november 2004
en de wet van 14 februari 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in §
6, eerste lid, worden het woord « voorzitter » en het woord « zes » respectievelijk vervangen door
de woorden « voorzitter van het directiecomité » en de woorden « vier of zes »; 2° in §
6 wordt het tweede lid vervangen als volgt : « De leden van het directiecomité, eventueel met
uitzondering van zijn voorzitter, en de secretaris-generaal tellen samen evenveel Nederlandstaligen als
Franstaligen. »; 3° in § 6 wordt het negende lid vervangen als volgt : « Op
gezamenlijke voordracht van de minister en de minister bevoegd voor Economie stelt de Koning, onder de
leden van het directiecomité die geen lid zijn van het directiecomité van de NBB, een ondervoorzitter
van het directiecomité aan die tot de andere taalgroep behoort dan de voorzitter van het directiecomité.
»; 4° in § 7 wordt het woord « voorzitter » vervangen door de woorden « voorzitter
van het directiecomité »; 5° in § 8, derde lid, inleidende zin, vervallen de woorden
« en inzake administratieve sancties »; 6° het artikel wordt aangevuld met een § 9,
luidende : « § 9. Het directiecomité kan de voorzitter van de raad van toezicht voor
een beperkte duur belasten met de vertegenwoordiging van de CBFA of andere opdrachten op internationaal
vlak. De eventuele vergoeding hiervoor wordt vastgesteld door het directiecomité, op advies van de raad
van toezicht. ». Art. 165. In artikel 50 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit
van 25 maart 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen
als volgt : « § 1. De voorzitter van het directiecomité leidt de CBFA. Hij zit het directiecomité
voor. In geval van verhindering wordt hij vervangen door de ondervoorzitter. »; 2° in §
2 wordt het woord « voorzitter » telkens vervangen door de woorden « voorzitter van het directiecomité
». Art. 166. Artikel 52 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Art. 52.
De mandaten van de leden van het directiecomité, de voorzitter van het directiecomité en de secretaris-generaal
lopen af wanneer zij de volle leeftijd van vijfenzestig jaar bereiken. De mandaten van de leden en de
voorzitter van de raad van toezicht lopen af wanneer zij de volle leeftijd van zevenenzestig jaar bereiken.
». Art. 167. In artikel 53 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
in § 1 wordt het woord « voorzitter » vervangen door de woorden « voorzitter van het directiecomité,
voorzitter van de raad van toezicht »; 2° in § 2 wordt het woord « voorzitter » vervangen
door de woorden « voorzitter van het directiecomité, de voorzitter van de raad van toezicht »; 3°
in § 3 wordt het woord « voorzitter » vervangen door de woorden « voorzitter van het directiecomité
». Art. 168. In artikel 54 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart
2003, worden het derde, vierde en vijfde lid geschrapt. Art. 169. In artikel 60 van dezelfde
wet vervallen de woorden « en inzake administratieve sancties ». Art. 170. In artikel 61,
eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003, worden de volgende
wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « die bevoegd is voor de betrokken materie » vervallen; 2°
het woord « voorzitter » wordt vervangen door de woorden « voorzitter van het directiecomité ». Art.
171. In artikel 62 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het
eerste lid wordt het woord « voorzitter » vervangen door de woorden « voorzitter van het directiecomité
»; 2° in het derde lid wordt het woord « voorzitter » vervangen door de woorden « voorzitter
van het directiecomité ». Art. 172. In het opschrift van afdeling 5 van hoofdstuk III van dezelfde
wet worden de woorden « administratieve sancties » vervangen door de woorden « administratieve geldboetes
en dwangsommen ». Art. 173. In artikel 70 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht
: 1° in § 1 worden de woorden « een administratieve sanctie » vervangen door de woorden
« de oplegging van een administratieve geldboete of een dwangsom »; 2° in § 2 worden
de woorden « het directiecomité » vervangen door de woorden « de sanctiecommissie ». Art.
174. In artikel 71 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in §§
1 en 2 worden de woorden « het directiecomité » telkens vervangen door de woorden « de sanctiecommissie
»; 2° het artikel wordt aangevuld met een § 3, luidende : « § 3. De
auditeur kan een minnelijke schikking voorstellen wanneer de feitelijke elementen niet betwist zijn.
Als de dader van de praktijk het voorstel tot minnelijke schikking aanvaardt, wordt dit voorstel voorgelegd
aan het directiecomité. Wanneer het directiecomité de minnelijke schikking aanvaardt, wordt
deze beslissing per aangetekende brief betekend aan de dader van de praktijk. De persoon die het voorwerp
uitmaakt van een minnelijke schikking kan vragen om gehoord te worden door het directiecomité. Indien
het directiecomité niet instemt met de minnelijke schikking, stuurt het het dossier door naar de sanctiecommissie.
Tegen minnelijke schikkingen kan geen beroep worden aangetekend. Geldbedragen die in het kader van minnelijke
schikkingen moeten worden betaald, worden ten voordele van de Schatkist geïnd door de administratie van
het Kadaster, de Registratie en de Domeinen. ». Art. 175. In artikel 72 van dezelfde wet, gewijzigd
bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
in §§ 1, 2 en 3 worden de woorden « het directiecomité » telkens vervangen door de woorden
« de sanctiecommissie »; 2° in § 1, 1°, worden de woorden « één van de administratieve
sancties uitspreken bepaald in » vervangen door de woorden « een administratieve geldboete of een dwangsom
opleggen volgens de modaliteiten van »; 3° in § 1, 2°, wordt het woord « sanctie » vervangen
door de woorden « administratieve geldboete of dwangsom »; 4° in § 1 wordt het 3° geschrapt; 5°
in § 2 worden de woorden « het comité » en de woorden « administratieve sancties » respectievelijk
vervangen door de woorden « de sanctiecommissie » en de woorden « administratieve geldboetes of dwangsommen
»; 6° § 4 wordt vervangen als volgt : « § 4. De definitieve beslissingen
die de sanctiecommissie op grond van § 1, 1°, neemt, worden bekendgemaakt op de website van de
CBFA. Behalve in de gevallen waarin dit de financiële markten ernstig zou verstoren of een onevenredig
nadeel zou berokkenen aan de betrokken personen, gebeurt de bekendmaking nominatief. De minnelijke
schikkingen bedoeld in artikel 71, § 3, worden volgens dezelfde modaliteiten bekendgemaakt. ». Art.
176. In artikel 73 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden
« en die definitief is » worden vervangen door de woorden « en elke minnelijke schikking die de CBFA
met een persoon heeft afgesloten, die definitief zijn »; 2° de woorden « wordt aangerekend
» worden vervangen door de woorden « worden aangerekend ». Art. 177. In artikel 74, eerste
lid, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het woord « voorzitter
» wordt vervangen door de woorden « voorzitter van het directiecomité »; 2° de woorden « de
voorzitter van de raad van toezicht » worden ingevoegd tussen de woorden « leden van het directiecomité
» en de woorden « de leden van de raad ». Art. 178. In artikel 117 van dezelfde wet gewijzigd
bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
in § 2 wordt het woord « voorzitter » vervangen door de woorden « voorzitter van de raad van
toezicht »; 2° in § 3, eerste lid, worden de woorden « De voorzitter van de CBFA bekleedt
het ondervoorzitterschap » vervangen door de woorden « Het ondervoorzitterschap wordt naar gelang het
geval bekleed door de voorzitter of de ondervoorzitter van het directiecomité van de CBFA. De voorzitter
en de ondervoorzitter van het Comité voor financiële stabiliteit behoren tot een verschillende taalgroep.
». Art. 179. De artikelen 53 tot 57 van de wet van 1 april 2007 op de openbare overnamebiedingen
worden ingetrokken. Art. 180. In afwijking van de artikelen 49, § 6, en 51, §
3, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten,
op voorstel van de minister van Financiën en de minister van Economie kan de Koning, bij een besluit
vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het mandaat van de leden van het directiecomité en van de
secretaris-generaal hernieuwen voor een hernieuwbare termijn van zes jaar in geval van opsplitsing van
de functies van voorzitter van het directiecomité van de CBFA en voorzitter van de raad van toezicht
van de CBFA. Art. 181. De artikelen 162 tot 180 hebben uitwerking met ingang van 25 april
2007, met uitzondering van artikel 166, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2006. De dossiers
waar op de dag van inwerkingtreding van deze wet nog geen beslissing werd genomen in de zin van artikel
72, § 1, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de
financiële diensten, zullen worden behandeld door de sanctiecommissie, met uitzondering van de dossiers
waar de betrokken persoon of personen reeds werden gehoord door het directiecomité. Over laatstgenoemde
dossiers beslist het directiecomité in dezelfde samenstelling als tijdens de hoorzitting van de betrokken
persoon of personen. TITEL VIII. - Diverse bepalingen HOOFDSTUK I. - Fonds ter reductie
van de globale energiekost Art. 182. In artikel 31, § 2, van de programmawet van 27
december 2005 worden de woorden « De permanente omvang van zijn schuldpositie wordt beperkt tot maximum
100 000 000 EUR. » vervangen door de woorden « De permanente omvang van zijn schuldpositie wordt beperkt
tot maximum 150 000 000 EUR. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad,
dit bedrag verhogen tot maximaal 250 000 000 EUR. ». HOOFDSTUK II. - Biobrandstoffen Art.
183. Het op de markt brengen van de brandstof bestaande uit een mengsel van loodvrije laag zwavelhoudende
benzine met 7 % ethanol alsook die bestaande uit een mengsel van laag zwavelhoudende diesel met 5 % FAME
is verplicht op de data bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De
verplichting betreft de accijnsplichtigen zoals voorzien bij de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene
regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop. HOOFDSTUK
III. - Fonds ter informatisering van het sociaal verwarmingsfonds Art. 184. Er wordt een Fonds
ter informatisering van het sociaal verwarmingsfonds opgericht dat een begrotingsfonds vormt in die zin
van artikel 45 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991. Art.
185. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen,
wordt de rubriek 44 aangevuld als volgt : « Benaming van het begrotingsfonds Fonds
ter informatisering van het sociaal verwarmingsfonds Aard van de toegewezen ontvangsten Ontvangsten
vanuit de vzw Sociaal Verwarmingfonds teneinde de kost te dekken voor de ontwikkeling en onderhoud door
de Maatschappij voor Mechanografie ter toepassing van de sociale wetten van een webbased toepassing
waarop de OCMW's hun gegevens kunnen invullen en sturen naar de POD Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding
en Sociale Economie, die daarop de controles kan uitvoeren en via dezelfde toepassing ook aan de vzw
Sociaal Verwarmingsfonds kan opdragen om bepaalde bedragen te betalen aan de OCMW's, teneinde het beheer
van de gegevensbank betreffende de verwarmingstoelagen in goede banen te leiden. Aard van de
toegestane uitgaven Betaling aan de Maatschappij voor Mechanografie ter toepassing van de sociale
wetten, enkel en alleen voor de ontwikkeling van een webbased toepassing waarop de OCMW's hun gegevens
kunnen invullen en sturen naar de POD, die daarop de controles kan uitvoeren en via dezelfde toepassing
ook aan de vzw Verwarmingsfonds kan opdragen om bepaalde bedragen te betalen aan de OCMW's, teneinde
het beheer van de gegevensbank betreffende de verwarmingstoelagen in goede banen te leiden. ». Kondigen
deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal
worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 27 april 2007. ALBERT Van Koningswege
: De Eerste Minister, G. VERHOFSTADT De Minister van Financiën, D.
REYNDERS De Minister van Begroting en Consumentenzaken, Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE De
Minister van Economie en Energie, M. VERWILGHEN De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, R.
DEMOTTE De Minister van Middenstand, Mevr. S. LARUELLE De Minister van Maatschappelijke
Integratie, C. DUPONT De Minister van Pensioenen, B. TOBBACK De Minister
van Werk, P. VANVELTHOVEN De Staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en
de Strijd tegen de Fiscale Fraude, H. JAMAR De Staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, V. VAN QUICKENBORNE De Staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling
en Sociale Economie, Mevr. E. VAN WEERT De Staatssecretaris voor het Gezin en Personen
met een handicap, Mevr. G. MANDAILA MALAMBA Met 's Lands zegel gezegeld : De
Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota (1) Stukken
van de Kamer van volksvertegenwoordigers : 51-3058 - 2006/2007 : 001 : Wetsontwerp. 002
tot 011 : Amendementen. 012 : Verslag. 013 : Amendementen. 014 tot 017 : Verslagen. 018
: Tekst aangenomen door de commissie (artikel 77 van de Grondwet). 019 : Tekst aangenomen door
de commissies (artikel 78 van de Grondwet). 020 : Amendementen. 021 : Aanvullend verslag. 022
: Artikel gewijzigd door de commissie. 023 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden
aan de Senaat. 024 : Corrigendum. Integraal verslag : 24 en 25 april 2007. Stukken
van de Senaat : 3-2427 - 2006/2007 : Nr. 1 : Ontwerp geëvoceerd door de Senaat. Nrs.
2 en 3 : Verslagen. Nr. 4 : Beslissing om niet te amenderen. Handelingen van de Senaat
: 26 april 2007.