FEDERALE OVERHEIDSDIENST KANSELARIJ VAN DE EERSTE MINISTER
1 MAART 2007. - Wet houdende diverse bepalingen (III) (1)
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij
bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - Algemene bepaling Artikel 1. Deze wet regelt
een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. TITEL II. - Administratieve vereenvoudiging HOOFDSTUK
I. - Wijzigingen van de Hypotheekwet van 16 december 1851 Art. 2. In artikel 139 van de Hypotheekwet
van 16 december 1851, ingevoegd bij de wet van 9 februari 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht
: 1° § 1 wordt vervangen als volgt : « § 1. In iedere akte of ieder stuk
waarvan de openbaarmaking in een hypotheekkantoor vereist is, wordt iedere natuurlijke persoon op wiens
naam de openbaarmaking moet geschieden vermeld met zijn naam, gevolgd door zijn voornamen, plaats en
datum van geboorte en woonplaats. Indien de akte authentiek is of in geval van inschrijving
van een wettelijke hypotheek, waarmerkt de instrumenterende ambtenaar of de persoon die de inschrijving
kan vorderen de bovenvermelde identiteitsgegevens hetzij in de tekst, hetzij onderaan de akte of het
stuk. Die waarmerking geschiedt op grond van de gegevens vervat in het rijksregister van de natuurlijke
personen, de identiteitskaart, het trouwboekje of, bij betwisting, de registers van de burgerlijke stand.
Indien de waarmerking gebeurt op basis van de identiteitskaart volstaan de eerste twee voornamen in de
plaats van de opname van alle voornamen. De voornamen worden vermeld in de volgorde waarin zij voorkomen
in het stuk op grond waarvan de identificatie is gebeurd. De expedities en uittreksels aangeboden aan
de hypotheekbewaarder geven de inhoud van deze waarmerking weer. In de andere gevallen wordt
een uittreksel uit de registers van de burgerlijke stand gevoegd bij de akte of het stuk. »; 2°
§ 4 wordt opgeheven. Art. 3. In artikel 140 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van
9 februari 1995, worden de woorden « BTW identificatienummer » en « belastingplichtig is » respectievelijk
vervangen door « ondernemingsnummer » en « ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen ». HOOFDSTUK
II. - Wijzigingen van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt Art. 4. Artikel 11 van
de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, vervangen bij de wet van 4 mei 1999, wordt vervangen
als volgt : « Art. 11. De naam, voornamen, plaats en datum van geboorte en woonplaats van de
ondertekenende partijen moeten de notaris bekend zijn of hem worden aangetoond met in de akte te vermelden
bewijskrachtige identiteitsbewijzen of hem in de akte worden geattesteerd door twee hem bekende personen,
die de vereiste hoedanigheid bezitten om instrumentair getuige te zijn. » Art. 5. In artikel
12 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 4 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht
: 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : « Alle akten vermelden de naam, de
gebruikelijke voornaam en de standplaats van de notaris die ze opmaakt. Een geassocieerde notaris vermeldt
deze hoedanigheid en de zetel van de vennootschap in plaats van zijn standplaats. De partijen worden
in de akte vermeld met hun naam, gevolgd door de voornamen, plaats en datum van geboorte en hun woonplaats.
Ingeval de waarmerking op basis van de identiteitskaart gebeurt, volstaan de eerste twee voornamen in
de plaats van de opname van alle voornamen. De voornamen worden vermeld in de volgorde waarin zij voorkomen
in het stuk op grond waarvan de identificatie is gebeurd. »; 2° in het derde lid wordt de zin
« De sommen en dagtekeningen worden voluit geschreven. » vervangen door « De datum van ondertekening
van de akte door de notaris en de bedragen die het voorwerp uitmaken van een betalingsverplichting worden
voluit geschreven. » TITEL III. - Economie HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van
25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst Art. 6. In artikel 13, derde lid,
van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, gewijzigd bij de wet van 22 februari
2006, wordt tussen de woorden « aan deze laatsten betaalt, » en de woorden « bevrijdt enkel de werkelijke
ontvangst » de woorden « maar via een verzekeringstussenpersoon als bedoeld in artikel 1, 3°, van de
wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van
verzekeringen, » ingevoegd. Art. 7. In artikel 68-2, § 1, a), van dezelfde wet, ingevoegd
bij de wet van 21 mei 2003, worden de woorden « een overstroming » uitgelegd als eveneens omvattende
« het afvloeien van water wegens onvoldoende absorptie door de grond ten gevolge van atmosferische neerslag
». HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings-
en herverzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen Art. 8. Artikel 1, 5°, b),
van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekerings- en herverzekeringsbemiddeling en de distributie
van verzekeringen, ingevoegd door de wet van 22 februari 2006, wordt vervangen als volgt : «
b) elke natuurlijke persoon die in een verzekeringsonderneming de facto de verantwoordelijkheid heeft
over of toezicht uitoefent op personen die instaan voor de distributie van verzekeringsproducten; ». Art.
9. Artikel 2, § 3, van dezelfde wet, gewijzigd door de wet van 22 februari 2006, wordt gewijzigd
als volgt : 1° de woorden « verzekerings- of herverzekeringsonderneming » en de woorden « verzekerings-
en herverzekeringstussenpersonen » worden respectievelijk vervangen door de woorden « verzekeringsonderneming
» en « verzekeringstussenpersonen »; 2° in de Franse tekst worden de woorden « en rapport avec
le public » vervangen door de woorden « en contact avec le public ». Art. 10. Artikel 3 van
dezelfde wet, gewijzigd door de wet van 22 februari 2006, wordt gewijzigd als volgt : 1° het
eerste lid wordt vervangen als volgt : « Elke rechtspersoon en elke natuurlijke persoon die
werknemers in dienst heeft, die ingeschreven is als verzekerings- of herverzekeringstussenpersoon, wijst
een verantwoordelijke voor de distributie aan als bepaald bij artikel 4. De verantwoordelijke voor de
distributie moet voldoen aan de vereisten van beroepskennis, geschiktheid en professionele betrouwbaarheid,
als bedoeld in artikel 10, 1°, 2°bis en 3°. »; 2° in het tweede lid worden tussen de woorden
« zich » en « rechtstreeks » de woorden « in een verzekerings- of herverzekeringstussenpersoon » ingevoegd,
en wordt in de Franse tekst de woorden « en rapport avec le public » vervangen door de woorden « en contact
avec le public ». Art. 11. In artikel 9, § 1, vierde lid, van dezelfde wet, gewijzigd
door de wet van 22 februari 2006, wordt het woord « van rechtswege » vervangen door het woord « ambtshalve
». Art. 12. Artikel 10, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd door het koninklijk besluit
van 25 maart 2003 en de wet van 22 februari 2006, wordt gewijzigd als volgt : 1° in het punt
4° wordt het eerste lid aangevuld als volgt : « De verzekeringsovereenkomst bevat een bepaling
die de verzekeringsonderneming bij beëindiging van de overeenkomst de verplichting oplegt de CBFA hiervan
in kennis te stellen. »; 2° het punt 6°ter wordt vervangen als volgt : « in voorkomend
geval, het bepaalde naleven bij de artikelen 12bis, 12ter en 12quater. » Art. 13. Artikel
11 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 11 april 1999, het koninklijk besluit van 25 maart 2003
en de wet van 22 februari 2006, wordt gewijzigd als volgt : 1° in § 3, tweede lid, wordt
het woord « personen » vervangen door het woord « verzekeringstussenpersonen »; 2° een §
4bis wordt ingevoegd, luidende als volgt : « § 4bis. De in dit artikel bedoelde beroepskennis
en basisopleiding maken het voorwerp uit van een geregelde bijscholing. De CBFA is bevoegd om deze bijscholingen
te erkennen. » Art. 14. In artikel 11bis, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk
besluit 25 maart 2003 en de wet van 22 februari 2006, worden de woorden « verzekerings- en herverzekeringsondernemingen
» vervangen door het woord « verzekeringsondernemingen ». Art. 15. In hoofdstuk IIbis « Informatievereisten
», van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 22 februari 2006, wordt een afdeling 3 ingevoegd, bestaande
uit artikel 12quinquies en met als opschrift : « Afdeling 3. Door verzekeringsondernemingen
te verstrekken informatie ». Art. 16. In dezelfde wet wordt een artikel 12quinquies ingevoegd,
luidende : « Art. 12quinquies. Het bepaalde bij artikel 12bis, § 1, eerste lid, 5°, en
§§ 3 en 4, en artikel 12quater is van overeenkomstige toepassing op de verzekeringsondernemingen
in hun rechtstreekse contacten met cliënten. » Art. 17. In artikel 13bis van dezelfde wet,
ingevoegd bij de wet van 22 februari 2006, wordt het tweede lid van § 2 vervangen als volgt : «
Wanneer, in de in het eerste lid bedoelde gevallen, na de termijn van een maand de tekortkoming niet
is verholpen, alsook in geval van faillietverklaring van een verzekerings- of herverzekeringstussenpersoon,
vervalt ambtshalve de inschrijving van de verzekerings- of herverzekeringstussenpersoon in het register.
De CBFA brengt de betrokken verzekerings- of herverzekeringstussenpersoon hiervan op de hoogte. » Art.
18. Artikel 15, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 februari 2006, wordt gewijzigd
als volgt : 1° in het eerste lid wordt tussen het vijfde en het zesde streepje de volgende tekst
ingevoegd : « - nalaat de in de artikel 10, eerste lid, 4°, bedoelde beëindiging of verbreking
aan de CBFA mee te delen; »; 2° de tekst van het zesde streepje, dat het zevende streepje wordt,
wordt vervangen als volgt : « - nalaat bij de artikelen 12bis, 12ter en 12quater bedoelde
informatie te vermelden; ». Art. 19. Artikel 17 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van
22 februari 2006, wordt gewijzigd als volgt : 1° in § 1 worden de woorden « bij de inwerkingtreding
van deze wet » en de woorden « , binnen zes maanden te rekenen van de inwerkingtreding van deze wet »
respectievelijk vervangen door de woorden « op 15 maart 2006 » en « uiterlijk 31 januari 2007 »; 2°
§ 2 wordt opgeheven. Art. 20. Artikel 18 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van
22 februari 2006, wordt vervangen als volgt : « Art. 18. De verzekeringstussenpersonen dienen
uiterlijk op 15 juni 2006 aan te tonen dat de personen deel uitmakend van de effectieve leiding als bedoeld
in artikel 10bis aan de in dat artikel gestelde vereisten inzake professionele betrouwbaarheid beantwoorden.
De herverzekeringstussenpersonen dienen uiterlijk op 31 januari 2007 aan te tonen dat de personen deel
uitmakend van de effectieve leiding als bedoeld in artikel 10bis aan de in dat artikel gestelde vereisten
inzake professionele betrouwbaarheid beantwoorden. » TITEL IV. - Middenstand HOOFDSTUK
I. - Wijziging van de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten
der vreemdelingen Art. 21. In artikel 3, § 1, van de wet van 19 februari 1965 betreffende
de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteit der vreemdelingen, gewijzigd bij de wetten van 28
juni 1984, 2 februari 2001 en 1 mei 2006, worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het
eerste lid wordt het woord « afgegeven » vervangen door het woord « toegekend »; 2° het volgende
lid wordt toegevoegd na het eerste lid : « De Koning kan aan de ondernemingsloketten de bevoegdheid
toekennen om de beroepskaart af te geven die door de daartoe afgevaardigde ambtenaar bedoeld in het eerste
lid, werd toegekend. Hij zal de vergoeding van de ondernemingsloketten voor hun tussenkomst bepalen.
» HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde
van architecten Art. 22. In artikel 11 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde
van architecten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 september 1990 en de wet van 10 februari
1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid wordt het woord « vier
» vervangen door het woord « zes »; 2° het tweede lid wordt opgeheven; 3° in het vroegere
derde lid, dat het tweede lid is geworden wordt het woord « twee » vervangen door het woord « drie ». Art.
23. In artikel 12 van dezelfde wet worden de woorden « een plaatsvervangend rechtskundig bijzitter »
vervangen door de woorden « meerdere plaatsvervangend rechtskundig bijzitters ». Art. 24. In
artikel 13 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid
worden de woorden « vier jaar onder de voorzitters, ondervoorzitters en rechters, titularis of honorair,
van de rechtbanken van eerste aanleg, met uitsluiting van de onderzoeksrechters, alsmede onder de eremagistraten
van het parket bij deze rechtbanken » vervangen door de woorden « zes jaar onder de magistraten, titularis
of honorair »; 2° het tweede lid wordt vervangen als volgt : « De Koning benoemt onder
dezelfde voorwaarden de plaatsvervangend rechtskundig bijzitters en bepaalt de volgorde waarin ze de
rechtskundig bijzitter vervangen. » Art. 25. In artikel 16, eerste lid, van dezelfde wet worden
de woorden « plaatsvervangend rechtskundig bijzitter » vervangen door de woorden « één van de plaatsvervangend
rechtskundig bijzitters ». Art. 26. In artikel 24, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd
bij de wet van 28 januari 1977, vervallen de woorden « De vormen waarin het recht van wraking dient te
worden uitgeoefend, worden door de Koning vastgesteld. » Art. 27. In artikel 28, eerste lid,
van dezelfde wet wordt het woord « vier » vervangen door het woord « zes ». Art. 28. De wijzigingen
bedoeld in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de lopende mandaten binnen de organen opgesomd in artikel
6 van dezelfde wet. TITEL V. - Leefmilieu HOOFDSTUK I. - De productnormen - Wijziging
van de wet van van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie-
en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid Art. 29.
Artikel 2, 8° van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame
productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid, wordt vervangen
als volgt : « 8° biociden : de werkzame stoffen en preparaten die één of meer werkzame stoffen
bevatten, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd, en bestemd zijn om een schadelijk organisme
te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten ervan te voorkomen of het op andere
wijze langs chemische of biologische weg te bestrijden; de Koning kan het begrip biocide nader omschrijven
in overeenstemming met de desbetreffende richtlijnen en verordeningen van de Europese Gemeenschap; ». Art.
30. In artikel 17 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 28 maart 2003, 27 december 2004 en 20
juli 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht : - in § 1, wordt een punt 9° ingevoegd,
luidend als volgt : « 9° hij die artikel 9 van Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees
Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen overtreedt »; -
in § 2, wordt een punt 7° ingevoegd, luidend als volgt : « 7° hij die artikel 6, §§
1 en 2, en artikel 7 van Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei
2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen overtreedt ». Art. 31. De bijlage bij dezelfde
wet wordt aangevuld als volgt : « Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en
de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen ». HOOFDSTUK II. - Genetisch
gewijzigde organismen - Wijziging van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse
bepalingen Art. 32. Artikel 132 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen,
zoals gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998 en het koninklijk besluit van 22 februari 2001, wordt
vervangen als volgt : « Art. 132. Teneinde de uitvoering te verzekeren van de verplichtingen
voortvloeiende uit internationale akkoorden of verdragen en uit Europese reglementering in verband met
het doelbewust verspreiden, het in de handel brengen, de traceerbaarheid, de etikettering en de grensoverschrijdende
verplaatsing van genetisch gewijzigde organismen, regelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad, de doelbewuste verspreiding, het in de handel brengen, de traceerbaarheid, de etikettering
en de grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gewijzigde organismen of van producten die er bevatten.
» Art. 33. In Titel V, Hoofdstuk II, van dezelfde wet wordt een artikel 132bis ingevoegd,
luidende : « Art. 132bis. § 1. Onverminderd de bevoegdheid van de officieren van gerechtelijke
politie, houden de door de Koning, op gezamenlijke voordracht van de Ministers bevoegd voor Volksgezondheid
en voor Leefmilieu, aangewezen statutaire en contractuele personeelsleden van de FOD Volksgezondheid,
Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, toezicht op de naleving van de besluiten ter uitvoering
van artikel 132 van deze wet, en op de bepalingen genomen krachtens de internationale akkoorden en verdragen,
en de Europese verordeningen en beschikkingen in verband met het doelbewust verspreiden, het in de handel
brengen, de traceerbaarheid, de etikettering en de grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gewijzigde
organismen of van producten die er bevatten. § 2. In de uitoefening van hun opdracht
kunnen de in § 1 bedoelde statutaire en contractuele personeelsleden : 1° op elk moment
elke plaats betreden en doorzoeken waar zich producten kunnen bevinden evenals elke plaats waar bewijzen
van het bestaan van een inbreuk mogelijk kunnen worden aangetroffen. Het bezoek aan lokalen die uitsluitend
als woning dienen is slechts toegestaan tussen 5 uur 's ochtends en 9 uur 's avonds en kan slechts gebeuren
met een voorafgaandelijke schriftelijke machtiging hiertoe afgeleverd door een rechter van de politierechtbank; 2°
zich alle inlichtingen en bescheiden doen verstrekken die zij tot het volbrengen van hun opdracht nodig
achten, en overgaan tot alle nuttige vaststellingen; 3° monsters nemen of onder hun toezicht
laten nemen en deze onderzoeken en/of laten analyseren. § 3. De door de Koning aangewezen
statutaire en contractuele personeelsleden stellen de overtredingen van de besluiten ter uitvoering van
artikel 132 van deze wet en van de bepalingen genomen, krachtens de internationale akkoorden en verdragen,
en de Europese verordeningen en beschikkingen in verband met het doelbewust verspreiden, het in de handel
brengen, de traceerbaarheid, de etikettering en de grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gewijzigde
organismen of van producten die er bevatten, vast in processen-verbaal, die bewijskracht hebben behoudens
tegenbewijs; een afschrift ervan wordt binnen de vijftien kalenderdagen na de vaststelling aan de overtreder
toegezonden. § 4. De door de Koning aangewezen statutaire en contractuele personeelsleden
kunnen bij administratieve maatregel de genetisch gewijzigde organismen of de producten die er bevatten
waarvan zij vermoeden dat zij niet beantwoorden aan de bepalingen van een krachtens artikel 132 van deze
wet genomen besluit of aan de bepalingen genomen krachtens de internationale akkoorden en verdragen,
en de Europese verordeningen en beschikkingen in verband met het doelbewust verspreiden, het in de handel
brengen, de traceerbaarheid, de etikettering en de grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gewijzigde
organismen of van producten die er bevatten, onder bewarend beslag plaatsen voor een termijn van maximaal
60 kalenderdagen, teneinde ze aan onderzoek of analyse te onderwerpen. Naargelang van het resultaat van
het onderzoek of de analyse wordt het bewarend beslag op bevel van het statutaire of contractuele personeelslid
die het product tijdelijk voor onderzoek in bezit heeft genomen, gelicht of kunnen de producten definitief
in beslag genomen worden. De definitief inbezitgenomen producten kunnen vernietigd of teruggestuurd worden.
Het verstrijken van de termijn leidt ook tot de lichting van het bewarend beslag. De genetisch
gewijzigde organismen of de producten die er bevatten, die het voorwerp uitmaken van een bewarend beslag
bedoeld in het eerste lid, zullen indien noodzakelijk voor niet-bewarende producten of om dwingende redenen
van volksgezondheid en/of van leefmilieu vernietigd worden. Tot die vernietiging wordt besloten door
de door de Koning aangewezen statutaire en contractuele personeelsleden. De kosten voor de vernietiging,
verwerking, ontaarding, buiten gebruikstelling, bewaring, inbeslagname, verzegeling of het sekwester,
van het onderzoek of de analyse zijn ten laste van de eigenaar of, bij ontstentenis, van de houder van
de producten. § 5. Bij dreigend gevaar voor de volksgezondheid of het leefmilieu kan
de Minister bevoegd voor de volksgezondheid of het leefmilieu, bij een met redenen omklede beslissing,
alle door de omstandigheden genoodzaakte noodmaatregelen treffen of opleggen. ». Art. 34.
In Titel V, Hoofdstuk II, van dezelfde wet wordt een artikel 132ter ingevoegd, luidende : «
Art. 132ter. De overtredingen van de bepalingen van de besluiten ter uitvoering van artikel 132 van deze
wet en van de bepalingen genomen, krachtens de internationale akkoorden en verdragen, en de Europese
verordeningen en beschikkingen in verband met het doelbewust verspreiden, het in de handel brengen, de
traceerbaarheid, de etikettering en de grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gewijzigde organismen
of van producten die er bevatten, kunnen worden gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot twee
jaar en een geldboete van 1 000 euro tot 50 000 euro, of met een administratieve boete. De verbaliserende
ambtenaar stuurt het proces-verbaal dat het misdrijf vaststelt aan de Procureur des Konings alsook een
afschrift ervan aan de door de Koning aangewezen ambtenaar. ». Art. 35. In Titel V, Hoofdstuk
II, van dezelfde wet wordt een artikel 132quater ingevoegd, luidende : « Art. 132quater. §
1. De procureur des Konings beslist of hij al dan niet strafrechtelijk vervolgt. Strafvervolging
sluit administratieve geldboete uit, ook wanneer de vervolging tot vrijspraak heeft geleid. §
2. De procureur des Konings beschikt over een termijn van drie maanden, te rekenen van de dag van ontvangst
van het proces-verbaal, om van zijn beslissing kennis te geven aan de door de Koning aangewezen ambtenaar. Ingeval
de procureur des Konings van strafvervolging afziet of verzuimt binnen de gestelde termijn van zijn beslissing
kennis te geven, beslist de door de Koning aangewezen ambtenaar overeenkomstig de nadere regels en voorwaarden
die Hij bepaalt, of wegens het misdrijf een administratieve geldboete moet worden voorgesteld, nadat
de betrokkene de mogelijkheid geboden werd zijn verweermiddelen naar voor te brengen. §
3. De beslissing van de ambtenaar is met redenen omkleed en bepaalt het bedrag van de administratieve
geldboete, die niet lager mag zijn dan het minimum van de geldboete bepaald door de overtreden wettelijke
bepaling, noch hoger dan het vijfvoudige van dit minimum. Deze bedragen worden evenwel altijd
vermeerderd met de opdeciemen vastgesteld voor de strafrechtelijke geldboeten. Bovendien worden
de expertisekosten ten laste gelegd van de overtreder. § 4. Bij samenloop van misdrijven
worden de bedragen van de administratieve geldboeten samengevoegd, zonder dat deze samen hoger mogen
zijn dan het maximumbedrag bedoeld in artikel 132ter. § 5. De beslissing bedoeld in §
3 wordt aan de betrokkene betekend bij een ter post aangetekende brief samen met een verzoek tot betaling
van de boete binnen de door de Koning gestelde termijn. Deze kennisgeving doet de strafvordering vervallen;
de betaling van de administratieve geldboete maakt een einde aan de vordering van de administratie. §
6. Blijft de betrokkene in gebreke om de geldboete en de expertisekosten binnen de gestelde termijn te
betalen, dan vordert de ambtenaar de betaling van de geldboete en de expertisekosten voor de bevoegde
rechtbank. § 7. Geen administratieve geldboete kan worden opgelegd drie jaar na het feit
dat een bij dit hoofdstuk bedoeld misdrijf oplevert. De daden van onderzoek of van vervolging
verricht binnen de in het eerste lid gestelde termijn stuiten evenwel de loop ervan. Met die
daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij
niet betrokken waren. § 8. De Koning bepaalt de procedureregelen die van toepassing zijn
inzake administratieve geldboeten. De administratieve geldboeten worden gestort op een daarvoor
voorziene thesaurierekening van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen
en Leefmilieu. § 9. De rechtspersoon waarvan de overtreder orgaan of aangestelde is,
is eveneens aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboete. ». Art. 36. In
Titel V, Hoofdstuk II, van dezelfde wet wordt een artikel 132quinquies ingevoegd, luidende : «
Art. 132quinquies. ù De bepalingen van de artikelen 132bis tot en met 132quater zijn niet van toepassing
op de controles verricht noch op de inbreuken vastgesteld met toepassing van het koninklijk besluit van
22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap
voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen. ». TITEL
VI. - Kruispuntbank van de sociale zekerheid HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van15 januari
1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid Art.
37. Artikel 2 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank
van de sociale zekerheid wordt als volgt gewijzigd : 1° het eerste lid, 2°, gewijzigd bij de
wetten van 29 april 1996, 25 januari 1999 en 24 december 2002, wordt aangevuld als volgt : «
f) de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor zover zij belast zijn met de toepassing van
de sociale zekerheid in de zin van deze wet; »; 2° in het eerste lid, 10°, ingevoegd bij de
wet van 26 februari 2003, worden de woorden « sectoraal comité van de sociale zekerheid » telkens vervangen
door de woorden « sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid ». Art. 38.
Artikel 4 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 24 december 2002 en gewijzigd bij de wet van 27
december 2004, wordt vervangen als volgt : « Art. 4. § 1. De Kruispuntbankregisters zijn
gegevensbanken beheerd door de Kruispuntbank, waarin overeenkomstig de bepalingen van dit artikel identificatiegegevens
aangaande natuurlijke personen worden opgeslagen en ter beschikking gesteld met het oog op de identificatie
van de betrokken natuurlijke personen door de instanties bedoeld in § 4 in het kader van doeleinden
waarvoor zij toegang hebben tot of mededeling bekomen van de gegevens opgenomen in de Kruispuntbankregisters. §
2. De Kruispuntbankregisters zijn complementair en subsidiair aan het Rijksregister. In de Kruispuntbankregisters
worden ingeschreven de natuurlijke personen die niet zijn ingeschreven in het Rijksregister of van wie
niet alle nodige identificatiegegevens systematisch worden bijgewerkt in het Rijksregister, voor zover
hun identificatie vereist is voor de toepassing van de sociale zekerheid, voor het uitvoeren van de opdrachten
die door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie zijn toegewezen aan een Belgische openbare
overheid of voor het vervullen van de taken van algemeen belang die door of krachtens een wet, een decreet
of een ordonnantie zijn toevertrouwd aan een natuurlijke persoon of aan een openbare of private instelling
van Belgisch recht. Tussen de Kruispuntbankregisters en het Rijksregister geschiedt een regelmatige
synchronisatie, zodat met betrekking tot de natuurlijke personen die zijn ingeschreven in het Rijksregister
en van wie alle nodige identificatiegegevens systematisch in het Rijksregister worden bijgewerkt, geen
gegevens in de Kruispuntbankregisters blijven opgeslagen, behoudens de eventuele historiekgegevens met
betrekking tot de periode gedurende dewelke ze in de Kruispuntbankregisters waren ingeschreven. Voor
zover de in het eerste lid bedoelde natuurlijke personen niet beschikken over een identificatienummer
van het Rijksregister, kent de Kruispuntbank hen bij de inschrijving in de Kruispuntbankregisters zelf
een identificatienummer toe. § 3. Het Beheerscomité van de Kruispuntbank bepaalt, na
overleg met het Rijksregister, per categorie natuurlijke personen en/of per categorie identificatiegegevens
de rechtvaardigende stukken op grond waarvan identificatiegegevens in de Kruispuntbankregisters kunnen
worden opgenomen en gewijzigd en welke instellingen van sociale zekerheid of Belgische openbare overheden,
natuurlijke personen en openbare of private instellingen van Belgisch recht bevoegd zijn om op grond
van die rechtvaardigende stukken identificatiegegevens in de Kruispuntbankregisters op te nemen en te
wijzigen. De aldus aangeduide instellingen van sociale zekerheid, Belgische openbare overheden, natuurlijke
personen en openbare of private instellingen van Belgisch recht zijn verantwoordelijk voor de overeenstemming
van de betrokken identificatiegegevens met de rechtvaardigende stukken. De aan de Kruispuntbank ter beschikking
gestelde gegevens moeten voldoen aan de door het Beheerscomité van de Kruispuntbank vastgelegde kwaliteitsnormen
om de betrokken persoon eenduidig te kunnen identificeren. § 4. Hebben, onverminderd
de toepassing van artikel 15, toegang tot de identificatiegegevens van de Kruispuntbankregisters of bekomen
er mededeling van : 1° de instellingen van sociale zekerheid voor zover zij deze gegevens nodig
hebben voor de toepassing van de sociale zekerheid; 2° de toekennende instanties bedoeld in
artikel 11bis voor zover zij deze gegevens nodig hebben voor de toekenning van een aanvullend recht
bedoeld in artikel 11bis ; 3° de openbare overheden voor zover zij de identificatiegegevens
nodig hebben voor het uitvoeren van de opdrachten die hen door of krachtens een wet, een decreet of een
ordonnantie zijn toegewezen; 4° de natuurlijke personen of openbare of private instellingen
voor zover zij de identificatiegegevens nodig hebben voor het vervullen van de taken van algemeen belang
die hen door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie zijn toevertrouwd; 5° de personen
die handelen als onderaannemer van de in 1°, 2°, 3° en 4° bedoelde openbare overheden, natuurlijke personen
en openbare of private instellingen. § 5. Iedere openbare overheid, natuurlijke persoon
en openbare of private instelling die overeenkomstig § 4 toegang heeft tot de identificatiegegevens
van de Kruispuntbankregisters of er mededeling van bekomt, wijst, al dan niet onder het personeel, een
consulent inzake informatieveiligheid en bescherming van de persoonlijke levenssfeer aan die onder meer
de functie vervult van aangestelde voor de gegevensbescherming bedoeld in artikel 17bis van de wet van
8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. De
identiteit van de consulent inzake informatieveiligheid en bescherming van de persoonlijke levenssfeer
wordt meegedeeld aan de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid
en van de gezondheid behalve indien deze reeds met toepassing van een andere bepaling vastgesteld door
of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer of aan een in haar schoot opgericht sectoraal comité werd meegedeeld. Voor zover
reeds met toepassing van artikel 24 een veiligheidsconsulent werd aangewezen, vervult deze tevens de
rol van consulent inzake informatieveiligheid en bescherming van de persoonlijke levenssfeer. §
6. Iedere openbare overheid, natuurlijke persoon en openbare of private instelling die overeenkomstig
§ 4 toegang heeft tot de identificatiegegevens van de Kruispuntbankregisters of er mededeling
van bekomt, is verplicht : 1° bij naam de organen of aangestelden aan te wijzen die, omwille
van hun bevoegdheden, gemachtigd zijn om toegang te hebben tot de identificatiegegevens of er mededeling
van te bekomen en hen te informeren overeenkomstig artikel 16, § 2, van de wet van 8 december
1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;
van deze organen of aangestelden moeten ze een lijst opstellen; 2° de personen die daadwerkelijk
belast zijn met het verwerken van de identificatiegegevens een verklaring te laten ondertekenen waarin
zij zich ertoe verbinden het vertrouwelijke karakter van de identificatiegegevens te bewaren. ». Art.
39. In artikel 5 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 2 augustus 2002 en gewijzigd bij de wet
van 26 februari 2003, worden de woorden « het sectoraal comité van de sociale zekerheid » telkens vervangen
door de woorden « de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en
van de gezondheid ». Art. 40. In artikel 6 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen
aangebracht : 1° de bestaande tekst zal § 1 vormen; 2° in § 1, eerste
lid, wordt het woord « natuurlijke » ingevoegd tussen de woorden « per » en « persoon »; 3°
er wordt een § 2 toegevoegd, luidende : « § 2. Het repertorium van de personen
kan ook per natuurlijke persoon aangeven welke soorten sociale gegevens van persoonlijke aard ter beschikking
worden gesteld van welke personen die deze gegevens nodig hebben voor het uitvoeren van de opdrachten
die hen door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie zijn toegewezen of voor het vervullen
van de taken van algemeen belang die hen door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie zijn
toevertrouwd. ». Art. 41. In artikel 12, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet
van 26 februari 2003, worden de woorden « het sectoraal comité van de sociale zekerheid » vervangen door
de woorden « de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de
gezondheid ». Art. 42. Artikel 13 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Art.
13. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 15 en 46, eerste lid, 1°, deelt de Kruispuntbank, op eigen
initiatief of op hun verzoek, sociale gegevens mee aan personen die deze nodig hebben voor het uitvoeren
van de opdrachten die door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie aan hen zijn toegewezen
of voor het vervullen van taken van algemeen belang die door of krachtens een wet, een decreet of een
ordonnantie aan hen zijn toevertrouwd. ». Art. 43. In artikel 14 van dezelfde wet, gewijzigd
bij de wetten van 2 augustus 2002 en 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
de aanhef van het eerste lid wordt vervangen als volgt : « Art. 14. De mededeling van sociale
gegevens van persoonlijke aard door of aan instellingen van sociale zekerheid gebeurt met tussenkomst
van de Kruispuntbank behalve indien het gaat om een mededeling respectievelijk aan of door volgende personen
: »; 2° in het eerste lid, 1°, 2° en 5°, worden de woorden « te verkrijgen » telkens vervangen
door de woorden « te verwerken »; 3° in het eerste lid, 2°, worden de woorden « die de betrokken
gegevens voor de vervulling van hun verplichtingen inzake sociale zekerheid nodig hebben » vervangen
door de woorden « die de betrokken gegevens moeten verwerken met het oog op het vervullen van hun verplichtingen
inzake sociale zekerheid »; 4° in het eerste lid wordt de bepaling onder 2°bis opgeheven; 5°
in het eerste lid wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt : « 3° de personen aan wie
door de in 2° bedoelde personen werken in onderaanneming worden toevertrouwd voor de toepassing van de
sociale zekerheid; »; 6° in het derde lid worden de woorden « eerste lid, 1°, 2°, 2°bis en
5° » vervangen door de woorden « eerste lid, 1°, 2° en 5° »; 7° artikel 14 wordt aangevuld met
het volgende lid : « De afdeling sociale zekerheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid
en van de gezondheid kan op voorstel van de Kruispuntbank voorzien in een vrijstelling van de in het
eerste lid bedoelde tussenkomst van de Kruispuntbank, voor zover deze tussenkomst geen toegevoegde waarde
kan bieden. ». Art. 44. In artikel 15 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 2 augustus
2002 en 26 februari 2003, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, worden de volgende wijzigingen
aangebracht : 1° de woorden « het sectoraal comité van de sociale zekerheid » worden telkens
vervangen door de woorden « de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid
en van de gezondheid »; 2° het artikel wordt aangevuld met een § 2, luidende : «
§ 2. In afwijking van artikel 42, § 2, 3°, van de wet van 13 december 2006 houdende diverse
bepalingen betreffende gezondheid, vereist de mededeling van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen
in de zin van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte
van de verwerking van persoonsgegevens in de volgende gevallen geen principiële machtiging van de afdeling
gezondheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid : 1° indien
de mededeling betrekking heeft op sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen
en wordt verricht door een instelling van sociale zekerheid aan een andere instelling van sociale zekerheid
voor het vervullen van de taken die haar zijn opgelegd door of krachtens de wet, aan een toekennende
instantie bedoeld in artikel 11bis voor het toekennen van een aanvullend recht of aan een persoon tot
wie het geheel of een deel van de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen
werd uitgebreid met toepassing van artikel 18 voor het vervullen van zijn taken, in welk geval een principiële
machtiging van de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van
de gezondheid vereist is; 2° indien een instelling van sociale zekerheid en een andere persoon
respectievelijk sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen en persoonsgegevens
die de gezondheid betreffen in de zin van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke
levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens meedelen aan eenzelfde bestemmeling voor
eenzelfde doeleinde, in welk geval een gezamenlijke principiële machtiging van beide afdelingen van het
sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid vereist is. ». Art. 45. In
artikel 17bis van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 24 december 2002 en gewijzigd bij de wetten
van 8 april 2003, 22 december 2003 en 27 december 2005 en het koninklijk besluit van 12 juni 2006, worden
de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 wordt een 1°bis ingevoegd, luidende
: « 1°bis de openbare centra voor maatschappelijk welzijn; »; 2° in § 1 wordt
een 2°ter ingevoegd, luidende : « 2°ter de onderlinge verenigingen van instanties bedoeld
in 1°, 1°bis, 2° en/of 2°bis ; »; 3° in § 2 worden de woorden « bedoeld in §
1, 1°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° of 8° » vervangen door de woorden « bedoeld in § 1, 1°, 1°bis, 2°ter,
3°, 4°, 5°, 6°, 7° ou 8° ». Art. 46. In artikel 20, § 1, van dezelfde wet, vervangen
bij de wet van 29 april 1996 en gewijzigd bij de wet van 26 februari 2003, worden de woorden « het sectoraal
comité van de sociale zekerheid » vervangen door de woorden « de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal
comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid ». Art. 47. In artikel 24 van dezelfde
wet, vervangen bij de wet van 6 augustus 1993 en gewijzigd bij de wet van 26 februari 2003, worden de
volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden « haar sectoraal comité
van de sociale zekerheid » vervangen door de woorden « de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal
comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid »; 2° in het tweede lid worden de woorden
« het sectoraal comité van de sociale zekerheid » vervangen door de woorden « de afdeling sociale zekerheid
van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid ». Art. 48. In artikel
26, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 26 februari 2003, worden de woorden
« het sectoraal comité van de sociale zekerheid » vervangen door de woorden « de afdeling sociale zekerheid
van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid ». Art. 49. In artikel
28 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 12 augustus 2000 en 26 februari 2003, worden de woorden
« het sectoraal comité van de sociale zekerheid » vervangen door de woorden « het sectoraal comité van
de sociale zekerheid en van de gezondheid ». Art. 50. In artikel 32 van dezelfde wet, gewijzigd
bij de wet van 26 februari 2003, worden de woorden « het sectoraal comité van de sociale zekerheid »
vervangen door de woorden « het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid ». Art.
51. Het opschrift van hoofdstuk VI van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 26 februari 2003, wordt
vervangen als volgt : « Hoofdstuk VI. - Het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid
». Art. 52. Artikel 37 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 26 februari 2003, wordt vervangen
als volgt : « Art. 37. § 1. Binnen de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer, bedoeld in artikel 23 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke
levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, wordt een sectoraal comité van de sociale
zekerheid en van de gezondheid opgericht. Het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van
de gezondheid bestaat uit volgende twee afdelingen : 1° de afdeling sociale zekerheid; 2°
de afdeling gezondheid. § 2. In afwijking van artikel 31bis, § 2, eerste lid,
van de hogervermelde wet van 8 december 1992, bestaat het sectoraal comité van de sociale zekerheid en
van de gezondheid uit : 1° de voorzitter van de Commissie of een door de Commissie onder haar
leden aangewezen lid, aan wie het voorzitterschap van beide afdelingen van het comité is opgedragen; 2°
een door de Commissie onder haar leden aangewezen lid, dat deel uitmaakt van beide afdelingen; 3°
een extern lid met de hoedanigheid van doctor of licenciaat in de rechten, dat deel uitmaakt van de afdeling
sociale zekerheid; 4° een extern lid met de hoedanigheid van deskundige op het vlak van de informatica,
dat deel uitmaakt van de afdeling sociale zekerheid; 5° een extern lid met de hoedanigheid van
geneesheer, deskundige op het vlak van het beheer van gezondheidsgegevens, dat deel uitmaakt van beide
afdelingen; 6° twee externe leden met de hoedanigheid van geneesheer, deskundige op het vlak
van het beheer van gezondheidsgegevens, die deel uitmaken van de afdeling gezondheid. » Art.
53. In artikel 38 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 26 februari 2003, worden de volgende wijzigingen
aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden « artikel 37, 3°, 4° en 5° » vervangen
door de woorden « artikel 37, § 2, 3°, 4°, 5° en 6° »; 2° in het tweede lid worden de
woorden « drie plaatsvervangende externe leden » vervangen door de woorden « vijf plaatsvervangende externe
leden »; 3° het vierde lid wordt vervangen als volgt : « De Commissie voor de bescherming
van de persoonlijke levenssfeer wijst de leden bedoeld in artikel 37, § 2, 1° en 2°, evenals hun
respectieve plaatsvervangers aan voor dezelfde hernieuwbare termijn van zes jaar. Onverminderd
artikel 41, tweede lid, vervangt de plaatsvervanger van het lid bedoeld in artikel 37, § 2, 1°,
dat lid in afwachting van diens vervanging door de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer. De plaatsvervanger van het lid bedoeld in artikel 37, § 2, 2°, vervangt
dat lid indien het verhinderd of afwezig is of in afwachting van diens vervanging door de Commissie voor
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. » Art. 54. In artikel 39 van dezelfde wet,
vervangen bij de wet van 26 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de
woorden « sectoraal comité van de sociale zekerheid » worden vervangen door de woorden « sectoraal comité
van de sociale zekerheid en van de gezondheid »; 2° § 1, 3°, wordt vervangen als volgt
: « 3° niet onder het hiërarchisch gezag van een Minister staan en onafhankelijk zijn van de
instellingen van sociale zekerheid, van de organisaties die in het Beheerscomité van de Kruispuntbank
vertegenwoordigd zijn en, voor wat betreft de leden bedoeld in artikel 37, § 2, 5° en 6°, onafhankelijk
zijn van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, het
Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg en de stichting bedoeld in artikel 45quinquies van het
koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen;
»; 3° § 2 wordt opgeheven. Art. 55. In artikel 40 van dezelfde wet, vervangen
bij de wet van 26 februari 2003, worden de woorden « sectoraal comité van de sociale zekerheid » vervangen
door de woorden « sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid ». Art. 56.
In artikel 41 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 26 februari 2003, worden de volgende wijzigingen
aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : « Art. 41. Beide afdelingen
van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid zijn gevestigd en hebben hun vergaderingen
bij de Kruispuntbank, mits naleving van de voorwaarden beschreven in artikel 31bis, § 5, tweede
lid, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van
de verwerking van persoonsgegevens. »; 2° in het tweede lid worden de woorden « sectoraal comité
van de sociale zekerheid » vervangen door de woorden « sectoraal comité van de sociale zekerheid en van
de gezondheid »; 3° in het tweede lid worden de woorden « artikel 37, 2° » telkens vervangen
door de woorden « artikel 37, § 2, 2° ». Art. 57. Artikel 42 van dezelfde wet, vervangen
bij de wet van 26 februari 2003, wordt vervangen als volgt : « Art. 42. § 1. Overeenkomstig
artikel 31bis, § 3, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer
ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, staat de Kruispuntbank in voor het opstellen van
een juridisch en technisch advies aangaande elke aanvraag met betrekking tot de mededeling van sociale
gegevens van persoonlijke aard waarvan zij vanwege de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal comité
van de sociale zekerheid en van de gezondheid of vanwege de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer een afschrift heeft ontvangen. § 2. Overeenkomstig artikel 31bis, §
3, van de hogervermelde wet van 8 december 1992, staat het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg,
tot op een door de Koning te bepalen datum, in voor het opstellen van een juridisch en technisch advies
aangaande elke aanvraag met betrekking tot de mededeling van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen
in de zin van de hogervermelde wet van 8 december 1992, waarvan het vanwege de afdeling gezondheid van
het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid of vanwege de Commissie voor de bescherming
van de persoonlijke levenssfeer een afschrift heeft ontvangen. In afwijking van het eerste lid,
staat de stichting bedoeld in artikel 45quinquies van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november
1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, in voor het opstellen van een juridisch
en technisch advies aangaande elke aanvraag met betrekking tot de verwerkingen van persoonsgegevens bedoeld
in artikel 45quinquies van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening
van de gezondheidszorgberoepen, die zij bij de afdeling gezondheid van het sectoraal comité van de sociale
zekerheid en van de gezondheid of bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
aanhangig maakt. » Art. 58. In artikel 43 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 26 februari
2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt
: « Art. 43. De werkingskosten van beide afdelingen van het sectoraal comité van de sociale
zekerheid en van de gezondheid worden gedragen door de Kruispuntbank, met uitzondering evenwel van : 1°
de aan de leden uitgekeerde vergoedingen en terugbetalingen van kosten, die worden gedragen door de Commissie
voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; 2° de kosten voor het opstellen van het
juridisch en technisch advies bedoeld in artikel 42, § 2, eerste lid, die worden gedragen door
het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg; 3° de kosten voor het opstellen van het
juridisch en technisch advies bedoeld in artikel 42, § 2, tweede lid, die worden gedragen door
de stichting bedoeld in artikel 45quinquies van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende
de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen. »; 2° in het tweede en het derde lid worden de
woorden « sectoraal comité van de sociale zekerheid » telkens vervangen door de woorden « sectoraal comité
van de sociale zekerheid en van de gezondheid ». Art. 59. In dezelfde wet wordt een artikel
43bis ingevoegd, luidende : « Art. 43bis. De voorzitter van het sectoraal comité van de sociale
zekerheid en van de gezondheid regelt de werkzaamheden van het comité en van de afdelingen. Behoudens
andersluidende bepalingen in de wet is de afdeling sociale zekerheid bevoegd voor de behandeling van
aangelegenheden betreffende de verwerking van persoonsgegevens in de zin van de wet van 8 december 1992
tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens,
door de instellingen van sociale zekerheid en de personen tot wie het geheel of een deel van de rechten
en verplichtingen voortvloeiend uit deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen met toepassing van artikel
18 werden uitgebreid en voor de behandeling van aangelegenheden betreffende de verwerking van sociale
gegevens van persoonlijke aard door de toekennende instanties bedoeld in artikel 11bis. Behoudens
andersluidende bepalingen in de wet is de afdeling gezondheid bevoegd voor de behandeling van aangelegenheden
betreffende de verwerking van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen in de zin van de wet van 8
december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens,
met uitzondering van de verwerkingen van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen door de instellingen
van sociale zekerheid en de personen tot wie het geheel of een deel van de rechten en verplichtingen
voortvloeiend uit deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen met toepassing van artikel 18 werden uitgebreid
en de verwerkingen van sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen door de toekennende
instanties bedoeld in artikel 11bis. Voor zover een aangelegenheid tot de bevoegdheid van beide
afdelingen behoort, wordt deze behandeld tijdens een gezamenlijke vergadering van de afdelingen. De
voorzitter van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid zorgt, in overleg met
de leden bedoeld in artikel 37, § 2, 2° en 5°, voor de coördinatie van de werkzaamheden tussen
de afdelingen. Zij kunnen beslissen om een dossier door de beide afdelingen gezamenlijk te laten behandelen.
» Art. 60. In artikel 44 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 26 februari 2003, worden
de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « sectoraal comité van de sociale zekerheid
» worden telkens vervangen door de woorden « sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid
»; 2° in het eerste lid worden de woorden « artikel 37, 2° » vervangen door de woorden « artikel
37, § 2, 2° ». Art. 61. In artikel 45 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 26
februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « sectoraal comité
van de sociale zekerheid » worden telkens vervangen door de woorden « sectoraal comité van de sociale
zekerheid en van de gezondheid »; 2° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid : «
De leidende ambtenaren van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg en van de stichting bedoeld
in artikel 45quinquies van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening
van de gezondheidszorgberoepen, kunnen de vergaderingen van de afdeling gezondheid van het sectoraal
comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid met raadgevende stem bijwonen voor wat betreft de
behandeling van de aanvragen met betrekking tot dewelke hun instelling, met toepassing van artikel 42,
§ 2, een juridisch en technisch advies heeft opgesteld. » Art. 62. In artikel 46 van
dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 augustus 1993, 2 januari 2001, 24 december 2002 en 26 februari
2003, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
in § 1 worden de woorden « het sectoraal comité van de sociale zekerheid » telkens vervangen door
de woorden « de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de
gezondheid »; 2° de bepalingen onder 6°ter en 6°quater worden opgeheven; 3° het artikel
wordt aangevuld met een § 2, luidende : « § 2. De afdeling gezondheid van het
sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid is belast met het verlenen van een machtiging
voor de mededeling van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen in de zin van de wet van 8 december
1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens,
voor zover die wordt opgelegd ingevolge artikel 42 van de wet van 13 december 2006 houdende diverse bepalingen
betreffende gezondheid of ingevolge een andere bepaling vastgesteld door of krachtens de wet. Zij houdt
een lijst bij van de mededelingen waarvoor zij aldus een machtiging verleent. Zij is voorts
belast met het verzekeren van het toezicht op de naleving van de door of krachtens de wet vastgestelde
bepalingen tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens
die de gezondheid betreffen. Daarbij kan zij alle aanbevelingen formuleren die zij nuttig acht en bijdragen
tot het oplossen van principiële problemen of geschillen. » Art. 63. In de artikelen 47 tot
52 en 56 van dezelfde wet, allen gewijzigd bij de wet van 26 februari 2003, worden de woorden « sectoraal
comité van de sociale zekerheid » telkens vervangen door de woorden « sectoraal comité van de sociale
zekerheid en van de gezondheid ». Art. 64. In artikel 61 van dezelfde wet, gewijzigd bij de
wetten van 24 december 2002 en 26 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
in 1° worden de woorden « het sectoraal comité van de sociale zekerheid » vervangen door de woorden «
de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid
»; 2° in 2° worden de woorden « het sectoraal comité van de sociale zekerheid » vervangen door
de woorden « het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid »; 3° er wordt
een 2°bis ingevoegd, luidende : « 2°bis de personen, hun aangestelden of lasthebbers die,
in strijd met de bepalingen van artikel 15, § 2, persoonsgegevens die de gezondheid betreffen
in de zin van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte
van de verwerking van persoonsgegevens, meedelen zonder daartoe gemachtigd te zijn door het sectoraal
comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid. » Art. 65. In artikel 63, eerste lid,
van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 augustus 1990 en 26 februari 2003, worden de woorden
« sectoraal comité van de sociale zekerheid » telkens vervangen door de woorden « sectoraal comité van
de sociale zekerheid en van de gezondheid ». HOOFDSTUK II. - Wijziging van het koninklijk besluit
nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen Art.
66. In artikel 45quinquies van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening
van de gezondheidszorgberoepen, ingevoegd bij de wet van 13 december 2006, worden de volgende wijzigingen
aangebracht : 1° de woorden « de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
» worden telkens vervangen door de woorden « de afdeling gezondheid van het sectoraal comité van de sociale
zekerheid en van de gezondheid bedoeld in artikel 37 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting
en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid »; 2° in § 4 worden de
woorden « aan het sectoraal comité voor de gezondheidsgegevens » vervangen door de woorden « aan de afdeling
gezondheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid bedoeld in artikel
37 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale
zekerheid ». HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wet van 29 april 1996 houdende sociale
bepalingen Art. 67. In artikel 156, § 4, van de wet van 29 april 1996 houdende sociale
bepalingen, vervangen bij de wet van 24 december 2002 en gewijzigd bij de wet van 13 december 2006, worden
de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « het Toezichtscomité » worden vervangen
door de woorden « de afdeling gezondheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de
gezondheid »; 2° de woorden « het in het vorige lid bedoelde Toezichtscomité » worden vervangen
door de woorden « de in het vorig lid bedoelde afdeling gezondheid van het sectoraal comité van de sociale
zekerheid en van de gezondheid ». HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de wet van 13 december 2006
houdende diverse bepalingen betreffende gezondheid Art. 68. Het opschrift van hoofdstuk VII
van Titel II van de wet van 13 december 2006 houdende diverse bepalingen betreffende gezondheid wordt
vervangen als volgt : « - Hoofdstuk VII. - Het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid
». Art. 69. Artikel 41 van dezelfde wet wordt opgeheven. Art. 70. In artikel 42 van
dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt opgeheven; 2°
in § 2 worden de woorden « Het sectoraal comité » vervangen door de woorden « De afdeling gezondheid
van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid bedoeld in artikel 37 van de wet
van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid
»; 3° § 2 wordt aangevuld als volgt : « 3° het verlenen van een principiële
machtiging met betrekking tot elke mededeling van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen in de
zin van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de
verwerking van persoonsgegevens, behalve in de volgende gevallen : - dien de mededeling gebeurt
tussen beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg die door het beroepsgeheim gebonden zijn en persoonlijk
betrokken zijn bij de uitvoering van diagnostische, preventieve of zorgverlenende handelingen ten opzichte
van een patiënt; - dien de mededeling is toegestaan door of krachtens een wet, een decreet of
een ordonnantie, na advies door de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; -
in de gevallen bedoeld in artikel 15, § 2, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting
en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, voor zover de afdeling sociale zekerheid
van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid bevoegd is; - in de gevallen
door de Koning bepaald, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de
Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. »; 4° §§ 3, 4,
5, 6 en 7 worden opgeheven. Art. 71. De Koning bepaalt de datum en de nadere regels van inwerkingtreding
van artikel 70, 3°. Art. 72. In afwachting van de instelling van het sectoraal comité van de
sociale zekerheid en van de gezondheid en van de benoeming van zijn leden worden de opdrachten toegewezen
aan het voorheen bestaande sectoraal comité van de sociale zekerheid, zoals ingesteld vóór de inwerkingtreding
van deze wet, verder uitgeoefend door datzelfde sectoraal comité van de sociale zekerheid. In
afwachting van de instelling van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid en
van de benoeming van zijn leden worden de opdrachten van de afdeling gezondheid van het sectoraal comité
van de sociale zekerheid en van de gezondheid die voorheen niet waren toegewezen aan het sectoraal comité
van de sociale zekerheid uitgeoefend door de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. HOOFDSTUK
V. - Wijziging van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen,
gecoördineerd op 14 juli 1994 Art. 73. In de artikelen 9bis en 206 van de wet betreffende
de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994,
en in de artikelen 279, 285 en 296 van de programmawet van 24 december 2002 worden de woorden « het Toezichtscomité
van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid », de woorden « het Toezichtscomité bedoeld in artikel
37 » en de woorden « het sectoraal comité van de sociale zekerheid » telkens vervangen door de woorden
« het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid ». HOOFDSTUK VI. - Wijziging
van artikel 163, derde lid, van de programmawet (I) van 27 december 2006 Art. 74. In artikel
163, derde lid, van de programmawet (I) van 27 december 2006, worden de de woorden « sectoraal comité
van de sociale zekerheid » vervangen door de woorden « sectoraal comité van de sociale zekerheid en
van de gezondheid ». HOOFDSTUK VII. - Wijziging van artikel 94 van de wet houdende
diverse bepalingen (I) van 27 december 2006 Art. 75. Artikel 94 van de wet van 27 december
2006 houdende diverse bepalingen (I), wordt vervangen als volgt : « Art. 94. Deze afdeling treedt
in werking op 1 maart 2007. In afwijking van het eerste lid, treedt artikel 41quater, van voormelde
wet van 27 juni 1969, zoals vervangen bij deze wet, in werking op 1 maart 2007 voor de notarissen en
de personen die gemachtigd zijn om akten van vervreemding en van hypothecaire aanwending voor echt te
verklaren, wat betreft de verplichte mededeling en informatie aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid,
voor de akten die zullen worden verleden vanaf 16 april 2007 en op een datum en volgens de nadere regels,
door de Koning te bepalen, wat betreft de verplichte mededeling en informatie aan de Rijksdienst voor
Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en de Hulp- en Voorzorgskas voor
zeevarenden. In afwijking van het eerste lid, treedt artikel 41quater van voormelde wet van
27 juni 1969, zoals vervangen bij deze wet, in werking op 1 maart 2007 voor de openbare ambtenaren of
ministeriële officieren belast met de verkoping van roerende goederen of het overgaan tot de evenredige
verdeling van gelden die onder derdenbeslag gelegd zijn, wat betreft de verplichte mededeling aan de
Rijksdienst voor sociale zekerheid en op een datum en volgens de nadere regels, door de Koning te bepalen,
wat betreft de verplichte mededeling aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en
plaatselijke overheidsdiensten en de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden. ». TITEL VII. -
Sociale zaken HOOFDSTUK I. - Financieel beheer van de sociale zekerheid Art. 76.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze van verdeling
tussen het globaal financieel beheer van de sociale zekerheid beoogd in het artikel 5, 2°, van de wet
van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke
zekerheid der arbeiders en het globaal financieel beheer van het sociaal statuut voor zelfstandigen,
beoogd in het artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering
van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van Hoofdstuk
I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring
van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, van de financiële last van de forfaitaire aanpassingen
in de pensioenregelingen voor werknemers en zelfstandigen gegrond op de artikelen 5 tot 6 en 72 tot 73
van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact. HOOFDSTUK II. - Sociale documenten
Art. 77. Artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende
het bijhouden van sociale documenten, opgeheven bij de wet van 24 januari 2003, wordt hersteld in de
volgende lezing : « § 3. Wordt eveneens beschouwd als sociaal document waarvan het bijhouden
voorgeschreven is door dit besluit, het register voor werktijdregeling dat moet worden bijgehouden in
de bedrijfstakken of de categorieën van ondernemingen bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld
na overleg in de Ministerraad. De Koning bepaalt eveneens bij een besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad welke personen ertoe gehouden zijn een register voor werktijdregeling bij te houden,
alsmede de werknemers die erin vermeld zullen moeten worden. ». Art. 78. In artikel 11, §
3, eerste lid, a), van hetzelfde besluit, vervangen bij de wet van 23 maart 1994 en gewijzigd bij de
wet van 24 januari 2003, worden de woorden « artikel 4, § 1, 1, en § 2 » vervangen door
de woorden « artikel 4, § 1, 1, § 2 en § 3 ». Art. 79. In artikel 1bis,
§ 1, 5°, van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in
geval van inbreuk op sommige sociale wetten, vervangen bij de wet van 23 maart 1994 en gewijzigd bij
de wet van 24 januari 2003 en de programmawet van 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht
: 1° in A), d), worden de woorden « artikel 4, § 1, 1, en § 2 » vervangen door
de woorden « artikel 4, § 1, 1, § 2 en § 3 »; 2° in B), a), worden de
woorden « artikel 4, § 1, 1, en § 2 » vervangen door de woorden « artikel 4, § 1,
1, § 2 en § 3 ». TITEL VIII. - Werk HOOFDSTUK I. - Activiteitencoöperaties Art.
80. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : 1° een activiteitencoöperatie
: de vennootschap met een sociaal oogmerk die voldoet aan de voorwaarden bepaald in dit hoofdstuk; 2°
de kandidaat-ondernemer : de persoon die een overeenkomst heeft gesloten met een activiteitencoöperatie,
volgens de modaliteiten bepaald in dit hoofdstuk, met als doel zijn latere vestiging als ondernemer te
bewerkstelligen. Art. 81. § 1. Een activiteitencoöperatie richt zich voornamelijk op
de tewerkstelling en inschakeling van moeilijk te plaatsen werklozen en andere kansengroepen met het
oog op hun latere inschakeling in het beroepsleven. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad,
omschrijft de Koning deze doelgroep en bepaalt Hij hoe de activiteitencoöperatie aan deze doelstelling
dient te voldoen. § 2. Een activiteitencoöperatie moet het statutaire doel hebben kandidaat-ondernemers
te adviseren, begeleiden, coachen en ondersteunen bij de uitoefening van hun activiteiten met het oog
op hun latere vestiging als ondernemer. § 3. De activiteitencoöperatie dient erkend te
zijn als activiteitencoöperatie door de bevoegde Minister(s) van het Gewest op wiens grondgebied de maatschappelijke
zetel van de activiteitencoöperatie gevestigd is. § 4. De activiteitencoöperatie dient
per kandidaat-ondernemer een maandelijkse analytische boekhouding te voeren. Art. 82. §
1. De overeenkomst moet voor iedere kandidaat-ondernemer afzonderlijk schriftelijk worden vastgesteld,
uiterlijk op het tijdstip waarop de kandidaat-ondernemer de uitvoering van zijn overeenkomst aanvangt. §
2. Het voorwerp van deze overeenkomst betreft het verstrekken van begeleiding en het geven van omkadering
en coaching met betrekking tot de activiteiten van de kandidaat-ondernemer met het oog op zijn latere
vestiging als ondernemer. § 3. De totaliteit van de duur van deze overeenkomst of eventueel
opeenvolgende overeenkomsten gesloten hetzij met dezelfde, hetzij met één of meerdere activiteitencoöperaties,
mag in hoofde van de kandidaat-ondernemer niet meer bedragen dan achttien al dan niet aaneensluitende
maanden. § 4. De overeenkomst kan door één van de partijen te allen tijde eenzijdig worden
beëindigd door middel van een opzeggingstermijn van minstens zeven dagen die de dag na de kennisgeving
aanvangt. Art. 83. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad,
de voorwaarden en wijze waarop kandidaat-ondernemers tijdens de duur van de overeenkomst recht blijven
houden op werkloosheidsuitkeringen, leefloon of maatschappelijke dienstverlening. De Koning
bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in welke mate de vergoeding die wordt
verstrekt door de activiteitencoöperatie kan gecumuleerd worden met het recht op uitkering zoals bepaald
in het eerste lid. Art. 84. § 1. Het geschrift bedoeld in artikel 82 moet ten minste
de volgende vermeldingen bevatten : 1° wat de kandidaat-ondernemer betreft : de naam, voornamen
en hoofdverblijfplaats; 2° wat de activiteitencoöperatie betreft : de naam en de vestigingsplaats
van de maatschappelijke zetel van de vennootschap; 3° het voorwerp, zoals bedoeld in artikel
82, § 2; 4° de begin- en einddatum van de overeenkomst; 5° de toegangstijden
tot de lokalen van de activiteitencoöperatie; 6° de berekeningswijze van de vergoeding die door
de activiteitencoöperatie aan de kandidaat-ondernemer wordt betaald; 7° de manier waarop een
einde kan worden gemaakt aan de overeenkomst; 8° de begeleidings- en coachingsactiviteiten die
de kandidaat-ondernemer moet volgen. § 2. De Koning kan verder bepalen welke bijkomende
vermeldingen in de overeenkomst moeten worden opgenomen. Art. 85. De wet van 3 juli 1978 betreffende
de arbeidsovereenkomsten is, met uitzondering van artikel 18, niet van toepassing op de overeenkomsten
gesloten tussen een activiteitencoöperatie en een kandidaat-ondernemer. Art. 86. De Koning
bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de datum van inwerkingtreding van
dit hoofdstuk. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op overeenkomsten die gesloten worden vóór de inwerkingtreding.
De duur van de overeenkomsten gesloten vóór de inwerkingtreding kan niet meer bedragen dan achttien maanden. HOOFDSTUK
II. - Adoptieverlof Art. 87. Artikel 30ter, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1978
betreffende de arbeidsovereenkomsten, ingevoegd bij de wet van 9 juli 2004, wordt vervangen als volgt
: « Om het recht op adoptieverlof te kunnen uitoefenen moet dit verlof een aanvang nemen binnen
twee maanden volgend op het daadwerkelijke onthaal van het kind in het gezin van de werknemer in het
kader van een adoptie. De Koning bepaalt de wijze waarop de werknemer het bewijs kan leveren van het
onthaal van een kind in zijn gezin in het kader van een adoptie. ». Art. 88. Artikel 30ter,
§ 1, van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid : « In geval van gelijktijdig
onthaal van meerdere kinderen in het gezin van de werknemer in het kader van adopties, wordt het recht
op adoptieverlof slechts één keer toegekend. De Koning bepaalt nader wat moet worden verstaan onder gelijktijdig
onthaal. ». Art. 89. Artikel 25sexies, § 1, tweede lid, van de wet van 1 april 1936
op de arbeidsovereenkomsten wegens dienst op binnenschepen, ingevoegd bij de wet van 9 juli 2004, wordt
vervangen als volgt : « Om het recht op adoptieverlof te kunnen uitoefenen moet dit verlof een
aanvang nemen binnen twee maanden volgend op het daadwerkelijke onthaal van het kind in het gezin van
de werknemer in het kader van een adoptie. De Koning bepaalt de wijze waarop de werknemer het bewijs
kan leveren van het onthaal van een kind in zijn gezin in het kader van een adoptie. ». Art.
90. Artikel 25sexies, § 1, van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid : «
In geval van gelijktijdig onthaal van meerdere kinderen in het gezin van de werknemer in het kader van
adopties, wordt het recht op adoptieverlof slechts één keer toegekend. De Koning bepaalt nader wat moet
worden verstaan onder gelijktijdig onthaal. ». Art. 91. Dit hoofdstuk treedt in werking op
een door de Koning te bepalen datum. TITEL IX. - Volksgezondheid HOOFDSTUK I. - Wijziging
van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen Afdeling
1. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van
de gezondheidszorgberoepen (vroedvrouwen) Art. 92. Artikel 21noviesdecies, § 1, van
het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen,
ingevoegd bij de wet van 13 december 2006, wordt vervangen als volgt : « § 1. De erkenning
als houder of houdster van de beroepstitel van vroedvrouw wordt van rechtswege toegekend aan de houder
van een diploma van hoger onderwijs van vroedvrouw, afgeleverd door een door de bevoegde overheid erkende
onderwijsinstelling, of van een daarmee door de bevoegde overheid gelijkwaardig verklaard diploma. De
minimale duur van de opleiding wordt vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad. ». Art. 93. Artikel 29 van de wet van 13 december 2006 houdende diverse
bepalingen betreffende gezondheid, wordt opgeheven. Afdeling 2. - Apotheken Art.
94. In artikel 4, § 3, 3°, tweede lid, tweede zin, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november
1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gewijzigd bij de wetten van 17 december
1973, 13 december 1976, 14 mei 1985, 26 juni 1992, 22 februari 1998, 16 april 1998, 17 november 1998,
25 januari 1999, 13 mei 1999, 2 augustus 2002, 22 december 2003, 9 juli 2004 en 1 mei 2006, worden de
woorden « door de Vestigingscommissies » vervangen door de woorden « door het secretariaat van de Vestigingscommissies
». Art. 95. De bepalingen van artikel 6, derde lid, van de wet van 1 mei 2006 tot wijziging
van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen,
zijn van toepassing op artikel 94 van deze wet. HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wet op de ziekenhuizen,
gecoördineerd op 7 augustus 1987 Art. 96. Artikel 107, § 1, eerste lid, van de wet
op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, vervangen bij de wet van 14 januari 2002 en gewijzigd
bij de wet van 27 april 2005, wordt aangevuld met een punt e), luidende : « e) het mededelen
van informatie aan de patiënt overeenkomstig de bepalingen van artikel 91 en de uitvoeringsbesluiten
ervan. ». HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967
betreffende de Orde der geneesheren en van het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende
de Orde der apothekers Art. 97. In artikel 21 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november
1967 betreffende de Orde der geneesheren, vervallen de woorden « hetzij door de bijzitter van de provinciale
raad, ». Art. 98. In artikel 25, § 1, van hetzelfde koninklijk besluit vervallen de
woorden « hetzij door de bijzitter van de provinciale raad ». Art. 99. In artikel 21 van het
koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der apothekers, vervallen de woorden
« hetzij door de bijzitter van de provinciale raad ». Art. 100. In artikel 25, § 1,
van hetzelfde koninklijk besluit vervallen de woorden « hetzij door de bijzitter van de provinciale raad
». HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige
verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 Art. 101. Artikel 196, § 2,
van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd
op 14 juli 1994, gewijzigd bij de wetten van 25 januari 1999 en 22 december 2003, wordt aangevuld met
het volgende lid : « Vanaf het jaar 2004 kan uitsluitend de Algemene raad, voor de afsluiting
van de rekeningen, de waarde van de coëfficiënt van de in het eerste lid bedoelde parameters, alsook
de referentiejaren met betrekking tot deze parameters, aanpassen. ». Art. 102. In artikel 50
van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994, 20 december 1995, 10 december 1997, 22
augustus 2002 en 24 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in §
2, derde lid, worden de woorden « en de nationale commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen worden » vervangen
door het woord « wordt »; 2° er wordt een § 3bis ingevoegd, luidende : « §
3bis. Onverminderd de bepaling van § 3, laatste lid, zijn de uit de nomenclatuur voortvloeiende
tarieven de maximumhonoraria die kunnen worden geëist voor verstrekkingen verleend in het raam van raadplegingen
in een ziekenhuis, indien de rechthebbende niet voorafgaandelijk door de verplegingsinrichting uitdrukkelijk
werd geïnformeerd aangaande het al dan niet toegetreden zijn tot de akkoorden van de zorgverlener op
het ogenblik dat de zorgen worden verleend. ». Art. 103. Artikel 166 van dezelfde wet, gewijzigd
bij de wet van 26 juni 2000, wordt als volgt gewijzigd : 1° het eerste lid wordt als volgt vervangen
: « De leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle legt aan de verzekeringsinstellingen
en aan de tariferingsdiensten geldboeten van 25 tot 250 EUR op, in geval van overtreding van de bepalingen
van de gecoördineerde wet, haar uitvoeringsbesluiten en -verordeningen. »; 2° in het derde lid
worden de woorden « het Comité » vervangen door de woorden « de leidend ambtenaar »; 3° een
vierde lid wordt toegevoegd dat luidt als volgt : « De Koning bepaalt voor welke overtredingen
administratieve sancties kunnen worden opgelegd. Hij bepaalt eveneens de hoegrootheid van de sancties
en de modaliteiten waaronder de sancties worden opgelegd. ». HOOFDSTUK V. - Dier, plant en voeding Afdeling
1. - Wijziging van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles
die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging
van diverse wettelijke bepalingen Art. 104. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 februari
2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid
van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen, gewijzigd bij de wetten van 28
maart 2003 en 22 december 2003, wordt aangevuld met een § 7, luidend als volgt : « §
7. Verzet tegen bezoeken, controles, inbeslagnemingen, monsternemingen of verzoeken om inlichtingen of
documenten door de in § 1 bedoelde personen, of het verstrekken van kennelijk onjuiste inlichtingen
of documenten, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maand en met een geldboete
van honderd tot duizend euro of met één van deze straffen alleen. ». Afdeling 2. - Wijziging
van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten Art.
105. In de artikelen 3, 4, 5 en 9 van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw-
en zeevisserij producten, worden de woorden « de Minister van Landbouw » en de « de Minister die de Landbouw
onder zijn bevoegdheid heeft » vervangen door « de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid
heeft ». Art. 106. Artikel 1 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 5 februari 1999, wordt
aangevuld als volgt : « 3. dierlijke bijproducten : niet voor menselijke consumptie bestemde
dierlijke bijproducten, zoals bepaald in de Verordening EG 1774/2002 van de Raad en van het Europees
Parlement van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke
consumptie bestemde dierlijke bijproducten en meer in het bijzonder de bijproducten bestemd voor technisch
gebruik, de bijproducten bestemd voor diagnose, onderzoek en onderwijs, de niet-verwerkte bijproducten
bestemd voor gebruik in dierenvoeding en de bijproducten bestemd voor taxidermie. ». Art. 107.
In artikel 5 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 5 februari 1999 en bij het koninklijk besluit
van 22 februari 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden
de woorden « de ambtenaren en beambten van het Ministerie van Middenstand en Landbouw, aangeduid door
de Minister die de Landbouw onder zijn bevoegdheid heeft, de erkende dierenartsen door de Minister aangewezen,
de personeelsleden van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau, de ambtenaren van het Bestuur der
Douane en Accijnzen, de inspecteurs en controleurs van de Algemene Eetwareninspectie, de dierenartsen-ambtenaren
van het Instituut voor Veterinaire Keuring, de inspecteurs en controleurs van het Bestuur der Economische
Inspectie, de waterschouten en hun agenten, de officieren van de zeevisserijwachtschepen en de andere
ambtenaren aangewezen door de Koning » vervangen door de woorden « de statutaire en contractuele personeelsleden
van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, de personeelsleden
van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau, de ambtenaren van het Bestuur der Douane en Accijnzen,
de inspecteurs en controleurs van de Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de Federale Overheidsdienst
Economie, K.M.O., Middenstand en Energie »; 2° het tweede lid wordt aangevuld als volgt :
« De personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen
en Leefmilieu leggen, voorafgaand aan de uitoefening van hun functie, de eed af in handen van de Minister
bevoegd voor de Volksgezondheid of zijn afgevaardigde. ». Afdeling 3. - Wijziging van de Dierengezondheidswet
van 24 maart 1987 Art. 108. Artikel 1 van de Dierengezondheidswet van 24 maart 1987, gewijzigd
bij het koninklijk besluit van 22 februari 2001 en bij de wet van 20 juli 2006, wordt aangevuld als volgt
: « 12. dierlijke bijproducten : niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten,
zoals bepaald in de verordening EG 1774/2002 van de Raad en van het Europees Parlement van 3 oktober
2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke
bijproducten en meer in het bijzonder de bijproducten bestemd voor technisch gebruik, de bijproducten
bestemd voor diagnose, onderzoek en onderwijs, de niet-verwerkte bijproducten bestemd voor gebruik in
dierenvoeding en de bijproducten bestemd voor taxidermie. ». Art. 109. In artikel 13 van dezelfde
wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 worden de woorden « en dierlijke
bijproducten » ingevoegd na de woorden « het verwerkingsmateriaal »; 2° in § 2 worden
de woorden « en dierlijke bijproducten » ingevoegd tussen de woorden « het verwerkingsmateriaal » en
de woorden « moeten voldoen ». Art. 110. In artikel 15 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht : 1° in punt 1° worden de woorden « dierlijke bijproducten, » ingevoegd
tussen de woorden « dierlijke producten, » en de woorden « planten »; 2° in punt 2° worden de
woorden « dierlijke bijproducten, » ingevoegd tussen de woorden « dierlijke producten, » en de woorden
« planten ». Art. 111. In artikel 18bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 29 december
1990, worden de woorden « en dierlijke bijproducten » ingevoegd tussen de woorden « dierlijke producten
» en de woorden « moeten voldoen ». Art. 112. In artikel 19 van dezelfde wet, worden de woorden
« en dierlijke bijproducten » ingevoegd tussen de woorden « dierlijke producten » en de woorden « en
met de afgifte ». Art. 113. In artikel 20 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 5 februari
1999, het koninklijk besluit van 22 februari 2001 en de wet van 20 juli 2006, wordt tussen het eerste
en het tweede lid het volgende lid ingevoegd : « De personeelsleden van de Federale Overheidsdienst
leggen, voorafgaand aan de uitoefening van hun functie, de eed af in handen van de Minister of zijn afgevaardigde.
» Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en
de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt Art. 114. Het opschrift van
de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw,
bosbouw en veeteelt, wordt vervangen als volgt : « Wet betreffende de grondstoffen voor de landbouw,
tuinbouw, bosbouw en veeteelt ». Art. 115. Artikel 1, 2°, van dezelfde wet wordt opgeheven. Art.
116. In artikel 2 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1998 en 5 februari 1999
worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, 7°, worden het tweede en het
derde lid opgeheven; 2° in § 1, 4°, worden de woorden « Minister van Landbouw » telkens
vervangen door de woorden « Minister bevoegd voor de Volksgezondheid »; 3° § 1, 7°, wordt
vervangen als volgt : « 7° de stoffen bedoeld bij artikel 1 aan voorafgaande erkenning of machtiging
van de Minister bevoegd voor de Volksgezondheid onderwerpen en de voorwaarden van verlening, wijziging
en intrekking van deze erkenning of machtiging bepalen. »; 4° in § 3, worden de woorden
« Minister van Landbouw » vervangen door de woorden « Minister bevoegd voor de Volksgezondheid ». Art.
117. Artikel 6, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 5 februari 1999, wordt vervangen
als volgt : « Art. 6. Onverminderd de ambtsbevoegdheid van de officieren van gerechtelijke politie,
worden de overtredingen van deze wet en van de ter uitvoering daarvan genomen besluiten opgespoord en
vastgesteld door de magistraten van het openbaar Ministerie, de leden van het personeel van de lokale
en Federale Politie, alsmede, naar gelang het geval, door de ambtenaren en beambten van de Federale Overheidsdienst
Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, aangewezen door de Minister bevoegd voor
de Volksgezondheid, de ambtenaren van de Administratie der Douane en Accijnzen, de inspecteurs en controleurs
van de Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand
en Energie en de andere ambtenaren en beambten hiertoe door de Koning aangewezen. ». Art. 118.
In artikel 8, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 5 februari 1999 en 22 december
2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in punt 2°, vervallen de woorden « of
bestrijdingsmiddel »; 2° in punt 3°, vervallen de woorden « of het bestrijdingsmiddel »; 3°
in punt 4°, vervallen de woorden « of bestrijdingsmiddel » en de woorden « of bestrijdingsmiddelen »; 4°
in punt 5°, vervallen de woorden « of een bestrijdingsmiddel »; 5° in punt 6°, vervallen telkens
de woorden « of een bestrijdingsmiddel »; 6° in punt 7°, vervallen de woorden « of van een bestrijdingsmiddel
»; 7° in punt 8°, vervallen de woorden « of bestrijdingsmiddel ». Art. 119. In artikel
10 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 5 februari 1999 en gewijzigd bij het koninklijk besluit
van 22 februari 2001, wordt § 9 vervangen als volgt : « § 9. De Koning bepaalt
de procedureregelen die toepasselijk zijn op de administratieve geldboetes. De administratieve geldboetes
worden gestort in het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten van de Federale Overheidsdienst
Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. ». Art. 120. In artikel 11 van
dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 februari 2001, vervallen de woorden « en de
bestrijdingsmiddelen » en de woorden « of bestrijdingsmiddelen ». Art. 121. In artikel 13 van
dezelfde wet vervallen de woorden « of bestrijdingsmiddelen » en de woorden « of het bestrijdingsmiddel
». Afdeling 5. - Wijzigingen van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van
de gezondheid van de verbruikers op het stuk van voedingsmiddelen en andere producten Art.
122. Artikel 6, § 1, van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid
van de verbruikers op het stuk van voedingsmiddelen en andere producten, gewijzigd bij de wetten van
22 maart 1989 en 27 december 2004, wordt aangevuld als volgt : « e) de maatregelen bedoeld
in artikel 3, 3°, a) en b), toepassen op cosmetica en hun ingrediënten. ». Art. 123. In artikel
22 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 22 maart 1989 en 22 december 2003, worden de volgende
wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 worden de woorden « Commissie van Advies inzake voedingsmiddelen
» vervangen door de woorden « Adviesraad inzake voedingsbeleid en gebruik van andere consumptieproducten
»; 2° in § 2 worden de woorden « Deze Commissie » vervangen door de woorden « Deze Raad
»; 3° in § 3 worden de woorden « Commissie van Advies inzake voedingsmiddelen » vervangen
door de woorden « Adviesraad inzake voedingsbeleid en gebruik van andere consumptieproducten ». Afdeling
6. - Wijziging van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der dierenartsen
Art. 124. Artikel 8 van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der dierenartsen,
wordt vervangen als volgt : « Art. 8. De werkelijke en plaatsvervangende leden van de gewestelijke
raden worden voor een termijn van zes jaar verkozen onder de dierenartsen die sedert ten minste vijf
jaar ingeschreven zijn op de lijsten der Orde waarvan ze afhangen. De gewestelijke raden worden
om de drie jaar met de helft vernieuwd. De werkelijke leden van de gewestelijke raden zijn niet
onmiddellijk herkiesbaar voor deze raden. ». Art. 125. Artikel 10 van dezelfde wet wordt vervangen
als volgt : « Art. 10. De gewestelijke raad van de Orde verkiest in zijn schoot een voorzitter,
een ondervoorzitter en een secretaris, die het bureau vormen. Elke gewestelijke raad en bureau
van de gewestelijke raad wordt bijgestaan door een zittend magistraat van de rechterlijke orde die door
de Koning wordt aangewezen en die raadgevende stem heeft. De Koning benoemt ook, onder dezelfde
voorwaarden, een plaatsvervangende bijzitter. ». Art. 126. In artikel 12 van dezelfde wet,
gewijzigd bij de wetten van 20 januari 1961 en van 15 juli 1970, worden de volgende wijzigingen aangebracht
: 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : « Art. 12. De gemengde raad van beroep
met het Nederlands als voertaal en de gemengde raad van beroep met het Frans als voertaal zijn ieder
samengesteld uit drie door de Koning aangewezen raadsheren in het Hof van beroep, die stemgerechtigd
zijn en van wie een als voorzitter optreedt, en uit drie dierenartsen verkozen voor 3 jaar uit de leden
die ten minste gedurende 6 jaar als werkelijk lid gezeteld hebben in de gewestelijke raden en er geen
deel meer van uitmaken. »; 2° het volgende lid wordt tussen het eerste en het tweede lid ingevoegd
: « ln geval van een onvoldoend aantal verkozenen of in geval van afwezigheid of belet waardoor
het vereiste aantal werkelijke en plaatsvervangende dierenartsen niet wordt bereikt, zal de gemengde
raad van beroep bij beschikking van de voorzitter of zijn vervanger vervolledigd worden met het (de)
oudste lid (leden) van de gewestelijke raad voor zover deze geen kennis heeft (hebben) van het voorliggend
geschil, en dit volgens anciënniteit van infunctietreding en bij gelijkheid volgens orde van inschrijving
op de ledenlijst. ». Art. 127. Artikel 17, eerste lid, van dezelfde wet wordt vervangen als
volgt : « De voorzitter van de Hoge Raad van de Orde alsmede de partijen, kunnen tegen iedere
beslissing van de Raad beroep aantekenen binnen de dertig dagen nadat de beslissing bij aangetekende
brief werd betekend. ». Art. 128. De artikelen 124, 125 en 126 treden in werking op een datum
bepaald door de Koning, na overleg met de Orde der dierenartsen en de dierenartsenverenigingen. TITEL
X. - Financiën HOOFDSTUK I. - Wijzigingen van de wetgeving inzake inkomstenbelastingen Art.
129. In artikel 27, tweede lid, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij
de wet van 7 maart 2002, wordt het woord « Raden » telkens vervangen door de woorden « gemeenschaps-
en gewestparlementen ». Art. 130. In artikel 52bis, 1°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 8 april 2003, wordt het woord « Executieve » vervangen door het woord « regering ». Art.
131. In artikel 53, 17°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 maart 2002, wordt het woord
« Raden » vervangen door de woorden « Gemeenschaps- en Gewestparlementen ». Art. 132. In artikel
64bis, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 juli 1993, worden de woorden « Gewest
Executieve » vervangen door het woord « gewestregering ». Art. 133. In artikel 113, §
1, 3°, a), van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 6 juli 2004, wordt het woord « Executieve
» vervangen door het woord « regering ». HOOFDSTUK II. - Wijziging van het Wetboek van de met
de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen Art. 134. In artikel 91 van het Wetboek
van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen worden de woorden « artikel 1 van de wet
van 24 oktober 1902 betreffende het spel, aangevuld bij de wet van 19 april 1963 en bij artikel 1 van
de wet van 22 november 1974 » vervangen door de woorden « de artikelen 4, 7 en 8 van de wet van 7 mei
1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers ». Art. 135.
Artikel 134 heeft uitwerking met ingang van 30 december 2000. HOOFDSTUK III. - Wijziging van
het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde Art. 136. In artikel 42, §
1, eerste lid, 4°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet
van 28 december 1992, worden de woorden « die bedoeld zijn in de onderverdeling 89.01 A van het Tarief
van invoerrechten » vervangen door de woorden « vallende onder de GN-Code 8906 10 00 van de Gecombineerde
Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief van de Europese Gemeenschap ». Art. 137.
In artikel 55, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 maart 2002
en gewijzigd bij de wet van 22 april 2003, worden de woorden « en 5° » vervangen door de woorden « ,
5° en 6° ». Art. 138. In artikel 93quaterdecies, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden « de regering of de Executieven, op voordracht
of mits hun goedkeuring » vervangen door de woorden « de Federale Regering of een gemeenschaps- of gewestregering,
op haar voordracht of met haar goedkeuring ». TITEL XI. - Binnenlandse Zaken HOOFDSTUK
I. - Wijziging van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid
Art. 139. In artikel 5 van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere
veiligheid, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1997, 9 juni 1999 en 7 mei 2004, worden de volgende wijzigingen
aangebracht : 1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden « behoudens veroordelingen wegens
inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer » ingevoegd tussen de woorden «
zelfs niet met uitstel, » en de woorden « tot enige correctionele of criminele straf »; 2°
het eerste lid wordt aangevuld als volgt : « 9° niet tegelijkertijd werkzaamheden uitoefenen
voor een onderneming of dienst die diensten levert, bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 3°,
en voor een onderneming of dienst die activiteiten uitvoert voor cafés of dansgelegenheden; 10°
niet tegelijkertijd werkzaamheden uitoefenen voor een veiligheidsdienst en voor een onderneming of dienst
die activiteiten uitvoert voor cafés of dansgelegenheden; 11° niet tegelijkertijd de werkelijke
leiding hebben van een café of dansgelegenheid en van een onderneming die diensten levert, bedoeld in
artikel 1, § 1, eerste lid, 5°. » Art. 140. In artikel 6 van dezelfde wet, gewijzigd
bij de wetten van 18 juli 1997, 9 juni 1999 en 7 mei 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht
: 1° in het eerste lid, 1°, vervallen de woorden « tot een gevangenisstraf van tenminste drie
maanden wegens opzettelijke slagen en verwondingen »; worden de woorden « bij artikel 227 van het Strafwetboek
» ingevoegd tussen de woorden « bij de artikelen 379 tot 386ter van het Strafwetboek » en de woorden
« bij artikel 259bis van het Strafwetboek »; worden de woorden « opzettelijke slagen en verwondingen
» ingevoegd tussen de woorden « valsheid in geschriften, » en de woorden « aanranding van de eerbaarheid
»; worden de woorden « behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie
over het wegverkeer » ingevoegd tussen de woorden « zelfs niet met uitstel, » en de woorden « tot enige
correctionele of criminele straf »; 2° het eerste lid wordt aangevuld als volgt : «
9° niet tegelijkertijd werkzaamheden uitoefenen voor een onderneming of dienst die diensten levert, bedoeld
in artikel 1, § 1, eerste lid, 3°, en voor een onderneming of dienst die activiteiten uitvoert
voor cafés of dansgelegenheden; 10° niet tegelijkertijd werkzaamheden uitoefenen voor een veiligheidsdienst
en voor een onderneming of dienst die activiteiten uitvoert voor cafés of dansgelegenheden. ». HOOFDSTUK
II. - Invoering van een regeling betreffende de registratie en de controle van de reizigers die verblijven
in een toeristische verblijfsaccommodatie Art. 141. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en
zijn uitvoeringsbesluiten, wordt verstaan onder : 1° toeristische verblijfsaccommodatie : alle
gebouwen of plaatsen waar personen, om toeristische of professionele redenen, tijdelijk verblijven zonder
in de bevolkingsregisters ingeschreven te zijn; 2° reiziger : elke meerderjarige en niet-begeleide
minderjarige persoon ouder dan 15 jaar die om welke reden ook in een toeristische verblijfsaccommodatie
verblijft; 3° logiesverstrekker : elke professionele uitbater van een toeristische verblijfsaccommodatie. Art.
142. Elke reiziger dient door de logiesverstrekker of zijn aangestelde te worden geregistreerd. Deze
registratie moet gebeuren de dag van aankomst van de reiziger. Volgende gegevens dienen te worden
geregistreerd : 1° het ondernemingsnummer van de logiesverstrekker; 2° een uniek en
doorlopend volgnummer; 3° de datum van aankomst; 4° de identificatiegegevens van de
reiziger, namelijk : a) naam en voornaam; b) geboorteplaats en geboortedatum; c)
de nationaliteit; d) het nummer van het voorgelegde identiteitsdocument of eventueel vervangend
document. Voor de reizigers die beschikken over een identiteitskaart uitgegeven of verstrekt
door de Belgische overheid moeten de volgende gegevens worden vermeld : ofwel de gegevens bedoeld in
punt a) evenals het identificatienummer van het Rijksregister, ofwel de gegevens bedoeld in punten a),
b) en d) ; 5° de naam en voornaam van de minderjarige kinderen die een meerderjarige reiziger
vergezellen. Binnen vierentwintig uur na het vertrek van de reiziger dient de registratie te
worden aangevuld met de datum van vertrek. Art. 143. De logiesvertrekker of zijn aangestelde
gaat de juistheid van de verstrekte inlichtingen na en doet zich te dien einde door de reiziger de nodige
identiteitsbewijzen of vervangende documenten voorleggen. De reiziger is verplicht die stukken voor te
leggen. Art. 144. De logiesverstrekker of zijn aangestelde stelt, indien hij daarom wordt verzocht,
de geregistreerde gegevens ter beschikking van de politie zodat de controle ervan mogelijk is. Art.
145. De nadere regels betreffende de registratie alsmede betreffende de terbeschikkingstelling van de
politie van de gegevens worden door de Koning bepaald. Art. 146. § 1. De overtreding
van artikel 143 alsmede van de koninklijke besluiten ter uitvoering van artikel 145 wordt gestraft met
een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 26 tot 200 euro, of met
één van die straffen alleen. § 2. De overtreding van artikel 144 wordt gestraft met een
geldboete van 26 tot 100 euro. § 3. De logiesverstrekker is burgerlijk aansprakelijk
voor de krachtens dit artikel aan zijn aangestelde opgelegde geldboete. § 4. Al de bepalingen
van boek I van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing op
de overtredingen van dit hoofdstuk en van de besluiten genomen ter uitvoering ervan. Art. 147.
De wet van 17 december 1963 tot inrichting van de controle op reizigers in logementhuizen wordt opgeheven. HOOFDSTUK
III. - Wijzigingen van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van het administratief
en logistiek kader van de politiediensten Art. 148. In artikel 53bis van de wet van 5 augustus
1992 op het politieambt worden de woorden « de hulpagenten van politie » vervangen door de woorden «
de agenten van politie en de personeelsleden van het administratief en logistiek kader ». Art.
149. Artikel 7, § 1, van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in
de openbare sector, gewijzigd bij de wetten van 20 mei 1997 en 22 maart 1999, wordt aangevuld als volgt
: « In afwijking van het eerste lid, kunnen de personeelsleden van het administratief en logistiek
kader van de politiediensten die tewerkgesteld zijn op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest, op hun vraag, de prestaties die zij in het raam van de vrijwillige vierdagenweek verrichten,
over vijf werkdagen per week spreiden. ». Art. 150. In artikel 13, tweede lid, van de wet van
13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, worden de woorden
« of van zijn klasse » ingevoegd tussen de woorden « van zijn graad » en de woorden « dan houdt de terugzetting
». Art. 151. Artikel 2 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het
statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking
tot de politiediensten, wordt aangevuld als volgt : « 15° « de gecertificeerde opleiding » :
een opleiding die erop gericht is de competenties van het personeelslid van het administratief en logistiek
kader te actualiseren en te ontwikkelen en die wordt afgesloten met de validering van de verworven kennis
van die opleiding; 16° « klasse » : groepering van functies met een vergelijkbaar niveau van
omkadering of bijdrage aan de organisatie. ». Art. 152. In artikel 8 van dezelfde wet worden
de woorden « Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 9 omvat elk niveau » vervangen door de woorden
« Elk niveau omvat ». Art. 153. De artikelen 9 en 10 van dezelfde wet worden opgeheven. Art.
154. De Koning bepaalt de nadere overgangsregels met betrekking tot de personeelsleden die vóór 1 januari
2007 in de graad van werkleider of ploegbaas werden benoemd. Art. 155. Het opschrift van Hoofdstuk
VI van Titel II van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Hoofdstuk VI. - De baremische
loopbaan, de bevordering door verhoging in graad of klasse en de bevordering door overgang naar een hoger
kader of niveau ». Art. 156. Artikel 29, tweede lid, van dezelfde wet wordt aangevuld als
volgt : « of klasse ». Art. 157. In artikel 30, 3°, van dezelfde wet worden de woorden « of
een gecertificeerde opleiding » ingevoegd tussen de woorden « een voortgezette opleiding » en de woorden
« hebben gevolgd ». Art. 158. In artikel 31 van dezelfde wet vervallen de woorden « of, naar
gelang van het geval, het personeelslid van niveau A, ». Art. 159. Het opschrift van Afdeling
3 van Hoofdstuk VI van Titel II van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Afdeling 3. -
De bevordering door verhoging in graad of klasse ». Art. 160. Het opschrift van Onderafdeling
2 van Afdeling 3 van Hoofdstuk VI van Titel II van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «
Onderafdeling 2. - De bevordering door overgang naar een hogere klasse van de personeelsleden van niveau
A van het administratief en logistiek kader ». Art. 161. Artikel 34 van dezelfde wet wordt
vervangen als volgt : « Art. 34. Om bevorderd te worden door overgang naar een hogere klasse
moet het personeelslid : 1° de door de Koning bepaalde anciënniteit bezitten; 2° overeenkomstig
de regels inzake de mobiliteit of via de mandaatprocedure worden aangewezen in een vacante betrekking
van de beoogde klasse. ». Art. 162. De artikelen 35 en 36 van dezelfde wet worden opgeheven. Art.
163. In artikel 93, § 2, eerste lid, van dezelfde wet vervallen de woorden « uit het operationeel
kader ». Art. 164. In artikel XII.VII.7 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling
van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, bekrachtigd bij de programmawet van 30
december 2001 en gewijzigd bij de wet van 16 maart 2006, worden de woorden « twaalf maanden » vervangen
door de woorden « achttien maanden ». Art. 165. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van
1 januari 2007, met uitzondering van artikel 164 dat uitwerking heeft met ingang van 1 april 2005. Kondigen
deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad
zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 1 maart 2007. ALBERT Van Koningswege
: De Eerste Minister, G. VERHOFSTADT De Minister van Justitie, Mevr.
L. ONKELINX De Minister van Financiën, D. REYNDERS De Minister van Consumentenzaken, Mevr.
F. VAN DEN BOSSCHE De Minister van Binnenlandse Zaken, P. DEWAEL Voor de Minister
van Economie, afwezig : De Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken, P.
DEWAEL De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, R. DEMOTTE De Minister
van Middenstand en Landbouw, Mevr. S. LARUELLE De Minister van Leefmilieu, B.
TOBBACK De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN De Staatssecretaris voor Administratieve
Vereenvoudiging, V. VAN QUICKENBORNE Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister
van Justitie, Mevr. L. ONKELINX ______ Nota (1) Stukken van de Kamer
van volksvertegenwoordigers : 51-2788-2006/2007 : 001 : Wetsontwerp. 002
tot 007 : Amendementen. 008 tot 010 : Verslagen. 011 : Amendement. 012 tot
014 : Verslagen. 015 : Aanvullend verslag. 016 : Tekst aangenomen door de commissies. 017
: Amendementen. 018 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat. Integraal
verslag : 8 februari 2007. Stukken van de Senaat : 3-2055-2006/2007 : Nr.
1 : Ontwerp niet geëvoceerd door de Senaat.