25 FEBRUARI 2007. - Koninklijk besluit tot bepaling van de data van inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 15 mei 2006 tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het Wetboek van Strafvordering, het Strafwetboek, het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe gemeentewet en de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie en van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd
ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn
en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 15 mei 2006 tot wijziging van de wet
van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het Wetboek van Strafvordering, het Strafwetboek, het
Burgerlijk Wetboek, de nieuwe gemeentewet en de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie,
inzonderheid op artikel 28; Gelet op de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving
betreffende de jeugdbescherming en het laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd, inzonderheid op artikel 65; Gelet op het advies van de Inspecteur van
Financiën, gegeven op 17 januari 2007; Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting
van 6 februari 2007; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat dringend
tal van middelen en maatregelen het de jeugdrechters mogelijk moeten maken om een adequaat antwoord te
bieden op jeugddelinquentie; Overwegende dat procedurele vernieuwingen op het niveau van de
jeugdrechtbank dringend in werking moeten treden; Overwegende dat de nieuwe rechtswaarborgen
ten aanzien van de slachtoffers, de minderjarigen en de personen die hen in rechte of in feite onder
hun bewaring hebben, dringend moeten worden gerealiseerd; Overwegende dat de maatregelen tot
grotere responsabilisering van de ouders en de minderjarigen dringend toegepast moeten kunnen worden; Gezien
het feit dat de samenwerkingsakkoorden die afgesloten zijn met de bevoegde instanties van de gemeenschappen
onmiddellijk in werking moeten treden, en dat de bepalingen die daarin vervat zijn praktische maatregelen
voorzien vanaf 2 april 2007; Gelet op advies nr. 42.284/2 van de Raad van State, gegeven op
14 februari 2007, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister van Justitie, Hebben Wij besloten
en besluiten Wij : Artikel 1. De artikelen 1, 3, 4, 5 en 10 van de wet van 15 mei 2006 tot
wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het Wetboek van Strafvordering,
het Strafwetboek, het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe gemeentewet en de wet van 24 april 2003 tot hervorming
van de adoptie, treden in werking op 2 april 2007. Art. 2. De artikelen 2 en 15 van dezelfde
wet van 15 mei 2006, zoals gewijzigd bij de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen, treden
in werking op 2 april 2007. Art. 3. De artikelen 6, 8 punt 1, 12, 20 en 22 van dezelfde wet
van 15 mei 2006 treden in werking op 1 oktober 2007. Art. 4. De artikelen 1, 13, 20, 22 punt
2° en 25 van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en
het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, treden in
werking op 2 april 2007. Art. 5. De artikelen 5, 11 en 26 van dezelfde wet van 13 juni 2006,
zoals gewijzigd bij de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen, treden in werking op 2 april
2007. Art. 6. De artikelen 14, 29, 30, 32, 33, 34, 35, 36, 42 punt 1° en 47 van dezelfde wet
van 13 juni 2006 treden in werking op 1 oktober 2007. Art. 7. Artikel 21 van dezelfde wet van
13 juni 2006, voorzover het refereert aan artikel 57bis, §§ 1, 2, 3, 5 en 6, van de wet
van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf
omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, treedt in werking
op 1 oktober 2007. Art. 8. Artikel 28 van dezelfde wet van 13 juni 2006, zoals gewijzigd bij
artikel 3 van de wet van 5 augustus 2006 tot wijziging van de wet van 16 juli 1970 tot vaststelling van
de personeelsformatie van de politierechtbanken, van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving
betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd en van de wet van 17 mei 2006 houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken,
treedt in werking op 1 oktober 2007. Art. 9. Artikel 7 punt 2° van dezelfde wet van 13 juni
2006, zoals gewijzigd bij de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen en voorzover het refereert
aan artikel 37, § 2, tweede lid, en aan artikel 37, § 2, derde lid, eerste zin, luidende
« In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot 37quinquies omschreven herstelrechtelijk
aanbod de voorkeur » van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen
van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit
feit veroorzaakte schade, treedt in werking op 2 april 2007. Art. 10. Artikel 7 punt 4° van
dezelfde wet van 13 juni 2006, voor zover het refereert aan artikel 37, § 2ter, eerste lid, 3°,
van dezelfde wet van 8 april 1965, treedt in werking op 2 april 2007. Art. 11. Artikel 94 van
de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen treedt in werking op 1 oktober 2007. Art.
12. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel,
25 februari 2007. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Justitie, Mevr.
L. ONKELINX
Gecoördineerde wetten op 2 april 2007 Bijlage 1 : gecoördineerde
versie van de wetgeving betreffende jeugddelinquentie Wet betreffende de jeugdbescherming, het
ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel
van de door dit feit veroorzaakte schade Voorafgaande titel : Beginselen van de rechtsbedeling
ten aanzien van minderjarigen De volgende beginselen zijn erkend en van toepassing op de rechtsbedeling
ten aanzien van minderjarigen : 1° de voorkoming van delinquentie is van wezenlijk belang om
de maatschappij op lange termijn te beschermen. Zulks vereist dat de bevoegde autoriteiten de onderliggende
oorzaken van de jeugddelinquentie aanpakken en een multidisciplinair actieplan uitwerken; 2°
elke rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen gebeurt, voor zover zulks mogelijk is, door actoren,
ambtenaren en magistraten met een specifieke en permanente opleiding inzake jeugdrecht; 3° de
rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen streeft doelstellingen na inzake opvoeding, verantwoordelijkheidszin,
resocialisatie en bescherming van de maatschappij; 4° de minderjarigen mogen geenszins worden
gelijkgesteld met meerderjarigen wat de mate van verantwoordelijkheid en de gevolgen van hun daden betreft.
De minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, moeten evenwel bewust worden gemaakt
van de gevolgen van hun daden; 5° de minderjarigen genieten in het kader van deze wet van persoonlijke
rechten en vrijheden, waaronder die omschreven in de Grondwet en in het Internationaal Verdrag inzake
de Rechten van het Kind, inzonderheid het recht om te worden gehoord tijdens het proces dat leidt tot
beslissingen die hen aangaan en het recht daaraan deel te nemen. Deze rechten en vrijheden moeten gepaard
gaan met bijzondere waarborgen : a) telkens als de wet afbreuk kan doen aan bepaalde rechten
en vrijheden van de jongeren, hebben die jongeren het recht te worden geïnformeerd over de inhoud van
deze rechten en vrijheden; b) de vader en moeder nemen het onderhoud en de opvoeding van en
het toezicht op hun kinderen op zich. Bijgevolg kunnen de jongeren enkel volledig of gedeeltelijk aan
het ouderlijk gezag worden onttrokken in de gevallen waarin maatregelen houdende handhaving van dit gezag
als een contra-indicatie kunnen worden beschouwd; c) de situatie van de minderjarigen die een
als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, vereist toezicht, opvoeding, tucht en begeleiding. Hun
toestand van afhankelijkheid, hun ontwikkelings- en maturiteitsgraad scheppen echter bijzondere noden
die luisterbereidheid, raad en bijstand vereisen; d) elk optreden dat een opvoedende maatregel
inhoudt, heeft tot doel de jongere aan te moedigen zich de maatschappelijke normen eigen te maken; e)
bij de tenlasteneming van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, wordt,
wanneer zulks mogelijk is, een beroep gedaan op de in de wet bepaalde vervangingsmaatregelen voor de
gerechtelijke procedures, waarbij evenwel rekening wordt gehouden met de bescherming van de maatschappij; f)
in het kader van de wet mogen aan het recht op vrijheid van de jongeren slechts minimale belemmeringen
worden opgelegd die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de maatschappij, rekening houdend met de
noden van de jongeren, de belangen van hun familie en het recht van de slachtoffers. TITEL I.
- Sociale bescherming. Artikel 1. In de hoofdplaats van ieder gerechtelijk arrondissement wordt
een jeugdbeschermingscomité opgericht. Wanneer het belang van de jeugd het vergt, kan de Koning
in eenzelfde gerechtelijk arrondissement twee of meer jeugdbeschermingscomités oprichten, daarbij rekening
houdende met het bevolkingscijfer alsmede met de regionale behoeften of de noodwendigheden op taalgebied. GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 1. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32,
1°> Art. 1. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, §
1, 005; Inwerkingtreding : 24-12-1991> Art. 1. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven)
<DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995 Art. 2. Het jeugdbeschermingscomité
heeft tot doel op te treden wanneer de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van een minderjarige
gevaar loopt wegens het milieu waarin hij leeft of wegens zijn bezigheden of wanneer de omstandigheden
waarin hij wordt opgevoed door het gedrag van degenen die hem onder hun bewaring hebben gevaar opleveren. In
dit geval kan het in het belang van de minderjarige een preventieve sociale actie doen voeren, voor zover
zijn hulp is gevraagd of aanvaard door de personen die over de minderjarige de ouderlijke macht uitoefenen
of hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben. Het jeugdbeschermingscomité heeft bovendien
taak : 1° aan de bevoegde overheden zijn medewerking te verlenen in de gevallen en op de wijze
bij de wet bepaald; 2° de feiten die op de lichamelijke gezondheid of de zedelijkheid van de
jeugd nadelig kunnen inwerken, ter kennis van de bevoegde overheden te brengen; 3° in plaatselijk
of gewestelijk verband alle initiatieven voor een betere bescherming van de jeugd te bevorderen, te oriënteren
en te coördineren. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 2. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven)
<DVR 1985-06-27/35, art. 32, 1°> Art. 2. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 1991-03-04/36,
art. 62, § 1, 005; Inwerkingtreding : 24-12-1991> Art. 2. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven)
<DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 3. Het jeugdbeschermingscomité
bestaat uit twaalf tot vierentwintig leden, door de Minister van Justitie voor een hernieuwbare termijn
van (vijf jaar) benoemd uit vertegenwoordigers van diensten, instellingen of organisaties die zich actief
met de jeugd, de jeugdbescherming en het gezin bezighouden. Een derde van die leden worden benoemd
op de voordracht van de Minister tot wiens bevoegdheid de nationale opvoeding behoort; een derde, op
de voordracht van de Minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid en het gezin behoren. Onder
de wegens hun bevoegdheid of verdiensten inzake jeugdbescherming bekende personen kunnen er ten hoogste
drie door het comité zelf met een twee derde meerderheid voor een duur van (vijf jaar) gecoöpteerd worden. De
Minister van Justitie benoemt uit de leden van het comité een voorzitter en twee ondervoorzitters. De
Koning regelt de werkwijze van het comité en stelt de vergoedingen van de leden vast. In het comité kan
Hij afdelingen oprichten, waarvan Hij de samenstelling bepaalt met inachtneming van het bovenstaande. GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 3. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32> Art.
3. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 1, 005; Inwerkingtreding
: 24-12-1991> Art. 3. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art.
43, Inwerkingtreding : 01-05-1995 Art. 4. Er wordt een nationale raad voor jeugdbescherming
opgericht. Deze raad bestaat uit eenentwintig tot vierentwintig leden, door de Minister van
Justitie voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar benoemd volgens de regels die gelden voor het samenstellen
van de jeugdbeschermingscomités. De Minister van Justitie benoemt uit de leden van de raad een
voorzitter en twee ondervoorzitters. De Minister van Justitie en de Ministers tot wier respectieve
bevoegdheid de nationale opvoeding en de volksgezondheid en het gezin behoren, worden elk in de raad
vertegenwoordigd door een bijzitter of diens plaatsvervanger, die raadgevende stem heeft. De
directeur-generaal van de dienst voor jeugdbescherming neemt het ambt van secretaris-generaal van de
raad waar. De nationale raad voor jeugdbescherming heeft tot taak : 1° de actie van
de jeugdbeschermingscomités aan te moedigen, de Minister van Justitie ter zake van advies te dienen en
voorstellen te doen; 2° de Ministers die recht van voordracht hebben voor de samenstelling van
de raad, van advies te dienen omtrent elke kwestie betreffende de sociale bescherming van de jeugd, en
wel op verzoek van de genoemde Ministers of uit eigen beweging; 3° jaarlijks verslag uit te
brengen over de ontwikkeling en de behoeften van de sociale bescherming van de jeugd. De Koning
regelt de werkwijze van de raad en van het vast bureau dat in de raad wordt opgericht. Hij stelt de aan
hun leden toe te kennen vergoedingen vast. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 4. (VLAAMSE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32> Art. 4. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven)
<DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 1, 005; Inwerkingtreding : 24-12-1991> Art. 4. (DUITSTALIGE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art.
5. De Minister van Justitie organiseert en stelt ter beschikking van de jeugdbeschermingscomités
: 1° een administratief secretariaat, belast met de voorbereiding en de uitvoering van de beslissingen
van het comité; 2° een afdeling van de sociale dienst bedoeld in artikel 64. De Minister
van Justitie stelt bovendien, in ieder gerechtelijk arrondissement of in iedere provincie, ter beschikking
van de comités : 1° een medisch-psychologisch centrum; 2° een centrum voor eerste onthaal
voor het onderbrengen van minderjarigen. Hij kan daartoe met openbare of private instellingen,
alsmede met particulieren, overeenkomsten aangaan. Mocht hij geen overeenkomsten hebben kunnen
aangaan die het mogelijk maken in de bestaande centra de onontbeerlijke onderzoeken te verzekeren, dan
neemt de Minister van Justitie de maatregelen om de nodige raadplegingen te organiseren. GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 5. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32> Art.
5. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 1, 005; Inwerkingtreding
: 24-12-1991> Art. 5. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art.
43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 6. De werkingskosten van de nationale raad
voor jeugdbescherming en van de jeugdbeschermingscomités komen ten laste van de begroting van het Ministerie
van Justitie. Dit is eveneens het geval met de uitgaven die voortvloeien uit de maatregelen
van de comités en die niet door een openbare of private instelling worden gedekt. De Koning
bepaalt onder welke voorwaarden de comités die uitgaven mogen doen. De bijdrage van de minderjarigen
en van de onderhoudsplichtige personen wordt door de comités vastgesteld onverminderd het recht van de
betrokkenen zich bij verzoekschrift tot de jeugdrechtbank te wenden. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art.
6. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32, 3° is bij arrest van het Arbitragehof
dd 30/06/1988 vernietigd in de mate waarin het art. 6, lid 4 opheft > (NOTA : Voor de Vlaamse
Gemeenschap wordt, in art. 6, het woord "comités" vervangen door de woorden « bureaus voor bijzondere
jeugdbijstand » <DVR 1990-03-28/34, art. 23, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990>) Art. 6.
(FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 1, 005; Inwerkingtreding
: 24-12-1991> Art. 6. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art.
43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> TITEL II. - Gerechtelijke bescherming. HOOFDSTUK
I. - Jeugdrechtbanken en jeugdkamers van de hoven van beroep. Art. 7. (Opgeheven) Art.
8. Het ambt van openbaar ministerie bij de jeugdrechtbank wordt uitgeoefend door een of meer
magistraten van het parket, die door de procureur des Konings worden aangewezen. Deze magistraten
oefenen eveneens het ambt van openbaar ministerie bij de (burgerlijke rechtbank) uit telkens wanneer
deze rechtbank te beslissen heeft over de voorlopige maatregelen die betrekking hebben op de persoon,
op het levensonderhoud en op de goederen van niet ontvoogde minderjarige kinderen van ouders die wegens
echtscheiding of scheiding van tafel en bed in rechte staan. Art. 9. Een of meer door
de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg aangewezen onderzoeksrechters worden speciaal belast
met de zaken die tot de bevoegdheid van de jeugdrechtbank behoren. Art. 10. Elke beslissing,
ongeacht of het gaat om een voorlopige maatregel of om een maatregel ten gronde, die door de jeugdrechter
of de jeugdrechtbank in eerste aanleg of in hoger beroep genomen is, wordt op de dag van de beslissing
zelf, door toedoen van de griffier, bij gewone kopie overgezonden aan de advocaat van de minderjarige. Art.
11. In het hof van beroep wordt het ambt van openbaar ministerie bij de jeugdkamers uitgeoefend
door een of meer magistraten van het parket-generaal, die door de procureur-generaal worden aangewezen. HOOFDSTUK
II. - Burgerrechtelijke bepalingen betreffende de minderjarigen. Art. 12. <Wijzigingsbepaling
van BW, art. 108> Art. 13. <Wijzigingsbepaling van BW, art. 148 en 160bis > Art. 14.
<Wijzigingsbepaling van BW, art. 236, art. 239, art. 264, art. 267 en art. 268> Art. 15. <Wijzigingsbepaling
van BW, art. 280, art. 283 en art. 284> Art. 16. <Wijzigingsbepaling van BW, art. 302> Art.
17. <Wijzigingsbepaling van BW, art. 307 en 311bis > Art. 18. <Wijzigingsbepaling van BW, art.
355, art. 356 en art. 360> Art. 19. <Wijzigingsbepaling van BW, art. 373, art. 374, art. 384
en art. 386> Art. 20. <Wijzigingsbepaling van BW, art. 389 en art. 407> Art. 21. <Wijzigingsbepaling
van BW, art. 477, art. 478, art. 479 en art. 485> Art. 22. <Wijzigingsbepaling van WBR, art.
883> Art. 23. <Wijzigingsbepaling van, art. 79> Art. 24. <Wijzigingsbepaling van WKH,
art. 4 en 5> Art. 25. <Wijzigingsbepaling van art. 34, art. 35 en art. 36> Art. 26.
<Wijzigingsbepaling van art. 102> Art. 27. <Wijzigingsbepaling)> Art. 28. <Wijzigingsbepaling
van art. 5 en art. 18> HOOFDSTUK III. - Maatregelen ter bescherming van de minderjarigen. Afdeling
I. - Maatregelen ten aanzien van de ouders. Art. 29. Wanneer kinderen die recht geven
op gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen grootgebracht worden in omstandigheden die kennelijk en
doorgaans niet voldoen aan de eisen inzake voeding, huisvesting en hygiëne, en wanneer het bedrag van
de uitkeringen niet wordt aangewend in het belang van de kinderen, kan de jeugdrechtbank, op vordering
van het openbaar ministerie, een persoon aanwijzen die ermede belast is het bedrag van die uitkeringen
te innen en uitsluitend te gebruiken voor de behoeften van de kinderen en voor de gezinsuitgaven die
hen betreffen. Het jeugdbeschermingscomité kan daartoe worden aangewezen. Wanneer de
beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, betekent de griffier van de jeugdrechtbank ze bij afschrift
per ter post aangetekende brief aan de met de vereffening van de uitkeringen belaste instelling, die
zich dan alleen geldig kan bevrijden door het verschuldigde bedrag te storten aan de persoon of aan het
jeugdbeschermingscomité daartoe aangewezen. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 29. (VLAAMSE
GEMEENSCHAP) Wanneer kinderen die recht geven op gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen
grootgebracht worden in omstandigheden die kennelijk en doorgaans niet voldoen aan de eisen inzake voeding,
huisvesting en hygiëne, en wanneer het bedrag van de uitkeringen niet wordt aangewend in het belang van
de kinderen, kan de jeugdrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een persoon aanwijzen die
ermede belast is het bedrag van die uitkeringen te innen en uitsluitend te gebruiken voor de behoeften
van de kinderen en voor de gezinsuitgaven die hen betreffen. (de Sociale Dienst van de Vlaamse
Gemeenschap bij de Jeugdrechtbank) kan daartoe worden aangewezen. <DVR 1985-06-27/35, art. 33, 1°> Wanneer
de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, betekent de griffier van de jeugdrechtbank ze bij afschrift
per ter post aangetekende brief aan de met de vereffening van de uitkeringen belaste instelling, die
zich dan alleen geldig kan bevrijden door het verschuldigde bedrag te storten aan de persoon of aan (de
Sociale Dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de Jeugdrechtbank) daartoe aangewezen. <DVR 1985-06-27/35,
art. 33, 1°> Art. 29. (FRANSE GEMEENSCHAP) Wanneer kinderen die recht geven op gezinsbijslag
of andere sociale uitkeringen grootgebracht worden in omstandigheden die kennelijk en doorgaans niet
voldoen aan de eisen inzake voeding, huisvesting en hygiëne, en wanneer het bedrag van de uitkeringen
niet wordt aangewend in het belang van de kinderen, kan de jeugdrechtbank, op vordering van het openbaar
ministerie, een persoon aanwijzen die ermede belast is het bedrag van die uitkeringen te innen en uitsluitend
te gebruiken voor de behoeften van de kinderen en voor de gezinsuitgaven die hen betreffen. (Lid
2 opgeheven) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 2, 1°, 005; Inwerkingtreding : 24-12-1991> Wanneer
de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, betekent de griffier van de jeugdrechtbank ze bij afschrift
per ter post aangetekende brief aan de met de vereffening van de uitkeringen belaste instelling, die
zich dan alleen geldig kan bevrijden door het verschuldigde bedrag te storten aan de persoon (...) daartoe
aangewezen. <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 2, 2°, 005; Inwerkingtreding : 24-12-1991> Art.
29. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) Wanneer kinderen die recht geven op gezinsbijslag of andere sociale
uitkeringen grootgebracht worden in omstandigheden die kennelijk en doorgaans niet voldoen aan de eisen
inzake voeding, huisvesting en hygiëne, en wanneer het bedrag van de uitkeringen niet wordt aangewend
in het belang van de kinderen, kan de jeugdrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een persoon
aanwijzen die ermede belast is het bedrag van die uitkeringen te innen en uitsluitend te gebruiken voor
de behoeften van de kinderen en voor de gezinsuitgaven die hen betreffen. (Dienst voor gerechtelijke
jeugdbijstand) kan daartoe worden aangewezen. <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Wanneer
de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, betekent de griffier van de jeugdrechtbank ze bij afschrift
per ter post aangetekende brief aan de met de vereffening van de uitkeringen belaste instelling, die
zich dan alleen geldig kan bevrijden door het verschuldigde bedrag te storten aan de persoon of aan (dienst
voor gerechtelijke jeugdbijstand) daartoe aangewezen. <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding :
01-05-1995> Art. 29bis Wanneer de jeugdrechtbank een als misdrijf omschreven feit
waarvoor een minderjarige vervolgd werd, bewezen verklaart, kan ze, op vordering van het openbaar ministerie
of ambtshalve, het volgen van een ouderstage bevelen aan de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen
over deze minderjarige, indien ze zich duidelijk onverschillig opstellen tegenover het delinquent gedrag
van deze laatste, en deze onverschilligheid bijdraagt tot de problemen van de minderjarige. Dit kan enkel
als aanvullende maatregel bij een maatregel die ten overstaan van de minderjarige opgelegd wordt door
de jeugdrechter wanneer het volgen van zulke ouderstage de delinquente minderjarige zelf ten goede kan
komen. Art. 30. Wanneer de gezondheid, de veiligheid, de zedelijkheid van een minderjarige
gevaar lopen, of wanneer de omstandigheden waarin hij wordt opgevoed, gevaar opleveren, kan de jeugdrechtbank,
op vordering van het openbaar ministerie, een maatregel voor opvoedingsbijstand bevelen ten aanzien van
degenen die hem onder hun bewaring hebben. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 30. (VLAAMSE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 1°, 003; Inwerkingtreding : 27-09-1994> Art.
30. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 3, 005; Inwerkingtreding
: 07-12-1994> Art. 30. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art.
43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 31. De opvoedingsbijstand verzekert aan de
personen die de minderjarige onder hun bewaring hebben, de hulp van het jeugdbeschermingscomité of van
een afgevaardigde bij de jeugdbescherming. Die maatregel kan, daarenboven, naar gelang van de
omstandigheden, voor dezelfde personen een of meer van de volgende verplichtingen inhouden : 1°
de minderjarige onderwerpen aan het toezicht van het jeugdbeschermingscomité of van een afgevaardigde
bij de jeugdbescherming; 2° hem onderwerpen aan de pedagogische of medische richtlijnen van
een centrum voor opvoedkundige voorlichting of geestelijke hygiëne; 3° hem geregeld een school
voor gewoon of bijzonder onderwijs doen bezoeken; 4° uitzonderlijk, hem plaatsen bij een betrouwbaar
persoon of in een geschikte inrichting met het oog op zijn huisvesting, behandeling, opvoeding, onderrichting
of beroepsopleiding. Het jeugdbeschermingscomité of de afgevaardigde bij de jeugdbescherming
belast met de opvoedingsbijstand, waakt voor de vervulling van deze verplichtingen onder het toezicht
van de jeugdrechtbank. Tot opvoedingsbijstand kan worden besloten afgezien van enigerlei rechtspleging
ten opzichte van de minderjarige. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 31. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven)
<DVR 1990-03-28/34, art. 22, 1°, 003; Inwerkingtreding : 27-09-1994> Art. 31. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven)
<DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 3, 005; Inwerkingtreding : 07-12-1994> Art. 31. (DUITSTALIGE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art.
32. Van (het ouderlijk gezag) ten aanzien van alle kinderen, of van één of meer onder hen, kan
geheel of ten dele worden ontzet : 1° de vader of de moeder die is veroordeeld tot een criminele
of correctionele straf wegens enig feit gepleegd op de persoon of met behulp van een van de kinderen
of afstammelingen; 2° de vader of de moeder die, door slechte behandeling, misbruik van gezag,
kennelijk slecht gedrag of erge nalatigheid, de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het
kind in gevaar brengt. Hetzelfde geldt voor de vader of de moeder die huwt met een persoon die
van (het ouderlijk gezag) is ontzet. De ontzetting wordt uitgesproken door de jeugdrechtbank,
op vordering van het openbaar ministerie. Art. 33. Volledige ontzetting slaat op alle
rechten die uit (het ouderlijk gezag) voortvloeien. (Ze slaat evenwel enkel op het recht om
toe te stemmen in de adoptie van het kind wanneer het vonnis dit uitdrukkelijk bepaalt.) Voor
degene die erdoor getroffen wordt, betekent ze ten aanzien van het betrokken kind en van diens afstammelingen
: 1° uitsluiting van het recht van bewaring en opvoeding; 2° onbekwaamheid om ze te
vertegenwoordigen, tot hun handelingen toestemming te verlenen en hun goederen te beheren; 3°
uitsluiting van het recht van genot bedoeld in artikel 384 van het Burgerlijk Wetboek; 4° uitsluiting
van het recht om levensonderhoud te vorderen; 5° uitsluiting van het recht om hun nalatenschap
geheel of ten dele te verkrijgen overeenkomstig artikel 746 van het Burgerlijk Wetboek. (Volledige
ontzetting brengt bovendien algemene onbekwaamheid mede om voogd, pleegvoogd, toeziend voogd of curator
te zijn.) Gedeeltelijke ontzetting slaat op de rechten die de rechtbank bepaalt. Art.
34. Wanneer zij de volledige of gedeeltelijke ontzetting van (het ouderlijk gezag) uitspreekt,
wijst de jeugdrechtbank de persoon aan die, onder haar toezicht, de in artikel 33, 1° en 2°, vermelde
rechten waarvan de ouders of een van hen ontzet zijn, zal uitoefenen en de overeenkomstige verplichtingen
zal nakomen, of vertrouwt zij de minderjarige toe aan het jeugdbeschermingscomité, dat iemand aanwijst
om de genoemde rechten uit te oefenen, nadat zijn aanwijzing door deze rechtbank is gehomologeerd op
vordering van het openbaar ministerie. De vader en de moeder worden vooraf gehoord of opgeroepen. Werd
slechts een der ouders ontzet, dan wijst de jeugdrechtbank, om hem te vervangen, de niet ontzette ouder
aan, als dat niet in strijd is met het belang van de minderjarige. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art.
34. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) Wanneer zij de volledige of gedeeltelijke ontzetting van (het ouderlijk
gezag) uitspreekt, wijst de jeugdrechtbank de persoon aan die, onder haar toezicht, de in artikel 33,
1° en 2°, vermelde rechten waarvan de ouders of een van hen ontzet zijn, zal uitoefenen en de overeenkomstige
verplichtingen zal nakomen, of vertrouwt zij de minderjarige toe aan (de Sociale Dienst van de Vlaamse
Gemeenschap bij de Jeugdrechtbank), die iemand aanwijst om de genoemde rechten uit te oefenen, nadat
zijn aanwijzing door deze rechtbank is gehomologeerd op vordering van het openbaar ministerie. <W 31-03-1987,
art. 105> <DVR 1985-06-27/35, art. 33> De vader en de moeder worden vooraf gehoord of opgeroepen. Werd
slechts een der ouders ontzet, dan wijst de jeugdrechtbank, om hem te vervangen, de niet ontzette ouder
aan, als dat niet in strijd is met het belang van de minderjarige. Art. 34. (FRANSE GEMEENSCHAP) Wanneer
zij de volledige of gedeeltelijke ontzetting van (het ouderlijk gezag) uitspreekt, wijst de jeugdrechtbank
de persoon aan die, onder haar toezicht, de in artikel 33, 1° en 2°, vermelde rechten waarvan de ouders
of een van hen ontzet zijn, zal uitoefenen en de overeenkomstige verplichtingen zal nakomen, of vertrouwt
zij de minderjarige toe (aan de adviseur bij de hulpverlening aan de jeugd), die iemand aanwijst om de
genoemde rechten uit te oefenen, nadat zijn aanwijzing door deze rechtbank is gehomologeerd op vordering
van het openbaar ministerie. <W 31-03-1987, art. 105> <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 4, 005; Inwerkingtreding
: 24-12-1991> De vader en de moeder worden vooraf gehoord of opgeroepen. Werd slechts
een der ouders ontzet, dan wijst de jeugdrechtbank, om hem te vervangen, de niet ontzette ouder aan,
als dat niet in strijd is met het belang van de minderjarige. Art. 34. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) Wanneer
zij de volledige of gedeeltelijke ontzetting van (het ouderlijk gezag) uitspreekt, wijst de jeugdrechtbank
de persoon aan die, onder haar toezicht, de in artikel 33, 1° en 2°, vermelde rechten waarvan de ouders
of een van hen ontzet zijn, zal uitoefenen en de overeenkomstige verplichtingen zal nakomen, of vertrouwt
zij de minderjarige toe aan (dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand), dat iemand aanwijst om de genoemde
rechten uit te oefenen, nadat zijn aanwijzing door deze rechtbank is gehomologeerd op vordering van het
openbaar ministerie. <W 31-03-1987, art. 105> <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> De
vader en de moeder worden vooraf gehoord of opgeroepen. Werd slechts een der ouders ontzet,
dan wijst de jeugdrechtbank, om hem te vervangen, de niet ontzette ouder aan, als dat niet in strijd
is met het belang van de minderjarige. Art. 35. Onverminderd de regels bepaald in het
Burgerlijk Wetboek inzake toestemming tot het huwelijk (tot de adoptie en tot (de volle adoptie)), oefent
de persoon die ingevolge artikel 34 is aangewezen, de rechten uit die hem werden verleend, eventueel
met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 373 en 374 van het Burgerlijk Wetboek. Hij waakt
ervoor dat de inkomsten van de minderjarige aan diens onderhoud en opvoeding worden besteed. In
alle gevallen gelden voor het beheer van de goederen van de minderjarige de bepalingen van het Burgerlijk
Wetboek betreffende (de werking van de voogdij en de voogdijrekeningen). De niet ontzette ouder
heeft slechts het recht op wettelijk genot van de goederen van de minderjarige, indien hij is bekleed
met de machten bedoeld in artikel 34. Afdeling II. - Maatregelen ten aanzien van de minderjarigen. Art.
36. De jeugdrechtbank neemt kennis : 1° van de klachten ingediend door de personen
die de ouderlijke macht uitoefenen, of in rechte of in feite een minderjarige beneden de leeftijd van
achttien jaar onder hun bewaring hebben, die door zijn wangedrag of onbuigzaamheid ernstige redenen tot
ontevredenheid geeft; 2° van de vorderingen van het openbaar ministerie betreffende minderjarigen
wier gezondheid, veiligheid of zedelijkheid gevaar loopt hetzij wegens het milieu waarin zij leven hetzij
wegens hun bezigheden, of wanneer de omstandigheden waarin zij worden opgevoed, gevaar opleveren door
het gedrag van degenen die hen onder hun bewaring hebben; 3° van de vorderingen van het openbaar
ministerie betreffende minderjarigen beneden de volle leeftijd van achttien jaar die bedelend of zwervend
worden aangetroffen of van bedelarij of landloperij een gewoonte maken; 4° (van de vorderingen
van het openbaar ministerie ten aanzien van de personen die vervolgd worden wegens een als misdrijf omschreven
feit, gepleegd vóór de volle leeftijd van achttien jaar.) 5°(van het hoger beroep ingesteld
bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen of niet opleggen van een administratieve
sanctie als bedoeld in artikel 119bis, § 2, tweede lid, 1, van de nieuwe gemeentewet, aan minderjarigen
die de volle leeftijd van 16 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten); (6° van het
hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen van een administratieve
sanctie als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid
bij voetbalwedstrijden, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt op het tijdstip
van de feiten.) GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 36. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) De
jeugdrechtbank neemt kennis : 1° (...) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 2°, 003; Inwerkingtreding
: 27-09-1994> 2° (...) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 2°, 003; Inwerkingtreding : 27-09-1994> 3°
(...) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 2°, 003; Inwerkingtreding : 27-09-1994> 4° (van de vorderingen
van het openbaar ministerie ten aanzien van de personen die vervolgd worden wegens een als misdrijf omschreven
feit, gepleegd vóór de volle leeftijd van achttien jaar.) <W 1992-12-24/30, art. 1, 006; Inwerkingtreding
: 10-01-1993> 5° (van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing
tot het opleggen of niet opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 119, §
2, tweede lid, 1, van de nieuwe gemeentewet, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 16 jaar hebben
bereik op het tijdstip van de feiten;) <Hersteld bij W 2004-05-07/65, art. 2, 019; Inwerkingtreding :
05-07-2004> (6° van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing
tot het opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de wet van
21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, aan minderjarigen die de volle leeftijd
van 14 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten.) <W 2004-05-07/65, art. 2, 019; Inwerkingtreding
: 05-07-2004> (tweede lid opgeheven) <W 2003-04-10/60, art. 47, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Art.
36. (FRANSE GEMEENSCHAP) De jeugdrechtbank neemt kennis : 1° (...) <DFG 1991-03-04/36,
art. 62, § 5, 005; Inwerkingtreding : 07-12-1994> 2° (...) <DFG 1991-03-04/36, art. 62,
§ 5, 005; Inwerkingtreding : 07-12-1994> 3° (...) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, §
5, 005; Inwerkingtreding : 07-12-1994> 4° (van de vorderingen van het openbaar ministerie ten
aanzien van de personen die vervolgd worden wegens een als misdrijf omschreven feit, gepleegd vóór de
volle leeftijd van achttien jaar.) W 1992-12-24/30, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 10-01-1993> 5°
(van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen of
niet opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 119, § 2, tweede lid, 1,
van de nieuwe gemeentewet, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 16 jaar hebben bereik op het tijdstip
van de feiten;) <Hersteld bij W 2004-05-07/65, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 05-07-2004> (6°
van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen van
een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de wet van 21 december 1998 betreffende
de veiligheid bij voetbalwedstrijden, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt
op het tijdstip van de feiten.) <W 2004-05-07/65, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 05-07-2004> Art.
36. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) De jeugdrechtbank neemt kennis : 1° (...) <DDG 1995-03-20/34,
art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> 2° (...) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, ED : 01-05-1995> 3°
(...) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> 4° (van de vorderingen van
het openbaar ministerie ten aanzien van de personen die vervolgd worden wegens een als misdrijf omschreven
feit, gepleegd vóór de volle leeftijd van achttien jaar.) <W 1992-12-24/30, art. 1, 006; Inwerkingtreding
: 10-01-1993> 5° (van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing
tot het opleggen of niet opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 119, §
2, tweede lid, 1, van de nieuwe gemeentewet, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 16 jaar hebben
bereik op het tijdstip van de feiten;) <Hersteld bij W 2004-05-07/65, art. 2, 019; Inwerkingtreding :
05-07-2004> (6° van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing
tot het opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de wet van
21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, aan minderjarigen die de volle leeftijd
van 14 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten.) <W 2004-05-07/65, art. 2, 019; Inwerkingtreding
: 05-07-2004> Art. 36bis. In afwijking van artikel 36, 4°, en behoudens samenhang met
vervolgingen wegens andere misdrijven dan die hieronder bepaald, nemen de gerechten, bevoegd op grond
van het gemene recht, kennis van de vorderingen van het openbaar ministerie jegens (personen ouder dan
zestien jaar en beneden en beneden achttien jaar), op het ogenblik van de feiten, vervolgd wegens overtreding
van : 1° de bepalingen van de wetten en verordeningen betreffende het wegverkeer; 2°
de artikelen 418, 419 en 420 van het Strafwetboek voorzover er samenhang is met een overtreding van de
onder 1° bedoelde wetten en verordeningen; 3° (de wet van 21 november 1989) betreffende de verplichte
aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. (...). (Indien uit de debatten voor die
gerechten) blijkt dat een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding geschikter is, kunnen die gerechten
de zaak bij een met redenen omklede beslissing uit handen geven en ze naar het openbaar ministerie verwijzen
met het oog op de vorderingen voor de jeugdrechtbank als daartoe grond bestaat. De wet betreffende
de voorlopige hechtenis is niet toepasselijk op de in dit artikel (bedoelde personen), tenzij bij vluchtmisdrijf. Art.
37. § 1. De jeugdrechtbank kan de voor haar gebrachte personen maatregelen van bewaring,
behoeding en opvoeding opleggen. Om de beslissing bedoeld in het eerste lid te nemen, houdt
de jeugdrechtbank rekening met de volgende factoren : 1° de persoonlijkheid en de maturiteitsgraad
van de betrokkene; 2° zijn leefomgeving; 3° de ernst van de feiten, de omstandigheden
waarin zij zijn gepleegd, de schade en de gevolgen voor het slachtoffer; 4° de vroegere maatregelen
die ten aanzien van de betrokkene werden genomen, en diens gedrag gedurende de uitvoering ervan; 5°
de veiligheid van de betrokkene; 6° de openbare veiligheid. Er wordt tevens rekening
gehouden met de mate waarin de behandelingswijzen, de opvoedingsprogramma's of enige andere middelen
daartoe beschikbaar zijn, alsmede met het voordeel dat de betrokkene daaruit zou kunnen putten. §
2. Zij kan, in voorkomend geval, op cumulatieve wijze : 1° de betrokkenen berispen en, met uitzondering
van degenen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, hen laten bij of teruggeven aan de personen
bij wie zij gehuisvest zijn, en dezen, in voorkomend geval, ertoe aanmanen in het vervolg beter toezicht
op hen te houden en hen beter op te voeden; 2° hen onder het toezicht plaatsen van de bevoegde
sociale dienst; 4° hen opleggen een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut te
leveren, in verhouding tot hun leeftijd en hun vaardigheden, van ten hoogste 150 uur, die georganiseerd
wordt via een door de gemeenschappen aangewezen dienst of door een natuurlijke persoon die beantwoordt
aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden; 5° hen opleggen een ambulante behandeling
te volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele opvoeding of
bij een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving; de jeugdrechter kan erin
toestemmen dat de minderjarige een behandeling start of voortzet bij een geneesheer-psychiater, een psycholoog
of een therapeut die hem wordt voorgesteld door de persoon die bij hem wordt voorgeleid of door diens
wettelijke vertegenwoordigers; 6° hen toevertrouwen aan een rechtspersoon die voorstelt de verwezenlijking
van een positieve prestatie te begeleiden, die bestaat in hetzij een opleiding, hetzij de deelname aan
een georganiseerde activiteit; 7° hen toevertrouwen aan een volgens de nadere regels bepaald
door de gemeenschappen betrouwbaar persoon of plaatsen in een volgens de nadere regels bepaald door de
gemeenschappen geschikte inrichting, met het oog op hun huisvesting, behandeling, opvoeding, onderricht
of beroepsopleiding; 8° hen toevertrouwen aan een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming,
met inachtneming van de plaatsingscriteria bedoeld in § 2quater. Ten aanzien van de personen bedoeld
in artikel 36, 4°, en onverminderd het bepaalde in artikel 60 wordt in de beslissing vastgesteld wat
de duur van de maatregel is, alsmede of het om opname in een gesloten opvoedingsafdeling gaat, zoals
georganiseerd door de overheden die daartoe bevoegd zijn op grond van de artikelen 128 en 135 van de
Grondwet, en van artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming
der instellingen, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1988. De rechter of de bevoegde sociale dienst
bezoekt de persoon die is toevertrouwd aan een gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling voor
jeugdbescherming indien de plaatsing vijftien dagen overschrijdt. In geval van plaatsing in een gesloten
opvoedingsafdeling, geldt de procedure vermeld in artikel 52quater, derde tot en met zesde lid, negende
en tiende lid, inzake het verlaten van de instelling; 9° hen plaatsen in een ziekenhuisdienst; 10°
overgaan tot residentiële plaatsing in een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving,
of enige andere vorm van verslaving, ingeval uit een omstandig medisch verslag, dat minder dan een maand
oud is, blijkt dat de fysieke of psychische integriteit van de betrokkene niet op een andere wijze kan
worden beschermd; 11° overgaan tot residentiële plaatsing van de betrokkene in hetzij een open
afdeling, hetzij een gesloten afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst, ingeval uit een door een jeugdpsychiater,
volgens de door de Koning bepaalde minimumnormen opgesteld onafhankelijk verslag dat minder dan een maand
oud is, blijkt dat hij lijdt aan een geestesstoornis waardoor zijn oordeelsvermogen of zijn vermogen
tot het beheersen van zijn handelingen ernstig is aangetast. Plaatsing in een gesloten afdeling van een
jeugdpsychiatrische dienst is enkel mogelijk met toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de
bescherming van de persoon van de geesteszieke, overeenkomstig artikel 43. Alleen de in het
eerste lid, 1°, 2° en 3° bedoelde maatregelen kunnen worden bevolen ten opzichte van personen van minder
dan twaalf jaar verwezen uit hoofde van een als misdrijf omschreven feit. Bij gebrek aan passende maatregelen,
verwijst de rechtbank de zaak door naar het parket die haar op zijn beurt kan doorverwijzen naar de bevoegde
diensten van de gemeenschappen. In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot
37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur. Alvorens een in het eerste lid, 1° tot
5° omschreven maatregel wordt opgelegd, dient de haalbaarheid van een door de betrokkene voorgesteld
project, omschreven in § 2ter, te worden overwogen. De in het eerste lid, 1° tot 5° omschreven
maatregelen verdienen de voorkeur boven een plaatsingsmaatregel. Tot slot verdient plaatsing in een open
afdeling de voorkeur boven plaatsing in een gesloten afdeling; Indien de rechtbank een maatregel
uitspreekt tot plaatsing in een open of gesloten afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor
jeugdbescherming, bepaalt zij de maximumduur ervan, die enkel kan worden verlengd om uitzonderlijke redenen
die verband houden met het aanhoudend wangedrag van de betrokkene en met zijn voor hemzelf of voor anderen
gevaarlijke gedrag. De rechtbank kan de uitvoering van de plaatsingsmaatregel uitstellen voor
een termijn van zes maanden, te rekenen van de datum van het vonnis, op voorwaarde dat de betrokkene
zich verbindt tot het uitvoeren van een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut van ten
hoogste 150 uur. Indien de rechtbank echter met toepassing van § 2quater, eerste lid,
4°, of tweede lid, 5°, een maatregel uitspreekt tot plaatsing in een openbare gemeenschapsinstelling
voor jeugdbescherming, bepaalt zij de duur ervan die maximum zes maanden bedraagt en niet kan worden
verlengd. Indien de rechtbank een andere maatregel oplegt, bepaalt zij de maximale duur ervan,
met uitzondering van de maatregelen genoemd in het eerste lid, 1°. § 2bis. Ten aanzien
van personen ouder dan 12 jaar kan de rechtbank het behoud van de voor haar gebrachte personen in hun
leefomgeving afhankelijk maken van een of meer van de volgende voorwaarden waarvan zij de controle op
de naleving kan toevertrouwen aan de bevoegde sociale dienst : 1° geregeld een school voor gewoon
of buitengewoon onderwijs bezoeken; 2° een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen
nut leveren, in verhouding tot hun leeftijd en hun vaardigheden, van ten hoogste 150 uur, onder toezicht
van een door de gemeenschappen aangewezen dienst, of een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door
de gemeenschappen gestelde voorwaarden; 3° betaalde arbeid verrichten, gedurende ten hoogste
150 uur, met het oog op de vergoeding van het slachtoffer indien de betrokkene tenminste zestien jaar
oud is; 4° de pedagogische of medische richtlijnen van een centrum voor opvoedkundige voorlichting
of geestelijke gezondheidszorg in acht nemen; 5° deelnemen aan een of meer opleidingsmodules
of modules ter bewustwording van de gevolgen van de gestelde handelingen, alsook van de invloed daarvan
op de eventuele slachtoffers; 6° deelnemen aan een of meer begeleide sportieve, sociale of culturele
activiteiten; 7° niet omgaan met bepaalde personen of niet komen op bepaalde plaatsen die een
band hebben met het als misdrijf omschreven feit dat werd begaan; 8° een of meer bepaalde bezigheden
niet uitoefenen, gelet op de specifieke omstandigheden; 9° het naleven van een huisarrest; 10°
andere voorwaarden of specifieke verbodsmaatregelen die de rechtbank bepaalt, in acht nemen. De
rechter of de rechtbank kan de controle op de uitvoering van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid
onder 7° en 9°, toevertrouwen aan een politiedienst. Wanneer hij daartoe overgaat, informeert de rechter
de bevoegde sociale dienst regelmatig over de resultaten van die controle. § 2ter. De
personen bedoeld in artikel 36, 4°, kunnen aan de rechtbank een geschreven project voorleggen, inzonderheid
betreffende een of meer van de volgende verbintenissen : 1° schriftelijke of mondelinge verontschuldigingen
aanbieden; 2° de veroorzaakte schade zelf herstellen in natura, indien deze beperkt is; 3°
deelnemen aan een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies ; 4°
deelnemen aan een programma gericht op herintegratie in het schoolleven; 5° deelnemen aan welbepaalde
activiteiten in het kader van een leer- en opleidingsproject, van ten hoogste 45 uur; 6° een
ambulante behandeling volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele
opvoeding of bij een dienst deskundig op het gebied van alcohol- of drugsverslaving; 7° zich
aanmelden bij de diensten voor jeugdhulpverlening, ingericht door de bevoegde gemeenschapsdiensten. Dit
project wordt ingediend uiterlijk op de dag van de terechtzitting. De rechtbank beoordeelt de opportuniteit
van het haar voorgelegde project en belast, indien zij het goedkeurt, de bevoegde sociale dienst met
het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan. Binnen een termijn van drie maanden na de goedkeuring
van het project richt de bevoegde sociale dienst een bondig verslag over de inachtneming van de verbintenissen
van de jongere tot de rechtbank. Ingeval dit project niet ten uitvoer is gelegd, of de tenuitvoerlegging
niet op toereikende wijze is geschied, kan de rechtbank tijdens een latere terechtzitting een andere
maatregel opleggen. § 2quater. - De rechtbank kan slechts ten aanzien van personen die
twaalf jaar zijn of meer, een plaatsingsmaatregel bevelen in een open opvoedingsafdeling van een in §
2, eerste lid, 8°, bedoelde openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, indien : 1°
ze een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige,
in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een correctionele hoofdgevangenisstraf van drie
jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben; 2° ze een als slagen en verwondingen omschreven
feit hebben gepleegd; 3° ten aanzien van hen reeds eerder een definitief vonnis is uitgesproken
waarin een plaatsingsmaatregel werd opgelegd in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare
gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming en ze een nieuw als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd; 4°
ze het voorwerp zijn van een herziening van de maatregel overeenkomstig artikel 60, om reden dat de eerder
opgelegde maatregel of maatregelen niet werd of werden nageleefd door de betrokkenen, in welk geval de
plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maximum zes maanden kan worden opgelegd. Na het verstrijken
van deze termijn kunnen andere maatregelen slechts worden opgelegd na een herziening door de rechtbank; 5°
ze het voorwerp zijn van een herziening zoals bedoeld in artikel 60 en ze geplaatst zijn in een gesloten
afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming op het ogenblik van deze herziening. De
rechtbank kan slechts ten aanzien van personen die veertien jaar zijn of meer, een plaatsingsmaatregel
bevelen in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming
bedoeld in § 2, eerste lid, 8°, indien : 1° ze een als misdrijf omschreven feit hebben
gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of
de bijzondere wetten een straf van vijf jaar tot tien jaar opsluiting of een zwaardere straf tot gevolg
kan hebben; 2° ze een als aanranding van de eerbaarheid met geweld, criminele organisatie met
het oogmerk misdaden te plegen, of bedreiging van personen in de zin van artikel 327 van het Strafwetboek
omschreven feit hebben gepleegd; 3° ten aanzien van hen reeds eerder een definitief vonnis is
uitgesproken waarin een plaatsingsmaatregel werd opgelegd in een open of gesloten opvoedingsafdeling
van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming en die een nieuw als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd dat hetzij omschreven wordt als slagen en verwondingen, hetzij, ingeval het zou
zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een correctionele
hoofdgevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben; 4° ze met voorbedachten
rade een als slagen en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd dat een ziekte of ongeschiktheid
tot het verrichten van arbeid, hetzij een ongeneeslijke lijkende ziekte, hetzij het volledig verlies
van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft, of, in vereniging of in
bende en met behulp van gewelddaden, feitelijkheden of bedreigingen, vernielingen hebben aangericht aan
bouwwerken of stoommachines, of, met wapens en met geweld, weerspannigheid hebben gepleegd; 5°
ze het voorwerp zijn van een herziening van de maatregel, overeenkomstig artikel 60, om reden dat de
eerder opgelegde maatregel of maatregelen niet werd of werden nageleefd door de betrokkenen, in welk
geval de plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maximum zes maanden kan worden opgelegd. Na
het verstrijken van deze termijn kunnen andere maatregelen slechts worden opgelegd na een herziening
door de rechtbank. Onverminderd de in het tweede lid opgesomde voorwaarden, kan de rechtbank
een plaatsingsmaatregel bevelen in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling
voor jeugdbescherming bedoeld in § 2, eerste lid, 8°, ten aanzien van een persoon tussen twaalf
en veertien jaar die een ernstige aanslag heeft gepleegd op het leven of op de gezondheid van een persoon
en van wie het gedrag uitzonderlijk gevaarlijk is. § 2quinquies.-Wanneer de rechtbank
een van de in §§ 2, 2bis en 2ter bedoelde maatregelen beveelt, motiveert zij haar beslissing
op grond van de in § 1 bedoelde criteria en de specifieke omstandigheden. Indien de rechtbank
een van de in § 2, eerste lid, 6° tot 11°, bedoelde maatregelen, een combinatie van meerdere van
de in § 2 bedoelde maatregelen, een combinatie van één of meer van deze maatregelen met één of
meer van de in § 2bis bedoelde voorwaarden of een plaatsingsmaatregel beveelt in een gesloten
opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, moet zij haar keuze
bijzonder motiveren en daarbij rekening houden met de in § 2, derde lid, bedoelde prioriteiten. §
3. De onder § 2, 2° tot 11° bedoelde maatregelen worden geschorst wanneer de betrokkene onder
de wapens is. Ze nemen een einde wanneer hij de leeftijd van achttien jaar bereikt. Ten aanzien
van de in artikel 36, 4°, bedoelde personen kunnen deze maatregelen, onverminderd het bepaalde in §
2, vierde lid, en in artikel 60, evenwel : 1° op verzoek van de betrokkene dan wel, indien de
betrokkene blijk geeft van aanhoudend wangedrag of zich gevaarlijk gedraagt, op vordering van het openbaar
ministerie, bij vonnis voor een bepaalde duur, uiterlijk tot de dag waarop de betrokkene de leeftijd
van twintig jaar heeft bereikt, worden verlengd. Het verzoek of de vordering moet binnen een termijn
van drie maanden voorafgaand aan de dag waarop de betrokkene meerderjarig wordt, bij de rechtbank worden
ingesteld; 2° bij vonnis worden bevolen voor een bepaalde duur, uiterlijk tot de dag waarop
de betrokkene de leeftijd van twintig jaar heeft bereikt, wanneer het gaat om personen die na de leeftijd
van zeventien jaar een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Ten aanzien van de in §
2, eerste lid, 11°, bedoelde personen dient de residentiële plaatsing te lopen tot het einde van de behandeling,
zolang dat in het licht van die behandeling vereist is. In geval van hoger beroep tegen deze
vonnissen, doet de jeugdkamer van het hof van beroep onverwijld uitspraak. Het hoger beroep heeft geen
schorsende werking. De vonnissen en arresten uitgesproken met toepassing van dit artikel zijn niet vatbaar
voor verzet. § 4. De maatregel van berisping bedoeld in § 2, 1°, is van toepassing
op de personen die een als misdrijf gekwalificeerd feit gepleegd hebben vóór de leeftijd van achttien
jaar, zelfs indien zij op het tijdstip van het vonnis deze leeftijd overschreden hebben. De
in het vorige lid bedoelde personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt op het ogenblik
van het vonnis, worden met minderjarigen gelijkgesteld voor de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk
IV van deze titel, alsmede van artikel (433bis van het Strafwetboek). GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art.
37. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven voorzover hij geen jongeren betreffen die een als misdrijf
omschreven feit hebben gepleegd) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art.
37bis. § 1. De rechter of rechtbank kan een herstelrechtelijk aanbod doen van bemiddeling
en herstelgericht groepsoverleg wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld : 1° er bestaan
ernstige aanwijzingen van schuld; 2° de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven
feit te hebben gepleegd, verklaart zijn betrokkenheid bij het als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen; 3°
een slachtoffer is geïdentificeerd. Een herstelrechtelijk aanbod kan enkel worden toegepast
indien de personen die eraan deelnemen er uitdrukkelijk en zonder voorbehoud mee instemmen en dit blijven
doen zolang de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg duurt. § 2. De bemiddeling
heeft tot doel de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd,
de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, de personen die hem in rechte of
in feite onder hun bewaring hebben alsook het slachtoffer, de mogelijkheid te bieden om samen en met
hulp van een onpartijdige bemiddelaar, onder meer aan de relationele en materiële gevolgen van een als
misdrijf omschreven feit tegemoet te komen. De rechter of de rechtbank stelt aan de personen
bedoeld in het eerste lid schriftelijk voor om deel te nemen aan een bemiddeling. § 3.
Het herstelgericht groepsoverleg strekt ertoe aan de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf
omschreven feit te hebben gepleegd, aan het slachtoffer, aan hun sociale omgeving, alsook aan alle dienstige
personen, de mogelijkheid te bieden om in groep en met de hulp van een onpartijdige bemiddelaar, in overleg
uitgewerkte oplossingen te overwegen over de wijze waarop het conflict kan worden opgelost dat voortvloeit
uit het als misdrijf omschreven feit, onder meer rekening houdend met de relationele en materiële gevolgen
van het als misdrijf omschreven feit. De rechter of de rechtbank stelt een herstelgericht groepsoverleg
voor aan de persoon die voor hem wordt gebracht en ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit
te hebben gepleegd, aan de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen en aan de
personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben. Het of de slachtoffers worden schriftelijk
op de hoogte gebracht (1). § 4. De rechter of de rechtbank brengt de in § 2, eerste
lid, en § 3, tweede lid, bedoelde personen ervan op de hoogte dat zij : 1° raad kunnen
inwinnen bij een advocaat alvorens in te gaan op het herstelrechtelijk aanbod; 2° zich kunnen
laten bijstaan door een advocaat vanaf het ogenblik dat het akkoord dat de in § 2, eerste lid,
en § 3, tweede lid, bedoelde personen bereiken wordt vastgelegd. Artikel 37ter. §
1. De rechter of rechtbank laat een afschrift van haar beslissing toekomen aan de door de bevoegde overheden
erkende bemiddelingsdienst of dienst voor herstelgericht groepsoverleg, die georganiseerd wordt door
de gemeenschappen of beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden. Deze dienst wordt
belast met de tenuitvoerlegging van het herstelrechtelijk aanbod. § 2. Indien de personen
bedoeld in artikel 37bis, § 2, eerste lid en § 3, tweede lid, binnen acht werkdagen te
rekenen vanaf het voorstel van de rechtbank geen contact opnemen met de bemiddelingsdienst of de dienst
voor herstelgericht groepsoverleg, neemt deze dienst contact op met genoemde personen om hen een herstelrechtelijk
aanbod te doen. § 3. De dienst voor herstelgericht groepsoverleg neemt in overleg met
de personen bedoeld in artikel 37bis, § 3, tweede lid, contact op met de personen uit hun sociale
omgeving en alle andere dienstige personen. De bemiddelingsdienst kan, met akkoord van de in
artikel 37bis, § 2, eerste lid bedoelde personen, ook andere personen met een direct belang bij
de bemiddeling betrekken. Art. 37quater. § 1. Indien de bemiddeling of het herstelgericht
groepsoverleg leidt tot een akkoord, wordt het door de persoon die verdacht wordt een als misdrijf omschreven
feit te hebben gepleegd, de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, alsook het
slachtoffer, ondertekende akkoord bij het gerechtelijk dossier gevoegd. Bij een herstelgericht
groepsoverleg wordt ook een intentieverklaring toegevoegd van de persoon die ervan wordt verdacht een
als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd. Hierin verklaart deze welke concrete stappen hij zal
ondernemen om de relationele en materiële schade en de schade aan de gemeenschap te herstellen en om
verdere feiten in de toekomst te voorkomen. Het bereikte akkoord moet door de rechter of de
rechtbank worden gehomologeerd. Deze kan de inhoud ervan niet wijzigen. De rechter of de rechtbank kan
de homologatie slechts weigeren indien het akkoord strijdig is met de openbare orde. §
2. Ingeval het herstelrechtelijk aanbod niet tot een akkoord leidt, kunnen door de gerechtelijke overheden
of de bij het herstelrechtelijk aanbod betrokken personen noch de erkenning door de persoon die verdacht
wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd van de werkelijkheid van het als misdrijf omschreven
feit, noch het verloop of het resultaat van het herstelrechtelijk aanbod worden gebruikt ten nadele van
de jongere. De bemiddelingsdienst of dienst voor herstelgericht groepsoverleg stelt een bondig
verslag op over het verloop en over het resultaat van het herstelrechtelijk aanbod. Dit verslag wordt
ter advies voorgelegd aan de personen bedoeld in artikel 37bis, § 2, eerste lid en § 3,
tweede lid. Het wordt bij het dossier van de procedure gevoegd. § 3. De documenten
die worden opgemaakt en de mededelingen die worden gedaan in het kader van de tussenkomst van de bemiddelingsdienst
of dienst voor herstelgericht groepsoverleg zijn vertrouwelijk met uitzondering van datgene waarmee de
partijen instemmen om het ter kennis van de gerechtelijke instanties te brengen. Ze kunnen niet worden
aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of enige andere procedure
voor het oplossen van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke
bekentenis. Art. 37quinquies. § 1. De bemiddelingsdienst of dienst voor herstelgericht
groepsoverleg stelt een bondig verslag op over de uitvoering van het akkoord en richt het aan de rechter
of de rechtbank evenals aan de bevoegde sociale dienst. § 2. Ingeval de uitvoering van
het akkoord volgens de daarin bepaalde regels geschiedt vóór de uitspraak van het vonnis, moet de rechtbank
rekening houden met dat akkoord en zijn uitvoering. § 3. Ingeval de uitvoering van het
akkoord volgens de daarin bepaalde regels plaatsvindt na de uitspraak van het vonnis, kan de zaak bij
de rechtbank aanhangig worden gemaakt op grond van artikel 60, teneinde de ten opzichte van de persoon
die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, bevolen definitieve maatregel of maatregelen te
verlichten. Art. 38 Indien de persoon die wegens een als misdrijf gekwalificeerd feit
voor de jeugdrechtbank is gebracht, op het tijdstip van het feit ouder dan zestien jaar was en de jeugdrechtbank
een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding niet geschikt acht, kan zij de zaak bij een met redenen
omklede beslissing uit handen geven en ze naar het openbaar ministerie verwijzen, met het oog op vervolging
voor het gerecht bevoegd krachtens het gemeen recht als daartoe grond bestaat. De vorige bepaling
kan toegepast worden zelfs indien de betrokkene op het tijdstip van het vonnis de leeftijd van achttien
jaar heeft bereikt. In dit geval wordt hij gelijkgesteld met een minderjarige voor de toepassing van
de bepalingen van hoofdstuk IV van deze titel, alsmede van artikel (433bis van het Strafwetboek). Iedere
persoon die het voorwerp is geweest van een beslissing tot uit handen geven, genomen met toepassing van
dit artikel, wordt met betrekking tot feiten gepleegd de dag na zijn definitieve veroordeling door het
bevoegde gerecht onderworpen aan de rechtsmacht van de gewone rechter. Art. 38bis Aan
minderjarigen kan een administratieve sanctie worden opgelegd als bedoeld in : 1° artikel 119bis,
§ 2, tweede lid, 1°, van de nieuwe gemeentewet, als de minderjarige de volle leeftijd van 16 jaar
heeft bereikt op het tijdstip van de feiten; 2° artikel 24, tweede lid, van de wet van 21 december
1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, als de minderjarige de volle leeftijd van 14 jaar
heeft bereikt op het tijdstip van de feiten. Art. 39. Indien de krachtens artikel 37
genomen maatregel zijn uitwerking mist wegens het voortdurend wangedrag of de gevaarlijke gedragingen
van de minderjarige, kan de jeugdrechtbank beslissen dat hij, totdat hij meerderjarig is, ter beschikking
van de Regering wordt gesteld. (Deze bepaling is niet van toepassing op de personen die een
als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd.) GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art.
39. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (NOTA : Opgeheven voor de Vlaamse Gemeenschap bij <DVR 1990-03-28/34,
art. 22, 3°, 003; Inwerkingtreding : onbepaald>, behalve ten aanzien van minderjarigen die wegens een
als misdrijf omschreven feit worden vervolgd) Indien de krachtens artikel 37 genomen maatregel
zijn uitwerking mist wegens het voortdurend wangedrag of de gevaarlijke gedragingen van de minderjarige,
kan de jeugdrechtbank beslissen dat hij, totdat hij meerderjarig is, ter beschikking van de (Vlaamse
Executieve) wordt gesteld. <DVR 1990-03-28/34, art. 23, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990> (Deze
bepaling is niet van toepassing op de personen die een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd.)
<W 1994-02-02/33, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 27-09-1994> Art. 39. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven
voor zover hij geen jongeren betreffen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) <DDG 1995-03-20/34,
art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 40. (Opgeheven) Art. 41. Wanneer
de minderjarige ingevolge de artikelen 39 of 40 ter beschikking van de Regering is gesteld, beslist de
Minister van Justitie op hem een van de in artikel 37, § 2, 2°, 7° en 8° en § 2bis bepaalde
maatregelen toe te passen of hem, zo hij ouder dan zestien jaar is, te doen opsluiten in een strafinrichting
waar hij aan een bijzonder regime onderworpen zal worden. (Deze bepaling is niet van toepassing
op de personen die een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd.) GEMEENSCHAPPEN EN
GEWESTEN Art. 41. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (NOTA : Opgeheven behalve ten aanzien van minderjarigen
die wegens een als misdrijf omschreven feit worden vervolgd <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 3°, 003; Inwerkingtreding
: 01-05-1990>) Wanneer de minderjarige ingevolge de artikelen 39 of 40 ter beschikking van de
(Vlaamse Executieve) is gesteld, beslist de (Gemeenschapsminister die de bijzondere jeugdbijstand onder
zijn bevoegdheid heeft) op hem een van de in artikel 37, 2° tot 4°, bepaalde maatregelen toe te passen
of hem, zo hij ouder dan zestien jaar is, te doen opsluiten in een strafinrichting waar hij aan een bijzonder
regime onderworpen zal worden. <DVR 1990-03-28/34, art. 23, 3°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990> (Deze
bepaling is niet van toepassing op de personen die een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd.)
<W 1994-02-02/33, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 27-09-1994> Art. 41. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven
voor zover hij geen jongeren betreft die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) <DDG 1995-03-20/34,
art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 42. Buiten de in artikel 41 bepaalde gevallen
staat de minderjarige tegen wie een van de in artikel 37, § 2, eerste lid, 6° tot 11°, bedoelde
maatregelen is genomen, tot zijn meerderjarigheid onder toezicht van de jeugdrechtbank. De jeugdrechtbank
wijst (de bevoegde sociale dienst) aan om dit toezicht uit te oefenen. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art.
42. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 4°, 003; Inwerkingtreding
: 01-05-1990> (NOTA : Bij arrest nr. 40/91 van 19 december 1991 (B.St. 17-01-1992, p. 844) heeft
het Arbitragehof art. 22, 4° vernietigd, in de mate dat die bepaling betrekking heeft op minderjarigen
die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) Art. 42. (FRANSE GEMEENSCHAP) Buiten
de in artikel 41 bepaalde gevallen staat de minderjarige tegen wie een van de in artikel 37, 3° en 4°(2)
bedoelde maatregelen is genomen, tot zijn meerderjarigheid onder toezicht van de jeugdrechtbank. De
jeugdrechtbank (draagt dit toezicht aan de dienst voor gerechtelijke bescherming op.) <DFG 1991-03-04/36,
art. 62, § 7, 005; Inwerkingtreding : 24-12-1991 Art. 42. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven
voor zover hij geen jongeren betreft die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) <DDG 1995-03-20/34,
art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 43. Ten aanzien van de in artikel 36,
4°, bedoelde personen past de rechter of de jeugdrechtbank de bepalingen van deze wet toe onverminderd
de toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke. In
geval van toepassing van de voornoemde wet van 26 juni 1990 op de personen die oorspronkelijk voor de
jeugdrechtbank waren verwezen op grond van artikel 36, 4°, wordt de beslissing van de geneesheer-diensthoofd
om de maatregel op te heffen, die overeenkomstig artikel 12, 3°, of 19 van de wet van 26 juni 1990 genomen
is, slechts uitgevoerd na een termijn van vijf werkdagen te rekenen van de dag waarop de jeugdrechtbank
hiervan is geïnformeerd. Binnen deze termijn, en zonder deze te kunnen verlengen, spreekt de rechtbank
zich uit over elke andere maatregel bedoeld in artikel 37, die zij nuttig acht. Art. 43bis
(Opgeheven) HOOFDSTUK IV. - Territoriale bevoegdheid en rechtspleging. Art. 44. Onverminderd
(bijzondere bepalingen inzake adoptie), wordt de territoriale bevoegdheid van de jeugdrechtbank bepaald
door de verblijfplaats van de ouders, voogden of degenen die de persoon beneden de achttien jaar onder
hun bewaring hebben. Wanneer dezen geen verblijfplaats in België hebben of wanneer hun verblijfplaats
onbekend is of niet vaststaat, is bevoegd de jeugdrechtbank van de plaats waar de betrokkene het als
misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, van de plaats waar hij wordt aangetroffen of van de plaats waar
de persoon verblijft of waar de inrichting gevestigd is aan wie hij door de bevoegde instanties werd
toevertrouwd. Wanneer de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig wordt gemaakt nadat de betrokkene
de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, is bevoegd de jeugdrechtbank van de plaats waar de betrokkene
zijn verblijfplaats heeft of, indien deze onbekend is of niet vaststaat, van de plaats waar het als misdrijf
omschreven feit werd gepleegd. De bevoegde jeugdrechtbank is echter : 1° die van de
verblijfplaats van de verzoeker, wanneer de artikelen 477 van het Burgerlijk Wetboek en 63, vijfde lid,
van deze wet, worden toegepast; (2° in het rechtsgebied waarvan de voogdij wordt georganiseerd
overeenkomstig de artikelen (353-10, 354-2,) 478 en 479 van het Burgerlijk Wetboek.) Indien
de ouders, voogden of degenen die een persoon beneden de leeftijd van achttien jaar onder hun bewaring
hebben tegen wie een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding is genomen, van verblijfplaats veranderen,
moeten zij daarvan, op straffe van geldboete van een frank tot vijfentwintig frank, onverwijld bericht
geven aan de jeugdrechtbank onder wier bescherming deze persoon is gesteld. De verandering van
verblijfplaats brengt mede dat de zaak wordt onttrokken aan deze rechtbank en verwezen naar de jeugdrechtbank
van het arrondissement waar de nieuwe verblijfplaats gelegen is. Het dossier wordt haar toegezonden door
de griffier van de rechtbank waaraan de zaak is onttrokken. De rechtbank waarbij de zaak aanhangig
is gemaakt, blijft echter bevoegd om uitspraak te doen in geval van verandering van verblijfplaats tijdens
het geding. Art. 45. De zaak wordt bij de jeugdrechtbank aanhangig gemaakt : 1.
(in de aangelegenheden bedoeld in titel II, hoofdstuk II, van deze wet en (in de artikelen 353-10 en
354-2) van het Burgerlijk Wetboek, en (onverminderd (de artikelen 145, 478 en 479 van het hetzelfde Wetboek
en de artikelen 1231-3, 1231-24, 1231-27 en 1231-46 van het Gerechtelijk Wetboek)), bij een verzoekschrift
ondertekend, (al naar het geval door de minderjarige, door de vader), de moeder, de voogd, de toeziende
voogd, de curator, (...), het familielid of het lid van (het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn),
of bij dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie; 2. in de aangelegenheden bedoeld
in titel II, hoofdstuk III : a) op de vordering van het openbaar ministerie of de in artikel
49, derde lid, bedoelde beschikking tot verwijzing, ten einde de onderzoekingen bedoeld in artikel 50
te verrichten en in voorkomend geval (de in artikel 52) bepaalde voorlopige maatregelen van bewaring
te bevelen; b) door vrijwillige verschijning ingevolge een met redenen omklede waarschuwing
van het openbaar ministerie of bij dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie ten einde over
de zaak zelf te beslissen, (of ten einde de zaak uit handen te geven overeenkomstig artikel 38) na de
partijen in hun middelen gehoord te hebben. (c) door het verzoekschrift bedoeld in de artikelen
37, § 3, 1° en 60, in welk geval de partijen worden opgeroepen bij gerechtsbrief, bezorgd op de
wijze bepaald in artikel 46, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek.) Art. 45bis. Ingeval
de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de minderjarige die verklaart niet te ontkennen een
als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, zich duidelijk onverschillig opstellen tegenover het
delinquent gedrag van deze laatste, en deze onverschilligheid bijdraagt tot de problemen van de minderjarige,
kan de procureur des Konings hen voorstellen een ouderstage te volgen. Dit kan enkel wanneer het volgen
van zulke ouderstage de delinquente minderjarige zelf ten goede kan komen. Art. 45ter. Ten
aanzien van de personen bedoeld in artikel 36, 4°, kan de procureur des Konings de vermoedelijke pleger
van het als misdrijf omschreven feit een waarschuwingsbrief sturen waarin hij vermeldt dat hij kennis
heeft genomen van de feiten, dat hij van oordeel is dat deze feiten ten laste van de minderjarige vaststaan
en dat hij beslist heeft het dossier te seponeren. Een kopie van de waarschuwingsbrief wordt
bezorgd aan de vader en aan de moeder, aan de voogd van de minderjarige of aan de personen die hem in
rechte of in feite onder hun bewaring hebben. De procureur des Konings kan de vermoedelijke
dader van het als misdrijf omschreven feit en zijn wettelijke vertegenwoordigers evenwel oproepen en
hen wijzen op hun wettelijke verplichtingen en de risico's die zij lopen. Art. 45quater. §
1. De procureur des Konings informeert de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven
feit te hebben gepleegd, de personen die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen, de personen die hem
in rechte of in feite onder hun bewaring hebben en het slachtoffer schriftelijk dat zij kunnen deelnemen
aan een bemiddeling en in dit kader de mogelijkheid hebben zich te wenden tot een bemiddelingsdienst
die hij aanwijst, door de gemeenschappen georganiseerd of beantwoordend aan de door de gemeenschappen
gestelde voorwaarden. De procureur des Konings kan dergelijk voorstel doen ingeval de volgende
voorwaarden vervuld zijn : 1° er bestaan ernstige aanwijzingen van schuld; 2° de betrokkene
verklaart het als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen; 3° een slachtoffer is geïdentificeerd. De
beslissing van de procureur des Konings om een dossier al dan niet te oriënteren naar een bemiddelingsprocedure
moet schriftelijk zijn en gemotiveerd worden, behalve indien hij de zaak wenst te seponeren. Behalve
in de in artikel 49, tweede lid, bedoelde gevallen, heeft de afwezigheid van dergelijke motivering tot
gevolg dat de zaak niet regelmatig aanhangig gemaakt is bij de jeugdrechtbank. Ingeval een voorstel
tot bemiddeling wordt gedaan, stelt de procureur des Konings de betrokkenen ervan in kennis dat zij : 1°
raad kunnen inwinnen bij een advocaat alvorens deel te nemen aan de bemiddeling; 2° zich kunnen
laten bijstaan door een advocaat op het ogenblik dat het akkoord dat de betrokken personen bereiken wordt
vastgelegd. De procureur des Konings laat een afschrift van de schriftelijke voorstellen toekomen
aan de aangewezen bemiddelingsdienst. Indien de betrokken personen binnen acht dagen te rekenen van de
ontvangst van het schriftelijke voorstel van de procureur des Konings geen stappen ondernomen hebben
bij de bemiddelingsdienst, neemt deze contact op met hen. Een bemiddeling kan enkel plaatsvinden
indien de personen die eraan deelnemen er uitdrukkelijk en zonder voorbehoud mee instemmen en dit blijven
doen zolang de bemiddeling loopt. § 2. Binnen twee maanden te rekenen van zijn aanwijzing
door de procureur des Konings, stelt de bemiddelingsdienst een bondig verslag betreffende de voortgang
van de bemiddeling op. Het akkoord dat de bij de bemiddeling betrokken personen hebben bereikt
wordt ondertekend door de persoon die verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd,
door de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, alsook door het slachtoffer,
en moet door de procureur des Konings worden goedgekeurd. Deze laatste kan de inhoud ervan niet wijzigen.
Hij kan alleen weigeren een akkoord goed te keuren indien het strijdig is met de openbare orde. §
3. De bemiddelingsdienst stelt een verslag op over de tenuitvoerlegging van het akkoord en richt het
aan de procureur des Konings. Het wordt bij het dossier van de procedure gevoegd. Als de in
artikel 36, 4°, bedoelde persoon het bemiddelingsakkoord volgens de erin bepaalde regels ten uitvoer
heeft gebracht, maakt de procureur des Konings daarvan proces-verbaal op en houdt hij daarmee rekening
bij zijn beslissing om de zaak al dan niet te seponeren. In dit geval doet een seponering de strafvordering
vervallen. Een afschrift van het proces-verbaal wordt overhandigd aan de dader van het als misdrijf
omschreven feit, aan de personen die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen, aan het slachtoffer evenals
aan de dienst bemiddeling. Ingeval de overhandiging niet heeft kunnen plaatsvinden, wordt het afschrift
van het proces-verbaal bij gerechtsbrief ter kennis gebracht. § 4. Indien de bemiddeling
geen resultaat oplevert, kan noch de erkenning van de feiten door de jongere, noch het verloop of het
resultaat van de bemiddeling door de gerechtelijke overheden of enige andere persoon worden gebruikt
ten nadele van de jongere. De documenten die worden opgemaakt en de mededelingen die worden
gedaan in het kader van de tussenkomst van de bemiddelingsdienst zijn vertrouwelijk met uitzondering
van datgene waarmee de partijen instemmen om het ter kennis van de gerechtelijke instanties te brengen.
Ze kunnen niet worden aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale
of enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs
niet als buitengerechtelijke bekentenis. Art. 46. (NOTA : Het Arbitragehof heeft door
zijn arrest nr. 122/98 van 3 december 1998 voor recht gezegd dat dit artikel de artikelen 10 en 11 van
de Grondwet schendt, in zoverre dat in de in artikel 36, 2°, van de voormelde wet bedoelde procedures,
de opvangouders niet in de zaak worden opgeroepen en hun tussenkomst niet is toegestaan. B.St. 20-01-1999,
p. 1635-1638) De dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie of de waarschuwing die het geeft
moet, op straffe van nietigheid, worden gericht aan de ouders, opvangouders, voogden of degenen die de
minderjarige onder hun bewaring hebben en aan de minderjarige zelf indien de rechtsvordering tot doel
heeft zijn ontvoogding te doen intrekken of ten aanzien van hem een van de maatregelen bedoeld in titel
II, hoofdstuk III, afdeling II, te doen nemen of wijzigen en hij ten minste twaalf jaar oud is. (Als
een persoon bedoeld in artikel 36, 4°, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt op het ogenblik dat
de vordering wordt ingesteld, zal de in het vorige lid bedoelde dagvaarding of waarschuwing worden gericht
aan die persoon die, wegens zijn minderjarigheid, voor hem burgerrechtelijk aansprakelijk waren. Onverminderd
de bepaling van artikel 184, derde lid, van het Wetboek van strafvordering, moet, op straffe van nietigheid
van het vonnis dat door de rechtbank ten aanzien van de gedagvaarde partij bij verstek wordt uitgesproken,
tussen de dagvaarding en de verschijning een termijn van ten minste tien dagen in acht worden genomen
die niet kan worden verlengd wegens de afstand.) Art. 46bis. Ten aanzien van de persoon
bedoeld in artikel 36, 4° die voor de procureur des Konings wordt gebracht of die zich bij hem meldt,
alsook ten aanzien van enig ander persoon bedoeld in artikel 46 die zich bij hem meldt, kan de in artikel
45, 2, b), bedoelde dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie worden gedaan door de kennisgeving
van een oproeping tot verschijning voor de jeugdrechtbank binnen een termijn welke niet korter mag zijn
dan die bepaald in artikel 46, derde lid, en twee maanden niet te boven mag gaan, en door de overhandiging
aan de betrokkene van een kopie van het proces-verbaal waarin die kennisgeving is vermeld. In
de oproeping worden de feiten vermeld waarop de rechtsvordering is gegrond, alsook de plaats, de dag
en het uur van de terechtzitting. Art. 47. Het is niet geoorloofd zich burgerlijke
partij te stellen bij rechtstreekse dagvaarding voor de jeugdrechtbank. Ten aanzien van minderjarigen
die onder de jeugdrechtbank ressorteren, kunnen de openbare besturen de vervolgingen die tot hun bevoegdheid
behoren, slechts instellen door klacht in te dienen bij de procureur des Konings; deze alleen kan de
zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig maken. Het verval van de strafvordering ten aanzien van
de in artikel 36, 4, bedoelde persoon, ingevolge de tenuitvoerlegging van een in artikel 45quater bedoelde
bemiddeling doet geen afbreuk aan de rechten van de slachtoffers en van de in hun rechten gesubrogeerde
personen om een schadevergoeding te verkrijgen, mits het slachtoffer niet heeft deelgenomen aan de bemiddeling
of heeft deelgenomen aan een bemiddeling waarvan het akkoord uitdrukkelijk aangeeft dat niet volledig
tegemoetgekomen is aan de materiële gevolgen van het als misdrijf omschreven feit. Tegenover hen wordt
de fout van de dader van het als misdrijf omschreven feit onweerlegbaar vermoed. Art. 48. §
1. In de rechtsplegingen bedoeld in titel II, hoofdstuk III, eerste afdeling, maakt iedere ouder of persoon
die een jongere onder zijn bewaring heeft, het voorwerp uit van een onderscheiden rechtspleging. Die
rechtsplegingen kunnen alleen tijdens de voorbereidende rechtspleging met andere rechtsplegingen worden
samengevoegd. De stukken welke gegevens bevatten betreffende elk van de ouders of personen die de betrokkene
onder hun bewaring hebben, moeten gescheiden blijven van de andere procedurestukken. Zij mogen niet aan
de andere partijen worden medegedeeld. Tijdens de duur van de voorbereidende rechtspleging kan
het openbaar ministerie de mededeling van deze stukken aan de partijen weigeren, indien het oordeelt
dat deze mededeling de belangen van de betrokken personen kan schaden. § 2. Indien in
de rechtsplegingen bedoeld in titel II, hoofdstuk III, afdeling 2, het feit gepleegd door de persoon
beneden de achttien jaar samenhangt met een misdrijf dat begaan zou zijn door een of meer personen die
niet aan de rechtsmacht van de jeugdrechtbank zijn onderworpen, worden de vervolgingen gesplitst zodra
zulks zonder nadeel voor het vooronderzoek of voor het gerechtelijk onderzoek kan geschieden. De
vervolgingen kunnen worden samengevoegd indien de jeugdrechtbank overeenkomstig artikel 38 de zaak uit
handen heeft gegeven. Art. 48bis. § 1. Ingeval een minderjarige ingevolge zijn
aanhouding van zijn vrijheid is beroofd of in vrijheid is gesteld tegen de belofte om te verschijnen
of tegen een ondertekende verbintenis, moet de voor zijn vrijheidsberoving verantwoordelijke politieambtenaar
zo snel mogelijk de vader en de moeder van de minderjarige, diens voogd of de personen die hem in rechte
of in feite in bewaring hebben, schriftelijk of mondeling in kennis stellen of laten stellen van de aanhouding,
van de redenen hiervoor, alsook van de plaats waar de minderjarige wordt opgesloten. Indien de minderjarige
gehuwd is, moet het bericht aan diens echtgenoot worden gegeven in plaats van aan bovengenoemde personen. §
2. Als het bericht niet conform dit artikel is gegeven en niemand van degenen aan wie het had kunnen
zijn gegeven, zich bij de jeugdrechtbank, waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, heeft aangemeld, kan
de jeugdrechtbank hetzij de zaak uitstellen en bevelen dat bericht wordt gegeven aan de persoon die zij
aanwijst, hetzij de zaak behandelen als zij dergelijk bericht niet noodzakelijk acht. In dit geval vermeldt
zij in haar vonnis de redenen die aan haar beslissing ten grondslag liggen. Art. 49. Alleen
in uitzonderingsomstandigheden en in geval van volstrekte noodzaak wordt de zaak bij vordering van het
openbaar ministerie bij de onderzoeksrechter aanhangig gemaakt of treedt deze ambtshalve op in geval
van ontdekking op heterdaad. (In spoedeisende gevallen kan de onderzoeksrechter ten aanzien
van de persoon (die vóór de leeftijd van achttien jaar een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd,
zelfs indien de vordering van het openbaar ministerie wordt ingesteld nadat deze persoon de leeftijd
van achttien jaar heeft bereikt,) een van de in (de artikel 52) bedoelde maatregelen van bewaring nemen,
onverminderd de verplichting daarvan gelijktijdig en schriftelijk bericht te geven aan de jeugdrechtbank,
die alsdan haar bevoegdheden uitoefent en binnen twee werkdagen uitspraak doet, overeenkomstig de artikelen
52ter en 52quater.) De betrokkene heeft, telkens hij voor de onderzoeksrechter verschijnt,
recht op bijstand van een advocaat. Deze advocaat wordt, in voorkomend geval, aangewezen overeenkomstig
artikel 54bis. De onderzoeksrechter kan evenwel een afzonderlijk onderhoud met de betrokkene hebben. Als
het onderzoek is geëindigd, neemt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een
beschikking tot buitenvervolgingstelling of een beschikking tot verwijzing naar de jeugdrechtbank. (Deze
beschikking wordt uitgesproken na een debat tussen de partijen en nadat de persoon beneden de achttien
jaar, de vader en de moeder en de burgerlijke partijen inzage hebben kunnen nemen van het dossier met
betrekking tot de feiten, neergelegd ter griffie ten minste 48 uren vóór de debatten.) (Het
derde lid verhindert niet dat het openbaar ministerie een vordering tot uit handen geven als bedoeld
in 38 aanhangig maakt bij de jeugdrechtbank. De jeugdrechtbank vonnist in de staat van de procedure.) Art.
50. De jeugdrechtbank treft alle maatregelen en doet het onderzoek verrichten dat nodig is om
de persoonlijkheid van de betrokkene en het milieu waarin hij wordt grootgebracht, te kennen en om uit
te maken wat zijn belang is en welke middelen voor zijn opvoeding of behandeling geschikt zijn. Zij
kan een maatschappelijk onderzoek doen verrichten, door bemiddeling van de bevoegde sociale dienst, en
de betrokkene aan een medisch-psychologisch onderzoek onderwerpen, indien zij het haar meegedeelde dossier
niet voldoende acht. Indien de jeugdrechtbank een maatschappelijk onderzoek doet verrichten,
kan zij, behoudens in spoedeisende gevallen, haar beslissing eerst nemen of wijzigen, na kennis genomen
te hebben van het advies van de bevoegde sociale dienst, tenzij dit advies haar niet bereikt binnen de
door haar bepaalde termijn, die niet meer dan vijfenzeventig dagen mag bedragen. Art. 51. §
1. Zodra een als misdrijf omschreven feit bij de rechtbank aanhangig is gemaakt, informeert de rechtbank
de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de betrokkene en, desgevallend, de personen die hem
in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, teneinde hen de mogelijkheid te bieden aanwezig te zijn. §
2. (Wanneer de zaak eenmaal aanhangig is bij de jeugdrechtbank, kan deze te allen tijde de betrokkene,
de ouders, de voogden, degenen die hem onder hun bewaring hebben, evenals iedere andere persoon oproepen,
onverminderd artikel 458 van het Strafwetboek, artikel 156 van het Wetboek van strafvordering en artikel
931 van het Gerechtelijk Wetboek.) In de aangelegenheden bedoeld (in de artikelen 145, 148,
302, 353-10, 354-2,) 373, 374, (375, 376, 377, 379), en 477 van het Burgerlijk Wetboek, worden de vader,
de moeder en eventueel de persoon aan wie de bewaring van het kind is toevertrouwd, voor de rechtbank
opgeroepen door de griffier. In de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 485 van het Burgerlijk Wetboek,
(...), (43, 45, 46 en 46bis van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten, gewijzigd bij de
wet van 30 maart 1981), worden de verzoeker, de vader, de moeder of de voogd en de minderjarige voor
de rechtbank opgeroepen door de griffier; bij de oproeping van degene of degenen van hen die geen verzoek
heeft of hebben ingediend, wordt een gelijkluidend afschrift van de vordering gevoegd. Indien,
in de andere aangelegenheden, de betrokkene of de personen die ten aanzien van de minderjarige het ouderlijk
gezag uitoefenen, op de oproeping niet verschijnen en deze personen dit niet kunnen rechtvaardigen, kunnen
zij door de jeugdrechtbank worden veroordeeld tot een geldboete van één euro tot honderdvijftig euro. De
in het derde lid bedoelde personen die veroordeeld zijn tot een geldboete, en die, op een tweede uitnodiging
om te verschijnen, ten overstaan van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank wettige redenen tot verschoning
voorleggen, kunnen, op advies van het openbaar ministerie, ontheffing van de geldboete verkrijgen. Art.
52. Gedurende een rechtspleging strekkende tot de toepassing van een der maatregelen bedoeld
in titel II, hoofdstuk III, neemt de jeugdrechtbank voorlopig ten aanzien van betrokkene de nodige maatregelen
van bewaring. Zij kan ofwel hem in zijn leefomgeving laten en hem in voorkomend geval onderwerpen
aan het in artikel 37, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde toezicht of aan een in artikel 37, §
2bis, uitgezonderd 2° en 3°, opgesomde voorwaarde ofwel voorlopig een van de maatregelen nemen bedoeld
in artikel 37, § 2, eerste lid, 7° tot 11°, in voorkomend geval op cumulatieve wijze. De
maatregel bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 9°, wordt steeds genomen met het oog op een
medisch-psychologische evaluatie. Teneinde de in artikel 50 bedoelde onderzoeksmaatregelen te
kunnen uitvoeren, kan de rechtbank de voorlopige maatregel van bewaring die erin bestaat de betrokkene
in zijn leefomgeving te laten en te onderwerpen aan het in artikel 37, § 2, eerste lid, 2° bedoelde
toezicht, gepaard laten gaan met de voorwaarde een prestatie van algemeen nut te leveren in verhouding
tot zijn leeftijd en zijn vaardigheden. De prestatie van algemeen nut, opgelegd overeenkomstig dit artikel,
mag niet meer dan 30 uur bedragen. Om de in het tweede lid bedoelde beslissing te nemen, houdt
de jeugdrechtbank rekening met de in artikel 37, § 1, tweede lid bedoelde factoren. Er wordt tevens
rekening gehouden met de mate waarin de behandelingswijzen, de opvoedingsprogramma's of enige andere
middelen daartoe beschikbaar zijn, alsmede met het voordeel dat de betrokkene daaruit zou kunnen putten. Deze
voorlopige maatregelen mogen enkel voor een zo kort mogelijke duur worden genomen, wanneer er voldoende
ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, en slechts wanneer de finaliteit van de voorlopige maatregel
op geen andere manier kan worden bereikt. Geen enkele voorlopige maatregel kan worden genomen
met het oog op de onmiddellijke bestraffing noch met het oog op de uitoefening van enige vorm van dwang. (Wanneer
de jeugdrechtbank ten aanzien van een persoon die een als misdrijf gekwalificeerd feit heeft gepleegd,
voorlopig een van de maatregelen neemt bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°, kan zij, omwille
van de noodwendigheden van het opsporingsonderzoek of van het gerechtelijk onderzoek en voor een hernieuwbare
termijn van maximum drie kalenderdagen, bij gemotiveerde beslissing de jongere vrij verkeer verbieden
met de personen die zij bij naam aanwijst, zijn advocaat uitgezonderd. (Wanneer bij de jeugdrechtbank
de zaak aanhangig is van een persoon die vóór de leeftijd van achttien jaar een als misdrijf omschreven
feit heeft gepleegd, kan zij, zelfs indien de vordering van het openbaar ministerie wordt ingesteld nadat
deze persoon de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, voorlopige maatregelen opleggen of handhaven
die uiterlijk kunnen duren tot de betrokkene de leeftijd van twintig jaar heeft bereikt.) (De
bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de kinderen van personen wier ontzetting van het
ouderlijk gezag wordt vervolgd.) GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 52. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven
behalve ten aanzien van minderjarigen die wegens een als misdrijf omschreven feit worden vervolgd) <DVR
1990-03-28/34, art. 22, 5°, 003; Inwerkingtreding : 27-09-1994> Art. 52. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven
voor wat betreft de minderjarigen in gevaar, hen tegen wie ouderlijke klachten wegens wangedrag zijn
ingediend en hen die bedelend of zwervend worden aangetroffen, met inbegrip van de kinderen van personen
wier ontzetting van de ouderlijke macht wordt vervolgd.) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 9, 005;
Inwerkingtreding : 07-12-1994> (NOTA : Bij arrest nr 4/93 van 21 januari 1993 (B.St. 04-02-1993,
p. 2265) heeft het Arbitragehof de woorden "met inbegrip van de kinderen van personen wier ontzetting
van de ouderlijke macht wordt vervolgd" vernietigd) Art. 52. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven
voor zover de bepaling geen jongeren betreft die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) <DDG
1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 52bis. Buiten de gevallen
bedoeld in artikel 52quater, zevende en achtste lid, is de duur van de voorbereidende rechtspleging beperkt
tot zes maanden, te rekenen van de vordering bedoeld in artikel 45.2.a), tot aan de mededeling van het
dossier aan het openbaar ministerie na het afsluiten van de navorsing. Het openbaar ministerie beschikt
vervolgens over een termijn van twee maanden om de betrokkene te dagvaarden om voor de jeugdrechtbank
te verschijnen. De termijn van zes maanden wordt geschorst tussen de akte van hoger beroep en
het arrest. Art. 52ter. In de gevallen bedoeld in artikel 52 moet de jongere die de
leeftijd van twaalf jaar bereikt heeft, vóór enige maatregel wordt getroffen door de jeugdrechter, persoonlijk
worden gehoord, tenzij hij niet gevonden kan worden, zijn gezondheidstoestand het niet toelaat of indien
hij weigert te verschijnen. De betrokkene heeft, telkens als hij voor de jeugdrechtbank verschijnt,
recht op bijstand van een advocaat. Deze advocaat wordt, in voorkomend geval, aangewezen overeenkomstig
artikel 54bis. Behoudens de gevallen waarin de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig is overeenkomstig
artikel 45.2.b) of c), kan de jeugdrechter evenwel een afzonderlijk onderhoud met de betrokkene hebben. De
beschikking omvat een samenvatting van de elementen die betrekking hebben op zijn persoonlijkheid of
op zijn milieu, welke de beslissing rechtvaardigen, en, in voorkomend geval, een samenvatting van de
ten laste gelegde feiten. Zij maakt tevens melding van het feit dat de betrokkene werd gehoord of van
de redenen waarom dit niet gebeurde. Na het verhoor van de betrokkene, wordt hem een afschrift
van de beschikking overhandigd, evenals zijn vader en moeder, voogden of personen die de betrokkene onder
hun bewaring hebben, indien deze ter terechtzitting aanwezig zijn. In de gevallen waar deze overhandiging
niet heeft kunnen plaatshebben, wordt de beslissing bij gerechtsbrief ter kennis gebracht. Het afschrift
van de beschikking vermeldt de rechtsmiddelen die ertegen open staan evenals de vormen en termijnen die
terzake moeten worden nageleefd. De termijn voor hoger beroep loopt vanaf de overhandiging van het afschrift
of vanaf de dag dat de betrokkene bij gerechtsbrief kennis heeft gekregen van de kennisgeving. De
maatregelen bedoeld in artikel 52 zijn niet vatbaar voor verzet. In geval van hoger beroep doet
de jeugdkamer van het hof van beroep uitspraak binnen uiterlijk twee maanden, te rekenen van de akte
van hoger beroep. Art. 52quater. Voor wat betreft de personen bedoeld in artikel 36,
4°, kan de rechter of de jeugdrechtbank, naar gelang van het geval, in de gevallen bedoeld in de artikelen
52, 52bis en 52ter, een maatregel van bewaring bevelen, voor een termijn van ten hoogste drie maanden,
in een gesloten opvoedingsafdeling, ingericht door de bevoegde overheden. Deze beslissing kan
enkel worden genomen indien voldaan is aan de volgende voorwaarden : 1° er bestaan ernstige
aanwijzingen van schuld; 2° de betrokkene geeft blijk van een gedrag dat voor hemzelf of voor
anderen gevaarlijk is; 3° er bestaan ernstige redenen om te vrezen dat de betrokkene, indien
hij opnieuw in vrijheid wordt gesteld, nieuwe misdaden of wanbedrijven pleegt, zich aan het gerecht onttrekt,
bewijsmateriaal probeert te doen verdwijnen of tot een heimelijke verstandhouding komt met derden. Bovendien
is het verlaten van de instelling door de betrokkene onderworpen aan volgende voorwaarden : 1°
het verlaten van de instelling om te verschijnen voor de rechtbank, om redenen van medische noodzaak
of om een begrafenis in België bij te wonen in geval van overlijden van een familielid tot en met de
tweede graad, is niet ondergeschikt aan een toelating door de jeugdrechter of jeugdrechtbank. De instelling
informeert de jeugdrechter of de jeugdrechtbank evenwel voorafgaandelijk per fax van elke uitstap in
deze zin. De Koning kan bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit deze regel uitbreiden tot andere
soorten uitstappen; 2° de soorten uitstappen die beschreven staan in het pedagogisch project
dat de openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank
meedeelt met vermelding van de soorten omkadering per soort uitstap, kunnen worden verboden door de jeugdrechter
of de jeugdrechtbank, bij gemotiveerde beslissing voor één of meer van de redenen genoemd in het vierde
lid. Het verbod kan ook beperkt worden tot slechts enkele soorten activiteiten en kan verband houden
met een onvoldoende omkadering; 3° voor het verlaten van de instelling in het kader van activiteiten
die niet uitdrukkelijk deel uitmaken van het pedagogisch project van de openbare gemeenschapsinstelling
voor jeugdbescherming, moet geval per geval een verzoek aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank worden
gericht, waarin de voorziene soort omkadering nader wordt omschreven. De aanvraag gebeurt uiterlijk vijf
werkdagen voor aanvang van de activiteit. De jeugdrechter of jeugdrechtbank doet uitspraak binnen de
vier werkdagen. Een afschrift van het verzoek wordt onverwijld door de griffie aan het openbaar ministerie
bezorgd. Van de beslissing van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank wordt aan de openbare gemeenschapsinstelling
voor jeugdbescherming kennis gegeven per fax. Een afschrift van de beslissing wordt binnen de 24 uur
door de griffie aan het openbaar ministerie bezorgd. Ingeval de jeugdrechter of de jeugdrechtbank verbiedt
om de instelling te verlaten, vermeldt hij de redenen van dit verbod die steunen op een of meer van volgende
redenen : 1° de betrokkene geeft blijk van een gedrag dat voor hemzelf of voor anderen gevaarlijk
is; 2° er bestaan ernstige redenen om te vrezen dat de betrokkene, indien hij opnieuw in vrijheid
wordt gesteld, nieuwe misdaden of wanbedrijven pleegt, zich aan het gerecht onttrekt, bewijsmateriaal
probeert te doen verdwijnen of tot een heimelijke verstandhouding komt met derden; 3° het belang
van een slachtoffer of zijn omgeving vereist dit verbod. De jeugdrechter of jeugdrechtbank kan de dienst
slachtofferonthaal verzoeken om een slachtofferfiche op te stellen. Het hoger beroep van het
openbaar ministerie tegen een uitstap genoemd in lid 3, 2° of 3°, is opschortend gedurende vijftien dagen
te rekenen vanaf de akte van hoger beroep. Hoger beroep tegen een uitstap genoemd in lid 3, 2°, moet
worden ingesteld binnen een termijn van achtenveertig uren, die begint te lopen vanaf de mededeling van
de beslissing van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank om de jongere toe te vertrouwen aan een openbare
gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, in gesloten opvoedingsafdeling. Het openbaar ministerie
brengt de betrokken openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming er onverwijld van op de hoogte. De
jeugdrechter of jeugdrechtbank kan ten allen tijde, hetzij ambtshalve hetzij op vordering van het openbaar
ministerie, de beslissing bedoeld in het derde lid, 2° en 3°, wijzigen. Deze maatregelen kunnen
slechts eenmaal en na kennisgeving van het door de instelling opgestelde medisch-psychisch verslag worden
verlengd nadat de betrokkene en zijn raadsman werden gehoord. Niettemin kunnen de voormelde
maatregelen elke maand worden verlengd bij gemotiveerde beslissing van, naar gelang van het geval, de
rechter of de jeugdrechtbank. De beslissing moet gegrond zijn op ernstige en uitzonderlijke omstandigheden
die betrekking hebben op de vereisten van de openbare veiligheid of eigen zijn aan de persoonlijkheid
van de betrokkene en die de handhaving van deze maatregelen noodzakelijk maken. De betrokkene, zijn raadsman
en de directeur van de instelling worden vooraf gehoord. Hoger beroep tegen de beschikkingen
of vonnissen bedoeld in de vorige leden moet ingesteld worden binnen een termijn van achtenveertig uren,
die ten aanzien van het openbaar ministerie loopt vanaf de mededeling van de beschikking of van het vonnis
en ten aanzien van de andere partijen in het geding vanaf het vervullen van de vormvereisten bedoeld
in artikel 52ter, vierde lid. Het beroep kan worden ingesteld door een verklaring aan de directeur van
de instelling of aan de persoon die de directeur hiertoe aanstelt. De directeur schrijft de beroepen
in een genummerd en geparafeerd register in. Hij geeft er onmiddellijk kennis van aan de griffie van
de bevoegde rechtbank en zendt haar per aangetekende brief een uittreksel van het register. De
jeugdkamer van het hof van beroep behandelt de zaak en doet uitspraak binnen vijftien werkdagen te rekenen
van de akte van hoger beroep. Na het verstrijken van deze termijn vervalt de maatregel. De termijn wordt
geschorst tijdens de duur van het uitstel toegekend op verzoek van de verdediging. (De termijn
van dagvaarding voor het Hof bedraagt drie dagen.) Art. 52quinquies. Gedurende een
rechtspleging strekkende tot de toepassing van een van de in titel II, hoofdstuk III, bedoelde maatregelen,
kan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een bemiddeling voorstellen overeenkomstig de bij de artikelen
37bis tot 37quinquies bepaalde regels. Art. 53. (NOTA : opgeheven ten aanzien van
minderjarigen die wegens een als misdrijf omschreven feit worden vervolgd.) Indien het feitelijk
onmogelijk is een particulier of een instelling te vinden die de minderjarige dadelijk kan opnemen, en
alzo de in artikel 52 bedoelde maatregelen niet kunnen worden ten uitvoer gelegd, mag de minderjarige
voorlopig, maar voor niet langer dan vijftien dagen, in een huis van arrest worden bewaard. (De
maatregel bedoeld in het eerste lid kan slechts toegepast worden ten aanzien van personen die ervan verdacht
worden een feit te hebben gepleegd, strafbaar met een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar
of met een zwaardere straf, in de zin van het Strafwetboek of van de aanvullende wetten en voorzover
zij, op het ogenblik van de feiten, de leeftijd van veertien jaar hebben bereikt. In geval van
hoger beroep zijn de bepalingen van artikel 52quater, zesde en zevende lid, van toepassing, behalve dat
de termijn waarbinnen uitspraak in beroep moet worden gedaan, teruggebracht wordt tot vijf werkdagen
te rekenen van de akte van hoger beroep. (De termijn van dagvaarding voor het Hof bedraagt één dag.) De
maatregel van bewaring bedoeld in het eerste lid kan door de jeugdrechter slechts éénmaal bevolen worden
in de loop van een zelfde procedure, afgezien van de mogelijkheid van de jeugdrechtbank om andere voorlopige
maatregelen te bevelen. Dit artikel is mede van toepassing op de personen bedoeld in artikel
37, § 3, 2°.) De minderjarige die in een huis van arrest wordt bewaard, wordt van de
aldaar gedetineerde volwassenen afgezonderd. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 53. (VLAAMSE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven behalve ten aanzien van minderjarigen die wegens een als misdrijf omschreven
feit worden vervolgd) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 5°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art.
53. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven voor wat betreft de minderjarigen in gevaar, hen tegen wie
ouderlijke klachten wegens wangedrag zijn ingediend en hen die bedelend of zwervend worden aangetroffen,
met inbegrip van de kinderen van personen wier ontzetting van de ouderlijke macht wordt vervolgd) <DFG
1991-03-04/36, art. 62, § 9, 005; Inwerkingtreding : 07-12-1994> (NOTA : Bij arrest nr
4/93 van 21 januari 1993 (B.S. 04-02-1993, p. 2265) heeft het Arbitragehof de woorden "met inbegrip van
de kinderen van personen wier ontzetting van de ouderlijke macht wordt vervolgd" vernietigd) Art.
53. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven voorzover de bepaling geen jongeren betreft die een
als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art.
53bis (Opgeheven) Art. 54. (Behalve in de gevallen bepaald in titel II, hoofdstuk
III, (...) waarin zij in persoon moeten verschijnen, mogen de partijen zich door een advocaat laten vertegenwoordigen.) De
jeugdrechtbank kan te allen tijde bevelen dat de partijen persoonlijk verschijnen. Zij kan tevens al
degenen oproepen die de minderjarige onder hun bewaring hebben. Art. 54bis. §
1. Wanneer een persoon beneden de achttien jaar partij is in het geding en geen advocaat heeft, wordt
er hem ambtshalve een toegewezen. Wanneer de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig is met toepassing
van artikel 45.2.a) of b), of van artikel 63ter, a) of c), geeft het openbaar ministerie hiervan onverwijld
kennis aan de stafhouder van de orde van advocaten. Dit bericht wordt gelijktijdig verzonden met de vordering,
de dagvaarding of de met redenen omklede waarschuwing, al naar gelang het geval. De stafhouder of het
bureau voor consultatie en verdediging gaat over tot de toewijzing, uiterlijk binnen twee werkdagen te
rekenen van dit bericht. § 2. Het openbaar ministerie zendt aan de jeugdrechtbank waarbij
de zaak aanhangig is gemaakt, afschrift van het bericht van de kennisgeving aan de stafhouder. §
3. De stafhouder of het bureau voor consultatie en verdediging ziet erop toe, indien er tegenstrijdige
belangen zijn, dat de betrokkene verdedigd wordt door een andere advocaat dan diegene op wie zijn vader
en moeder, voogden of personen die hem onder hun bewaring hebben of die bekleed zijn met een vorderingsrecht,
beroep gedaan zouden hebben. Art. 55. Wanneer een zaak als bedoeld in titel II, hoofdstuk
III, bij de jeugdrechtbank aanhangig is gemaakt, wordt aan de partijen en aan hun advocaat kennis gegeven
van de neerlegging van het dossier ter griffie waar ze er vanaf het ogenblik van de betekening van de
dagvaarding inzage kunnen van nemen. De partijen en hun advocaat kunnen eveneens kennis nemen
van het dossier wanneer het openbaar ministerie het opleggen van een maatregel bedoeld in de artikelen
52 en 53 vordert, alsmede gedurende de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen de beschikkingen
waarbij zulke maatregelen worden opgelegd. De stukken die betrekking hebben op de persoonlijkheid
van de betrokkene en op het milieu waarin hij leeft, mogen echter noch aan hem noch aan de burgerlijke
partij medegedeeld worden. Het volledig dossier, die stukken inbegrepen, moet ter beschikking gesteld
worden van de advocaat van de betrokkene wanneer deze laatste partij is in het geding. Art.
56. (In de aangelegenheden bedoeld in titel II, hoofdstuk III, eerste afdeling, worden de betrokken
minderjarigen niet als partijen in het debat beschouwd, behalve wanneer te hunnen opzichte maatregelen
worden genomen als bepaald in artikel 52.) In de zaken bedoeld in titel II, hoofdstuk III, afdeling
II, wordt het geval van elke minderjarige afzonderlijk onderzocht. Geen andere minderjarige mag daarbij
aanwezig zijn, behalve gedurende de voor eventuele confrontaties nodige tijd. Art. 56bis. De
jeugdrechtbank moet de persoon die minstens de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, oproepen teneinde
gehoord te worden in geschillen tussen personen aan wie het ouderlijk gezag over de betrokkene is toevertrouwd,
wanneer punten worden behandeld die betrekking hebben op het gezag over zijn persoon, het beheer van
zijn goederen, de uitoefening van het bezoekrecht of de aanwijzing van de in artikel 34 bedoelde persoon. Art.
57. De jeugdrechtbank kan zich tijdens de debatten te allen tijde in raadkamer terugtrekken
om de deskundigen en de getuigen, de ouders, voogden of degenen die de betrokkene onder hun bewaring
hebben, omtrent diens persoonlijkheid te horen. De minderjarige is niet aanwezig bij de debatten
in raadkamer. De rechtbank kan hem echter laten roepen indien zij dit geraden acht. De debatten
in raadkamer mogen slechts plaatsvinden in aanwezigheid van de advocaat van de betrokkene. Art.
58. De beslissingen van de jeugdrechtbank gewezen in de aangelegenheden bedoeld in titel II,
hoofdstukken III en IV, zijn, binnen de wettelijke termijnen, vatbaar voor hoger beroep door het openbaar
ministerie en voor verzet en hoger beroep door alle andere in het geding betrokken partijen (onverminderd
de bepalingen van de artikelen 52, 52quater, negende lid, en 53, derde lid). De vonnissen gewezen
in de aangelegenheden bedoeld in titel II, hoofdstuk II, zijn niet vatbaar voor verzet. Hoger beroep
wordt bij verzoekschrift ingesteld ter griffie van het hof van beroep (...); (...). De griffier van de
jeugdkamer roept voor die kamer de partijen op die opgeroepen waren voor de jeugdrechtbank; hij voegt
bij de oproeping voor de andere partijen dan de verzoeker, een gelijkluidend afschrift van het verzoekschrift. De
medewerking van pleitbezorgers bij het hof is niet vereist. De jeugdrechtbank kan de voorlopige
tenuitvoerlegging van haar beslissingen bevelen, behalve wat de kosten betreft. Art. 59. De
rechter in hoger beroep kan de in (de artikel 52) bedoelde voorlopige maatregelen nemen. De
vroeger door de jeugdrechtbank genomen voorlopige maatregelen blijven gehandhaafd zolang ze niet door
het gerecht in hoger beroep zijn gewijzigd. Art. 60. De jeugdrechtbank kan te allen
tijde, ambtshalve (op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de bevoegde instanties
zoals bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 7° tot 11°), de maatregelen genomen zowel ten aanzien
van de vader, moeder of degenen die de minderjarige onder hun bewaring hebben als ten aanzien van de
minderjarige zelf, intrekken of wijzigen, (...), en binnen de perken van deze wet optreden in het belang
van de betrokkene. De vader, moeder, voogden of degenen die de betrokkene onder hun bewaring
hebben, alsmede de betrokkene tegen wie de maatregel is genomen, kunnen zich met dat doel bij verzoekschrift
tot de jeugdrechtbank wenden, nadat één jaar verstreken is sedert de dag waarop de beslissing waarbij
de maatregel is bevolen, definitief is geworden. Indien dit verzoekschrift wordt afgewezen, kan het niet
worden hernieuwd voordat één jaar verstreken is sedert de dag waarop de afwijzende beslissing definitief
is geworden. In de bij artikel 37quinquies, § 3, bepaalde gevallen geldt de eerstgenoemde wachttermijn
van één jaar niet. De betrokkene en zijn vader, moeder, voogden of degenen die de betrokkene
in rechte of in feite onder hun bewaring hebben kunnen, via gemotiveerd verzoekschrift, de herziening
vragen van de voorlopige maatregel bepaald in artikel 52quater na een termijn van één maand vanaf de
dag waarop de beslissing definitief werd. De griffie bezorgt het openbaar ministerie onverwijld een afschrift
van het verzoekschrift. De rechter hoort de jongere en zijn wettelijke vertegenwoordigers, alsmede het
openbaar ministerie ingeval het erom verzoekt. De verzoeker mag geen nieuw verzoekschrift indienen dat
hetzelfde voorwerp heeft alvorens een termijn van één maand is verstreken vanaf de datum van de laatste
beslissing houdende verwerping van zijn verzoek. (Iedere maatregel zoals bedoeld in artikel
37, § 2, eerste lid, uitgezonderd 1° en 8°, en bevolen bij vonnis, moet opnieuw worden onderzocht,
ten einde te worden bevestigd, ingetrokken of gewijzigd vóór het verstrijken van een termijn van een
jaar te rekenen van de dag waarop de beslissing definitief is geworden. Deze procedure wordt ingeleid
door het openbare ministerie overeenkomstig de in artikel 45, 2 b) en c), genoemde vormvereisten. Onverminderd
artikel 37, § 2, vierde lid, moet de in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°, bedoelde maatregel,
die bij vonnis bevolen is, opnieuw worden onderzocht teneinde te worden bevestigd, ingetrokken of gewijzigd
vóór het verstrijken van een termijn van zes maanden te rekenen van de dag waarop de beslissing definitief
is geworden. Deze procedure wordt ingeleid volgens de bij het vierde lid bepaalde vormvereisten. De
in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°,10° en 11°, genoemde bevoegde instanties sturen om het kwartaal
aan de jeugdrechtbank een evaluatieverslag over de persoon die het voorwerp heeft uitgemaakt van een
beslissing die een maatregel van bewaring in een gesloten opvoedingsafdeling oplegt.) GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 60. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (NOTA : Voor de Vlaamse Gemeenschap worden,
in art. 60, eerste lid, de woorden "de maatregelen genomen" vervangen door de woorden "de genomen maatregelen"
behalve ten aanzien van minderjarigen die een wegens een als misdrijf omschreven feit worden vervolgd.
In hetzelfde lid worden, behalve ten aanzien van voornoemde minderjarigen, de woorden "zowel ten aanzien
van de vader of de moeder of degenen die de minderjarige onder hun bewaring hebben als ten aanzien van
de minderjarige zelf" en de woorden "of wijzigen", evenals de woorden "de terbeschikkingstelling van
de Regering uitgezonderd" geschrapt. Het woord "Regering" wordt vervangen door de woorden "Vlaamse Executieve"
<DVR 1990-03-28/34, art. 23, 4°, 003; Inwerkingtreding : 27-09-1994>) Art. 60. (DUITSTALIGE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven voor zover hij geen jongeren betreffen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 61. Ingeval
het als misdrijf omschreven feit bewezen is, veroordeelt de jeugdrechtbank de betrokkene tot de kosten
en, indien daartoe grond bestaat, tot teruggave. Bijzondere verbeurdverklaring kan worden uitgesproken. In
hetzelfde geval doet de jeugdrechtbank waarbij de burgerlijke vordering aanhangig is gemaakt, uitspraak
over deze vordering of houdt de behandeling daarvan aan tot een latere datum. Zij doet terzelfder tijd
uitspraak over de kosten. De personen die hetzij krachtens artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek,
hetzij krachtens een bijzondere wet aansprakelijk zijn, worden gedagvaard en zijn met de betrokkene hoofdelijk
gehouden tot betaling van de kosten, tot teruggave en tot schadevergoeding. Het slachtoffer
kan afstand doen van elke vordering die uit het als misdrijf omschreven feit voortvloeit, in het bijzonder
wanneer de dader of daders ten voordele van wie het slachtoffer deze afstand doet, meewerkt of meewerken
aan een herstelrechtelijk aanbod. Het slachtoffer vermeldt uitdrukkelijk in het akkoord dat
door de herstelgerichte aanpak wordt bereikt, ten voordele van welke dader of daders die meewerkt of
meewerken aan een herstelrechtelijk aanbod, de afstand van de in het vierde lid bedoelde vordering geldt. Uit
de afstand van een vordering zoals bedoeld in het vierde lid, volgt automatisch dat deze afstand eveneens
geldt ten aanzien van alle personen die hetzij krachtens artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek, hetzij
krachtens een bijzondere wet aansprakelijk zijn voor de schade veroorzaakt door de dader of daders ten
voordele van wie het slachtoffer de afstand doet. Art. 61bis. Een afschrift van de
vonnissen en arresten die in openbare terechtzitting zijn uitgesproken, wordt, onmiddellijk ter zitting,
overhandigd aan de jongere die twaalf jaar is of ouder en aan zijn vader en moeder, voogden of personen
die de betrokkene in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, indien deze ter terechtzitting aanwezig
zijn. In de gevallen waar deze overhandiging niet heeft kunnen plaatsvinden, wordt de beslissing per
gerechtsbrief ter kennis gebracht. Het afschrift van de vonnissen en arresten vermeldt de rechtsmiddelen
die ertegen open staan, evenals de vormen en termijnen die ter zake moeten worden nageleefd. Art.
62. (NOTA : Het Arbitragehof heeft door zijn arrest nr. 122/98 van 3 december 1998 voor recht
gezegd dat dit artikel de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre, dat in artikel 36,
2°, van de voormelde wet bedoelde procedures, de opvangouders niet in de zaak worden opgeroepen en hun
tussenkomst niet is toegestaan. B.St. 20-01-1999, p. 1635-1638) Behoudens afwijking, gelden voor de in
titel II, hoofdstuk II, evenals voor de in de artikelen 63bis, § 2 en 63ter, eerste lid, b), bedoelde
procedures de wetsbepalingen inzake burgerlijke rechtspleging, en voor de in titel II, hoofdstuk III,
evenals voor de in artikel 63ter, eerste lid, a) en c), bedoelde procedures, de wetsbepalingen betreffende
de vervolgingen in correctionele zaken. Art. 62bis. In de gevallen waarin de bepalingen
genomen krachtens artikel 59bis, §§ 2bis en 4bis, van de Grondwet en artikel 5, §
1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, stellen dat het
openbaar ministerie niet belast wordt met de uitvoering van een maatregel van de jeugdrechtbank, wordt
een uitgifte van de beslissing van de jeugdrechtbank gericht aan de administratieve overheid die ermee
belast is. Art. 63. De ontzetting van (het ouderlijke gezag) en de maatregelen die
ingevolge (de artikelen 37 en 39) worden bevolen ten aanzien van minderjarigen die op grond van artikel
36, 1°, 3° en 4°, voor de jeugdrechtbank zijn gebracht, worden in het strafregister van de betrokkenen
vermeld. Die ontzetting en die maatregelen mogen nooit aan particulieren ter kennis worden gebracht. Zij
mogen aan de gerechtelijke overheden ter kennis worden gebracht. Zij mogen ook aan de administratieve
overheden, de notarissen en de gerechtsdeurwaarders worden ter kennis gebracht, indien dezen die inlichtingen
voor de toepassing van een wets- of verordeningsbepaling volstrekt nodig hebben. Deze mededeling geschiedt
onder de controle van de gerechtelijke overheden volgens de door de Koning te bepalen procedure. De
meldingen die bij toepassing van deze wet in het strafregister van een minderjarige zijn gemaakt, kunnen
op verzoek van degene die er het voorwerp van was, bij beslissing van de jeugdrechtbank geschrapt worden
na verloop van vijf jaren sedert het tijdstip waarop die maatregelen een einde hebben genomen. De
ontzetting van (het ouderlijke gezag) wordt ambtshalve geschrapt, wanneer daaraan door herstel een einde
is gemaakt. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 63. (FRANSE GEMEENSCHAP) De ontzetting
van (het ouderlijke gezag) en de maatregelen die ingevolge (de artikelen 37 en 39) worden bevolen ten
aanzien van minderjarigen die op grond van artikel 36, (...) 4°, voor de jeugdrechtbank zijn gebracht,
worden in het strafregister van de betrokkenen vermeld. <W 1994-02-02/33, art. 63, 1° en 2°, 007; Inwerkingtreding
: 27-09-1994> <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 10, 005; Inwerkingtreding : 07-12-1994> Die
ontzetting en die maatregelen mogen nooit aan particulieren ter kennis worden gebracht. Zij
mogen aan de gerechtelijke overheden ter kennis worden gebracht. Zij mogen ook aan de administratieve
overheden, de notarissen en de gerechtsdeurwaarders worden ter kennis gebracht, indien dezen die inlichtingen
voor de toepassing van een wets- of verordeningsbepaling volstrekt nodig hebben. Deze mededeling geschiedt
onder de controle van de gerechtelijke overheden volgens de door de Koning te bepalen procedure. De
meldingen die bij toepassing van deze wet in het strafregister van een minderjarige zijn gemaakt, kunnen
op verzoek van degene die er het voorwerp van was, bij beslissing van de jeugdrechtbank geschrapt worden
na verloop van vijf jaren sedert het tijdstip waarop die maatregelen een einde hebben genomen. De
ontzetting van (het ouderlijke gezag) wordt ambtshalve geschrapt, wanneer daaraan door herstel een einde
is gemaakt. <W 1994-02-02/33, art. 29, 1°, 007; Inwerkingtreding : 27-09-1994> Art. 63. (DUITSTALIGE
GEMEENSCHAP) De ontzetting van (het ouderlijke gezag) en de maatregelen die ingevolge (de artikelen
37 en 39) worden bevolen ten aanzien van minderjarigen die op grond van artikel 36, (...) 4°, voor de
jeugdrechtbank zijn gebracht, worden in het strafregister van de betrokkenen vermeld. <W 1994-02-02/33,
art. 29, 1° en 2°, 007; Inwerkingtreding : 27-09-1994> <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding
: 01-05-1995> Die ontzetting en die maatregelen mogen nooit aan particulieren ter kennis worden
gebracht. Zij mogen aan de gerechtelijke overheden ter kennis worden gebracht. Zij
mogen ook aan de administratieve overheden, de notarissen en de gerechtsdeurwaarders worden ter kennis
gebracht, indien dezen die inlichtingen voor de toepassing van een wets- of verordeningsbepaling volstrekt
nodig hebben. Deze mededeling geschiedt onder de controle van de gerechtelijke overheden volgens de door
de Koning te bepalen procedure. De meldingen die bij toepassing van deze wet in het strafregister
van een minderjarige zijn gemaakt, kunnen op verzoek van degene die er het voorwerp van was, bij beslissing
van de jeugdrechtbank geschrapt worden na verloop van vijf jaren sedert het tijdstip waarop die maatregelen
een einde hebben genomen. De ontzetting van (het ouderlijke gezag) wordt ambtshalve geschrapt,
wanneer daaraan door herstel een einde is gemaakt. <W 1994-02-02/33, art. 29, 1°, 007; Inwerkingtreding
: 27-09-1994> Art. 63bis. § 1. De rechtsplegingsregels bedoeld in dit hoofdstuk,
met uitzondering van de artikelen 45.2. en 46, zijn van toepassing op de bepalingen van gerechtelijke
bescherming die door de bevoegde instanties zijn uitgevaardigd krachtens artikel 59bis, §§
2bis en 4bis, van de Grondwet en artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus
1980 tot hervorming der instellingen. § 2. Niettemin, wanneer het verzoek de homologatie
van de wijziging van een door de jeugdrechtbank genomen beslissing tot voorwerp heeft, is de volgende
procedure van toepassing : a) het verzoek wordt door de bevoegde administratieve overheid bij
verzoekschrift gericht aan de griffie van de rechtbank die de beslissing heeft gegeven; b)
het wordt onmiddellijk samen met het rechtsplegingsdossier voor advies medegedeeld aan het openbaar ministerie; c)
de jeugdrechter neemt een beschikking binnen drie werkdagen te rekenen van de indiening van het verzoekschrift,
op advies van het openbaar ministerie. Deze beschikking wordt genomen zonder oproeping van de partijen.
Zij wordt ter kennis gebracht van de partijen en is niet vatbaar voor verzet. De weigering van de homologatie
is vatbaar voor hoger beroep. Art. 63ter. In de rechtsplegingen bedoeld in artikel
63bis, wordt de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig gemaakt : a) bij vordering van het openbaar
ministerie, met het oog op het bevelen of toelaten van de maatregelen voorzien door deze organen : -
hetzij, in het raam van voorlopige maatregelen, alvorens over de grond van de zaak te beslissen, -
hetzij, in spoedeisende gevallen; b) bij verzoekschrift door de belanghebbende partij neergelegd
ter griffie van de jeugdrechtbank, met het oog op het beslechten van een geschil betreffende een maatregel
genomen door de bevoegde instanties, bedoeld in artikel 37, § 2; c) in de andere gevallen,
door vrijwillige verschijning ingevolge een met redenen omklede waarschuwing van het openbaar ministerie
of bij dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie, met het oog op een beslissing ten gronde,
nadat de partijen hun middelen hebben voorgedragen. In de gevallen bedoeld in b), worden de
partijen opgeroepen door de griffier om te verschijnen op de door de rechter vastgestelde zitting. De
oproeping vermeldt het voorwerp van het verzoek. De griffier zendt een afschrift van het verzoekschrift
over aan het openbaar ministerie. In de gevallen bedoeld in c), moeten de dagvaarding of de
waarschuwing, op straffe van nietigheid, worden gericht aan de ouders, voogden of degenen die de jongere
onder hun bewaring hebben en aan hem zelf indien hij minstens twaalf jaar oud is, alsook aan de personen
aan wie, in voorkomend geval, een vorderingsrecht toegekend is. Art. 63quater. De artikelen
52bis, 52ter en 52quater, negende en tiende lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de maatregelen
genomen ten gevolge van de vorderingen bedoeld in artikel 63ter, eerste lid, a). Art. 63quinquies. Indien
in het kader van de rechtsplegingen bedoeld in artikel 63bis, de voorziene maatregelen van bepaalde duur
zijn, moet de procedure voor verlenging van die maatregelen plaatsvinden overeenkomstig dezelfde vormvereisten
als die welke vereist zijn voor de aanvankelijke beslissing. TITEL III. - Algemene bepalingen. Art.
64. In elk gerechtelijk arrondissement wordt een sociale dienst voor <jeugdbescherming> opgericht,
samengesteld uit vaste afgevaardigden. Die dienst bestaat uit twee afdelingen : a)
een afdeling waarvan de afgevaardigden ter beschikking van de jeugdbeschermingscomités worden gesteld; b)
een afdeling waarvan de afgevaardigden ter beschikking worden gesteld van de rechterlijke overheden
die met de toepassing van deze wet zijn belast. (De vaste afgevaardigden bij de <jeugdbescherming>
worden door de Minister van Justitie benoemd onder de houders van een diploma van maatschappelijke assistent
of van een diploma dat van voldoende pedagogische of sociale kennis doet blijken en volgens hun rangschikking
in een vergelijkend wervingsexamen. De Koning stelt het organiek reglement en het kader van
de vaste afgevaardigden bij de <jeugdbescherming> alsook de hiërarchische positie van hun ambt vast.
Hij bepaalt uit welke diploma's een voldoende pedagogische of sociale kennis blijkt en stelt nadere regels
voor het vergelijkend wervingsexamen dat door de Minister van Justitie wordt georganiseerd.) De
vaste afgevaardigden bij de <jeugdbescherming> zijn aan het statuut van het rijkspersoneel onderworpen
en zij staan administratiefrechtelijk onder het gezag van de Minister van Justitie. Zij vervullen,
onder de verantwoordelijkheid en de leiding van de met de <jeugdbescherming> belaste overheden tot wier
beschikking zij gesteld zijn, de hun door dezen opgelegde opdrachten. Aan iedere afdeling van
de sociale dienst voor <jeugdbescherming> kunnen door de overheden te wier beschikking zij is gesteld,
vrijwillige afgevaardigden worden toegevoegd. Op het stuk van vergoeding wegens reis- en verblijfkosten
worden deze afgevaardigden gelijkgesteld met de vaste afgevaardigden bij de <jeugdbescherming>. GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 64. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32> Art.
64. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 11, 005; Inwerkingtreding
: 24-12-1991> Art. 64. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art.
43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 65. (Opgeheven) Art. 66. Iedere natuurlijke
persoon of rechtspersoon, iedere vereniging of inrichting die zich bereid verklaart gezamenlijk en doorgaans
minderjarigen op te nemen krachtens deze wet, moet daartoe door de Minister van Justitie erkend worden. Na
het advies van de in artikel 67 bedoelde commissie te hebben ingewonnen, stelt de Koning, per categorie
van inrichtingen, de algemene voorwaarden voor erkenning vast; die voorwaarden kunnen betrekking hebben
op : a) het personeel van de diensten voor opvoeding, beroepsopleiding en bestuur; b)
de gebouwen en installaties; c) de verzorging, het onderwijs, de morele vorming en beroepsopleiding,
alsmede het opvoedingsregime van de minderjarigen, onverminderd de toepassing van artikel 6 van de wet
van 29 mei 1959 tot wijziging van de wetgeving betreffende het bewaarschoolonderwijs, het lager, middelbaar,
normaal-, technisch en kunstonderwijs. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 66. (VLAAMSE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32> Art. 66. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven)
<DFG 14-05-1987, art. 7> Art. 66. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34,
art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 67. De Minister van Justitie beschikt,
bij een met redenen omklede beslissing, op de erkenningsaanvragen, na het advies te hebben ingewonnen
van een commissie die wordt voorgezeten door een jeugdrechter in hoger beroep en bovendien bestaat uit
twee jeugdrechters, een ambtenaar van het Ministerie van Justitie, een ambtenaar van het Ministerie tot
wiens bevoegdheid de nationale opvoeding behoort, een ambtenaar van het Ministerie tot wiens bevoegdheid
de volksgezondheid en de gezinszorg behoort, alsook een vertegenwoordiger van het Nationaal Werk voor
Kinderwelzijn en vier personen die de inrichtingen vertegenwoordigen welke gewoonlijk minderjarigen huisvesten
krachtens deze wet. De leden van de commissie worden aangewezen door de Minister van Justitie
na advies van zijn betrokken collega's. De Minister van Justitie benoemt de leden die de inrichter
vertegenwoordigen welke gewoonlijk minderjarigen huisvesten, uit een driedubbel aantal kandidaten voorgedragen
door de meest representatieve verenigingen van inrichtingen. Hij regelt de modaliteiten van
die voordrachten. Hij stelt de werkwijze van die commissie vast. Elk erkenningsdossier
bevat, buiten de administratieve inlichtingen, een verslag van een rechter in de jeugdrechtbank en van
de procureur des Konings van het arrondissement waar de verzoeker is gevestigd. GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 67. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32> Art.
67. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 14-05-1987, art. 7> Art. 67. (DUITSTALIGE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art.
68. Wanneer wordt bevonden dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon, de vereniging of inrichting,
niet meer aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, kan de Minister van Justitie ze aanmanen zich, volgens
het geval, binnen acht dagen tot zes maanden naar die voorwaarden te gedragen; zoniet kan hij, na raadpleging
van de in artikel 67 bedoelde commissie, de erkenning bij een met redenen omklede beslissing intrekken. GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 68. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32> Art.
68. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 14-05-1987, art. 7> Art. 68. (DUITSTALIGE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art.
69. Aan de Minister van Justitie wordt kennis gegeven : a) van iedere beslissing die
genomen wordt krachtens de eerste titel van deze wet wanneer zij uitgaven ten gevolge heeft ten laste
van de begroting van het Ministerie van Justitie; b) van iedere krachtens titel II, hoofdstukken
III en IV, van deze wet genomen beslissing. Hij doet de plaatsingen alsmede de in artikel 66
bedoelde inrichtingen inspecteren door ambtenaren aan wie hij daartoe opdracht geeft. GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 69. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1990-03-28/34, art. 22,
6°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990> Art. 69. (FRANSE GEMEENSCHAP) Aan de Minister
van Justitie wordt kennis gegeven : a) (...) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 12, 005;
Inwerkingtreding : 07-12-1994> b) van iedere krachtens titel II, hoofdstukken III en IV, van
deze wet genomen beslissing. (Lid 2 opgeheven) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 12, 005;
Inwerkingtreding : 07-12-1994> Art. 69. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) Aan de Minister van
Justitie wordt kennis gegeven : a) (...) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> b)
van iedere krachtens titel II, hoofdstukken III en IV, van deze wet genomen beslissing. (Lid
2 opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 70. De
Koning bepaalt ieder jaar de prijs per dag onderhoud in de Rijksgestichten voor observatie en opvoeding
onder toezicht. Na het advies te hebben ingewonnen van de commissie ingesteld bij artikel 67,
bepaalt de Koning het bedrag van de toelagen per dag onderhoud en opvoeding waarop de andere inrichtingen
dan de in het eerste lid bedoelde of de private personen aanspraak kunnen maken voor de plaatsingen verricht
krachtens titel I en titel II, hoofdstukken III en IV, van deze wet. De toelagen per dag onderhoud
en opvoeding zijn een vast bedrag voor de courante uitgaven. Voor de betaling van bijzondere
kosten kunnen toelagen worden toegekend onder de voorwaarden die de Koning stelt. Alle toelagen
dienen uitsluitend voor het betalen van de uitgaven voor onderhoud, opvoeding en behandeling van de minderjarige
voor wie zij zijn toegekend. Zij worden alleen uitbetaald aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon
die de minderjarige werkelijk grootbrengt. Zij worden door de Staat voorgeschoten. GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 70. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32> Art.
70. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 13, 005; Inwerkingtreding
: 07-12-1994> Art. 70. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art.
43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 71. De jeugdrechtbank bepaalt, na onderzoek
van de gegoedheid der betrokkenen, de bijdrage van de minderjarigen en van de onderhoudsplichtigen in
de onderhouds-, opvoedings- en behandelingskosten die voortvloeien uit maatregelen genomen overeenkomstig
de bepalingen van titel II, hoofdstukken III en IV, van deze wet. De onderhoudsplichtigen die niet in
het geding betrokken zijn, worden opgeroepen. De jeugdrechtbank beslist evenzo op de voorziening
ingesteld krachtens artikel 6, laatste lid. Deze beslissingen zijn vatbaar voor hoger beroep
en voor herziening. Overtreding van de verplichtingen, door die beslissingen opgelegd, wordt
gestraft overeenkomstig de bepalingen van artikel 391bis van het Strafwetboek. De invordering
van de kosten die ten laste van betrokkenen komen, geschiedt door bemiddeling van het bestuur der registratie
en domeinen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949. De vordering
verjaart door verloop van vijf jaren, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2277 van het Burgerlijk
Wetboek. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 71. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (...).
De onderhoudsplichtigen die niet in het geding betrokken zijn, worden opgeroepen. <DVR 1990-03-28/34,
art. 22, 7°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990> De jeugdrechtbank beslist evenzo op de voorziening
ingesteld krachtens artikel 6, laatste lid. (NOTA : Lid 2 werd opgeheven door DVR 1985-06-27/35,
art. 32, 7°; deze bepaling is vernietigd door het Arbitragehof 30-06-1988) Deze beslissingen
zijn vatbaar voor hoger beroep en voor herziening. Overtreding van de verplichtingen, door die
beslissingen opgelegd, wordt gestraft overeenkomstig de bepalingen van artikel 391bis van het Strafwetboek. De
invordering van de kosten die ten laste van betrokkenen komen, geschiedt door bemiddeling van het bestuur
der registratie en domeinen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de domaniale wet van 22 december
1949. De vordering verjaart door verloop van vijf jaren, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2277
van het Burgerlijk Wetboek. Art. 71. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 1991-03-04/36,
art. 62, § 14, 005; Inwerkingtreding : 07-12-1994> Art. 71. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven)
<DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 72. Het jeugdbeschermingscomité,
de jeugdrechtbank of de Minister van Justitie, al naar het geval, bepaalt welke bestemming zal worden
gegeven aan het loon dat aan de ingevolge titel I of titel II, hoofdstuk III of hoofdstuk IV, van deze
wet geplaatste minderjarige wordt toegekend. Tijdens de minderjarigheid van de betrokkene kunnen
de bijdragen uit dat loon die op een spaarboekje bij de Algemene Spaar- en Lijfrentekas mochten zijn
ingeschreven, niet worden afgehaald zonder de uitdrukkelijke machtiging van de overheid die het spaarboekje
heeft doen openen. De betrokkene kan ze afhalen als hij eenentwintig jaar wordt. De jeugdrechtbank
kan echter op verzoek van het openbaar ministerie of van de wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige
beslissen dat afhaling voordat betrokkene vijfentwintig jaar is geworden niet kan geschieden zonder de
uitdrukkelijke machtiging van de rechtbank. Zodanig verzoek kan alleen worden ingediend zolang de betrokkene
minderjarig is. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 72. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven)
<DVR 1990-03-28/34, art. 22, 8°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990> Art. 72. (FRANSE GEMEENSCHAP) (...),
de jeugdrechtbank of de Minister van Justitie, al naar het geval, bepaalt welke bestemming zal worden
gegeven aan het loon dat aan de ingevolge titel I of titel II, hoofdstuk III of hoofdstuk IV, van deze
wet geplaatste minderjarige wordt toegekend. <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 15, 005; Inwerkingtreding
: 24-12-1991> Tijdens de minderjarigheid van de betrokkene kunnen de bijdragen uit dat loon
die op een spaarboekje bij de Algemene Spaar- en Lijfrentekas mochten zijn ingeschreven, niet worden
afgehaald zonder de uitdrukkelijke machtiging van de overheid die het spaarboekje heeft doen openen. De
betrokkene kan ze afhalen als hij eenentwintig jaar wordt. De jeugdrechtbank kan echter op verzoek van
het openbaar ministerie of van de wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige beslissen dat afhaling
voordat betrokkene vijfentwintig jaar is geworden niet kan geschieden zonder de uitdrukkelijke machtiging
van de rechtbank. Zodanig verzoek kan alleen worden ingediend zolang de betrokkene minderjarig is. Art.
72. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art.
73. (Opgeheven) Art. 74. Het jeugdbeschermingscomité doet regelmatig iedere door zijn
bemiddeling geplaatste minderjarige door een van zijn afgevaardigden bezoeken. De jeugdrechter
bezoekt ten minste tweemaal per jaar iedere minderjarige die door hem geplaatst is krachtens een van
de in artikel 37, 3° en 4°, bedoelde maatregelen. Hij kan daartoe een afgevaardigde bij de <jeugdbescherming>
opdracht geven. Naar aanleiding van de bezoeken aan de minderjarige van wiens plaatsing is kennis
gegeven overeenkomstig artikel 69, wordt over de toestand van de betrokkene aan de Minister van Justitie
een rapport gezonden. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 74. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Lid
1 opgeheven) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 9°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990 De jeugdrechter
bezoekt ten minste tweemaal per jaar iedere minderjarige die door hem geplaatst is krachtens een van
de in artikel 37, 3° en 4°, bedoelde maatregelen. (...) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 9°, 003; Inwerkingtreding
: 01-05-1990> (Lid 3 opgeheven) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 9°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990> Art.
74. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Lid 1 opgeheven) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 16, 1°, 005;
Inwerkingtreding : 24-12-1991> De jeugdrechter bezoekt ten minste tweemaal per jaar iedere minderjarige
die door hem geplaatst is krachtens een van de in artikel 37, 3° en 4°, bedoelde maatregelen. Hij kan
daartoe (de dienst voor gerechtelijke bescherming) opdracht geven. <DFG 1991-03-04/36, art. 62, §
16, 2°, 005; Inwerkingtreding : 24-12-1991> Naar aanleiding van de bezoeken aan de minderjarige
van wiens plaatsing is kennis gegeven overeenkomstig artikel 69, wordt over de toestand van de betrokkene
aan de Minister van Justitie een rapport gezonden. Art. 74. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Lid
1 opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> De jeugdrechter bezoekt
ten minste tweemaal per jaar iedere minderjarige die door hem geplaatst is krachtens een van de in artikel
37, 3° en 4°, bedoelde maatregelen. Hij kan daartoe (de dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand) opdracht
geven. <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Naar aanleiding van de bezoeken
aan de minderjarige van wiens plaatsing is kennis gegeven overeenkomstig artikel 69, wordt over de toestand
van de betrokkene aan de Minister van Justitie een rapport gezonden. Art. 75. Indien
zij niet begeleid zijn door een ouder, hun voogd of een persoon die over hen de bewaring heeft, is het
minderjarigen beneden de volle leeftijd van veertien jaar niet toegestaan de terechtzittingen van de
hoven en rechtbanken bij te wonen, tenzij voor de behandeling en de berechting van de vervolgingen die
tegen hen zijn ingesteld, of wanneer zij in persoon moeten verschijnen of getuigenis moeten afleggen,
en enkel voor de tijd dat hun aanwezigheid noodzakelijk is. De voorzitter kan steeds de aanwezigheid
van minderjarigen bij de terechtzitting verbieden, onder meer wegens het bijzonder karakter van de zaak
of de omstandigheden waarin de terechtzitting verloopt. Art. 76. De gerechtelijke en
administratieve overheden alsmede de natuurlijke personen of rechtspersonen, de verenigingen, instellingen
of inrichtingen die hun medewerking dienen te verlenen bij de maatregelen die ter uitvoering van deze
wet zijn genomen, moeten de godsdienstige en wijsgerige overuiting en de taal van de gezinnen waartoe
de minderjarigen behoren eerbiedigen. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 76. (VLAAMSE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 10°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990> Art.
77. Elke persoon die, in welke hoedanigheid ook, zijn medewerking verleent aan de toepassing
van deze wet, staat daardoor in voor de geheimhouding van de feiten die hem in de uitoefening van zijn
opdracht worden toevertrouwd en die hiermede verband houden. Artikel 458 van het Strafwetboek
is op hem van toepassing. Art. 78. Buiten de gevallen waarin er een medische tegenaanwijzing
bestaat, mogen aan de minderjarigen die geplaatst zijn overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstukken
III en IV, van deze wet, preventieve vaccinaties en inentingen toegediend worden, waarvan het aantal,
de soort en de toedieningswijze door de Koning bepaald worden. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art.
78. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 10°, 003; Inwerkingtreding
: 01-05-1990> Art. 79. Iedere persoon of iedere inrichting, behalve de schoolinternaten
en daarmee gelijkgestelde kosthuizen, die zich bereid verklaart door deze wet of andere wetsbepalingen
niet beschermde minderjarigen gezamenlijk en doorgaans op te nemen buiten de verblijfplaats van hun bloedverwanten
in de rechte lijn of zijlijn of van hun wettelijke vertegenwoordiger, moet daarvan vooraf aangifte doen
bij het jeugdbeschermingscomité van het arrondissement. Wanneer uit een strafrechtelijke veroordeling
uitgesproken tegen een persoon of een personeelslid van een inrichting, zoals zij in het vorige lid zijn
bedoeld, of uit een onderzoek op klacht betreffende de huisvesting of de opvoeding van de minderjarigen
blijkt dat hun gezondheid, hun veiligheid of hun zedelijkheid gevaar loopt, kan de jeugdrechtbank op
vordering van het openbaar ministerie, de betrokkenen gehoord, het huis of de inrichting gedurende een
tijd die zij vaststelt aan geregeld bezoek onderwerpen en in ernstige gevallen de sluiting ervan gelasten. GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 79. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1990-03-28/34, art. 22,
10°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990> Art. 79. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Lid 1 opgeheven)
<DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 17, 1°, 005; Inwerkingtreding : 24-12-1991> Wanneer uit
een strafrechtelijke veroordeling uitgesproken tegen een persoon of een personeelslid van een inrichting,
(behalve de schoolinternaten en daarmee gelijkgestelde kosthuizen, die zich bereid verklaren door deze
wet of andere wetsbepalingen niet beschermde minderjarigen gezamenlijk en doorgaans op te nemen buiten
de verblijfplaats van hun bloedverwanten in de rechte lijn of zijlijn of van hun wettelijke vertegenwoordiger),
of uit een onderzoek op klacht betreffende de huisvesting of de opvoeding van de minderjarigen blijkt
dat hun gezondheid, hun veiligheid of hun zedelijkheid gevaar loopt, kan de jeugdrechtbank op vordering
van het openbaar ministerie, de betrokkenen gehoord, het huis of de inrichting gedurende een tijd die
zij vaststelt aan geregeld bezoek onderwerpen en in ernstige gevallen de sluiting ervan gelasten. <DFG
1991-03-04/36, art. 62, § 17, 2°, 005; Inwerkingtreding : 24-12-1991> Art. 79. (DUITSTALIGE
GEMEENSCHAP) (Lid 1 opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Wanneer
uit een strafrechtelijke veroordeling uitgesproken tegen een persoon of een personeelslid van een inrichting,
(behalve de schoolinternaten en daarmee gelijkgestelde kosthuizen die door dit decreet of andere wetsbepalingen
beschermde minderjarigen gezamenlijk opnemen), of uit een onderzoek op klacht betreffende de huisvesting
of de opvoeding van de minderjarigen blijkt dat hun gezondheid, hun veiligheid of hun zedelijkheid gevaar
loopt, kan de jeugdrechtbank op vordering van het openbaar ministerie, de betrokkenen gehoord, het huis
of de inrichting gedurende een tijd die zij vaststelt aan geregeld bezoek onderwerpen en in ernstige
gevallen de sluiting ervan gelasten. <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> TITEL
IV. - Strafbepalingen. Art. 80 - 83. (Opgeheven) Art. 84. In alle gevallen
waarin een minderjarige (...) een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd en welke maatregel ook
tegen hem is genomen, kan, indien het feit vergemakkelijkt werd door gemis aan toezicht, degene die de
minderjarige onder zijn bewaring heeft, veroordeeld worden tot gevangenisstraf van één dag tot zeven
dagen en tot geldboete van een tot vijfentwintig frank, of tot een van die straffen alleen, onverminderd
de bepalingen van het Strafwetboek en van de bijzondere wetten betreffende de deelneming. Art.
85 De jeugdrechtbank kan de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de minderjarige,
die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd,en die duidelijk onverschillig zijn voor diens criminaliteit
en die weigeren de in artikel 29bis bedoelde ouderstage te volgen, of die aan diens uitvoering niet
meewerken, veroordelen tot een gevangenisstraf van een tot zeven dagen en tot een geldboete van een euro
tot vijfentwintig euro of tot een van die straffen alleen. Art. 86. (Opgeheven) GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 86. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) Tot de straffen bepaald in artikel 391bis
van het Strafwetboek, kan ieder worden veroordeeld die het toezicht op de gezinsbijslag of andere sociale
uitkeringen vrijwillig belemmert : a) door na te laten de nodige documenten te bezorgen aan
de instellingen belast met de vereffening van die uitkeringen; b) door valse of onvolledige
aangiften te doen; c) door de bestemming te wijzigen die de persoon of (de Sociale Dienst van
de Vlaamse Gemeenschap bij de Jeugdrechtbank) aangewezen overeenkomstig artikel 29, er aan gegeven heeft.
<DVR 1985-06-27/35, art. 33> Art. 86. (FRANSE GEMEENSCHAP) Tot de straffen bepaald
in artikel 391bis van het Strafwetboek, kan ieder worden veroordeeld die het toezicht op de gezinsbijslag
of andere sociale uitkeringen vrijwillig belemmert : a) door na te laten de nodige documenten
te bezorgen aan de instellingen belast met de vereffening van die uitkeringen; b) door valse
of onvolledige aangiften te doen; c) door de bestemming te wijzigen die de persoon (...) aangewezen
overeenkomstig artikel 29, er aan gegeven heeft. <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 18, 005; Inwerkingtreding
: 24-12-1991> Art. 86. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) Tot de straffen bepaald in artikel
391bis van het Strafwetboek, kan ieder worden veroordeeld die het toezicht op de gezinsbijslag of andere
sociale uitkeringen vrijwillig belemmert : a) door na te laten de nodige documenten te bezorgen
aan de instellingen belast met de vereffening van die uitkeringen; b) door valse of onvolledige
aangiften te doen; c) door de bestemming te wijzigen die de persoon of het (dienst voor gerechtelijke
jeugdbijstand) aangewezen overeenkomstig artikel 29, er aan gegeven heeft. <DDG 1995-03-20/34, art. 43,
Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 87. <Wijzigingsbepaling van SW, art. 372bis > Art.
88. (Wijzigingsbepaling van SW, art. 377) "In het geval van artikel 372bis, bedraagt de gevangenisstraf
ten minste één jaar. ". Art. 89. Al de bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek,
hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn toepasselijk op de misdrijven omschreven in de artikelen
71 en 85. TITEL V. - Opheffings-, wijzigings- en overgangsbepalingen. Art. 90. Opgeheven
worden : 1° de wet van 15 mei 1912 op de kinderbescherming, gewijzigd bij de wet van 2 juli
1930, bij het koninklijk besluit van 14 augustus 1933, bij het koninklijk besluit nr. 301 van 30 maart
1936, en bij de wetten van 21 augustus 1948, 24 december 1948, 20 mei 1949, 31 juli 1952 en 30 april
1958, met uitzondering van de artikelen 48 tot 61; 2° de artikelen 378, tweede lid, en 382,
tweede lid, van het Strafwetboek; 3° artikel 4, tweede lid, van de wet van 28 mei 1888 nopens
de bescherming van de in rondreizende beroepen tewerkgestelde kinderen. Art. 91. § 1.
(Wijzigingsbepaling van BW, art. 348) § 2. <Wijzigingsbepaling van SW, art. 369bis > §
3. (Wijzigingsbepaling van art. 225 en 226) § 4. <Wijzigingsbepaling van art. 13> §
5. <Wijzigingsbepaling van art. 83> § 6. <Wijzigingsbepaling van KIESW, art. 7> §
7. <Wijzigingsbepaling van art. 123bis > § 8. <Wijzigingsbepaling van art. 70> §
9. <Wijzigingsbepaling van art. 55> § 10. <Wijzigingsbepaling van art. 5, 6, 9, 10, 11
en 12> § 11. <Wijzigingsbepaling van art. 7 en 9> § 12. <Wijzigingsbepaling
van art. 25> Art. 92 - 97. (Opgeheven) Art. 98. De vaste afgevaardigden bij
de kinderbescherming blijven hun functie uitoefenen en krijgen de titel van "vaste afgevaardigde bij
de <jeugdbescherming>". Zij zijn voortaan onderworpen aan het statuut van het Rijkspersoneel
en behouden het voordeel van hun verworven anciënniteit. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art.
98. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32> Art. 99. (Opgeheven) Art.
100. De Koning stelt de datum vast waarop alle bepalingen van deze wet of een deel ervan in
werking treden. Art. 100bis. Voor de zaken die hangend zijn op het ogenblik van de
inwerkingtreding van de wet van 15 mei 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming
en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en van
de wet van 15 mei 2006 tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het
Wetboek van strafvordering, het Strafwetboek, het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe gemeentewet en de wet
van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie, worden de in die wetten vermelde termijnen berekend
vanaf de dag die volgt op hun inwerkingtreding. Het Strafwetboek. Art. 12. Levenslange
opsluiting of levenslange hechtenis wordt niet uitgesproken ten aanzien van een persoon die op het tijdstip
van de misdaad de volle leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt. Art. 391bis. Met
gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van vijftig euro tot vijfhonderd euro
of met een van die straffen alleen, onverminderd de toepassing van strengere straffen, indien daartoe
grond bestaat, wordt gestraft hij die, na door een rechterlijke beslissing waartegen geen verzet of hoger
beroep meer openstaat, te zijn veroordeeld om een uitkering tot onderhoud te betalen aan zijn echtgenoot,
aan zijn bloedverwanten in de nederdalende of in de opgaande lijn, meer dan twee maanden vrijwillig in
gebreke blijft de termijnen ervan te kwijten. Met dezelfde straffen worden gestraft hij die,
in de omstandigheden omschreven in het eerste lid, niet voldoet aan de verplichtingen bepaald in artikelen
203bis, 206, 207, 301, 303, 306 307, 336 (en 253-14 van het Burgerlijk Wetboek) en in de artikelen 1288,3°
en 4°, en 1306, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek.) Dezelfde straffen zijn van toepassing
op de echtgenoot die zich vrijwillig geheel of ten dele onttrekt aan de gevolgen van de machtiging door
de rechter verleend krachtens (de artikelen 203ter, 221 en 301bis van het Burgerlijk Wetboek en 1280,
vijfde lid, en 1306, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek), wanneer die machtiging geen verzet of
hoger beroep meer openstaat. Hetzelfde geldt voor de echtgenoot die, na te zijn veroordeeld,
hetzij tot een van de verplichtingen op de niet-nakoming waarvan door de eerste twee leden van dit artikel
straf is gesteld, hetzij ingevolge (de artikelen 203ter, 221 en 301bis van het Burgerlijk Wetboek en
1280, vijfde lid, en 1306, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek) zich vrijwillig ervan onthoudt de
door de sociale wetgeving voorgeschreven formaliteiten te vervullen en zijn echtgenoot of zijn kinderen
aldus berooft van de voordelen waarop zij aanspraak konden maken. (Dezelfde straffen gelden
voor eenieder die het toezicht op de gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen vrijwillig belemmert,
door na te laten de nodige documenten te bezorgen aan de instellingen belast met de vereffening van die
uitkeringen, door valse of onvolledige aangiften te doen, of door de bestemming te wijzigen die de persoon
of de overheid, aangewezen overeenkomstig artikel 29 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming,
het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel
van de door dit feit veroorzaakte schade, eraan gegeven heeft. In geval van een tweede veroordeling
wegens een van de in dit artikel omschreven misdrijven, gepleegd binnen een termijn van vijf jaar te
rekenen van de eerste, kunnen de straffen worden verdubbeld. Het Wetboek van strafvordering. Art.
594. De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Commissie ter bescherming
van de persoonlijke levenssfeer aan bepaalde administratieve overheden toegang verlenen tot in het Strafregister
opgenomen gegevens, zulks uitsluitend in het kader van door of krachtens de wet bepaalde doeleinden,
en met uitzondering van : 1° de veroordelingen en beslissingen bedoeld in artikel 593, 1° tot
4°; 2° arresten van herstel in eer en rechten en veroordelingen waarop dat herstel in eer en
rechten betrekking heeft; 3° beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling
en tot probatie-opschorting. Zij hebben geen toegang meer tot gegevens betreffende veroordelingen
tot gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden, tot geldboete van ten hoogste 500 frank en tot geldboete,
ongeacht het bedrag ervan, die is opgelegd krachtens het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie
van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, na een termijn van drie jaar te rekenen van
de dag van de rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken, behalve indien deze veroordelingen
een vervallenverklaring of een ontzetting inhouden waarvan de gevolgen zich over meer dan drie jaar uitstrekken,
uitgesproken in het vonnis of waarvan die overheden absoluut kennis moeten hebben om een wets- of verordeningsbepaling
te kunnen toepassen. Zij hebben wel toegang tot gegevens inzake de ontzettingen en maatregelen
bedoeld in artikel 63 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen
van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit
feit veroorzaakte schade onder de voorwaarden vastgesteld in dat artikel. Art. 595. Een
ieder die zijn identiteit bewijst, kan een uittreksel uit het Strafregister verkrijgen, dat een overzicht
bevat van de daarin opgenomen persoonsgegevens die op hem betrekking hebben, met uitzondering van : 1°
de in artikel 594, 1° tot 3° bedoelde veroordelingen, beslissingen en maatregelen; 2° maatregelen
getroffen ten aanzien van abnormalen op grond van de wet van 1 juli 1964; 3° de ontzettingen
en maatregelen bedoeld in artikel 63 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het
ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel
van de door dit feit veroorzaakte schade. Veroordelingen tot gevangenisstraf van ten hoogste
zes maanden, tot geldboete van ten hoogste 500 frank en tot geldboete, ongeacht het bedrag ervan, die
is opgelegd krachtens het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende
de politie over het wegverkeer, worden niet meer op dit uittreksel vermeld na een termijn van drie jaar
te rekenen van de dag van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken, behalve
als ze in het vonnis, voorzien in een ontzetting of een vervallenverklaring waarvan de gevolgen de duur
van 3 jaar overstijgen. Dit uittreksel wordt uitgereikt door het gemeentebestuur van de woon-
of verblijfplaats van betrokkene onder de voorwaarden vastgesteld door de Koning. Indien de betrokkene
in België geen woon- of verblijfplaats heeft, wordt het uittreksel uitgereikt door de dienst van het
Strafregister van het Ministerie van Justitie. Een ieder die zijn identiteit bewijst, geniet
het recht op mededeling van de rechtstreeks op hem betrekking hebbende gegevens uit het Strafregister,
conform artikel 10 van de wet van de 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer
ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Het Burgerlijk Wetboek. Art. 397. Mogen
geen voogd zijn : 1° personen die niet de vrije beschikking over hun goederen hebben; 2°
personen ten aanzien van wie de jeugdrechtbank een van de maatregelen heeft bevolen die zijn bedoeld
in de artikelen 29 tot 32 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste
nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door
dit feit veroorzaakte schade. Gerechtelijk Wetboek. Art. 58bis In dit wetboek,
voor wat de magistraten betreft, wordt verstaan onder : 1° benoemingen : de benoeming tot vrederechter,
rechter in de politierechtbank, toegevoegd vrederechter, toegevoegd rechter in de politierechtbank, plaatsvervangend
rechter in een vredegerecht of in een politierechtbank, rechter en toegevoegd rechter in de rechtbank
van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel, plaatsvervangend rechter, substituut-procureur
des Konings, substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden, substituut-procureur
des Konings gespecialiseerd in handelszaken, toegevoegd substituut-procureur des Konings, substituut-arbeidsauditeur
en toegevoegd substituut-arbeidsauditeur, (...) raadsheer in het hof van beroep en in het arbeidshof,
plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep bedoeld in artikel 207bis, § 1, substituut-procureur-generaal
bij het hof van beroep, substituut-generaal bij het arbeidshof, (...) raadsheer in het Hof van Cassatie
en advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie; 2° korpschef : de titularis van de mandaten van
voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel, procureur
des Konings, arbeidsauditeur, (...) eerste voorzitter van het hof van beroep en van het arbeidshof (...),
procureur-generaal bij het hof van beroep en het arbeidshof, (...) (federale procureur), eerste voorzitter
van het Hof van Cassatie, procureur-generaal bij het Hof van Cassatie; 3° adjunct-mandaat :
de mandaten van ondervoorzitter in de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van
koophandel, eerste substituut-procureur des Konings, eerste substituut-arbeidsauditeur, (...) kamervoorzitter
in het hof van beroep en in het arbeidshof, eerste advocaat-generaal en advocaat-generaal bij het hof
van beroep en bij het arbeidshof, (...) voorzitter en afdelingsvoorzitter in het Hof van Cassatie en
eerste advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie; 4° bijzonder mandaat : de mandaten van onderzoeksrechter,
rechter in de jeugdrechtbank, rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, beslagrechter, jeugdrechter in
hoger beroep, verbindingsmagistraat in jeugdzaken, bijstandsmagistraat, federaal magistraat en substituut-procureur
des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken. Art. 144septies Er zijn twee
verbindingsmagistraten in jeugdzaken. De eerste oefent zijn functie uit ten aanzien van de instanties
die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap en van de instanties die afhangen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie
van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De tweede oefent zijn bevoegdheden uit ten aanzien van de instanties
die afhangen van de Franse Gemeenschap, van de instanties die afhangen van de Duitstalige Gemeenschap
en van de instanties die afhangen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest. Zo nodig, wordt een derde verbindingsmagistraat in jeugdzaken aangewezen voor de instanties die
afhangen van de Duitstalige Gemeenschap. De verbindingsmagistraat in jeugdzaken is belast met
de volgende opdrachten : 1° in geval van gebrek aan beschikbare plaatsen in de openbare gemeenschapsinstellingen
voor jeugdbescherming, de inwerkingstelling van de plaatsingsbeslissing optimaliseren voor de personen
ten aanzien van wie een rechterlijke beslissing genomen is met toepassing van artikel 36, 4°, en 37 van
de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een
als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade; 2°
de eventuele verwijzingen coördineren van veroordeelde personen die zich in een federaal gesloten centrum
bevinden, naar een strafinrichting voor volwassenen; 3° met inachtneming van de respectieve
bevoegdheden, voorzien in permanent contact met de leidende ambtenaren van de diensten van de gemeenschappen
belast met de uitvoering van de beslissingen houdende plaatsing. De verbindingsmagistraat in
jeugdzaken vervult zijn opdrachten onder het gezag van het college van procureurs-generaal en onder de
leiding van de procureur-generaal die belast is met jeugdzaken. Hij oefent zijn ambt uit ten
zetel van het college van procureurs-generaal. Art. 186bis Voor de toepassing van
deze titel, doch met uitzondering van hoofdstuk Vquinquies, treedt de voorzitter van de rechtbank van
eerste aanleg op als korpschef van de vrederechters, de rechters in de politierechtbank, de toegevoegde
vrederechters en de toegevoegde rechters in de politierechtbank van zijn gerechtelijk arrondissement. Voor
de toepassing van deze titel zijn voor de berekening van de termijnen de bepalingen van de artikelen
50, eerste lid, 52, eerste lid, 53 en 54 van toepassing. De termijnen van de procedures met
het oog op de benoeming bedoeld in artikel 58bis, 1°, de aanwijzing bedoeld in artikel 58bis, 2°, evenals
de aanwijzing tot federaal magistraat, verbindingsmagistraat in jeugdzaken en bijstandsmagistraat, worden
geschorst van 15 juli tot 15 augustus. Art. 259bis -1 § 1. De Hoge Raad voor
de Justitie zoals ingesteld door artikel 151 van de Grondwet, hierna te noemen "Hoge Raad", telt vierenveertig
leden van Belgische nationaliteit. De Hoge Raad bestaat uit een Nederlandstalig en een Franstalig
college van elk tweeëntwintig leden. Elk college telt elf magistraten en elf niet-magistraten. De magistraten
die met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, belast zijn met een opdracht,
blijven, voor de verkiezingen bedoeld in artikel 259bis -2, verbonden aan hun rechtscollege. Alle
leden moeten de burgerlijke en politieke rechten genieten en het bewijs leveren van goed gedrag en zeden. §
2. De groep magistraten bestaat per college ten minste uit : 1° een lid van een hof of van het
openbaar ministerie bij een hof; 2° een lid van de zittende magistratuur; 3° een lid
van het openbaar ministerie; 4° een lid per rechtsgebied van het hof van beroep. De
magistraten van het Hof van Cassatie, (...) de bijstandsmagistraten, de verbindingsmagistraten in jeugdzaken
en de federale magistraten worden geacht deel uit te maken van het rechtsgebied van het hof van beroep
te Brussel. § 3. De groep niet-magistraten telt per college ten minste vier leden van
elk geslacht en bestaat uit ten minste : 1° vier advocaten met een beroepservaring van ten minste
tien jaar balie; 2° drie hoogleraren aan een universiteit of een hogeschool in de Vlaamse of
Franse Gemeenschap met een voor de opdracht van de Hoge Raad relevante beroepservaring van ten minste
tien jaar; 3° vier leden die houder zijn van ten minste een diploma van een hogeschool van de
Vlaamse of Franse Gemeenschap met een voor de opdracht van de Hoge Raad relevante beroepservaring van
ten minste tien jaar op juridisch, economisch, administratief, sociaal of wetenschappelijk vlak. Ten
minste één lid van het Franstalig college moet het bewijs leveren van de kennis van het Duits. Art.
259bis -3 (§ 1. De leden nemen in de Hoge Raad zitting voor een periode van vier jaar
die ingaat op de dag van de installatie en die eenmaal kan worden hernieuwd.) § 2. Het
lidmaatschap van de Hoge Raad is tijdens de duur van het mandaat onverenigbaar met de uitoefening van
: 1° een ambt van plaatsvervangend magistraat; (NOTA : Bij arrest nr 3/2001 van 25
januari 2001 (B.S. 13-02-2001) heeft het Arbitragehof in dit artikel, het 1° vernietigd en handhaaft
de gevolgen van de vernietigde bepaling, wat de samenstelling en de handelingen van de Hoge Raad voor
de Justitie betreft, tot aan de volgende benoemingen die zullen worden gedaan door de Senaat met toepassing
van artikel 259bis 2, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek) 2° een bij verkiezing verleend
openbaar mandaat; 3° een openbaar ambt van politieke aard; 4° een mandaat van korpschef. §
3. Het mandaat in de Hoge Raad eindigt van rechtswege indien : 1° het lid er om verzoekt; 2°
een onverenigbaarheid bedoeld in § 2 ontstaat; 3° een lid de hoedanigheid vereist als
voorwaarde om in de Hoge Raad zitting te kunnen nemen, verliest; 4° een lid kandidaat is voor
een benoeming tot magistraat of een aanwijzing tot korpschef, bijstandsmagistraat, verbindingsmagistraat
in jeugdzaken of federale magistraat; 5° een lid de leeftijd van inruststelling heeft bereikt
bepaald in artikel 383, § 1, voor de leden van de rechtscolleges andere dan het Hof van Cassatie. §
4. Het mandaat van een lid kan om ernstige redenen worden opgeheven door de Hoge Raad die daarover beslist
met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen in elke college. Tegen de beslissingen
staat geen enkel beroep open. Het mandaat kan niet worden opgeheven dan nadat het lid gehoord
is over de aangevoerde redenen. Voorafgaandelijk aan de hoorzitting stelt de Hoge Raad een dossier samen
dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de aangevoerde redenen. Ten minste vijf dagen
voor de hoorzitting wordt de betrokkene opgeroepen bij een ter post aangetekende brief met ten minste
opgave van : 1° de aangevoerde ernstige redenen; 2° het feit dat de opheffing van het
mandaat wordt overwogen; 3° plaats, dag en uur van de hoorzitting; 4° het recht van
de betrokkene zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze; 5° de plaats waar en de termijn
waarbinnen het dossier kan worden ingezien; 6° het recht om getuigen te doen oproepen. Vanaf
de oproeping tot en met de dag voor de hoorzitting kunnen de betrokkene en de persoon die hem bijstaat
het dossier inzien. Van de hoorzitting wordt proces-verbaal opgesteld. Art. 259bis
-10 § 1. De benoemingscommissies zijn bevoegd voor : 1° de voordracht van kandidaten
voor de benoemingen tot magistraat en de aanwijzingen tot korpschef, bijstandsmagistraat, verbindingsmagistraat
in jeugdzaken of federale magistraat, bedoeld in artikel 58bis, 1°, 2° en 4°; 2° de organisatie
van het examen inzake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage
op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij koninklijk besluit. 3° de organisatie van het
mondelinge evaluatie-examen op de wijze en onder de voorwaarden die bij koninklijk besluit bepaald zijn
en het verstrekken van de in artikel 191bis, § 2, laatste lid, bedoelde machtiging. §
2. Elke benoemingscommissie kan met een meerderheid van twee derden van haar leden besluiten om voor
de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in § 1, 2°, en artikel 259bis -9 in haar midden een
subcommissie in te stellen die evenveel magistraten als niet-magistraten telt. Elke benoemingscommissie
kan een beroep doen op externe deskundigen om de subcommissies bij te staan bij de voorbereiding van
de in § 1, 2°, bedoelde examens en bij de voorbereiding van de proeven. Deze deskundigen maken
in geen geval deel uit van de subcommissies en mogen niet deelnemen aan de beraadslagingen. In
de gevallen bedoeld in artikel 259bis -9 kan de ene benoemingscommissie of subcommissie niet meer stemmen
uitbrengen dan de andere benoemingscommissie of subcommissie. § 3. Elke benoemingscommissie
doet jaarlijks aan de algemene vergadering verslag over zijn werkzaamheden. Art. 259septies
De uitoefening van een mandaat van korpschef is onverenigbaar met de uitoefening van een adjunct-mandaat
en met de uitoefening van een bijzonder mandaat indien dit laatste buiten het rechtscollege gebeurt. De
uitoefening van een adjunct-mandaat is verenigbaar met de uitoefening van een bijzonder mandaat voor
zover dit binnen hetzelfde rechtscollege gebeurt. Een aanwijzing in een adjunct-mandaat overeenkomstig
artikel 259quinquies is uitsluitend mogelijk in het rechtscollege waar de magistraat op de personeelsformatie
wordt aangerekend. Met uitzondering van de mandaten van rechter in de strafuitvoeringsrechtbank,
van verbindingsmagistraat in jeugdzaken, van bijstandsmagistraat, van federaal magistraat en van substituut-procureur
des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken is de aanwijzing in een bijzonder mandaat overeenkomstig
artikel 259sexies uitsluitend mogelijk in het rechtscollege waar de magistraat op de personeelsformatie
aangerekend wordt. Art. 259undecies § 1. De evaluatie van de titularissen van
een adjunct-mandaat en van een bijzonder mandaat vindt plaats op het einde van elke termijn waarvoor
het mandaat is verleend en geschiedt uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de termijn op de
wijze bedoeld in artikel 259decies, § 2, met uitzondering van de bijstandsmagistraat en de verbindingsmagistraat
in jeugdzaken (...) die worden onderworpen aan een evaluatie door het college van procureurs-generaal. §
2. Krijgt de titularis van een adjunct-mandaat of een bijzonder mandaat de beoordeling "goed", dan wordt
zijn mandaat hernieuwd. Is de beoordeling "onvoldoende" dan is, al naar gelang het geval, de procedure
bedoeld in artikel 259quinquies of 259sexies van toepassing. De korpschef of het college van procureurs-generaal
zendt aan de Federale Overheidsdienst Justitie een beschikking over waarin de verlenging of het einde
van het mandaat wordt vastgesteld. De titularissen van een adjunct-mandaat die na negen jaar
vast aangewezen zijn, worden onderworpen aan een periodieke evaluatie. Art. 287 Elke
kandidatuur voor een benoeming in de rechterlijke orde of voor een aanwijzing tot korpschef, tot rechter
in de strafuitvoeringsrechtbank, tot verbindingsmagistraat in jeugdzaken, tot bijstandsmagistraat, tot
federaal magistraat of tot substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken
moet op straffe van verval bij een ter post aangetekend schrijven aan de Minister van Justitie worden
gericht binnen een termijn van een maand na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad.
(...). De bekendmaking van de vacature vermeldt, in voorkomend geval, binnen welke termijn de kandidaten
kunnen vragen gehoord te worden met toepassing van de artikelen 259ter, 259quater en 259sexies, §
1, 3°. Elke kandidatuur voor een benoeming of voor een aanwijzing tot korpschef in de magistratuur
dient op straffe van verval, vergezeld te zijn van : a) alle stavingstukken met betrekking
tot de studies en beroepservaring; b) een curriculum vitae overeenkomstig een door de Minister
van Justitie, op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie, bepaald standaardformulier; c)
(...) <W 2003-12-22/53, art. 12, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004> De stukken vermeld in
het vorige lid, worden in tweevoud overgezonden. Het beleidsplan, bedoeld in artikel 259quater,
§ 2, derde lid, moet, op straffe van verval, in tweevoud, bij een ter post aangetekend schrijven
aan de minister van Justitie worden gericht binnen een termijn van zestig dagen na de bekendmaking van
de vacature in het Belgisch Staatsblad. De bekendmaking kan geschieden op zijn vroegst vijftien
maanden vóór het ontstaan van de vacature. Geen benoeming en aanwijzing kan geschieden dan nadat
de termijn bepaald in het eerste lid is verlopen. Deze bepaling is eveneens van toepassing op
de ambten bedoeld in de hoofdstukken Vsexies, VII, (...), VIII en IX van deze titel, alsook op die ingesteld
door de Koning overeenkomstig artikel 185, eerste lid. Art. 315bis De verbindingsmagistraten
in jeugdzaken behouden hun plaats op de ranglijst in hun oorspronkelijk korps. Art. 355bis §
1. De federale procureur geniet dezelfde wedde als die bepaald voor de procureurs-generaal bij de hoven
van beroep. De federale magistraten, de bijstandsmagistraten en de verbindingsmagistraten in
jeugdzaken genieten dezelfde wedde als die bepaald voor de advocaten-generaal bij de hoven van beroep
en de arbeidshoven. § 2. Artikel 357, § 2, is van toepassing op de federale magistraten
en op de verbindingsmagistraten in jeugdzaken. De magistraat die met toepassing van artikel
144bis, § 3, tweede lid, belast wordt met een opdracht die ten minste drie opeenvolgende maanden
in beslag neemt, ontvangt een derde van het verschil tussen zijn wedde en die welke aan de functie van
federale magistraat is verbonden. De magistraat die met toepassing van artikel 144bis, §
3, eerste lid, belast wordt met een opdracht die ten minste drie opeenvolgende maanden in beslag neemt,
ontvangt een vierde van het verschil tussen zijn wedde en die welke aan de functie van federale magistraat
is verbonden. Art. 410 § 1. De tuchtoverheden bevoegd om een tuchtprocedure
in te stellen zijn : 1° ten aanzien van de zittende magistraten, met uitzondering van de magistraten
van het Hof van Cassatie : - de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie ten aanzien van de
eerste voorzitters van de hoven van beroep en van de eerste voorzitters van de arbeidshoven; -
de eerste voorzitter van het hof van beroep ten aanzien van de leden van dat hof, van de voorzitters
van de rechtbanken van eerste aanleg en van de voorzitters van de rechtbanken van koophandel, van de
toegevoegde rechters bij de rechtbank van eerste aanleg en van de toegevoegde rechters bij de rechtbank
van koophandel van het betrokken rechtsgebied; - de eerste voorzitter van het arbeidshof ten
aanzien van de leden van dat hof, met inbegrip van de raadsheren in sociale zaken, alsook ten aanzien
van de voorzitters van de arbeidsrechtbanken en van de toegevoegde rechters bij de arbeidsrechtbank van
het betrokken rechtsgebied; - de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ten aanzien van
de leden van die rechtbank, van de vrederechters, van de rechters in de politierechtbanken, van de toegevoegde
vrederechters en van de toegevoegde rechters bij de politierechtbanken; - de voorzitter van
de rechtbank van koophandel ten aanzien van de leden van die rechtbank, met inbegrip van de rechters
in handelszaken; - de voorzitter van de arbeidsrechtbank ten aanzien van de leden van die rechtbank,
met inbegrip van de rechters in sociale zaken; 2° ten aanzien van de magistraten van het openbaar
ministerie, met uitzondering van de magistraten bij het Hof van Cassatie : - de procureur-generaal
bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de procureurs-generaal bij de hoven van beroep en van de federale
procureur; - de procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de leden van het parket-generaal
bij het hof van beroep, van de leden van het auditoraat-generaal bij het arbeidshof, van de procureurs
des Konings, van de arbeidsauditeurs, van de toegevoegde substituten procureur des Konings en de toegevoegde
substituten arbeidsauditeur; - de procureur des Konings ten aanzien van de leden van het parket
van de procureur des Konings; - de arbeidsauditeur ten aanzien van de leden van het arbeidsauditoraat; -
de federale procureur ten aanzien van de federale magistraten; - de tuchtoverheid bevoegd voor
het ambt waarin zij werden benoemd ten aanzien van de bijstandsmagistraten en de verbindingsmagistraten
in jeugdzaken; 3° ten aanzien van de magistraten van het Hof van Cassatie : - de algemene
vergadering van het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie; -
de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie ten aanzien van de zittende magistraten in het Hof van
Cassatie; - de Minister van Justitie ten aanzien van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie; -
de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste advocaat-generaal en de advocaten-generaal
bij het Hof van Cassatie; 4° ten aanzien van de referendarissen bij het Hof van Cassatie : -
de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie ten aanzien van de referendarissen die de raadsheren bijstaan; -
de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de referendarissen die de leden van parket
bijstaan; 5° ten aanzien van de referendarissen en van de parketjuristen : - de eerste
voorzitter van het hof van beroep ten aanzien van de referendarissen bij dat hof; - de voorzitter
van de rechtbank van eerste aanleg ten aanzien van de referendarissen bij die rechtbank; - de
procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de parketjuristen bij het parket-generaal; -
de procureur des Konings ten aanzien van de parketjuristen bij het parket van de rechtbank van eerste
aanleg; 6° ten aanzien van de attachés van de dienst voor documentatie en overeenstemming der
teksten bij het Hof van Cassatie, de procureur-generaal bij dat Hof; 7° ten aanzien van de griffiers,
de secretarissen en van het personeel van de griffies en parketten : - de procureur-generaal
bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de hoofdgriffier van het Hof van Cassatie en de hoofdsecretaris
van het parket-generaal bij het Hof van Cassatie; - de procureur-generaal bij het hof van beroep
ten aanzien van de hoofdgriffier van het hof van beroep en van het arbeidshof en van de hoofdsecretaris
van het parket-generaal bij het hof van beroep en bij het arbeidshof; - de procureur des Konings
ten aanzien van de hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg, van de hoofdgriffier van de rechtbank
van koophandel, van de hoofdgriffier van de politierechtbank, van de hoofdgriffier van het vredegerecht
en van de hoofdsecretaris van het parket van de procureur des Konings; - de arbeidsauditeur
ten aanzien van de hoofdgriffier van de arbeidsrechtbank en van de hoofdsecretaris van het arbeidsauditoraat; -
de hoofdgriffier ten aanzien van de griffiers-hoofden van dienst, van de griffiers en van de adjunct-griffiers,
van de opstellers en van de griffiebeambten; - de hoofdsecretaris ten aanzien van de secretarissen-hoofden
van dienst, van de secretarissen, van de adjunct-secretarissen, van de vertalers, van de opstellers en
van de parketbeambten; - de federale procureur ten aanzien van de hoofdsecretaris van het federaal
parket; - de hoofdsecretaris ten aanzien van de secretaris-hoofd van dienst, van de secretarissen,
van de adjunct-secretarissen, van de vertalers, van de opstellers en de beambten van het federaal parket. §
2. De magistraat, of ingeval van fout of nalatigheid begaan tijdens de zitting, de voorzitter van de
zitting, stelt ten aanzien van de griffiers een tuchtprocedure in wegens fouten of nalatigheden begaan
bij het verlenen van bijstand aan de rechter. § 3. De tuchtoverheid bevoegd om een tuchtprocedure
in te stellen neemt kennis van de klachten van iedere belanghebbende over tekortkomingen aan de verplichtingen
bedoeld in artikel 404 begaan door personen onderworpen aan haar tuchtbevoegdheid. Om ontvankelijk
te zijn moeten de klachten schriftelijk, ondertekend en gedagtekend zijn en de volledige identiteit van
de klager bevatten. De tuchtoverheid bevoegd voor het instellen van een tuchtprocedure geeft
de persoon die het voorwerp uitmaakt van een klacht kennis van het bestaan van die klacht, van de identiteit
van de klager en van de feiten die hem worden ten laste gelegd voor zover de klacht ontvankelijk wordt
verklaard. § 4. Het openbaar ministerie kan een tuchtprocedure aanhangig maken bij elke
tuchtoverheid bedoeld in dit artikel. Art. 415 § 1. De algemene vergadering
van het Hof van Cassatie neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen : 1° de lichte straffen
opgelegd aan de zittende magistraten van het Hof van Cassatie met uitzondering van de eerste voorzitter
van dat Hof; 2° de zware straffen opgelegd : - aan de eerste voorzitters van de hoven
van beroep; - aan de eerste voorzitters van de arbeidshoven. § 2. De verenigde
kamers van het Hof van Cassatie nemen kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de zware straffen opgelegd
: - aan de leden van de hoven van beroep; - aan de leden van de arbeidshoven, met inbegrip
van de raadsheren in sociale zaken; - aan de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg; -
aan de voorzitters van de arbeidsrechtbanken; - aan de voorzitters van de rechtbanken van koophandel; -
aan de leden van de rechtbanken van eerste aanleg met inbegrip van de toegevoegde rechters in de rechtbanken
van eerste aanleg; - aan de leden van arbeidsrechtbanken met inbegrip van de toegevoegde rechters
in de arbeidsrechtbanken en de rechters in sociale zaken; - aan de leden van de rechtbanken
van koophandel met inbegrip van de toegevoegde rechters in de rechtbanken van koophandel en de rechters
in handelszaken; - aan de vrederechters en aan de toegevoegde vrederechters; - aan
de rechters in de politierechtbanken en aan de toegevoegde rechters in de politierechtbanken. §
3. De eerste kamer van het Hof van Cassatie neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de lichte
straffen opgelegd : - aan de eerste voorzitters van de hoven van beroep; - aan de eerste
voorzitters van de arbeidshoven; - aan de leden van de hoven van beroep; - aan de leden
van de arbeidshoven met inbegrip van de raadsheren in sociale zaken; - aan de voorzitters van
de rechtbanken van eerste aanleg; - aan de voorzitters van de arbeidsrechtbanken; -
aan de voorzitters van de rechtbanken van koophandel. § 4. De eerste kamer van het hof
van beroep neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de lichte straffen opgelegd : -
aan de leden van de rechtbanken van eerste aanleg met inbegrip van de toegevoegde rechters in de rechtbanken
van eerste aanleg; - aan de leden van de rechtbanken van koophandel met inbegrip van de toegevoegde
rechters in de rechtbanken van koophandel en de rechters in handelszaken; - aan de vrederechters
en aan de toegevoegde vrederechters; - aan de rechters in de politierechtbanken en aan de toegevoegde
rechters in de politierechtbanken. § 5. De eerste kamer van het arbeidshof neemt kennis
van het hoger beroep ingesteld tegen de lichte straffen opgelegd aan de leden van de arbeidsrechtbanken
met inbegrip van de toegevoegde rechters in de arbeidsrechtbanken en de rechters in sociale zaken. §
6. De Minister van Justitie neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen : 1° de lichte
straffen opgelegd : - aan de eerste advocaat-generaal en aan de advocaten-generaal bij het Hof
van Cassatie; - aan de procureurs-generaal bij de hoven van beroep; - aan de federale
procureur; - aan de referendarissen bij het Hof van Cassatie; - aan de attachés van
de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie; - aan de
hoofdgriffier van het Hof van Cassatie; - aan de hoofdsecretaris van het parket-generaal bij
het Hof van Cassatie. 2° de zware straffen met uitzondering van de afzetting en het ontslag
van ambtswege, opgelegd : - aan de leden van het openbaar ministerie met uitzondering van de
procureur-generaal bij het Hof van Cassatie; - aan de referendarissen bij het Hof van Cassatie; -
aan de attachés van de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie; -
aan de referendarissen; - aan de parketjuristen; - aan de griffiers, de secretarissen
en het personeel van griffies en parketsecretariaten. § 7. De procureur-generaal bij
het Hof van Cassatie neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de lichte straffen, opgelegd : -
aan de leden van het parket-generaal bij de hoven van beroep; - aan de leden van het auditoraat-generaal
bij de arbeidshoven; - aan de procureurs des Konings; - aan de arbeidsauditeurs; -
aan de federale magistraten; - aan de toegevoegde substituten procureur des Konings; -
aan de toegevoegde substituten arbeidsauditeur; - aan de bijstandsmagistraten en de verbindingsmagistraten
in jeugdzaken; - aan de referendarissen bij de hoven van beroep; - aan de parketjuristen
bij het parket-generaal bij de hoven van beroep; - aan de griffiers en aan het personeel van
de griffies bij de hoven van beroep en de arbeidshoven; - aan de secretarissen en aan het personeel
van de secretariaten van het parket bij de hoven van beroep, de arbeidshoven en het federaal parket. §
8. De procureur-generaal bij het hof van beroep neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de
lichte straffen, opgelegd : - aan de leden van de parketten bij de rechtbanken van eerste aanleg; -
aan de leden van het arbeidsauditoraat; aan de referendarissen bij de rechtbanken van eerste aanleg; -
aan de parketjuristen bij het parket bij de rechtbanken van eerste aanleg; - aan de griffiers
en aan het personeel van de griffies van de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de
rechtbanken van koophandel, de politierechtbanken en de vredegerechten; - aan de secretarissen
en aan het personeel van de secretariaten van het parket bij de rechtbanken van eerste aanleg. §
9. De overheden in beroep kunnen lichtere of zwaardere straffen opleggen dan diegene die zijn uitgesproken
of geen straf opleggen. De overheid bevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep tegen lichte
straffen kan geen zware straf uitspreken dan na het verkrijgen van een advies van de Nationale Tuchtraad. §
10. Tegen tuchtstraffen in eerste en tweede aanleg opgelegd door organen van de rechterlijke orde staat
geen beroep bij de Raad van State open. § 11. De voorzieningen in cassatie bedoeld in
de artikelen 608, 609 en 612 worden uitgesloten. § 12. Het openbaar ministerie beschikt
over een recht op hoger beroep ten aanzien van elke tuchtstraf. § 13. Er kan hoger beroep
worden ingesteld door de betrokkene en door het openbaar ministerie tegen de ordemaatregelen bedoeld
in artikel 406. Het hoger beroep wordt gebracht voor de tuchtoverheid die ten aanzien van de betrokkene
bevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep tegen een lichte straf. De wet van 26 juni
1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke. Artikel 1 : §
1. Buiten de beschermingsmaatregelen waarin deze wet voorziet, kunnen de diagnose en de behandeling van
psychische stoornissen geen aanleiding geven tot enige vrijheidsbeperking, onverminderd de toepassing
van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en gewoontemisdadigers
en de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die
een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. §
2. De in deze wet bedoelde beschermingsmaatregelen worden opgelegd door de vrederechter. Echter,
voor minderjarigen, evenals voor meerderjarigen ten aanzien van wie een jeugdbeschermingsmaatregel is
gehandhaafd met toepassing van artikel 37, § 3, tweede en derde lid, van de wet van 8 april 1965
betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van de minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, is enkel de jeugdrechtbank
of de jeugdrechter bevoegd. De territoriale bevoegdheid van de jeugdrechtbank of de jeugdrechter
wordt bepaald overeenkomstig artikel 44 van de voormelde wet van 8 april 1965. Wanneer de bevoegdheid
van de jeugdrechtbank bedoeld in het tweede lid een einde neemt en een door deze wet voorziene maatregel
nog loopt, zendt de jeugdrechtbank het dossier over aan de vrederechter, die de zaak overneemt zoals
ze dan staat. Art. 18. § 1. Gedurende het verder verblijf kan de zieke, met
het oog op een meer geschikte behandeling, naar een andere psychiatrische dienst worden overgebracht. De
beslissing wordt genomen door de geneesheer-diensthoofd in overeenstemming met de geneesheer-diensthoofd
van de andere dienst, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van enige belanghebbende, hetzij
op verzoek van een bevoegde geneesheer-inspecteur van de psychiatrische diensten. De geneesheer
deelt zijn beslissing mee aan de zieke en wijst er hem op dat hij hiertegen verzet kan doen. Hij deelt
ze ook mee aan de rechter, aan de procureur des Konings evenals aan de directeur van de instelling; deze
brengt de beslissing van de geneesheer-diensthoofd per aangetekende brief ter kennis van de wettelijke
vertegenwoordiger van de zieke, van de advocaat en, in voorkomend geval, van de geneesheer en de vertrouwenspersoon
die de zieke heeft gekozen, evenals van de persoon die de opneming ter observatie heeft gevraagd. §
2. De zieke, zijn wettelijke vertegenwoordiger, zijn advocaat of zijn geneesheer, evenals de verzoeker
kunnen zich, binnen acht dagen na de toezending van de aangetekende brief, verzetten tegen de beslissing
waarbij de overbrenging wordt gelast of geweigerd. Het verzet wordt gedaan bij verzoekschrift neergelegd
ter griffie van het vredegerecht of de jeugdrechtbank waar tot de maatregel werd besloten. De rechter
behandelt het verzoek en doet uitspraak op de wijze bepaald in de laatste vier leden van artikel 13. De
uitvoering van de beslissing tot overbrenging wordt opgeschort gedurende de termijn van acht dagen en
gedurende het verzet. De artikelen 10 en 15 zijn mede van toepassing. Art. 22. Wanneer
de beslissing bedoeld in artikel 13 definitief is, kan de rechter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek
van de zieke of van enige belanghebbende, te allen tijde tot herziening daarvan overgaan. Het
verzoek moet worden gesteund door een verklaring van een geneesheer. De persoon die de opneming
ter observatie heeft gevraagd, wordt bij gerechtsbrief in de zaak betrokken met een uitnodiging om te
verschijnen. De rechter wint het advies in van de geneesheer-diensthoofd en neemt onverwijld
een beslissing op tegenspraak met toepassing van artikel 20, tweede lid. (De procureur des Konings
vervolgt de tenuitvoerlegging van het vonnis op de door de Koning bepaalde wijze.) <W 1991-07-18/30,
art. 1, 002; Inwerkingtreding : 05-08-1991> Ten aanzien van de in artikel 1, § 2, bedoelde
personen herziet de jeugdrechtbank de beslissing tot handhaving ten minste om de zes maanden, of ten
minste om de drie maanden als de maatregel genomen is op grond van artikel 52 van de wet van 8 april
1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. Art. 30. §
1. Tegen de vonnissen door de rechter gewezen met toepassing van deze wet kan geen verzet worden gedaan. §
2. Onverminderd de bepalingen van artikel 12 kunnen de zieke, zelfs al is deze minderjarig, zijn wettelijke
vertegenwoordiger of zijn advocaat, evenals alle partijen in het geding, hoger beroep instellen tegen
de vonnissen door de rechter gewezen met toepassing van deze wet. De termijn van hoger beroep
is vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van het vonnis. De vonnissen gewezen met toepassing
van de artikelen 8, 9, 13, 22, 24, 25 en 26, zijn, niettegenstaande hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad. §
3. Het hoger beroep tegen de vonnissen van de rechter wordt ingesteld bij verzoekschrift gericht tot
de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, die de datum van de zitting bepaalt. De zaak wordt
toegewezen aan een kamer met drie rechters. Het hoger beroep tegen de vonnissen van de jeugdrechtbank
wordt ingesteld bij verzoekschrift gericht tot de voorzitter van het hof van beroep, die de datum van
de zitting bepaalt. De procureur-generaal of de procureur des Konings en de zieke, bijgestaan
door een advocaat en, in voorkomend geval, door de geneesheer-psychiater van zijn keuze, worden gehoord. De
zaak wordt in raadkamer behandeld, tenzij de zieke of zijn advocaat vragen dat dit niet gebeurt. Betreft
het beslissingen gewezen met toepassing van de artikelen 13, 20, 22, 25 en 26, dan lopen de maatregelen
ter bescherming van de zieke onmiddellijk ten einde, indien de rechtbank of het hof over het verzoekschrift
geen uitspraak heeft gedaan binnen een maand na de indiening, zij het door het gelasten van een onderzoeksmaatregel. Een
zelfde termijn van een maand gaat in op de dag waarop die onderzoeksmaatregel is voltrokken; de totale
termijn waarbinnen de rechtbank een definitieve beslissing moet wijzen, mag echter drie maanden niet
te boven gaan. De zaak wordt vastgesteld op verzoek van de meest gerede partij. §
4. De griffier geeft aan de partijen bij gerechtsbrief kennis van het vonnis of het arrest en met toepassing
van § 3, vierde en vijfde lid, geeft hij bij gerechtsbrief kennis van het ontbreken van een vonnis
of een arrest. Hij zendt een niet-ondertekend afschrift van het vonnis of het arrest of kennisgeving
van het ontbreken van een vonnis of een arrest aan de raadslieden en, in voorkomend geval, aan de wettelijke
vertegenwoordiger, de geneesheer en de vertrouwenspersoon van de zieke. § 5. De griffier
geeft, in voorkomend geval, bij gerechtsbrief kennis van het vonnis of het arrest of van het ontbreken
van een vonnis of een arrest aan de directeur van de instelling of aan de persoon die werd aangewezen
om de zieke te bewaken. § 6. De procureur-generaal of de procureur des Konings vervolgt
de tenuitvoerlegging van het vonnis of het arrest op de door de Koning bepaalde wijze. Art.
31. De termijn om zich in cassatie te voorzien is één maand vanaf de kennisgeving van het vonnis
of het arrest. Art. 33. Het toezicht op de naleving van deze wet in de psychiatrische
diensten wordt uitgeoefend door de procureur des Konings en de vrederechter van de plaats waar de dienst
gelegen is, alsook door de geneesheren-inspecteurs-psychiaters hiertoe aangewezen door de overheden bevoegd
krachtens de artikelen 59bis en 59ter van de Grondwet. De magistraten en de geneesheren die hiertoe
opdracht hebben gekregen van de bevoegde overheden, alsmede de deskundigen aangewezen door de bevoegde
rechter, hebben toegang tot de psychiatrische diensten; zij kunnen zich de registers, gehouden ter uitvoering
van deze wet en alle stukken die zij nodig hebben voor het volbrengen van hun taak, doen voorleggen. Art.
34. De reis- en verblijfkosten van de magistraten, de kosten en het ereloon van de deskundigen
en van de door de zieke gekozen geneesheer, evenals het getuigengeld, worden ten voordele van de verzoekers
voorgeschoten op de wijze bepaald in het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken. De
kosten van vervoer, opneming, verblijf en behandeling in een psychiatrische dienst, of in een gezin,
en van eventuele overbrenging naar een andere dienst of een ander gezin, komen ten laste van de zieke
of, indien het een minderjarige betreft, van zijn wettelijke vertegenwoordigers. De rechter,
de rechtbank of het hof kan alleen dan in de gerechtskosten veroordelen wanneer de vordering niet uitgaat
van de zieke. In de artikelen 5, 6, 7, 8, 9, 12, 13, 16, 18, 19, 20, 21, 22, 24, 25, 27, 28,
29, 30, 33, 34 en 35 van dezelfde wet gewijzigd bij de wet van 6 augustus 1993, 6, 7, gewijzigd bij de
wet van 7 mei 1999, 8, gewijzigd bij de wet van 7 mei 1999, 9, 12, 13, 16,19, 20, gewijzigd bij de wet
van 18 juli 1991, 21, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991 en bij de wet van 2 februari 1994, 23, 24,
gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991, 25, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991, 27, 28, 29,33 en 35,
gewijzigd bij de wet van 6 augustus 1993, van dezelfde wet wordt het woord "vrederechter" telkens vervangen
door het woord "rechter".
1 MAART 2002. - Wet betreffende de voorlopige plaatsing
van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Art. 2. De
personen bedoeld in artikel 36, 4°, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming het ten
laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van
de door dit feit veroorzaakte schade kunnen, naar gelang van het geval, door de jeugdrechtbank of door
de onderzoeksrechter bij voorlopige maatregel van maatschappelijke beveiliging toevertrouwd worden aan
een Centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd,
hierna genoemd : het Centrum. Art. 3. De toegang tot het Centrum is tot jongens beperkt
en is aan de volgende cumulatieve voorwaarden onderworpen, die in de beschikking van de rechter omstandig
worden beschreven : 1° de persoon is ouder dan veertien jaar op het ogenblik van het plegen
van het als misdrijf omschreven feit en er bestaan voldoende ernstige aanwijzingen van schuld; 2°
het als misdrijf omschreven feit waarvoor hij vervolgd wordt, kan, indien hij meerderjarig zou zijn,
in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten een straf tot gevolg hebben van opsluiting van
vijf tot tien jaar of een zwaardere straf. 3° er bestaan dringende, ernstige en uitzonderlijke
omstandigheden die betrekking hebben op de vereisten van bescherming van de openbare veiligheid; 4°
de opname bij voorlopige maatregel van de persoon in een geschikte inrichting zoals bedoeld in artikel
37, § 2, eerste lid 7°van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste
nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door
dit feit veroorzaakte schade, in een openbare instelling zoals bedoeld in artikel 37, § 2, eerste
lid, 8°, juncto 52, inbegrepen de gesloten opvoedingsafdeling zoals bepaald in artikel 52quater van
dezelfde wet is, bij gebrek aan plaats, onmogelijk. Art. 5. § 1. De jeugdrechtbank
doet vijf dagen na haar aanvankelijke beschikking en daarna maandelijks, uitspraak over hetzij de intrekking,
hetzij de wijziging, hetzij de handhaving van de maatregel, zonder dat de handhaving de totale termijn
van twee maanden mag overschrijden. De beschikking van handhaving houdt meteen de uitnodiging in tot
de verdere behandeling van de zaak binnen de volgende termijn. De betrokkene en zijn raadsman
alsmede het openbaar ministerie worden telkens gehoord; de ouders of de personen die de betrokkene onder
hun bewaring hebben worden hiertoe telkens behoorlijk opgeroepen. Wanneer, in de loop van de twee maanden
en vijf dagen, wordt besloten tot het nemen van de voorlopige bepaald in van artikel 52quater van de
wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als
misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, wordt
de verlopen termijn in mindering gebracht van de eerste termijn bedoeld in het eerste lid van dit artikel
52quater. § 2.Artikel 60, eerste lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming
het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel
van de door dit feit veroorzaakte schade is onverminderd van toepassing. Art. 6. §
1. De jeugdrechtbank of de onderzoeksrechter kan omwille van de noodwendigheden van het opsporingsonderzoek
of van het gerechtelijk onderzoek, bij gemotiveerde beschikking, de betrokkene, gedurende maximaal drie
kalenderdagen het vrij verkeer verbieden met de personen die hij bij naam aanwijst, zijn raadsman uitgezonderd. §
2. De jeugdrechtbank of de onderzoeksrechter kan de betrokkene, op advies van de directie van het Centrum,
bij gemotiveerde beschikking, onder de voorwaarden die hij bepaalt, toelaten de instelling te verlaten
voor de termijn die hij bepaalt of contact te hebben met derden die hij aanwijst. Een afschrift
van het advies van de directie van het Centrum en van de toelating wordt na ontvangst onverwijld door
de griffie aan het openbaar ministerie bezorgd. Het verlaten van de instelling om te verschijnen
voor de rechtbank, om redenen van medische noodzaak of om een begrafenis in België bij te wonen in geval
van overlijden van een familielid tot en met de tweede graad, is niet ondergeschikt aan een toelating
door de jeugdrechter of onderzoeksrechter. De Koning kan deze regel uitbreiden tot andere soorten uitstappen. Indien
de jeugdrechtbank of de onderzoeksrechter weigert de gevraagde toelating tot het verlaten van het centrum
te verstrekken, vermeldt zij of hij de redenen van dit verbod die steunen op een of meer van volgende
elementen : 1° de betrokkene geeft blijk van een gedrag dat voor hemzelf of voor anderen gevaarlijk
is; 2° er bestaan ernstige redenen om te vrezen dat de betrokkene nieuwe als misdrijf omschreven
feiten pleegt, zich aan het gerecht onttrekt, bewijsmateriaal probeert te doen verdwijnen of tot een
heimelijke verstandhouding komt met derden; 3° het belang van een slachtoffer of zijn omgeving
vereist dit verbod. De jeugdrechtbank of de onderzoeksrechter kan de dienst slachtofferonthaal verzoeken
om een slachtofferfiche op te stellen. Art. 7. Wanneer het als misdrijf omschreven
feit de dood, een ongeneeslijk lijkende ziekte, een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, het
volledig verlies van het gebruik van een orgaan of een zware verminking veroorzaakt, of wanneer het als
misdrijf omschreven feit behoort tot de misdrijven met geweld zoals bepaald in Hoofdstuk V, Titel VII,
Boek II van het Strafwetboek, dan worden de benadeelde personen door de dienst slachtofferonthaal bij
het parket van de procureur des Konings onverwijld op de hoogte gebracht van elke beschikking van de
jeugdrechtbank of van de onderzoeksrechter van de opheffing of de wijziging van de voorlopige maatregel
van maatschappelijke beveiliging of van de toelating om het Centrum kortstondig te verlaten. In het geval
een onderzoeksrechter gevat is, brengt de jeugdrechtbank hem op de hoogte van de opheffing of de wijziging
van de voorlopige maatregel van maatschappelijke beveiliging of van de toelating om het Centrum kortstondig
te verlaten. Art. 8. Hoger beroep tegen de beschikkingen van de jeugdrechtbank moet
ingesteld worden binnen een termijn van achtenveertig uren, die ten aanzien van het openbaar ministerie
loopt vanaf de mededeling van de beschikking en ten aanzien van de andere partijen in het geding vanaf
het vervullen van de vormvereisten bedoeld in artikel 52ter, vierde lid, van de wet van 8 april 1965
betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. De genomen maatregel
blijft gehandhaafd zolang hij niet in hoger beroep is gewijzigd. Het hoger beroep tegen een toelating
om het centrum te verlaten is daarentegen opschortend, gedurende vijftien dagen te rekenen van de akte
van hoger beroep. Het beroep kan door de betrokkene worden ingesteld door een verklaring aan
de directie van het Centrum. Deze schrijft de beroepen in een genummerd en geparafeerd register in. Hij
geeft er onmiddellijk kennis van aan de griffie van de bevoegde rechtbank en zendt haar per aangetekende
brief een uittreksel van het register. De jeugdkamer van het hof van beroep behandelt de zaak en doet
uitspraak binnen vijftien werkdagen te rekenen van de akte van hoger beroep. Na het verstrijken
van deze termijn vervalt de maatregel. De termijn wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel toegekend
op verzoek van de verdediging. De termijn van de dagvaarding voor het hof bedraagt drie dagen. De
nieuwe gemeentewet. Art. 119bis. In artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet, ingevoegd
bij de wet van 13 mei 1999 en laatst gewijzigd bij de wet van 20 juli 2005, worden de volgende wijzigingen
aangebracht : 1) In § 12, vijfde lid, worden de woorden "de wet van 8 april 1965 betreffende
de jeugdbescherming" vervangen door de woorden "de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming,
het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel
van de door dit feit veroorzaakte schade". 2) In § 12, zevende lid, worden de woorden
"de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming" vervangen door de woorden "de wet van 8 april
1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade". 3) In §
12, achtste lid, worden de woorden "de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming" vervangen
door de woorden "de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen
die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte
schade". De wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie. Art. 15. De
bepalingen van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen
die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte
schade die van toepassing zijn op de bloedverwanten in de opgaande lijn en op de bloedverwanten in de
nederdalende lijn, zijn van toepassing op de adoptant, op de geadopteerde en op zijn afstammelingen.
Gecoördineerde
wetten op 1 oktober 2007 Bijlage 1 : gecoördineerde versie van de wetgeving betreffende jeugddelinquentie Wet
betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade Voorafgaande titel
: Beginselen van de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen De volgende beginselen zijn
erkend en van toepassing op de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen : 1° de voorkoming
van delinquentie is van wezenlijk belang om de maatschappij op lange termijn te beschermen. Zulks vereist
dat de bevoegde autoriteiten de onderliggende oorzaken van de jeugddelinquentie aanpakken en een multidisciplinair
actieplan uitwerken; 2° elke rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen gebeurt, voor zover
zulks mogelijk is, door actoren, ambtenaren en magistraten met een specifieke en permanente opleiding
inzake jeugdrecht; 3° de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen streeft doelstellingen
na inzake opvoeding, verantwoordelijkheidszin, resocialisatie en bescherming van de maatschappij; 4°
de minderjarigen mogen geenszins worden gelijkgesteld met meerderjarigen wat de mate van verantwoordelijkheid
en de gevolgen van hun daden betreft. De minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd,
moeten evenwel bewust worden gemaakt van de gevolgen van hun daden; 5° de minderjarigen genieten
in het kader van deze wet van persoonlijke rechten en vrijheden, waaronder die omschreven in de Grondwet
en in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, inzonderheid het recht om te worden
gehoord tijdens het proces dat leidt tot beslissingen die hen aangaan en het recht daaraan deel te nemen.
Deze rechten en vrijheden moeten gepaard gaan met bijzondere waarborgen : a) telkens als de
wet afbreuk kan doen aan bepaalde rechten en vrijheden van de jongeren, hebben die jongeren het recht
te worden geïnformeerd over de inhoud van deze rechten en vrijheden; b) de vader en moeder
nemen het onderhoud en de opvoeding van en het toezicht op hun kinderen op zich. Bijgevolg kunnen de
jongeren enkel volledig of gedeeltelijk aan het ouderlijk gezag worden onttrokken in de gevallen waarin
maatregelen houdende handhaving van dit gezag als een contra-indicatie kunnen worden beschouwd; c)
de situatie van de minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, vereist toezicht,
opvoeding, tucht en begeleiding. Hun toestand van afhankelijkheid, hun ontwikkelings- en maturiteitsgraad
scheppen echter bijzondere noden die luisterbereidheid, raad en bijstand vereisen; d) elk optreden
dat een opvoedende maatregel inhoudt, heeft tot doel de jongere aan te moedigen zich de maatschappelijke
normen eigen te maken; e) bij de tenlasteneming van minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd, wordt, wanneer zulks mogelijk is, een beroep gedaan op de in de wet bepaalde vervangingsmaatregelen
voor de gerechtelijke procedures, waarbij evenwel rekening wordt gehouden met de bescherming van de maatschappij; f)
in het kader van de wet mogen aan het recht op vrijheid van de jongeren slechts minimale belemmeringen
worden opgelegd die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de maatschappij, rekening houdend met de
noden van de jongeren, de belangen van hun familie en het recht van de slachtoffers. TITEL I.
- Sociale bescherming. Artikel 1. In de hoofdplaats van ieder gerechtelijk arrondissement
wordt een jeugdbeschermingscomité opgericht. Wanneer het belang van de jeugd het vergt, kan
de Koning in eenzelfde gerechtelijk arrondissement twee of meer jeugdbeschermingscomités oprichten, daarbij
rekening houdende met het bevolkingscijfer alsmede met de regionale behoeften of de noodwendigheden op
taalgebied. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 1. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven)
<DVR 1985-06-27/35, art. 32, 1°> Art. 1. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 1991-03-04/36,
art. 62, § 1, 005; Inwerkingtreding : 24-12-1991> Art. 1. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven)
<DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995 Art. 2. Het jeugdbeschermingscomité
heeft tot doel op te treden wanneer de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van een minderjarige
gevaar loopt wegens het milieu waarin hij leeft of wegens zijn bezigheden of wanneer de omstandigheden
waarin hij wordt opgevoed door het gedrag van degenen die hem onder hun bewaring hebben gevaar opleveren. In
dit geval kan het in het belang van de minderjarige een preventieve sociale actie doen voeren, voor zover
zijn hulp is gevraagd of aanvaard door de personen die over de minderjarige de ouderlijke macht uitoefenen
of hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben. Het jeugdbeschermingscomité heeft bovendien
taak : 1° aan de bevoegde overheden zijn medewerking te verlenen in de gevallen en op de wijze
bij de wet bepaald; 2° de feiten die op de lichamelijke gezondheid of de zedelijkheid van de
jeugd nadelig kunnen inwerken, ter kennis van de bevoegde overheden te brengen; 3° in plaatselijk
of gewestelijk verband alle initiatieven voor een betere bescherming van de jeugd te bevorderen, te oriënteren
en te coördineren. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 2. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven)
<DVR 1985-06-27/35, art. 32, 1°> Art. 2. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 1991-03-04/36,
art. 62, § 1, 005; Inwerkingtreding : 24-12-1991> Art. 2. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven)
<DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 3. Het jeugdbeschermingscomité
bestaat uit twaalf tot vierentwintig leden, door de Minister van Justitie voor een hernieuwbare termijn
van (vijf jaar) benoemd uit vertegenwoordigers van diensten, instellingen of organisaties die zich actief
met de jeugd, de jeugdbescherming en het gezin bezighouden. Een derde van die leden worden benoemd
op de voordracht van de Minister tot wiens bevoegdheid de nationale opvoeding behoort; een derde, op
de voordracht van de Minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid en het gezin behoren. Onder
de wegens hun bevoegdheid of verdiensten inzake jeugdbescherming bekende personen kunnen er ten hoogste
drie door het comité zelf met een twee derde meerderheid voor een duur van (vijf jaar) gecoöpteerd worden. De
Minister van Justitie benoemt uit de leden van het comité een voorzitter en twee ondervoorzitters. De
Koning regelt de werkwijze van het comité en stelt de vergoedingen van de leden vast. In het comité kan
Hij afdelingen oprichten, waarvan Hij de samenstelling bepaalt met inachtneming van het bovenstaande. GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 3. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32> Art.
3. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 1, 005; Inwerkingtreding
: 24-12-1991> Art. 3. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art.
43, Inwerkingtreding : 01-05-1995 Art. 4. Er wordt een nationale raad voor jeugdbescherming
opgericht. Deze raad bestaat uit eenentwintig tot vierentwintig leden, door de Minister van
Justitie voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar benoemd volgens de regels die gelden voor het samenstellen
van de jeugdbeschermingscomités. De Minister van Justitie benoemt uit de leden van de raad een
voorzitter en twee ondervoorzitters. De Minister van Justitie en de Ministers tot wier respectieve
bevoegdheid de nationale opvoeding en de volksgezondheid en het gezin behoren, worden elk in de raad
vertegenwoordigd door een bijzitter of diens plaatsvervanger, die raadgevende stem heeft. De
directeur-generaal van de dienst voor jeugdbescherming neemt het ambt van secretaris-generaal van de
raad waar. De nationale raad voor jeugdbescherming heeft tot taak : 1° de actie van
de jeugdbeschermingscomités aan te moedigen, de Minister van Justitie ter zake van advies te dienen en
voorstellen te doen; 2° de Ministers die recht van voordracht hebben voor de samenstelling van
de raad, van advies te dienen omtrent elke kwestie betreffende de sociale bescherming van de jeugd, en
wel op verzoek van de genoemde Ministers of uit eigen beweging; 3° jaarlijks verslag uit te
brengen over de ontwikkeling en de behoeften van de sociale bescherming van de jeugd. De Koning
regelt de werkwijze van de raad en van het vast bureau dat in de raad wordt opgericht. Hij stelt de aan
hun leden toe te kennen vergoedingen vast. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 4. (VLAAMSE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32> Art. 4. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven)
<DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 1, 005; Inwerkingtreding : 24-12-1991> Art. 4. (DUITSTALIGE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art.
5. De Minister van Justitie organiseert en stelt ter beschikking van de jeugdbeschermingscomités
: 1° een administratief secretariaat, belast met de voorbereiding en de uitvoering van de beslissingen
van het comité; 2° een afdeling van de sociale dienst bedoeld in artikel 64. De Minister
van Justitie stelt bovendien, in ieder gerechtelijk arrondissement of in iedere provincie, ter beschikking
van de comités : 1° een medisch-psychologisch centrum; 2° een centrum voor eerste onthaal
voor het onderbrengen van minderjarigen. Hij kan daartoe met openbare of private instellingen,
alsmede met particulieren, overeenkomsten aangaan. Mocht hij geen overeenkomsten hebben kunnen
aangaan die het mogelijk maken in de bestaande centra de onontbeerlijke onderzoeken te verzekeren, dan
neemt de Minister van Justitie de maatregelen om de nodige raadplegingen te organiseren. GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 5. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32> Art.
5. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 1, 005; Inwerkingtreding
: 24-12-1991> Art. 5. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art.
43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 6. De werkingskosten van de nationale raad
voor jeugdbescherming en van de jeugdbeschermingscomités komen ten laste van de begroting van het Ministerie
van Justitie. Dit is eveneens het geval met de uitgaven die voortvloeien uit de maatregelen
van de comités en die niet door een openbare of private instelling worden gedekt. De Koning
bepaalt onder welke voorwaarden de comités die uitgaven mogen doen. De bijdrage van de minderjarigen
en van de onderhoudsplichtige personen wordt door de comités vastgesteld onverminderd het recht van de
betrokkenen zich bij verzoekschrift tot de jeugdrechtbank te wenden. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art.
6. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32, 3° is bij arrest van het Arbitragehof
d. 30/06/1988 vernietigd in de mate waarin het art. 6, lid 4 opheft > (NOTA : Voor de Vlaamse
Gemeenschap wordt, in art. 6, het woord "comités" vervangen door de woorden "bureaus voor bijzondere
jeugdbijstand" <DVR 1990-03-28/34, art. 23, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990>) Art. 6.
(FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 1, 005; Inwerkingtreding
: 24-12-1991> Art. 6. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art.
43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> TITEL II. - Gerechtelijke bescherming. HOOFDSTUK
I. - Jeugdrechtbanken en jeugdkamers van de hoven van beroep. Art. 7. (Opgeheven) Art.
8. Het ambt van openbaar ministerie bij de jeugdrechtbank wordt uitgeoefend door een of meer
magistraten van het parket, die door de procureur des Konings worden aangewezen. Deze magistraten
oefenen eveneens het ambt van openbaar ministerie bij de (burgerlijke rechtbank) uit telkens wanneer
deze rechtbank te beslissen heeft over de voorlopige maatregelen die betrekking hebben op de persoon,
op het levensonderhoud en op de goederen van niet ontvoogde minderjarige kinderen van ouders die wegens
echtscheiding of scheiding van tafel en bed in rechte staan. Art. 9. Een of meer door
de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg aangewezen onderzoeksrechters worden speciaal belast
met de zaken die tot de bevoegdheid van de jeugdrechtbank behoren. Art. 10. Elke beslissing,
ongeacht of het gaat om een voorlopige maatregel of om een maatregel ten gronde, die door de jeugdrechter
of de jeugdrechtbank in eerste aanleg of in hoger beroep genomen is, wordt op de dag van de beslissing
zelf, door toedoen van de griffier, bij gewone kopie overgezonden aan de advocaat van de minderjarige. Art.
11. In het hof van beroep wordt het ambt van openbaar ministerie bij de jeugdkamers uitgeoefend
door één of meer magistraten van het parket-generaal, die door de procureur-generaal worden aangewezen. HOOFDSTUK
II. - Burgerrechtelijke bepalingen betreffende de minderjarigen. Art. 12. <Wijzigingsbepaling
van BW, art. 108> Art. 13. <Wijzigingsbepaling van BW, art. 148 en 160bis > Art. 14.
<Wijzigingsbepaling van BW, art. 236, art. 239, art. 264, art. 267 en art. 268> Art. 15. <Wijzigingsbepaling
van BW, art. 280, art. 283 en art. 284> Art. 16. <Wijzigingsbepaling van BW, art. 302> Art.
17. <Wijzigingsbepaling van BW, art. 307 en 311bis > Art. 18. <Wijzigingsbepaling van BW, art.
355, art. 356 en art. 360> Art. 19. <Wijzigingsbepaling van BW, art. 373, art. 374, art. 384
en art. 386> Art. 20. <Wijzigingsbepaling van BW, art. 389 en art. 407> Art. 21. <Wijzigingsbepaling
van BW, art. 477, art. 478, art. 479 en art. 485> Art. 22. <Wijzigingsbepaling van WBR, art.
883> Art. 23. <Wijzigingsbepaling van, art. 79> Art. 24. <Wijzigingsbepaling van WKH,
art. 4 en 5> Art. 25. <Wijzigingsbepaling van art. 34, art. 35 en art. 36> Art. 26.
<Wijzigingsbepaling van art. 102> Art. 27. <Wijzigingsbepaling)> Art. 28. <Wijzigingsbepaling
van art. 5 en art. 18> HOOFDSTUK III. - Maatregelen ter bescherming van de minderjarigen. Afdeling
I. - Maatregelen ten aanzien van de ouders. Art. 29. Wanneer kinderen die recht geven
op gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen grootgebracht worden in omstandigheden die kennelijk en
doorgaans niet voldoen aan de eisen inzake voeding, huisvesting en hygiëne, en wanneer het bedrag van
de uitkeringen niet wordt aangewend in het belang van de kinderen, kan de jeugdrechtbank, op vordering
van het openbaar ministerie, een persoon aanwijzen die ermede belast is het bedrag van die uitkeringen
te innen en uitsluitend te gebruiken voor de behoeften van de kinderen en voor de gezinsuitgaven die
hen betreffen. Het jeugdbeschermingscomité kan daartoe worden aangewezen. Wanneer de
beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, betekent de griffier van de jeugdrechtbank ze bij afschrift
per ter post aangetekende brief aan de met de vereffening van de uitkeringen belaste instelling, die
zich dan alleen geldig kan bevrijden door het verschuldigde bedrag te storten aan de persoon of aan het
jeugdbeschermingscomité daartoe aangewezen. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 29. (VLAAMSE
GEMEENSCHAP) Wanneer kinderen die recht geven op gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen
grootgebracht worden in omstandigheden die kennelijk en doorgaans niet voldoen aan de eisen inzake voeding,
huisvesting en hygiëne, en wanneer het bedrag van de uitkeringen niet wordt aangewend in het belang van
de kinderen, kan de jeugdrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een persoon aanwijzen die
ermede belast is het bedrag van die uitkeringen te innen en uitsluitend te gebruiken voor de behoeften
van de kinderen en voor de gezinsuitgaven die hen betreffen. (de Sociale Dienst van de Vlaamse
Gemeenschap bij de Jeugdrechtbank) kan daartoe worden aangewezen. <DVR 1985-06-27/35, art. 33, 1°> Wanneer
de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, betekent de griffier van de jeugdrechtbank ze bij afschrift
per ter post aangetekende brief aan de met de vereffening van de uitkeringen belaste instelling, die
zich dan alleen geldig kan bevrijden door het verschuldigde bedrag te storten aan de persoon of aan (de
Sociale Dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de Jeugdrechtbank) daartoe aangewezen. <DVR 1985-06-27/35,
art. 33, 1°> Art. 29. (FRANSE GEMEENSCHAP) Wanneer kinderen die recht geven op gezinsbijslag
of andere sociale uitkeringen grootgebracht worden in omstandigheden die kennelijk en doorgaans niet
voldoen aan de eisen inzake voeding, huisvesting en hygiëne, en wanneer het bedrag van de uitkeringen
niet wordt aangewend in het belang van de kinderen, kan de jeugdrechtbank, op vordering van het openbaar
ministerie, een persoon aanwijzen die ermede belast is het bedrag van die uitkeringen te innen en uitsluitend
te gebruiken voor de behoeften van de kinderen en voor de gezinsuitgaven die hen betreffen. (Lid
2 opgeheven) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 2, 1°, 005; Inwerkingtreding : 24-12-1991> Wanneer
de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, betekent de griffier van de jeugdrechtbank ze bij afschrift
per ter post aangetekende brief aan de met de vereffening van de uitkeringen belaste instelling, die
zich dan alleen geldig kan bevrijden door het verschuldigde bedrag te storten aan de persoon (...) daartoe
aangewezen. <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 2, 2°, 005; Inwerkingtreding : 24-12-1991> Art.
29. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) Wanneer kinderen die recht geven op gezinsbijslag of andere sociale
uitkeringen grootgebracht worden in omstandigheden die kennelijk en doorgaans niet voldoen aan de eisen
inzake voeding, huisvesting en hygiëne, en wanneer het bedrag van de uitkeringen niet wordt aangewend
in het belang van de kinderen, kan de jeugdrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een persoon
aanwijzen die ermede belast is het bedrag van die uitkeringen te innen en uitsluitend te gebruiken voor
de behoeften van de kinderen en voor de gezinsuitgaven die hen betreffen. (Dienst voor gerechtelijke
jeugdbijstand) kan daartoe worden aangewezen. <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Wanneer
de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, betekent de griffier van de jeugdrechtbank ze bij afschrift
per ter post aangetekende brief aan de met de vereffening van de uitkeringen belaste instelling, die
zich dan alleen geldig kan bevrijden door het verschuldigde bedrag te storten aan de persoon of aan (dienst
voor gerechtelijke jeugdbijstand) daartoe aangewezen. <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding :
01-05-1995> Art. 29bis Wanneer de jeugdrechtbank een als misdrijf omschreven feit
waarvoor een minderjarige vervolgd werd, bewezen verklaart, kan ze, op vordering van het openbaar ministerie
of ambtshalve, het volgen van een ouderstage bevelen aan de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen
over deze minderjarige, indien ze zich duidelijk onverschillig opstellen tegenover het delinquent gedrag
van deze laatste, en deze onverschilligheid bijdraagt tot de problemen van de minderjarige. Dit kan enkel
als aanvullende maatregel bij een maatregel die ten overstaan van de minderjarige opgelegd wordt door
de jeugdrechter wanneer het volgen van zulke ouderstage de delinquente minderjarige zelf ten goede kan
komen. Art. 30. Wanneer de gezondheid, de veiligheid, de zedelijkheid van een minderjarige
gevaar lopen, of wanneer de omstandigheden waarin hij wordt opgevoed, gevaar opleveren, kan de jeugdrechtbank,
op vordering van het openbaar ministerie, een maatregel voor opvoedingsbijstand bevelen ten aanzien van
degenen die hem onder hun bewaring hebben. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 30. (VLAAMSE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 1°, 003; Inwerkingtreding : 27-09-1994> Art.
30. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 3, 005; Inwerkingtreding
: 07-12-1994> Art. 30. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art.
43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 31. De opvoedingsbijstand verzekert aan de
personen die de minderjarige onder hun bewaring hebben, de hulp van het jeugdbeschermingscomité of van
een afgevaardigde bij de jeugdbescherming. Die maatregel kan, daarenboven, naar gelang van de
omstandigheden, voor dezelfde personen een of meer van de volgende verplichtingen inhouden : 1°
de minderjarige onderwerpen aan het toezicht van het jeugdbeschermingscomité of van een afgevaardigde
bij de jeugdbescherming; 2° hem onderwerpen aan de pedagogische of medische richtlijnen van
een centrum voor opvoedkundige voorlichting of geestelijke hygiëne; 3° hem geregeld een school
voor gewoon of bijzonder onderwijs doen bezoeken; 4° uitzonderlijk, hem plaatsen bij een betrouwbaar
persoon of in een geschikte inrichting met het oog op zijn huisvesting, behandeling, opvoeding, onderrichting
of beroepsopleiding. Het jeugdbeschermingscomité of de afgevaardigde bij de jeugdbescherming
belast met de opvoedingsbijstand, waakt voor de vervulling van deze verplichtingen onder het toezicht
van de jeugdrechtbank. Tot opvoedingsbijstand kan worden besloten afgezien van enigerlei rechtspleging
ten opzichte van de minderjarige. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 31. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven)
<DVR 1990-03-28/34, art. 22, 1°, 003; Inwerkingtreding : 27-09-1994> Art. 31. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven)
<DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 3, 005; Inwerkingtreding : 07-12-1994> Art. 31. (DUITSTALIGE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art.
32. Van (het ouderlijk gezag) ten aanzien van alle kinderen, of van één of meer onder hen, kan
geheel of ten dele worden ontzet : 1° de vader of de moeder die is veroordeeld tot een criminele
of correctionele straf wegens enig feit gepleegd op de persoon of met behulp van een van de kinderen
of afstammelingen; 2° de vader of de moeder die, door slechte behandeling, misbruik van gezag,
kennelijk slecht gedrag of erge nalatigheid, de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het
kind in gevaar brengt. Hetzelfde geldt voor de vader of de moeder die huwt met een persoon die
van (het ouderlijk gezag) is ontzet. De ontzetting wordt uitgesproken door de jeugdrechtbank,
op vordering van het openbaar ministerie. Art. 33. Volledige ontzetting slaat op alle
rechten die uit (het ouderlijk gezag) voortvloeien. (Ze slaat evenwel enkel op het recht om
toe te stemmen in de adoptie van het kind wanneer het vonnis dit uitdrukkelijk bepaalt.) Voor
degene die erdoor getroffen wordt, betekent ze ten aanzien van het betrokken kind en van diens afstammelingen
: 1° uitsluiting van het recht van bewaring en opvoeding; 2° onbekwaamheid om ze te
vertegenwoordigen, tot hun handelingen toestemming te verlenen en hun goederen te beheren; 3°
uitsluiting van het recht van genot bedoeld in artikel 384 van het Burgerlijk Wetboek; 4° uitsluiting
van het recht om levensonderhoud te vorderen; 5° uitsluiting van het recht om hun nalatenschap
geheel of ten dele te verkrijgen overeenkomstig artikel 746 van het Burgerlijk Wetboek. (Volledige
ontzetting brengt bovendien algemene onbekwaamheid mede om voogd, pleegvoogd, toeziend voogd of curator
te zijn.) Gedeeltelijke ontzetting slaat op de rechten die de rechtbank bepaalt. Art.
34. Wanneer zij de volledige of gedeeltelijke ontzetting van (het ouderlijk gezag) uitspreekt,
wijst de jeugdrechtbank de persoon aan die, onder haar toezicht, de in artikel 33, 1° en 2°, vermelde
rechten waarvan de ouders of een van hen ontzet zijn, zal uitoefenen en de overeenkomstige verplichtingen
zal nakomen, of vertrouwt zij de minderjarige toe aan het jeugdbeschermingscomité, dat iemand aanwijst
om de genoemde rechten uit te oefenen, nadat zijn aanwijzing door deze rechtbank is gehomologeerd op
vordering van het openbaar ministerie. De vader en de moeder worden vooraf gehoord of opgeroepen. Werd
slechts een der ouders ontzet, dan wijst de jeugdrechtbank, om hem te vervangen, de niet ontzette ouder
aan, als dat niet in strijd is met het belang van de minderjarige. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art.
34. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) Wanneer zij de volledige of gedeeltelijke ontzetting van (het ouderlijk
gezag) uitspreekt, wijst de jeugdrechtbank de persoon aan die, onder haar toezicht, de in artikel 33,
1° en 2°, vermelde rechten waarvan de ouders of een van hen ontzet zijn, zal uitoefenen en de overeenkomstige
verplichtingen zal nakomen, of vertrouwt zij de minderjarige toe aan (de Sociale Dienst van de Vlaamse
Gemeenschap bij de Jeugdrechtbank), die iemand aanwijst om de genoemde rechten uit te oefenen, nadat
zijn aanwijzing door deze rechtbank is gehomologeerd op vordering van het openbaar ministerie. <W 31-03-1987,
art. 105> <DVR 1985-06-27/35, art. 33> De vader en de moeder worden vooraf gehoord of opgeroepen. Werd
slechts een der ouders ontzet, dan wijst de jeugdrechtbank, om hem te vervangen, de niet ontzette ouder
aan, als dat niet in strijd is met het belang van de minderjarige. Art. 34. (FRANSE GEMEENSCHAP) Wanneer
zij de volledige of gedeeltelijke ontzetting van (het ouderlijk gezag) uitspreekt, wijst de jeugdrechtbank
de persoon aan die, onder haar toezicht, de in artikel 33, 1° en 2°, vermelde rechten waarvan de ouders
of een van hen ontzet zijn, zal uitoefenen en de overeenkomstige verplichtingen zal nakomen, of vertrouwt
zij de minderjarige toe (aan de adviseur bij de hulpverlening aan de jeugd), die iemand aanwijst om de
genoemde rechten uit te oefenen, nadat zijn aanwijzing door deze rechtbank is gehomologeerd op vordering
van het openbaar ministerie. <W 31-03-1987, art. 105> <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 4, 005; Inwerkingtreding
: 24-12-1991> De vader en de moeder worden vooraf gehoord of opgeroepen. Werd slechts
een der ouders ontzet, dan wijst de jeugdrechtbank, om hem te vervangen, de niet ontzette ouder aan,
als dat niet in strijd is met het belang van de minderjarige. Art. 34. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) Wanneer
zij de volledige of gedeeltelijke ontzetting van (het ouderlijk gezag) uitspreekt, wijst de jeugdrechtbank
de persoon aan die, onder haar toezicht, de in artikel 33, 1° en 2°, vermelde rechten waarvan de ouders
of een van hen ontzet zijn, zal uitoefenen en de overeenkomstige verplichtingen zal nakomen, of vertrouwt
zij de minderjarige toe aan (dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand), dat iemand aanwijst om de genoemde
rechten uit te oefenen, nadat zijn aanwijzing door deze rechtbank is gehomologeerd op vordering van het
openbaar ministerie. <W 31-03-1987, art. 105> <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> De
vader en de moeder worden vooraf gehoord of opgeroepen. Werd slechts een der ouders ontzet,
dan wijst de jeugdrechtbank, om hem te vervangen, de niet ontzette ouder aan, als dat niet in strijd
is met het belang van de minderjarige. Art. 35. Onverminderd de regels bepaald in het
Burgerlijk Wetboek inzake toestemming tot het huwelijk (tot de adoptie en tot (de volle adoptie)), oefent
de persoon die ingevolge artikel 34 is aangewezen, de rechten uit die hem werden verleend, eventueel
met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 373 en 374 van het Burgerlijk Wetboek. Hij waakt
ervoor dat de inkomsten van de minderjarige aan diens onderhoud en opvoeding worden besteed. In
alle gevallen gelden voor het beheer van de goederen van de minderjarige de bepalingen van het Burgerlijk
Wetboek betreffende (de werking van de voogdij en de voogdijrekeningen). De niet ontzette ouder
heeft slechts het recht op wettelijk genot van de goederen van de minderjarige, indien hij is bekleed
met de machten bedoeld in artikel 34. Afdeling II. - Maatregelen ten aanzien van de minderjarigen. Art.
36. De jeugdrechtbank neemt kennis : 1° van de klachten ingediend door de personen
die de ouderlijke macht uitoefenen, of in rechte of in feite een minderjarige beneden de leeftijd van
achttien jaar onder hun bewaring hebben, die door zijn wangedrag of onbuigzaamheid ernstige redenen tot
ontevredenheid geeft; 2° van de vorderingen van het openbaar ministerie betreffende minderjarigen
wier gezondheid, veiligheid of zedelijkheid gevaar loopt hetzij wegens het milieu waarin zij leven hetzij
wegens hun bezigheden, of wanneer de omstandigheden waarin zij worden opgevoed, gevaar opleveren door
het gedrag van degenen die hen onder hun bewaring hebben; 3° van de vorderingen van het openbaar
ministerie betreffende minderjarigen beneden de volle leeftijd van achttien jaar die bedelend of zwervend
worden aangetroffen of van bedelarij of landloperij een gewoonte maken; 4° (van de vorderingen
van het openbaar ministerie ten aanzien van de personen die vervolgd worden wegens een als misdrijf omschreven
feit, gepleegd vóór de volle leeftijd van achttien jaar.) 5°(van het hoger beroep ingesteld
bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen of niet opleggen van een administratieve
sanctie als bedoeld in artikel 119bis, § 2, tweede lid, 1, van de nieuwe gemeentewet, aan minderjarigen
die de volle leeftijd van 16 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten); (6° van het
hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen van een administratieve
sanctie als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid
bij voetbalwedstrijden, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt op het tijdstip
van de feiten.) GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 36. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) De
jeugdrechtbank neemt kennis : 1° (...) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 2°, 003; Inwerkingtreding
: 27-09-1994> 2° (...) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 2°, 003; Inwerkingtreding : 27-09-1994> 3°
(...) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 2°, 003; Inwerkingtreding : 27-09-1994> 4° (van de vorderingen
van het openbaar ministerie ten aanzien van de personen die vervolgd worden wegens een als misdrijf omschreven
feit, gepleegd vóór de volle leeftijd van achttien jaar.) <W 1992-12-24/30, art. 1, 006; Inwerkingtreding
: 10-01-1993> 5° (van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing
tot het opleggen of niet opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 119, §
2, tweede lid, 1, van de nieuwe gemeentewet, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 16 jaar hebben
bereik op het tijdstip van de feiten;) <Hersteld bij W 2004-05-07/65, art. 2, 019; Inwerkingtreding :
05-07-2004> (6° van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing
tot het opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de wet van
21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, aan minderjarigen die de volle leeftijd
van 14 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten.) <W 2004-05-07/65, art. 2, 019; Inwerkingtreding
: 05-07-2004> (tweede lid opgeheven) <W 2003-04-10/60, art. 47, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Art.
36. (FRANSE GEMEENSCHAP) De jeugdrechtbank neemt kennis : 1° (...) <DFG 1991-03-04/36,
art. 62, § 5, 005; Inwerkingtreding : 07-12-1994> 2° (...) <DFG 1991-03-04/36, art. 62,
§ 5, 005; Inwerkingtreding : 07-12-1994> 3° (...) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, §
5, 005; Inwerkingtreding : 07-12-1994> 4° (van de vorderingen van het openbaar ministerie ten
aanzien van de personen die vervolgd worden wegens een als misdrijf omschreven feit, gepleegd vóór de
volle leeftijd van achttien jaar.) W 1992-12-24/30, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 10-01-1993> 5°
(van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen of
niet opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 119, § 2, tweede lid, 1,
van de nieuwe gemeentewet, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 16 jaar hebben bereik op het tijdstip
van de feiten;) <Hersteld bij W 2004-05-07/65, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 05-07-2004> (6°
van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen van
een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de wet van 21 december 1998 betreffende
de veiligheid bij voetbalwedstrijden, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt
op het tijdstip van de feiten.) <W 2004-05-07/65, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 05-07-2004> Art.
36. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) De jeugdrechtbank neemt kennis : 1° (...) <DDG 1995-03-20/34,
art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> 2° (...) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, ED : 01-05-1995> 3°
(...) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> 4° (van de vorderingen van
het openbaar ministerie ten aanzien van de personen die vervolgd worden wegens een als misdrijf omschreven
feit, gepleegd vóór de volle leeftijd van achttien jaar.) <W 1992-12-24/30, art. 1, 006; Inwerkingtreding
: 10-01-1993> 5° (van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing
tot het opleggen of niet opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 119, §
2, tweede lid, 1, van de nieuwe gemeentewet, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 16 jaar hebben
bereik op het tijdstip van de feiten;) <Hersteld bij W 2004-05-07/65, art. 2, 019; Inwerkingtreding :
05-07-2004> (6° van het hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing
tot het opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de wet van
21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, aan minderjarigen die de volle leeftijd
van 14 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten.) <W 2004-05-07/65, art. 2, 019; Inwerkingtreding
: 05-07-2004> Art. 36bis. In afwijking van artikel 36, 4°, en behoudens samenhang met
vervolgingen wegens andere misdrijven dan die hieronder bepaald, nemen de gerechten, bevoegd op grond
van het gemene recht, kennis van de vorderingen van het openbaar ministerie jegens (personen ouder dan
zestien jaar en beneden en beneden achttien jaar), op het ogenblik van de feiten, vervolgd wegens overtreding
van : 1° de bepalingen van de wetten en verordeningen betreffende het wegverkeer; 2°
de artikelen 418, 419 en 420 van het Strafwetboek voor zover er samenhang is met een overtreding van
de onder 1° bedoelde wetten en verordeningen; 3° (de wet van 21 november 1989) betreffende de
verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. (...). (Indien uit de debatten
voor die gerechten) blijkt dat een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding geschikter is, kunnen
die gerechten de zaak bij een met redenen omklede beslissing uit handen geven en ze naar het openbaar
ministerie verwijzen met het oog op de vorderingen voor de jeugdrechtbank als daartoe grond bestaat. De
wet betreffende de voorlopige hechtenis is niet toepasselijk op de in dit artikel (bedoelde personen),
tenzij bij vluchtmisdrijf. Art. 37. § 1. De jeugdrechtbank kan de voor haar
gebrachte personen maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding opleggen. Om de beslissing
bedoeld in het eerste lid te nemen, houdt de jeugdrechtbank rekening met de volgende factoren : 1°
de persoonlijkheid en de maturiteitsgraad van de betrokkene; 2° zijn leefomgeving; 3°
de ernst van de feiten, de omstandigheden waarin zij zijn gepleegd, de schade en de gevolgen voor het
slachtoffer; 4° de vroegere maatregelen die ten aanzien van de betrokkene werden genomen, en
diens gedrag gedurende de uitvoering ervan; 5° de veiligheid van de betrokkene; 6°
de openbare veiligheid. Er wordt tevens rekening gehouden met de mate waarin de behandelingswijzen,
de opvoedingsprogramma's of enige andere middelen daartoe beschikbaar zijn, alsmede met het voordeel
dat de betrokkene daaruit zou kunnen putten. § 2. Zij kan, in voorkomend geval, op cumulatieve
wijze : 1° de betrokkenen berispen en, met uitzondering van degenen die de leeftijd van achttien
jaar hebben bereikt, hen laten bij of teruggeven aan de personen bij wie zij gehuisvest zijn, en dezen,
in voorkomend geval, ertoe aanmanen in het vervolg beter toezicht op hen te houden en hen beter op te
voeden; 2° hen onder het toezicht plaatsen van de bevoegde sociale dienst; 4° hen opleggen
een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut te leveren, in verhouding tot hun leeftijd en
hun vaardigheden, van ten hoogste 150 uur, die georganiseerd wordt via een door de gemeenschappen aangewezen
dienst of door een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden; 5°
hen opleggen een ambulante behandeling te volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij
een dienst voor seksuele opvoeding of bij een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving;
de jeugdrechter kan erin toestemmen dat de minderjarige een behandeling start of voortzet bij een geneesheer-psychiater,
een psycholoog of een therapeut die hem wordt voorgesteld door de persoon die bij hem wordt voorgeleid
of door diens wettelijke vertegenwoordigers; 6° hen toevertrouwen aan een rechtspersoon die
voorstelt de verwezenlijking van een positieve prestatie te begeleiden, die bestaat in hetzij een opleiding,
hetzij de deelname aan een georganiseerde activiteit; 7° hen toevertrouwen aan een volgens de
nadere regels bepaald door de gemeenschappen betrouwbaar persoon of plaatsen in een volgens de nadere
regels bepaald door de gemeenschappen geschikte inrichting, met het oog op hun huisvesting, behandeling,
opvoeding, onderricht of beroepsopleiding; 8° hen toevertrouwen aan een openbare gemeenschapsinstelling
voor jeugdbescherming, met inachtneming van de plaatsingscriteria bedoeld in § 2quater. Ten aanzien
van de personen bedoeld in artikel 36, 4°, en onverminderd het bepaalde in artikel 60 wordt in de beslissing
vastgesteld wat de duur van de maatregel is, alsmede of het om opname in een gesloten opvoedingsafdeling
gaat, zoals georganiseerd door de overheden die daartoe bevoegd zijn op grond van de artikelen 128 en
135 van de Grondwet, en van artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980
tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1988. De rechter of de bevoegde
sociale dienst bezoekt de persoon die is toevertrouwd aan een gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling
voor jeugdbescherming indien de plaatsing vijftien dagen overschrijdt. In geval van plaatsing in een
gesloten opvoedingsafdeling, geldt de procedure vermeld in artikel 52quater, derde tot en met zesde lid,
negende en tiende lid, inzake het verlaten van de instelling; 9° hen plaatsen in een ziekenhuisdienst; 10°
overgaan tot residentiële plaatsing in een dienst die deskundig is op het gebied van alcohol- of drugsverslaving,
of enige andere vorm van verslaving, ingeval uit een omstandig medisch verslag, dat minder dan een maand
oud is, blijkt dat de fysieke of psychische integriteit van de betrokkene niet op een andere wijze kan
worden beschermd; 11° overgaan tot residentiële plaatsing van de betrokkene in hetzij een open
afdeling, hetzij een gesloten afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst, ingeval uit een door een jeugdpsychiater,
volgens de door de Koning bepaalde minimumnormen opgesteld onafhankelijk verslag dat minder dan een maand
oud is, blijkt dat hij lijdt aan een geestesstoornis waardoor zijn oordeelsvermogen of zijn vermogen
tot het beheersen van zijn handelingen ernstig is aangetast. Plaatsing in een gesloten afdeling van een
jeugdpsychiatrische dienst is enkel mogelijk met toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de
bescherming van de persoon van de geesteszieke, overeenkomstig artikel 43. Alleen de in het
eerste lid, 1°, 2° en 3° bedoelde maatregelen kunnen worden bevolen ten opzichte van personen van minder
dan twaalf jaar verwezen uit hoofde van een als misdrijf omschreven feit. Bij gebrek aan passende maatregelen,
verwijst de rechtbank de zaak door naar het parket die haar op zijn beurt kan doorverwijzen naar de bevoegde
diensten van de gemeenschappen. In eerste instantie verdient een in de artikelen 37bis tot
37quinquies omschreven herstelrechtelijk aanbod de voorkeur. Alvorens een in het eerste lid, 1° tot
5° omschreven maatregel wordt opgelegd, dient de haalbaarheid van een door de betrokkene voorgesteld
project, omschreven in § 2ter, te worden overwogen. De in het eerste lid, 1° tot 5° omschreven
maatregelen verdienen de voorkeur boven een plaatsingsmaatregel. Tot slot verdient plaatsing in een open
afdeling de voorkeur boven plaatsing in een gesloten afdeling; Indien de rechtbank een maatregel
uitspreekt tot plaatsing in een open of gesloten afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor
jeugdbescherming, bepaalt zij de maximumduur ervan, die enkel kan worden verlengd om uitzonderlijke redenen
die verband houden met het aanhoudend wangedrag van de betrokkene en met zijn voor hemzelf of voor anderen
gevaarlijke gedrag. De rechtbank kan de uitvoering van de plaatsingsmaatregel uitstellen voor
een termijn van zes maanden, te rekenen van de datum van het vonnis, op voorwaarde dat de betrokkene
zich verbindt tot het uitvoeren van een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut van ten
hoogste 150 uur. Indien de rechtbank echter met toepassing van § 2quater, eerste lid,
4°, of tweede lid, 5°, een maatregel uitspreekt tot plaatsing in een openbare gemeenschapsinstelling
voor jeugdbescherming, bepaalt zij de duur ervan die maximum zes maanden bedraagt en niet kan worden
verlengd. Indien de rechtbank een andere maatregel oplegt, bepaalt zij de maximale duur ervan,
met uitzondering van de maatregelen genoemd in het eerste lid, 1°. § 2bis. Ten aanzien
van personen ouder dan 12 jaar kan de rechtbank het behoud van de voor haar gebrachte personen in hun
leefomgeving afhankelijk maken van een of meer van de volgende voorwaarden waarvan zij de controle op
de naleving kan toevertrouwen aan de bevoegde sociale dienst : 1° geregeld een school voor gewoon
of buitengewoon onderwijs bezoeken; 2° een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen
nut leveren, in verhouding tot hun leeftijd en hun vaardigheden, van ten hoogste 150 uur, onder toezicht
van een door de gemeenschappen aangewezen dienst, of een natuurlijke persoon die beantwoordt aan de door
de gemeenschappen gestelde voorwaarden; 3° betaalde arbeid verrichten, gedurende ten hoogste
150 uur, met het oog op de vergoeding van het slachtoffer indien de betrokkene tenminste zestien jaar
oud is; 4° de pedagogische of medische richtlijnen van een centrum voor opvoedkundige voorlichting
of geestelijke gezondheidszorg in acht nemen; 5° deelnemen aan een of meer opleidingsmodules
of modules ter bewustwording van de gevolgen van de gestelde handelingen, alsook van de invloed daarvan
op de eventuele slachtoffers; 6° deelnemen aan een of meer begeleide sportieve, sociale of culturele
activiteiten; 7° niet omgaan met bepaalde personen of niet komen op bepaalde plaatsen die een
band hebben met het als misdrijf omschreven feit dat werd begaan; 8° een of meer bepaalde bezigheden
niet uitoefenen, gelet op de specifieke omstandigheden; 9° het naleven van een huisarrest; 10°
andere voorwaarden of specifieke verbodsmaatregelen die de rechtbank bepaalt, in acht nemen. De
rechter of de rechtbank kan de controle op de uitvoering van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid
onder 7° en 9°, toevertrouwen aan een politiedienst. Wanneer hij daartoe overgaat, informeert de rechter
de bevoegde sociale dienst regelmatig over de resultaten van die controle. § 2ter. De
personen bedoeld in artikel 36, 4°, kunnen aan de rechtbank een geschreven project voorleggen, inzonderheid
betreffende een of meer van de volgende verbintenissen : 1° schriftelijke of mondelinge verontschuldigingen
aanbieden; 2° de veroorzaakte schade zelf herstellen in natura, indien deze beperkt is; 3°
deelnemen aan een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies ; 4°
deelnemen aan een programma gericht op herintegratie in het schoolleven; 5° deelnemen aan welbepaalde
activiteiten in het kader van een leer- en opleidingsproject, van ten hoogste 45 uur; 6° een
ambulante behandeling volgen bij een psychologische of psychiatrische dienst, bij een dienst voor seksuele
opvoeding of bij een dienst deskundig op het gebied van alcohol- of drugsverslaving; 7° zich
aanmelden bij de diensten voor jeugdhulpverlening, ingericht door de bevoegde gemeenschapsdiensten. Dit
project wordt ingediend uiterlijk op de dag van de terechtzitting. De rechtbank beoordeelt de opportuniteit
van het haar voorgelegde project en belast, indien zij het goedkeurt, de bevoegde sociale dienst met
het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan. Binnen een termijn van drie maanden na de goedkeuring
van het project richt de bevoegde sociale dienst een bondig verslag over de inachtneming van de verbintenissen
van de jongere tot de rechtbank. Ingeval dit project niet ten uitvoer is gelegd, of de tenuitvoerlegging
niet op toereikende wijze is geschied, kan de rechtbank tijdens een latere terechtzitting een andere
maatregel opleggen. § 2quater. - De rechtbank kan slechts ten aanzien van personen die
twaalf jaar zijn of meer, een plaatsingsmaatregel bevelen in een open opvoedingsafdeling van een in §
2, eerste lid, 8°, bedoelde openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, indien : 1°
ze een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige,
in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een correctionele hoofdgevangenisstraf van drie
jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben; 2° ze een als slagen en verwondingen omschreven
feit hebben gepleegd; 3° ten aanzien van hen reeds eerder een definitief vonnis is uitgesproken
waarin een plaatsingsmaatregel werd opgelegd in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare
gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming en ze een nieuw als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd; 4°
ze het voorwerp zijn van een herziening van de maatregel overeenkomstig artikel 60, om reden dat de eerder
opgelegde maatregel of maatregelen niet werd of werden nageleefd door de betrokkenen, in welk geval de
plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maximum zes maanden kan worden opgelegd. Na het verstrijken
van deze termijn kunnen andere maatregelen slechts worden opgelegd na een herziening door de rechtbank; 5°
ze het voorwerp zijn van een herziening zoals bedoeld in artikel 60 en ze geplaatst zijn in een gesloten
afdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming op het ogenblik van deze herziening. De
rechtbank kan slechts ten aanzien van personen die veertien jaar zijn of meer, een plaatsingsmaatregel
bevelen in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming
bedoeld in § 2, eerste lid, 8°, indien : 1° ze een als misdrijf omschreven feit hebben
gepleegd dat, ingeval het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of
de bijzondere wetten een straf van vijf jaar tot tien jaar opsluiting of een zwaardere straf tot gevolg
kan hebben; 2° ze een als aanranding van de eerbaarheid met geweld, criminele organisatie met
het oogmerk misdaden te plegen, of bedreiging van personen in de zin van artikel 327 van het Strafwetboek
omschreven feit hebben gepleegd; 3° ten aanzien van hen reeds eerder een definitief vonnis is
uitgesproken waarin een plaatsingsmaatregel werd opgelegd in een open of gesloten opvoedingsafdeling
van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming en die een nieuw als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd dat hetzij omschreven wordt als slagen en verwondingen, hetzij, ingeval het zou
zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een correctionele
hoofdgevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben; 4° ze met voorbedachten
rade een als slagen en verwondingen omschreven feit hebben gepleegd dat een ziekte of ongeschiktheid
tot het verrichten van arbeid, hetzij een ongeneeslijke lijkende ziekte, hetzij het volledig verlies
van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft, of, in vereniging of in
bende en met behulp van gewelddaden, feitelijkheden of bedreigingen, vernielingen hebben aangericht aan
bouwwerken of stoommachines, of, met wapens en met geweld, weerspannigheid hebben gepleegd; 5°
ze het voorwerp zijn van een herziening van de maatregel, overeenkomstig artikel 60, om reden dat de
eerder opgelegde maatregel of maatregelen niet werd of werden nageleefd door de betrokkenen, in welk
geval de plaatsing voor een niet verlengbare termijn van maximum zes maanden kan worden opgelegd. Na
het verstrijken van deze termijn kunnen andere maatregelen slechts worden opgelegd na een herziening
door de rechtbank. Onverminderd de in het tweede lid opgesomde voorwaarden, kan de rechtbank
een plaatsingsmaatregel bevelen in een gesloten opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling
voor jeugdbescherming bedoeld in § 2, eerste lid, 8°, ten aanzien van een persoon tussen twaalf
en veertien jaar die een ernstige aanslag heeft gepleegd op het leven of op de gezondheid van een persoon
en van wie het gedrag uitzonderlijk gevaarlijk is. § 2quinquies.-Wanneer de rechtbank
een van de in §§ 2, 2bis en 2ter bedoelde maatregelen beveelt, motiveert zij haar beslissing
op grond van de in § 1 bedoelde criteria en de specifieke omstandigheden. Indien de rechtbank
een van de in § 2, eerste lid, 6° tot 11°, bedoelde maatregelen, een combinatie van meerdere van
de in § 2 bedoelde maatregelen, een combinatie van één of meer van deze maatregelen met één of
meer van de in § 2bis bedoelde voorwaarden of een plaatsingsmaatregel beveelt in een gesloten
opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, moet zij haar keuze
bijzonder motiveren en daarbij rekening houden met de in § 2, derde lid, bedoelde prioriteiten. §
3. De onder § 2, 2° tot 11° bedoelde maatregelen worden geschorst wanneer de betrokkene onder
de wapens is. Ze nemen een einde wanneer hij de leeftijd van achttien jaar bereikt. Ten aanzien
van de in artikel 36, 4°, bedoelde personen kunnen deze maatregelen, onverminderd het bepaalde in §
2, vierde lid, en in artikel 60, evenwel : 1° op verzoek van de betrokkene dan wel, indien de
betrokkene blijk geeft van aanhoudend wangedrag of zich gevaarlijk gedraagt, op vordering van het openbaar
ministerie, bij vonnis voor een bepaalde duur, uiterlijk tot de dag waarop de betrokkene de leeftijd
van twintig jaar heeft bereikt, worden verlengd. Het verzoek of de vordering moet binnen een termijn
van drie maanden voorafgaand aan de dag waarop de betrokkene meerderjarig wordt, bij de rechtbank worden
ingesteld; 2° bij vonnis worden bevolen voor een bepaalde duur, uiterlijk tot de dag waarop
de betrokkene de leeftijd van twintig jaar heeft bereikt, wanneer het gaat om personen die na de leeftijd
van zeventien jaar een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Ten aanzien van de in §
2, eerste lid, 11°, bedoelde personen dient de residentiële plaatsing te lopen tot het einde van de behandeling,
zolang dat in het licht van die behandeling vereist is. In geval van hoger beroep tegen deze
vonnissen, doet de jeugdkamer van het hof van beroep onverwijld uitspraak. Het hoger beroep heeft geen
schorsende werking. De vonnissen en arresten uitgesproken met toepassing van dit artikel zijn niet vatbaar
voor verzet. § 4. De maatregel van berisping bedoeld in § 2, 1°, is van toepassing
op de personen die een als misdrijf gekwalificeerd feit gepleegd hebben vóór de leeftijd van achttien
jaar, zelfs indien zij op het tijdstip van het vonnis deze leeftijd overschreden hebben. De
in het vorige lid bedoelde personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt op het ogenblik
van het vonnis, worden met minderjarigen gelijkgesteld voor de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk
IV van deze titel, alsmede van artikel (433bis van het Strafwetboek). GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art.
37. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven voor zover hij geen jongeren betreffen die een als
misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art.
37bis. § 1. De rechter of rechtbank kan een herstelrechtelijk aanbod doen van bemiddeling
en herstelgericht groepsoverleg wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld : 1° er bestaan
ernstige aanwijzingen van schuld; 2° de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven
feit te hebben gepleegd, verklaart zijn betrokkenheid bij het als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen; 3°
een slachtoffer is geïdentificeerd. Een herstelrechtelijk aanbod kan enkel worden toegepast
indien de personen die eraan deelnemen er uitdrukkelijk en zonder voorbehoud mee instemmen en dit blijven
doen zolang de bemiddeling of het herstelgericht groepsoverleg duurt. § 2. De bemiddeling
heeft tot doel de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd,
de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, de personen die hem in rechte of
in feite onder hun bewaring hebben alsook het slachtoffer, de mogelijkheid te bieden om samen en met
hulp van een onpartijdige bemiddelaar, onder meer aan de relationele en materiële gevolgen van een als
misdrijf omschreven feit tegemoet te komen. De rechter of de rechtbank stelt aan de personen
bedoeld in het eerste lid schriftelijk voor om deel te nemen aan een bemiddeling. § 3.
Het herstelgericht groepsoverleg strekt ertoe aan de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf
omschreven feit te hebben gepleegd, aan het slachtoffer, aan hun sociale omgeving, alsook aan alle dienstige
personen, de mogelijkheid te bieden om in groep en met de hulp van een onpartijdige bemiddelaar, in overleg
uitgewerkte oplossingen te overwegen over de wijze waarop het conflict kan worden opgelost dat voortvloeit
uit het als misdrijf omschreven feit, onder meer rekening houdend met de relationele en materiële gevolgen
van het als misdrijf omschreven feit. De rechter of de rechtbank stelt een herstelgericht groepsoverleg
voor aan de persoon die voor hem wordt gebracht en ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven feit
te hebben gepleegd, aan de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen en aan de
personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben. Het of de slachtoffers worden schriftelijk
op de hoogte gebracht (3). § 4. De rechter of de rechtbank brengt de in § 2, eerste
lid, en § 3, tweede lid, bedoelde personen ervan op de hoogte dat zij : 1° raad kunnen
inwinnen bij een advocaat alvorens in te gaan op het herstelrechtelijk aanbod; 2° zich kunnen
laten bijstaan door een advocaat vanaf het ogenblik dat het akkoord dat de in § 2, eerste lid,
en § 3, tweede lid, bedoelde personen bereiken wordt vastgelegd. Artikel 37ter. §
1. De rechter of rechtbank laat een afschrift van haar beslissing toekomen aan de door de bevoegde overheden
erkende bemiddelingsdienst of dienst voor herstelgericht groepsoverleg, die georganiseerd wordt door
de gemeenschappen of beantwoordt aan de door de gemeenschappen gestelde voorwaarden. Deze dienst wordt
belast met de tenuitvoerlegging van het herstelrechtelijk aanbod. § 2. Indien de personen
bedoeld in artikel 37bis, § 2, eerste lid en § 3, tweede lid, binnen acht werkdagen te
rekenen vanaf het voorstel van de rechtbank geen contact opnemen met de bemiddelingsdienst of de dienst
voor herstelgericht groepsoverleg, neemt deze dienst contact op met genoemde personen om hen een herstelrechtelijk
aanbod te doen. § 3. De dienst voor herstelgericht groepsoverleg neemt in overleg met
de personen bedoeld in artikel 37bis, § 3, tweede lid, contact op met de personen uit hun sociale
omgeving en alle andere dienstige personen. De bemiddelingsdienst kan, met akkoord van de in
artikel 37bis, § 2, eerste lid bedoelde personen, ook andere personen met een direct belang bij
de bemiddeling betrekken. Art. 37quater. § 1. Indien de bemiddeling of het herstelgericht
groepsoverleg leidt tot een akkoord, wordt het door de persoon die verdacht wordt een als misdrijf omschreven
feit te hebben gepleegd, de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, alsook het
slachtoffer, ondertekende akkoord bij het gerechtelijk dossier gevoegd. Bij een herstelgericht
groepsoverleg wordt ook een intentieverklaring toegevoegd van de persoon die ervan wordt verdacht een
als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd. Hierin verklaart deze welke concrete stappen hij zal
ondernemen om de relationele en materiële schade en de schade aan de gemeenschap te herstellen en om
verdere feiten in de toekomst te voorkomen. Het bereikte akkoord moet door de rechter of de
rechtbank worden gehomologeerd. Deze kan de inhoud ervan niet wijzigen. De rechter of de rechtbank kan
de homologatie slechts weigeren indien het akkoord strijdig is met de openbare orde. §
2. Ingeval het herstelrechtelijk aanbod niet tot een akkoord leidt, kunnen door de gerechtelijke overheden
of de bij het herstelrechtelijk aanbod betrokken personen noch de erkenning door de persoon die verdacht
wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd van de werkelijkheid van het als misdrijf omschreven
feit, noch het verloop of het resultaat van het herstelrechtelijk aanbod worden gebruikt ten nadele van
de jongere. De bemiddelingsdienst of dienst voor herstelgericht groepsoverleg stelt een bondig
verslag op over het verloop en over het resultaat van het herstelrechtelijk aanbod. Dit verslag wordt
ter advies voorgelegd aan de personen bedoeld in artikel 37bis, § 2, eerste lid en § 3,
tweede lid. Het wordt bij het dossier van de procedure gevoegd. § 3. De documenten die
worden opgemaakt en de mededelingen die worden gedaan in het kader van de tussenkomst van de bemiddelingsdienst
of dienst voor herstelgericht groepsoverleg zijn vertrouwelijk met uitzondering van datgene waarmee de
partijen instemmen om het ter kennis van de gerechtelijke instanties te brengen. Ze kunnen niet worden
aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of enige andere procedure
voor het oplossen van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke
bekentenis. Art. 37quinquies. § 1. De bemiddelingsdienst of dienst voor herstelgericht
groepsoverleg stelt een bondig verslag op over de uitvoering van het akkoord en richt het aan de rechter
of de rechtbank evenals aan de bevoegde sociale dienst. § 2. Ingeval de uitvoering van
het akkoord volgens de daarin bepaalde regels geschiedt vóór de uitspraak van het vonnis, moet de rechtbank
rekening houden met dat akkoord en zijn uitvoering. § 3. Ingeval de uitvoering van het
akkoord volgens de daarin bepaalde regels plaatsvindt na de uitspraak van het vonnis, kan de zaak bij
de rechtbank aanhangig worden gemaakt op grond van artikel 60, teneinde de ten opzichte van de persoon
die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, bevolen definitieve maatregel of maatregelen te
verlichten. Art. 38 (Opgeheven) Art. 38bis Aan minderjarigen kan een administratieve
sanctie worden opgelegd als bedoeld in : 1° artikel 119bis, § 2, tweede lid, 1°, van
de nieuwe gemeentewet, als de minderjarige de volle leeftijd van 16 jaar heeft bereikt op het tijdstip
van de feiten; 2° artikel 24, tweede lid, van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid
bij voetbalwedstrijden, als de minderjarige de volle leeftijd van 14 jaar heeft bereikt op het tijdstip
van de feiten. Art. 39. Indien de krachtens artikel 37 genomen maatregel zijn uitwerking
mist wegens het voortdurend wangedrag of de gevaarlijke gedragingen van de minderjarige, kan de jeugdrechtbank
beslissen dat hij, totdat hij meerderjarig is, ter beschikking van de Regering wordt gesteld. (Deze
bepaling is niet van toepassing op de personen die een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd.) GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 39. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (NOTA : Opgeheven voor de Vlaamse Gemeenschap
bij <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 3°, 003; Inwerkingtreding : onbepaald>, behalve ten aanzien van minderjarigen
die wegens een als misdrijf omschreven feit worden vervolgd) Indien de krachtens artikel 37
genomen maatregel zijn uitwerking mist wegens het voortdurend wangedrag of de gevaarlijke gedragingen
van de minderjarige, kan de jeugdrechtbank beslissen dat hij, totdat hij meerderjarig is, ter beschikking
van de (Vlaamse Executieve) wordt gesteld. <DVR 1990-03-28/34, art. 23, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990> (Deze
bepaling is niet van toepassing op de personen die een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd.)
<W 1994-02-02/33, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 27-09-1994> Art. 39. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven
voorzover hij geen jongeren betreffen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) <DDG 1995-03-20/34,
art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 40. (Opgeheven) Art. 41. Wanneer
de minderjarige ingevolge de artikelen 39 of 40 ter beschikking van de Regering is gesteld, beslist de
Minister van Justitie op hem een van de in artikel 37, § 2, 2°, 7° en 8° en § 2bis bepaalde
maatregelen toe te passen of hem, zo hij ouder dan zestien jaar is, te doen opsluiten in een strafinrichting
waar hij aan een bijzonder regime onderworpen zal worden. (Deze bepaling is niet van toepassing
op de personen die een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd.) GEMEENSCHAPPEN EN
GEWESTEN Art. 41. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (NOTA : Opgeheven behalve ten aanzien van minderjarigen
die wegens een als misdrijf omschreven feit worden vervolgd <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 3°, 003; Inwerkingtreding
: 01-05-1990>) Wanneer de minderjarige ingevolge de artikelen 39 of 40 ter beschikking van de
(Vlaamse Executieve) is gesteld, beslist de (Gemeenschapsminister die de bijzondere jeugdbijstand onder
zijn bevoegdheid heeft) op hem een van de in artikel 37, 2° tot 4°, bepaalde maatregelen toe te passen
of hem, zo hij ouder dan zestien jaar is, te doen opsluiten in een strafinrichting waar hij aan een bijzonder
regime onderworpen zal worden. <DVR 1990-03-28/34, art. 23, 3°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990> (Deze
bepaling is niet van toepassing op de personen die een als misdrijf gekwalificeerd feit hebben gepleegd.)
<W 1994-02-02/33, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 27-09-1994> Art. 41. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven
voorzover hij geen jongeren betreft die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) <DDG 1995-03-20/34,
art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 42. Buiten de in artikel 41 bepaalde gevallen
staat de minderjarige tegen wie een van de in artikel 37, § 2, eerste lid, 6° tot 11°, bedoelde
maatregelen is genomen, tot zijn meerderjarigheid onder toezicht van de jeugdrechtbank. De jeugdrechtbank
wijst (de bevoegde sociale dienst) aan om dit toezicht uit te oefenen. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art.
42. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 4°, 003; Inwerkingtreding
: 01-05-1990> (NOTA : Bij arrest nr. 40/91 van 19 december 1991 (B.St. 17-01-1992, p. 844) heeft
het Arbitragehof art. 22, 4° vernietigd, in de mate dat die bepaling betrekking heeft op minderjarigen
die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) Art. 42. (FRANSE GEMEENSCHAP) Buiten
de in artikel 41 bepaalde gevallen staat de minderjarige tegen wie een van de in artikel 37, 3° en 4°
(4) bedoelde maatregelen is genomen, tot zijn meerderjarigheid onder toezicht van de jeugdrechtbank. De
jeugdrechtbank (draagt dit toezicht aan de dienst voor gerechtelijke bescherming op.) <DFG 1991-03-04/36,
art. 62, § 7, 005; Inwerkingtreding : 24-12-1991 Art. 42. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven
voor zover hij geen jongeren betreft die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) <DDG 1995-03-20/34,
art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 43. Ten aanzien van de in artikel 36,
4°, bedoelde personen past de rechter of de jeugdrechtbank de bepalingen van deze wet toe onverminderd
de toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke. In
geval van toepassing van de voornoemde wet van 26 juni 1990 op de personen die oorspronkelijk voor de
jeugdrechtbank waren verwezen op grond van artikel 36, 4°, wordt de beslissing van de geneesheer-diensthoofd
om de maatregel op te heffen, die overeenkomstig artikel 12, 3°, of 19 van de wet van 26 juni 1990 genomen
is, slechts uitgevoerd na een termijn van vijf werkdagen te rekenen van de dag waarop de jeugdrechtbank
hiervan is geïnformeerd. Binnen deze termijn, en zonder deze te kunnen verlengen, spreekt de rechtbank
zich uit over elke andere maatregel bedoeld in artikel 37, die zij nuttig acht. Art. 43bis
(Opgeheven) HOOFDSTUK IV. - Territoriale bevoegdheid en rechtspleging. Art. 44. Onverminderd
(bijzondere bepalingen inzake adoptie), wordt de territoriale bevoegdheid van de jeugdrechtbank bepaald
door de verblijfplaats van de ouders, voogden of degenen die de persoon beneden de achttien jaar onder
hun bewaring hebben. Wanneer dezen geen verblijfplaats in België hebben of wanneer hun verblijfplaats
onbekend is of niet vaststaat, is bevoegd de jeugdrechtbank van de plaats waar de betrokkene het als
misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, van de plaats waar hij wordt aangetroffen of van de plaats waar
de persoon verblijft of waar de inrichting gevestigd is aan wie hij door de bevoegde instanties werd
toevertrouwd. Wanneer de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig wordt gemaakt nadat de betrokkene
de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, is bevoegd de jeugdrechtbank van de plaats waar de betrokkene
zijn verblijfplaats heeft of, indien deze onbekend is of niet vaststaat, van de plaats waar het als misdrijf
omschreven feit werd gepleegd. De bevoegde jeugdrechtbank is echter : 1° die van de
verblijfplaats van de verzoeker, wanneer de artikelen 477 van het Burgerlijk Wetboek en 63, vijfde lid,
van deze wet, worden toegepast; (2° in het rechtsgebied waarvan de voogdij wordt georganiseerd
overeenkomstig de artikelen (353-10, 354-2,) 478 en 479 van het Burgerlijk Wetboek.) Indien
de ouders, voogden of degenen die een persoon beneden de leeftijd van achttien jaar onder hun bewaring
hebben tegen wie een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding is genomen, van verblijfplaats veranderen,
moeten zij daarvan, op straffe van geldboete van een frank tot vijfentwintig frank, onverwijld bericht
geven aan de jeugdrechtbank onder wier bescherming deze persoon is gesteld. De verandering van
verblijfplaats brengt mede dat de zaak wordt onttrokken aan deze rechtbank en verwezen naar de jeugdrechtbank
van het arrondissement waar de nieuwe verblijfplaats gelegen is. Het dossier wordt haar toegezonden door
de griffier van de rechtbank waaraan de zaak is onttrokken. De rechtbank waarbij de zaak aanhangig
is gemaakt, blijft echter bevoegd om uitspraak te doen in geval van verandering van verblijfplaats tijdens
het geding. Art. 45. De zaak wordt bij de jeugdrechtbank aanhangig gemaakt : 1.
(in de aangelegenheden bedoeld in titel II, hoofdstuk II, van deze wet en (in de artikelen 353-10 en
354-2) van het Burgerlijk Wetboek, en (onverminderd (de artikelen 145, 478 en 479 van het hetzelfde Wetboek
en de artikelen 1231-3, 1231-24, 1231-27 en 1231-46 van het Gerechtelijk Wetboek)), bij een verzoekschrift
ondertekend, (al naar het geval door de minderjarige, door de vader), de moeder, de voogd, de toeziende
voogd, de curator, (...), het familielid of het lid van (het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn),
of bij dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie; 2. in de aangelegenheden bedoeld
in titel II, hoofdstuk III : a) op de vordering van het openbaar ministerie of de in artikel
49, derde lid, bedoelde beschikking tot verwijzing, ten einde de onderzoekingen bedoeld in artikel 50
te verrichten en in voorkomend geval (de in artikel 52) bepaalde voorlopige maatregelen van bewaring
te bevelen; b) door vrijwillige verschijning ingevolge een met redenen omklede waarschuwing
van het openbaar ministerie of bij dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie ten einde over
de zaak zelf te beslissen, of ten einde de zaak uit handen te geven overeenkomstig artikel 57bis na
de partijen in hun middelen gehoord te hebben. (c) door het verzoekschrift bedoeld in de artikelen
37, § 3, 1° en 60, in welk geval de partijen worden opgeroepen bij gerechtsbrief, bezorgd op de
wijze bepaald in artikel 46, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek.) Art. 45bis. Ingeval
de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de minderjarige die verklaart niet te ontkennen een
als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd, zich duidelijk onverschillig opstellen tegenover het
delinquent gedrag van deze laatste, en deze onverschilligheid bijdraagt tot de problemen van de minderjarige,
kan de procureur des Konings hen voorstellen een ouderstage te volgen. Dit kan enkel wanneer het volgen
van zulke ouderstage de delinquente minderjarige zelf ten goede kan komen. Art. 45ter. Ten
aanzien van de personen bedoeld in artikel 36, 4°, kan de procureur des Konings de vermoedelijke pleger
van het als misdrijf omschreven feit een waarschuwingsbrief sturen waarin hij vermeldt dat hij kennis
heeft genomen van de feiten, dat hij van oordeel is dat deze feiten ten laste van de minderjarige vaststaan
en dat hij beslist heeft het dossier te seponeren. Een kopie van de waarschuwingsbrief wordt
bezorgd aan de vader en aan de moeder, aan de voogd van de minderjarige of aan de personen die hem in
rechte of in feite onder hun bewaring hebben. De procureur des Konings kan de vermoedelijke
dader van het als misdrijf omschreven feit en zijn wettelijke vertegenwoordigers evenwel oproepen en
hen wijzen op hun wettelijke verplichtingen en de risico's die zij lopen. Art. 45quater. §
1. De procureur des Konings informeert de persoon die ervan wordt verdacht een als misdrijf omschreven
feit te hebben gepleegd, de personen die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen, de personen die hem
in rechte of in feite onder hun bewaring hebben en het slachtoffer schriftelijk dat zij kunnen deelnemen
aan een bemiddeling en in dit kader de mogelijkheid hebben zich te wenden tot een bemiddelingsdienst
die hij aanwijst, door de gemeenschappen georganiseerd of beantwoordend aan de door de gemeenschappen
gestelde voorwaarden. De procureur des Konings kan dergelijk voorstel doen ingeval de volgende
voorwaarden vervuld zijn : 1° er bestaan ernstige aanwijzingen van schuld; 2° de betrokkene
verklaart het als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen; 3° een slachtoffer is geïdentificeerd. De
beslissing van de procureur des Konings om een dossier al dan niet te oriënteren naar een bemiddelingsprocedure
moet schriftelijk zijn en gemotiveerd worden, behalve indien hij de zaak wenst te seponeren. Behalve
in de in artikel 49, tweede lid, bedoelde gevallen, heeft de afwezigheid van dergelijke motivering tot
gevolg dat de zaak niet regelmatig aanhangig gemaakt is bij de jeugdrechtbank. Ingeval een voorstel
tot bemiddeling wordt gedaan, stelt de procureur des Konings de betrokkenen ervan in kennis dat zij : 1°
raad kunnen inwinnen bij een advocaat alvorens deel te nemen aan de bemiddeling; 2° zich kunnen
laten bijstaan door een advocaat op het ogenblik dat het akkoord dat de betrokken personen bereiken wordt
vastgelegd. De procureur des Konings laat een afschrift van de schriftelijke voorstellen toekomen
aan de aangewezen bemiddelingsdienst. Indien de betrokken personen binnen acht dagen te rekenen van de
ontvangst van het schriftelijke voorstel van de procureur des Konings geen stappen ondernomen hebben
bij de bemiddelingsdienst, neemt deze contact op met hen. Een bemiddeling kan enkel plaatsvinden
indien de personen die eraan deelnemen er uitdrukkelijk en zonder voorbehoud mee instemmen en dit blijven
doen zolang de bemiddeling loopt. § 2. Binnen twee maanden te rekenen van zijn aanwijzing
door de procureur des Konings, stelt de bemiddelingsdienst een bondig verslag betreffende de voortgang
van de bemiddeling op. Het akkoord dat de bij de bemiddeling betrokken personen hebben bereikt
wordt ondertekend door de persoon die verdacht wordt een als misdrijf omschreven feit te hebben gepleegd,
door de personen die ten aanzien van hem het ouderlijk gezag uitoefenen, alsook door het slachtoffer,
en moet door de procureur des Konings worden goedgekeurd. Deze laatste kan de inhoud ervan niet wijzigen.
Hij kan alleen weigeren een akkoord goed te keuren indien het strijdig is met de openbare orde. §
3. De bemiddelingsdienst stelt een verslag op over de tenuitvoerlegging van het akkoord en richt het
aan de procureur des Konings. Het wordt bij het dossier van de procedure gevoegd. Als de in
artikel 36, 4°, bedoelde persoon het bemiddelingsakkoord volgens de erin bepaalde regels ten uitvoer
heeft gebracht, maakt de procureur des Konings daarvan proces-verbaal op en houdt hij daarmee rekening
bij zijn beslissing om de zaak al dan niet te seponeren. In dit geval doet een seponering de strafvordering
vervallen. Een afschrift van het proces-verbaal wordt overhandigd aan de dader van het als misdrijf
omschreven feit, aan de personen die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen, aan het slachtoffer evenals
aan de dienst bemiddeling. Ingeval de overhandiging niet heeft kunnen plaatsvinden, wordt het afschrift
van het proces-verbaal bij gerechtsbrief ter kennis gebracht. § 4. Indien de bemiddeling
geen resultaat oplevert, kan noch de erkenning van de feiten door de jongere, noch het verloop of het
resultaat van de bemiddeling door de gerechtelijke overheden of enige andere persoon worden gebruikt
ten nadele van de jongere. De documenten die worden opgemaakt en de mededelingen die worden
gedaan in het kader van de tussenkomst van de bemiddelingsdienst zijn vertrouwelijk met uitzondering
van datgene waarmee de partijen instemmen om het ter kennis van de gerechtelijke instanties te brengen.
Ze kunnen niet worden aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale
of enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs
niet als buitengerechtelijke bekentenis. Art. 46. (NOTA : Het Arbitragehof heeft door
zijn arrest nr. 122/98 van 3 december 1998 voor recht gezegd dat dit artikel de artikelen 10 en 11 van
de Grondwet schendt, in zoverre dat in de in artikel 36, 2°, van de voormelde wet bedoelde procedures,
de opvangouders niet in de zaak worden opgeroepen en hun tussenkomst niet is toegestaan. (B.St. 20-01-1999,
p. 1635-1638) De dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie of de waarschuwing die het
geeft moet, op straffe van nietigheid, worden gericht aan de ouders, opvangouders, voogden of degenen
die de minderjarige onder hun bewaring hebben en aan de minderjarige zelf indien de rechtsvordering tot
doel heeft zijn ontvoogding te doen intrekken of ten aanzien van hem een van de maatregelen bedoeld in
titel II, hoofdstuk III, afdeling II, te doen nemen of wijzigen en hij ten minste twaalf jaar oud is. (Als
een persoon bedoeld in artikel 36, 4°, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt op het ogenblik dat
de vordering wordt ingesteld, zal de in het vorige lid bedoelde dagvaarding of waarschuwing worden gericht
aan die persoon die, wegens zijn minderjarigheid, voor hem burgerrechtelijk aansprakelijk waren. Onverminderd
de bepaling van artikel 184, derde lid, van het Wetboek van strafvordering, moet, op straffe van nietigheid
van het vonnis dat door de rechtbank ten aanzien van de gedagvaarde partij bij verstek wordt uitgesproken,
tussen de dagvaarding en de verschijning een termijn van ten minste tien dagen in acht worden genomen
die niet kan worden verlengd wegens de afstand.) Art. 46bis. Ten aanzien van de persoon
bedoeld in artikel 36, 4° die voor de procureur des Konings wordt gebracht of die zich bij hem meldt,
alsook ten aanzien van enig ander persoon bedoeld in artikel 46 die zich bij hem meldt, kan de in artikel
45, 2, b), bedoelde dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie worden gedaan door de kennisgeving
van een oproeping tot verschijning voor de jeugdrechtbank binnen een termijn welke niet korter mag zijn
dan die bepaald in artikel 46, derde lid, en twee maanden niet te boven mag gaan, en door de overhandiging
aan de betrokkene van een kopie van het proces-verbaal waarin die kennisgeving is vermeld. In
de oproeping worden de feiten vermeld waarop de rechtsvordering is gegrond, alsook de plaats, de dag
en het uur van de terechtzitting. Art. 47. Het is niet geoorloofd zich burgerlijke
partij te stellen bij rechtstreekse dagvaarding voor de jeugdrechtbank. Ten aanzien van minderjarigen
die onder de jeugdrechtbank ressorteren, kunnen de openbare besturen de vervolgingen die tot hun bevoegdheid
behoren, slechts instellen door klacht in te dienen bij de procureur des Konings; deze alleen kan de
zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig maken. Het verval van de strafvordering ten aanzien van
de in artikel 36, 4, bedoelde persoon, ingevolge de tenuitvoerlegging van een in artikel 45quater bedoelde
bemiddeling doet geen afbreuk aan de rechten van de slachtoffers en van de in hun rechten gesubrogeerde
personen om een schadevergoeding te verkrijgen, mits het slachtoffer niet heeft deelgenomen aan de bemiddeling
of heeft deelgenomen aan een bemiddeling waarvan het akkoord uitdrukkelijk aangeeft dat niet volledig
tegemoetgekomen is aan de materiële gevolgen van het als misdrijf omschreven feit. Tegenover hen wordt
de fout van de dader van het als misdrijf omschreven feit onweerlegbaar vermoed. Art. 48. §
1. In de rechtsplegingen bedoeld in titel II, hoofdstuk III, eerste afdeling, maakt iedere ouder of persoon
die een jongere onder zijn bewaring heeft, het voorwerp uit van een onderscheiden rechtspleging. Die
rechtsplegingen kunnen alleen tijdens de voorbereidende rechtspleging met andere rechtsplegingen worden
samengevoegd. De stukken welke gegevens bevatten betreffende elk van de ouders of personen die de betrokkene
onder hun bewaring hebben, moeten gescheiden blijven van de andere procedurestukken. Zij mogen niet aan
de andere partijen worden medegedeeld. Tijdens de duur van de voorbereidende rechtspleging kan
het openbaar ministerie de mededeling van deze stukken aan de partijen weigeren, indien het oordeelt
dat deze mededeling de belangen van de betrokken personen kan schaden. § 2. Indien in
de rechtsplegingen bedoeld in titel II, hoofdstuk III, afdeling 2, het feit gepleegd door de persoon
beneden de achttien jaar samenhangt met een misdrijf dat begaan zou zijn door een of meer personen die
niet aan de rechtsmacht van de jeugdrechtbank zijn onderworpen, worden de vervolgingen gesplitst zodra
zulks zonder nadeel voor het vooronderzoek of voor het gerechtelijk onderzoek kan geschieden. De
vervolgingen kunnen worden samengevoegd indien de jeugdrechtbank overeenkomstig artikel 57bis de zaak
uit handen heeft gegeven. Art. 48bis. § 1. Ingeval een minderjarige ingevolge
zijn aanhouding van zijn vrijheid is beroofd of in vrijheid is gesteld tegen de belofte om te verschijnen
of tegen een ondertekende verbintenis, moet de voor zijn vrijheidsberoving verantwoordelijke politieambtenaar
zo snel mogelijk de vader en de moeder van de minderjarige, diens voogd of de personen die hem in rechte
of in feite in bewaring hebben, schriftelijk of mondeling in kennis stellen of laten stellen van de aanhouding,
van de redenen hiervoor, alsook van de plaats waar de minderjarige wordt opgesloten. Indien de minderjarige
gehuwd is, moet het bericht aan diens echtgenoot worden gegeven in plaats van aan bovengenoemde personen. §
2. Als het bericht niet conform dit artikel is gegeven en niemand van degenen aan wie het had kunnen
zijn gegeven, zich bij de jeugdrechtbank, waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, heeft aangemeld, kan
de jeugdrechtbank hetzij de zaak uitstellen en bevelen dat bericht wordt gegeven aan de persoon die zij
aanwijst, hetzij de zaak behandelen als zij dergelijk bericht niet noodzakelijk acht. In dit geval vermeldt
zij in haar vonnis de redenen die aan haar beslissing ten grondslag liggen. Art. 49. Alleen
in uitzonderingsomstandigheden en in geval van volstrekte noodzaak wordt de zaak bij vordering van het
openbaar ministerie bij de onderzoeksrechter aanhangig gemaakt of treedt deze ambtshalve op in geval
van ontdekking op heterdaad. (In spoedeisende gevallen kan de onderzoeksrechter ten aanzien
van de persoon (die vóór de leeftijd van achttien jaar een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd,
zelfs indien de vordering van het openbaar ministerie wordt ingesteld nadat deze persoon de leeftijd
van achttien jaar heeft bereikt,) een van de in (de artikel 52) bedoelde maatregelen van bewaring nemen,
onverminderd de verplichting daarvan gelijktijdig en schriftelijk bericht te geven aan de jeugdrechtbank,
die alsdan haar bevoegdheden uitoefent en binnen twee werkdagen uitspraak doet, overeenkomstig de artikelen
52ter en 52quater.) De betrokkene heeft, telkens hij voor de onderzoeksrechter verschijnt,
recht op bijstand van een advocaat. Deze advocaat wordt, in voorkomend geval, aangewezen overeenkomstig
artikel 54bis. De onderzoeksrechter kan evenwel een afzonderlijk onderhoud met de betrokkene hebben. Als
het onderzoek is geëindigd, neemt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een
beschikking tot buitenvervolgingstelling of een beschikking tot verwijzing naar de jeugdrechtbank. (Deze
beschikking wordt uitgesproken na een debat tussen de partijen en nadat de persoon beneden de achttien
jaar, de vader en de moeder en de burgerlijke partijen inzage hebben kunnen nemen van het dossier met
betrekking tot de feiten, neergelegd ter griffie ten minste 48 uren vóór de debatten.) (Het
derde lid verhindert niet dat het openbaar ministerie een vordering tot uit handen geven als bedoeld
in artikel 57bis aanhangig maakt bij de jeugdrechtbank. De jeugdrechtbank vonnist in de staat van de
procedure.) Art. 50. De jeugdrechtbank treft alle maatregelen en doet het onderzoek
verrichten dat nodig is om de persoonlijkheid van de betrokkene en het milieu waarin hij wordt grootgebracht,
te kennen en om uit te maken wat zijn belang is en welke middelen voor zijn opvoeding of behandeling
geschikt zijn. Zij kan een maatschappelijk onderzoek doen verrichten, door bemiddeling van de
bevoegde sociale dienst, en de betrokkene aan een medisch-psychologisch onderzoek onderwerpen, indien
zij het haar meegedeelde dossier niet voldoende acht. Indien de jeugdrechtbank een maatschappelijk
onderzoek doet verrichten, kan zij, behoudens in spoedeisende gevallen, haar beslissing eerst nemen of
wijzigen, na kennis genomen te hebben van het advies van de bevoegde sociale dienst, tenzij dit advies
haar niet bereikt binnen de door haar bepaalde termijn, die niet meer dan vijfenzeventig dagen mag bedragen. Art.
51. § 1. Zodra een als misdrijf omschreven feit bij de rechtbank aanhangig is gemaakt,
informeert de rechtbank de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de betrokkene en, desgevallend,
de personen die hem in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, teneinde hen de mogelijkheid te
bieden aanwezig te zijn. § 2. (Wanneer de zaak eenmaal aanhangig is bij de jeugdrechtbank,
kan deze te allen tijde de betrokkene, de ouders, de voogden, degenen die hem onder hun bewaring hebben,
evenals iedere andere persoon oproepen, onverminderd artikel 458 van het Strafwetboek, artikel 156 van
het Wetboek van strafvordering en artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek.) In de aangelegenheden
bedoeld (in de artikelen 145, 148, 302, 353-10, 354-2,) 373, 374, (375, 376, 377, 379), en 477 van het
Burgerlijk Wetboek, worden de vader, de moeder en eventueel de persoon aan wie de bewaring van het kind
is toevertrouwd, voor de rechtbank opgeroepen door de griffier. In de aangelegenheden bedoeld in de artikelen
485 van het Burgerlijk Wetboek, (...), (43, 45, 46 en 46bis van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten,
gewijzigd bij de wet van 30 maart 1981), worden de verzoeker, de vader, de moeder of de voogd en de minderjarige
voor de rechtbank opgeroepen door de griffier; bij de oproeping van degene of degenen van hen die geen
verzoek heeft of hebben ingediend, wordt een gelijkluidend afschrift van de vordering gevoegd. Indien,
in de andere aangelegenheden, de betrokkene of de personen die ten aanzien van de minderjarige het ouderlijk
gezag uitoefenen, op de oproeping niet verschijnen en deze personen dit niet kunnen rechtvaardigen, kunnen
zij door de jeugdrechtbank worden veroordeeld tot een geldboete van één euro tot honderdvijftig euro. De
in het derde lid bedoelde personen die veroordeeld zijn tot een geldboete, en die, op een tweede uitnodiging
om te verschijnen, ten overstaan van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank wettige redenen tot verschoning
voorleggen, kunnen, op advies van het openbaar ministerie, ontheffing van de geldboete verkrijgen. Art.
52. Gedurende een rechtspleging strekkende tot de toepassing van een der maatregelen bedoeld
in titel II, hoofdstuk III, neemt de jeugdrechtbank voorlopig ten aanzien van betrokkene de nodige maatregelen
van bewaring. Zij kan ofwel hem in zijn leefomgeving laten en hem in voorkomend geval onderwerpen
aan het in artikel 37, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde toezicht of aan een in artikel 37, §
2bis, uitgezonderd 2° en 3°, opgesomde voorwaarde ofwel voorlopig een van de maatregelen nemen bedoeld
in artikel 37, § 2, eerste lid, 7° tot 11°, in voorkomend geval op cumulatieve wijze. De
maatregel bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 9°, wordt steeds genomen met het oog op een
medisch-psychologische evaluatie. Teneinde de in artikel 50 bedoelde onderzoeksmaatregelen te
kunnen uitvoeren, kan de rechtbank de voorlopige maatregel van bewaring die erin bestaat de betrokkene
in zijn leefomgeving te laten en te onderwerpen aan het in artikel 37, § 2, eerste lid, 2° bedoelde
toezicht, gepaard laten gaan met de voorwaarde een prestatie van algemeen nut te leveren in verhouding
tot zijn leeftijd en zijn vaardigheden. De prestatie van algemeen nut, opgelegd overeenkomstig dit artikel,
mag niet meer dan 30 uur bedragen. Om de in het tweede lid bedoelde beslissing te nemen, houdt
de jeugdrechtbank rekening met de in artikel 37, § 1, tweede lid bedoelde factoren. Er wordt tevens
rekening gehouden met de mate waarin de behandelingswijzen, de opvoedingsprogramma's of enige andere
middelen daartoe beschikbaar zijn, alsmede met het voordeel dat de betrokkene daaruit zou kunnen putten. Deze
voorlopige maatregelen mogen enkel voor een zo kort mogelijke duur worden genomen, wanneer er voldoende
ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, en slechts wanneer de finaliteit van de voorlopige maatregel
op geen andere manier kan worden bereikt. Geen enkele voorlopige maatregel kan worden genomen
met het oog op de onmiddellijke bestraffing noch met het oog op de uitoefening van enige vorm van dwang. (Wanneer
de jeugdrechtbank ten aanzien van een persoon die een als misdrijf gekwalificeerd feit heeft gepleegd,
voorlopig een van de maatregelen neemt bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°, kan zij, omwille
van de noodwendigheden van het opsporingsonderzoek of van het gerechtelijk onderzoek en voor een hernieuwbare
termijn van maximum drie kalenderdagen, bij gemotiveerde beslissing de jongere vrij verkeer verbieden
met de personen die zij bij naam aanwijst, zijn advocaat uitgezonderd. (Wanneer bij de jeugdrechtbank
de zaak aanhangig is van een persoon die vóór de leeftijd van achttien jaar een als misdrijf omschreven
feit heeft gepleegd, kan zij, zelfs indien de vordering van het openbaar ministerie wordt ingesteld nadat
deze persoon de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, voorlopige maatregelen opleggen of handhaven
die uiterlijk kunnen duren tot de betrokkene de leeftijd van twintig jaar heeft bereikt.) (De
bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de kinderen van personen wier ontzetting van het
ouderlijk gezag wordt vervolgd.) GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 52. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven
behalve ten aanzien van minderjarigen die wegens een als misdrijf omschreven feit worden vervolgd) <DVR
1990-03-28/34, art. 22, 5°, 003; Inwerkingtreding : 27-09-1994> Art. 52. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven
voor wat betreft de minderjarigen in gevaar, hen tegen wie ouderlijke klachten wegens wangedrag zijn
ingediend en hen die bedelend of zwervend worden aangetroffen, met inbegrip van de kinderen van personen
wier ontzetting van de ouderlijke macht wordt vervolgd.) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 9, 005;
Inwerkingtreding : 07-12-1994> (NOTA : Bij arrest nr 4/93 van 21 januari 1993 (B.St. 04-02-1993,
p. 2265) heeft het Arbitragehof de woorden "met inbegrip van de kinderen van personen wier ontzetting
van de ouderlijke macht wordt vervolgd" vernietigd) Art. 52. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven
voor zover de bepaling geen jongeren betreft die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) <DDG
1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 52bis. Buiten de gevallen
bedoeld in artikel 52quater, zevende en achtste lid, is de duur van de voorbereidende rechtspleging beperkt
tot zes maanden, te rekenen van de vordering bedoeld in artikel 45.2.a), tot aan de mededeling van het
dossier aan het openbaar ministerie na het afsluiten van de navorsing. Het openbaar ministerie beschikt
vervolgens over een termijn van twee maanden om de betrokkene te dagvaarden om voor de jeugdrechtbank
te verschijnen. De termijn van zes maanden wordt geschorst tussen de akte van hoger beroep en
het arrest. Art. 52ter. In de gevallen bedoeld in artikel 52 moet de jongere die de
leeftijd van twaalf jaar bereikt heeft, vóór enige maatregel wordt getroffen door de jeugdrechter, persoonlijk
worden gehoord, tenzij hij niet gevonden kan worden, zijn gezondheidstoestand het niet toelaat of indien
hij weigert te verschijnen. De betrokkene heeft, telkens als hij voor de jeugdrechtbank verschijnt,
recht op bijstand van een advocaat. Deze advocaat wordt, in voorkomend geval, aangewezen overeenkomstig
artikel 54bis. Behoudens de gevallen waarin de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig is overeenkomstig
artikel 45.2.b) of c), kan de jeugdrechter evenwel een afzonderlijk onderhoud met de betrokkene hebben. De
beschikking omvat een samenvatting van de elementen die betrekking hebben op zijn persoonlijkheid of
op zijn milieu, welke de beslissing rechtvaardigen, en, in voorkomend geval, een samenvatting van de
ten laste gelegde feiten. Zij maakt tevens melding van het feit dat de betrokkene werd gehoord of van
de redenen waarom dit niet gebeurde. Na het verhoor van de betrokkene, wordt hem een afschrift
van de beschikking overhandigd, evenals zijn vader en moeder, voogden of personen die de betrokkene onder
hun bewaring hebben, indien deze ter terechtzitting aanwezig zijn. In de gevallen waar deze overhandiging
niet heeft kunnen plaatshebben, wordt de beslissing bij gerechtsbrief ter kennis gebracht. Het afschrift
van de beschikking vermeldt de rechtsmiddelen die ertegen open staan evenals de vormen en termijnen die
terzake moeten worden nageleefd. De termijn voor hoger beroep loopt vanaf de overhandiging van het afschrift
of vanaf de dag dat de betrokkene bij gerechtsbrief kennis heeft gekregen van de kennisgeving. De
maatregelen bedoeld in artikel 52 zijn niet vatbaar voor verzet. In geval van hoger beroep doet
de jeugdkamer van het hof van beroep uitspraak binnen uiterlijk twee maanden, te rekenen van de akte
van hoger beroep. Art. 52quater. Voor wat betreft de personen bedoeld in artikel 36,
4°, kan de rechter of de jeugdrechtbank, naar gelang van het geval, in de gevallen bedoeld in de artikelen
52, 52bis en 52ter, een maatregel van bewaring bevelen, voor een termijn van ten hoogste drie maanden,
in een gesloten opvoedingsafdeling, ingericht door de bevoegde overheden. Deze beslissing kan
enkel worden genomen indien voldaan is aan de volgende voorwaarden : 1° er bestaan ernstige
aanwijzingen van schuld; 2° de betrokkene geeft blijk van een gedrag dat voor hemzelf of voor
anderen gevaarlijk is; 3° er bestaan ernstige redenen om te vrezen dat de betrokkene, indien
hij opnieuw in vrijheid wordt gesteld, nieuwe misdaden of wanbedrijven pleegt, zich aan het gerecht onttrekt,
bewijsmateriaal probeert te doen verdwijnen of tot een heimelijke verstandhouding komt met derden. Bovendien
is het verlaten van de instelling door de betrokkene onderworpen aan volgende voorwaarden : 1°
het verlaten van de instelling om te verschijnen voor de rechtbank, om redenen van medische noodzaak
of om een begrafenis in België bij te wonen in geval van overlijden van een familielid tot en met de
tweede graad, is niet ondergeschikt aan een toelating door de jeugdrechter of jeugdrechtbank. De instelling
informeert de jeugdrechter of de jeugdrechtbank evenwel voorafgaandelijk per fax van elke uitstap in
deze zin. De Koning kan bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit deze regel uitbreiden tot andere
soorten uitstappen; 2° de soorten uitstappen die beschreven staan in het pedagogisch project
dat de openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank
meedeelt met vermelding van de soorten omkadering per soort uitstap, kunnen worden verboden door de jeugdrechter
of de jeugdrechtbank, bij gemotiveerde beslissing voor één of meer van de redenen genoemd in het vierde
lid. Het verbod kan ook beperkt worden tot slechts enkele soorten activiteiten en kan verband houden
met een onvoldoende omkadering; 3° voor het verlaten van de instelling in het kader van activiteiten
die niet uitdrukkelijk deel uitmaken van het pedagogisch project van de openbare gemeenschapsinstelling
voor jeugdbescherming, moet geval per geval een verzoek aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank worden
gericht, waarin de voorziene soort omkadering nader wordt omschreven. De aanvraag gebeurt uiterlijk vijf
werkdagen voor aanvang van de activiteit. De jeugdrechter of jeugdrechtbank doet uitspraak binnen de
vier werkdagen. Een afschrift van het verzoek wordt onverwijld door de griffie aan het openbaar ministerie
bezorgd. Van de beslissing van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank wordt aan de openbare gemeenschapsinstelling
voor jeugdbescherming kennis gegeven per fax. Een afschrift van de beslissing wordt binnen de 24 uur
door de griffie aan het openbaar ministerie bezorgd. Ingeval de jeugdrechter of de jeugdrechtbank verbiedt
om de instelling te verlaten, vermeldt hij de redenen van dit verbod die steunen op een of meer van volgende
redenen : 1° de betrokkene geeft blijk van een gedrag dat voor hemzelf of voor anderen gevaarlijk
is; 2° er bestaan ernstige redenen om te vrezen dat de betrokkene, indien hij opnieuw in vrijheid
wordt gesteld, nieuwe misdaden of wanbedrijven pleegt, zich aan het gerecht onttrekt, bewijsmateriaal
probeert te doen verdwijnen of tot een heimelijke verstandhouding komt met derden; 3° het belang
van een slachtoffer of zijn omgeving vereist dit verbod. De jeugdrechter of jeugdrechtbank kan de dienst
slachtofferonthaal verzoeken om een slachtofferfiche op te stellen. Het hoger beroep van het
openbaar ministerie tegen een uitstap genoemd in lid 3, 2° of 3°, is opschortend gedurende vijftien dagen
te rekenen vanaf de akte van hoger beroep. Hoger beroep tegen een uitstap genoemd in lid 3, 2°, moet
worden ingesteld binnen een termijn van achtenveertig uren, die begint te lopen vanaf de mededeling van
de beslissing van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank om de jongere toe te vertrouwen aan een openbare
gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming, in gesloten opvoedingsafdeling. Het openbaar ministerie
brengt de betrokken openbare gemeenschapsinstelling voor jeugdbescherming er onverwijld van op de hoogte. De
jeugdrechter of jeugdrechtbank kan ten allen tijde, hetzij ambtshalve hetzij op vordering van het openbaar
ministerie, de beslissing bedoeld in het derde lid, 2° en 3°, wijzigen. Deze maatregelen kunnen
slechts eenmaal en na kennisgeving van het door de instelling opgestelde medisch-psychisch verslag worden
verlengd nadat de betrokkene en zijn raadsman werden gehoord. Niettemin kunnen de voormelde
maatregelen elke maand worden verlengd bij gemotiveerde beslissing van, naar gelang van het geval, de
rechter of de jeugdrechtbank. De beslissing moet gegrond zijn op ernstige en uitzonderlijke omstandigheden
die betrekking hebben op de vereisten van de openbare veiligheid of eigen zijn aan de persoonlijkheid
van de betrokkene en die de handhaving van deze maatregelen noodzakelijk maken. De betrokkene, zijn raadsman
en de directeur van de instelling worden vooraf gehoord. Hoger beroep tegen de beschikkingen
of vonnissen bedoeld in de vorige leden moet ingesteld worden binnen een termijn van achtenveertig uren,
die ten aanzien van het openbaar ministerie loopt vanaf de mededeling van de beschikking of van het vonnis
en ten aanzien van de andere partijen in het geding vanaf het vervullen van de vormvereisten bedoeld
in artikel 52ter, vierde lid. Het beroep kan worden ingesteld door een verklaring aan de directeur van
de instelling of aan de persoon die de directeur hiertoe aanstelt. De directeur schrijft de beroepen
in een genummerd en geparafeerd register in. Hij geeft er onmiddellijk kennis van aan de griffie van
de bevoegde rechtbank en zendt haar per aangetekende brief een uittreksel van het register. De
jeugdkamer van het hof van beroep behandelt de zaak en doet uitspraak binnen vijftien werkdagen te rekenen
van de akte van hoger beroep. Na het verstrijken van deze termijn vervalt de maatregel. De termijn wordt
geschorst tijdens de duur van het uitstel toegekend op verzoek van de verdediging. (De termijn
van dagvaarding voor het Hof bedraagt drie dagen.) Artikel 52quinquies. Gedurende een
rechtspleging strekkende tot de toepassing van een van de in titel II, hoofdstuk III, bedoelde maatregelen,
kan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een bemiddeling voorstellen overeenkomstig de bij de artikelen
37bis tot 37quinquies bepaalde regels. Art. 53. (NOTA : opgeheven ten aanzien van
minderjarigen die wegens een als misdrijf omschreven feit worden vervolgd.) Indien het feitelijk
onmogelijk is een particulier of een instelling te vinden die de minderjarige dadelijk kan opnemen, en
alzo de in artikel 52 bedoelde maatregelen niet kunnen worden ten uitvoer gelegd, mag de minderjarige
voorlopig, maar voor niet langer dan vijftien dagen, in een huis van arrest worden bewaard. (De
maatregel bedoeld in het eerste lid kan slechts toegepast worden ten aanzien van personen die ervan verdacht
worden een feit te hebben gepleegd, strafbaar met een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar
of met een zwaardere straf, in de zin van het Strafwetboek of van de aanvullende wetten en voor zover
zij, op het ogenblik van de feiten, de leeftijd van veertien jaar hebben bereikt. In geval van
hoger beroep zijn de bepalingen van artikel 52quater, zesde en zevende lid, van toepassing, behalve dat
de termijn waarbinnen uitspraak in beroep moet worden gedaan, teruggebracht wordt tot vijf werkdagen
te rekenen van de akte van hoger beroep. (De termijn van dagvaarding voor het Hof bedraagt één dag.) De
maatregel van bewaring bedoeld in het eerste lid kan door de jeugdrechter slechts eenmaal bevolen worden
in de loop van een zelfde procedure, afgezien van de mogelijkheid van de jeugdrechtbank om andere voorlopige
maatregelen te bevelen. Dit artikel is mede van toepassing op de personen bedoeld in artikel
37, § 3, 2°.) De minderjarige die in een huis van arrest wordt bewaard, wordt van de
aldaar gedetineerde volwassenen afgezonderd. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 53. (VLAAMSE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven behalve ten aanzien van minderjarigen die wegens een als misdrijf omschreven
feit worden vervolgd) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 5°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art.
53. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven voor wat betreft de minderjarigen in gevaar, hen tegen wie
ouderlijke klachten wegens wangedrag zijn ingediend en hen die bedelend of zwervend worden aangetroffen,
met inbegrip van de kinderen van personen wier ontzetting van de ouderlijke macht wordt vervolgd) <DFG
1991-03-04/36, art. 62, § 9, 005; Inwerkingtreding : 07-12-1994> (NOTA : Bij arrest nr
4/93 van 21 januari 1993 (B.St. 04-02-1993, p. 2265) heeft het Arbitragehof de woorden "met inbegrip
van de kinderen van personen wier ontzetting van de ouderlijke macht wordt vervolgd" vernietigd) Art.
53. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven voor zover de bepaling geen jongeren betreft die een
als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art.
53bis (Opgeheven) Art. 54. (Behalve in de gevallen bepaald in titel II, hoofdstuk
III, (...) waarin zij in persoon moeten verschijnen, mogen de partijen zich door een advocaat laten vertegenwoordigen.)
De jeugdrechtbank kan te allen tijde bevelen dat de partijen persoonlijk verschijnen. Zij kan tevens
al degenen oproepen die de minderjarige onder hun bewaring hebben. Art. 54bis. §
1. Wanneer een persoon beneden de achttien jaar partij is in het geding en geen advocaat heeft, wordt
er hem ambtshalve een toegewezen. Wanneer de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig is met toepassing
van artikel 45.2.a) of b), of van artikel 63ter, a) of c), geeft het openbaar ministerie hiervan onverwijld
kennis aan de stafhouder van de orde van advocaten. Dit bericht wordt gelijktijdig verzonden met de vordering,
de dagvaarding of de met redenen omklede waarschuwing, al naar gelang het geval. De stafhouder of het
bureau voor consultatie en verdediging gaat over tot de toewijzing, uiterlijk binnen twee werkdagen te
rekenen van dit bericht. § 2. Het openbaar ministerie zendt aan de jeugdrechtbank waarbij
de zaak aanhangig is gemaakt, afschrift van het bericht van de kennisgeving aan de stafhouder. §
3. De stafhouder of het bureau voor consultatie en verdediging ziet erop toe, indien er tegenstrijdige
belangen zijn, dat de betrokkene verdedigd wordt door een andere advocaat dan diegene op wie zijn vader
en moeder, voogden of personen die hem onder hun bewaring hebben of die bekleed zijn met een vorderingsrecht,
beroep gedaan zouden hebben. Art. 55. Wanneer een zaak als bedoeld in titel II, hoofdstuk
III, bij de jeugdrechtbank aanhangig is gemaakt, wordt aan de partijen en aan hun advocaat kennis gegeven
van de neerlegging van het dossier ter griffie waar ze er vanaf het ogenblik van de betekening van de
dagvaarding inzage kunnen van nemen. De partijen en hun advocaat kunnen eveneens kennis nemen
van het dossier wanneer het openbaar ministerie het opleggen van een maatregel bedoeld in de artikelen
52 en 53 vordert, alsmede gedurende de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen de beschikkingen
waarbij zulke maatregelen worden opgelegd. De stukken die betrekking hebben op de persoonlijkheid
van de betrokkene en op het milieu waarin hij leeft, mogen echter noch aan hem noch aan de burgerlijke
partij medegedeeld worden. Het volledig dossier, die stukken inbegrepen, moet ter beschikking gesteld
worden van de advocaat van de betrokkene wanneer deze laatste partij is in het geding. Art.
56. (In de aangelegenheden bedoeld in titel II, hoofdstuk III, eerste afdeling, worden de betrokken
minderjarigen niet als partijen in het debat beschouwd, behalve wanneer te hunnen opzichte maatregelen
worden genomen als bepaald in artikel 52.) In de zaken bedoeld in titel II, hoofdstuk III, afdeling
II, wordt het geval van elke minderjarige afzonderlijk onderzocht. Geen andere minderjarige mag daarbij
aanwezig zijn, behalve gedurende de voor eventuele confrontaties nodige tijd. Art. 56bis. De
jeugdrechtbank moet de persoon die minstens de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, oproepen teneinde
gehoord te worden in geschillen tussen personen aan wie het ouderlijk gezag over de betrokkene is toevertrouwd,
wanneer punten worden behandeld die betrekking hebben op het gezag over zijn persoon, het beheer van
zijn goederen, de uitoefening van het bezoekrecht of de aanwijzing van de in artikel 34 bedoelde persoon. Art.
57. De jeugdrechtbank kan zich tijdens de debatten te allen tijde in raadkamer terugtrekken
om de deskundigen en de getuigen, de ouders, voogden of degenen die de betrokkene onder hun bewaring
hebben, omtrent diens persoonlijkheid te horen. De minderjarige is niet aanwezig bij de debatten
in raadkamer. De rechtbank kan hem echter laten roepen indien zij dit geraden acht. De debatten
in raadkamer mogen slechts plaatsvinden in aanwezigheid van de advocaat van de betrokkene. Art.
57bis. § 1. Indien de persoon die wegens een als misdrijf omschreven feit voor de jeugdrechtbank
is gebracht, op het tijdstip van het feit zestien jaar of ouder was en de jeugdrechtbank een maatregel
van bewaring, behoeding of opvoeding niet geschikt acht, kan zij de zaak bij een met redenen omklede
beslissing uit handen geven en ze naar het openbaar ministerie verwijzen, met het oog op vervolging voor
ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een wanbedrijf of correctionaliseerbare misdaad te hebben
gepleegd, een bijzondere kamer binnen de jeugdrechtbank die het gemeen strafrecht en de gemeenrechtelijke
strafprocedure toepast, als daartoe grond bestaat, ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een
niet-correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, het gerecht dat krachtens het gemeen recht bevoegd
is, als daartoe grond bestaat. De jeugdrechtbank kan evenwel slechts beslissen tot uithandengeving indien
bovendien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan : - de betrokkene is reeds eerder het
voorwerp geweest van een of meerdere van de in artikel 37, § 2, § 2bis of § 2ter
bedoelde maatregelen of van een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies
; - het betreft een feit zoals bedoeld in de artikelen 373, 375, 393 tot 397, 400, 401, 417ter,
417quater, 471 tot 475 van het Strafwetboek of een poging tot het plegen van een feit zoals bedoeld in
de artikelen 393 tot 397 van het Strafwetboek. De motivering gebeurt in functie van de persoonlijkheid
van de betrokkene en van zijn omgeving en de maturiteitsgraad van de betrokkene. Deze bepaling
kan worden toegepast zelfs indien de betrokkene op het tijdstip van het vonnis de leeftijd van achttien
jaar heeft bereikt. In dit geval wordt hij gelijkgesteld met een minderjarige voor de toepassing van
dit hoofdstuk. § 2. Onverminderd artikel 36bis kan de jeugdrechtbank met toepassing
van dit artikel de zaak slechts uit handen geven na de in artikel 50, tweede lid, bedoelde maatschappelijke
en medisch-psychologische onderzoeken te hebben doen verrichten. Het medisch-psychologisch onderzoek
is erop gericht de situatie te evalueren in functie van de persoonlijkheid van de betrokkene en van zijn
omgeving en van de maturiteitsgraad van de betrokkene. De aard, frequentie en ernst van de feiten die
de betrokkene ten laste worden gelegd, worden in overweging genomen in zoverre ze bijdragen tot de evaluatie
van zijn persoonlijkheid. De Koning bepaalt de nadere regels volgens welke het medisch-psychologisch
onderzoek dient te worden verricht. Evenwel, 1° kan de jeugdrechtbank de zaak uit handen
geven zonder over het verslag van het medisch-psychologisch onderzoek te beschikken, wanneer zij constateert
dat de betrokkene zich aan dit onderzoek onttrekt of weigert zich eraan te onderwerpen; 2° kan
de jeugdrechtbank de zaak uit handen geven zonder een maatschappelijk onderzoek te moeten laten uitvoeren
en zonder een medisch-psychologisch onderzoek te moeten vragen, indien bij vonnis een maatregel al genomen
is ten aanzien van een persoon die nog geen achttien jaar is en die één of meer in de artikelen 323,
373 tot 378, 392 tot 394, 401 en 468 tot 476 van het Strafwetboek bedoelde feiten heeft gepleegd, nadat
hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en die persoon opnieuw wordt vervolgd omdat hij na die eerste
veroordeling weer één of meer van voornoemde feiten heeft gepleegd. De stukken van de vorige procedure
worden bij die van de nieuwe procedure gevoegd; 3° doet de jeugdrechtbank onder dezelfde voorwaarden
uitspraak over de vordering tot het uit handen geven ten aanzien van een persoon die nog geen achttien
jaar is en die een feit, dat als misdaad wordt omschreven en waarop een straf staat die hoger ligt dan
twintig jaar opsluiting, heeft gepleegd nadat hij de leeftijd van zestien jaar had bereikt en eerst wordt
vervolgd nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. § 3. De jeugdrechtbank
kan de zaak slechts uit handen geven met inachtneming van de volgende procedure. Zodra het maatschappelijk
onderzoek en het medisch-psychologisch onderzoek ter griffie zijn neergelegd, deelt de jeugdrechter binnen
drie werkdagen het dossier mee aan de procureur des Konings. Ingeval met toepassing van § 2, derde
lid, 1°, geen medisch-psychologisch onderzoek is vereist, deelt de rechtbank binnen drie werkdagen na
de neerlegging ter griffie van het maatschappelijk onderzoek het dossier mee aan de procureur des Konings.
Ingeval met toepassing van § 2, derde lid, 2° en 3°, de rechtbank uitspraak kan doen zonder een
maatschappelijk onderzoek te moeten laten uitvoeren en zonder een medisch-psychologisch onderzoek te
moeten vragen, deelt zij het dossier onverwijld mee aan de procureur des Konings. Deze laatste
dagvaardt de in artikel 46 bedoelde personen binnen dertig werkdagen na ontvangst van het dossier met
het oog op de eerste dienstige terechtzitting. In de dagvaarding moet worden vermeld dat een uithandengeving
is vereist. De rechtbank doet binnen dertig werkdagen na de openbare terechtzitting uitspraak over de
uithandengeving. In geval van hoger beroep beschikt de procureur-generaal over een termijn van
twintig werkdagen te rekenen van het einde van de termijn van hoger beroep om te dagvaarden voor de jeugdkamer
van het hof van beroep. Deze kamer doet binnen vijftien werkdagen na de openbare terechtzitting uitspraak
over de uithandengeving. § 4. Inwerkingtreding : onbepaald. § 5. Iedere
persoon ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving genomen is met toepassing van dit artikel
wordt, vanaf de dag waarop deze beslissing definitief geworden is, onderworpen aan de rechtsmacht van
de gewone rechter voor de vervolging van feiten die gepleegd zijn na de dag van de dagvaarding tot uithandengeving. §
6. Na een beslissing van uithandengeving, bevolen met toepassing van deze bepaling, draagt de jeugdrechtbank
of, in voorkomend geval, de jeugdkamer van het hof van beroep, dadelijk het integrale dossier van de
betrokken persoon over aan het openbaar ministerie, teneinde het, in geval van vervolging, bij het strafdossier
te voegen. Art. 58. De beslissingen van de jeugdrechtbank gewezen in de aangelegenheden
bedoeld in titel II, hoofdstukken III en IV, zijn, binnen de wettelijke termijnen, vatbaar voor hoger
beroep door het openbaar ministerie en voor verzet en hoger beroep door alle andere in het geding betrokken
partijen (onverminderd de bepalingen van de artikelen 52, 52quater, negende lid, en 53, derde lid). De
vonnissen gewezen in de aangelegenheden bedoeld in titel II, hoofdstuk II, zijn niet vatbaar voor verzet.
Hoger beroep wordt bij verzoekschrift ingesteld ter griffie van het hof van beroep (...); (...). De griffier
van de jeugdkamer roept voor die kamer de partijen op die opgeroepen waren voor de jeugdrechtbank; hij
voegt bij de oproeping voor de andere partijen dan de verzoeker, een gelijkluidend afschrift van het
verzoekschrift. De medewerking van pleitbezorgers bij het hof is niet vereist. De jeugdrechtbank
kan de voorlopige tenuitvoerlegging van haar beslissingen bevelen, behalve wat de kosten betreft. Art.
59. De rechter in hoger beroep kan de in (de artikel 52) bedoelde voorlopige maatregelen nemen. De
vroeger door de jeugdrechtbank genomen voorlopige maatregelen blijven gehandhaafd zolang ze niet door
het gerecht in hoger beroep zijn gewijzigd. Art. 60. De jeugdrechtbank kan te allen
tijde, ambtshalve (op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de bevoegde instanties
zoals bedoeld in artikel 37, § 2, eerste lid, 7° tot 11°), de maatregelen genomen zowel ten aanzien
van de vader, moeder of degenen die de minderjarige onder hun bewaring hebben als ten aanzien van de
minderjarige zelf, intrekken of wijzigen, (...), en binnen de perken van deze wet optreden in het belang
van de betrokkene. De vader, moeder, voogden of degenen die de betrokkene onder hun bewaring
hebben, alsmede de betrokkene tegen wie de maatregel is genomen, kunnen zich met dat doel bij verzoekschrift
tot de jeugdrechtbank wenden, nadat één jaar verstreken is sedert de dag waarop de beslissing waarbij
de maatregel is bevolen, definitief is geworden. Indien dit verzoekschrift wordt afgewezen, kan het niet
worden hernieuwd voordat één jaar verstreken is sedert de dag waarop de afwijzende beslissing definitief
is geworden. In de bij artikel 37quinquies, § 3, bepaalde gevallen geldt de eerstgenoemde wachttermijn
van één jaar niet. De betrokkene en zijn vader, moeder, voogden of degenen die de betrokkene
in rechte of in feite onder hun bewaring hebben kunnen, via gemotiveerd verzoekschrift, de herziening
vragen van de voorlopige maatregel bepaald in artikel 52quater na een termijn van één maand vanaf de
dag waarop de beslissing definitief werd. De griffie bezorgt het openbaar ministerie onverwijld een afschrift
van het verzoekschrift. De rechter hoort de jongere en zijn wettelijke vertegenwoordigers, alsmede het
openbaar ministerie ingeval het erom verzoekt. De verzoeker mag geen nieuw verzoekschrift indienen dat
hetzelfde voorwerp heeft alvorens een termijn van één maand is verstreken vanaf de datum van de laatste
beslissing houdende verwerping van zijn verzoek. (Iedere maatregel zoals bedoeld in artikel
37, § 2, eerste lid, uitgezonderd 1° en 8°, en bevolen bij vonnis, moet opnieuw worden onderzocht,
ten einde te worden bevestigd, ingetrokken of gewijzigd vóór het verstrijken van een termijn van een
jaar te rekenen van de dag waarop de beslissing definitief is geworden. Deze procedure wordt ingeleid
door het openbare ministerie overeenkomstig de in artikel 45, 2 b) en c), genoemde vormvereisten. Onverminderd
artikel 37, § 2, vierde lid, moet de in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°, bedoelde maatregel,
die bij vonnis bevolen is, opnieuw worden onderzocht teneinde te worden bevestigd, ingetrokken of gewijzigd
vóór het verstrijken van een termijn van zes maanden te rekenen van de dag waarop de beslissing definitief
is geworden. Deze procedure wordt ingeleid volgens de bij het vierde lid bepaalde vormvereisten. De
in artikel 37, § 2, eerste lid, 8°, 10° en 11°, genoemde bevoegde instanties sturen om het kwartaal
aan de jeugdrechtbank een evaluatieverslag over de persoon die het voorwerp heeft uitgemaakt van een
beslissing die een maatregel van bewaring in een gesloten opvoedingsafdeling oplegt.) GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 60. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (NOTA : Voor de Vlaamse Gemeenschap worden,
in art. 60, eerste lid, de woorden "de maatregelen genomen" vervangen door de woorden "de genomen maatregelen"
behalve ten aanzien van minderjarigen die een wegens een als misdrijf omschreven feit worden vervolgd.
In hetzelfde lid worden, behalve ten aanzien van voornoemde minderjarigen, de woorden "zowel ten aanzien
van de vader of de moeder of degenen die de minderjarige onder hun bewaring hebben als ten aanzien van
de minderjarige zelf" en de woorden "of wijzigen", evenals de woorden "de terbeschikkingstelling van
de Regering uitgezonderd" geschrapt. Het woord "Regering" wordt vervangen door de woorden "Vlaamse Executieve"
<DVR 1990-03-28/34, art. 23, 4°, 003; Inwerkingtreding : 27-09-1994>) Art. 60. (DUITSTALIGE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven voor zover hij geen jongeren betreffen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 61. Ingeval
het als misdrijf omschreven feit bewezen is, veroordeelt de jeugdrechtbank de betrokkene tot de kosten
en, indien daartoe grond bestaat, tot teruggave. Bijzondere verbeurdverklaring kan worden uitgesproken. In
hetzelfde geval doet de jeugdrechtbank waarbij de burgerlijke vordering aanhangig is gemaakt, uitspraak
over deze vordering of houdt de behandeling daarvan aan tot een latere datum. Zij doet terzelfder tijd
uitspraak over de kosten. De personen die hetzij krachtens artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek,
hetzij krachtens een bijzondere wet aansprakelijk zijn, worden gedagvaard en zijn met de betrokkene hoofdelijk
gehouden tot betaling van de kosten, tot teruggave en tot schadevergoeding. Het slachtoffer
kan afstand doen van elke vordering die uit het als misdrijf omschreven feit voortvloeit, in het bijzonder
wanneer de dader of daders ten voordele van wie het slachtoffer deze afstand doet, meewerkt of meewerken
aan een herstelrechtelijk aanbod. Het slachtoffer vermeldt uitdrukkelijk in het akkoord dat
door de herstelgerichte aanpak wordt bereikt, ten voordele van welke dader of daders die meewerkt of
meewerken aan een herstelrechtelijk aanbod, de afstand van de in het vierde lid bedoelde vordering geldt. Uit
de afstand van een vordering zoals bedoeld in het vierde lid, volgt automatisch dat deze afstand eveneens
geldt ten aanzien van alle personen die hetzij krachtens artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek, hetzij
krachtens een bijzondere wet aansprakelijk zijn voor de schade veroorzaakt door de dader of daders ten
voordele van wie het slachtoffer de afstand doet. Art. 61bis. Een afschrift van de
vonnissen en arresten die in openbare terechtzitting zijn uitgesproken, wordt, onmiddellijk ter zitting,
overhandigd aan de jongere die twaalf jaar is of ouder en aan zijn vader en moeder, voogden of personen
die de betrokkene in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, indien deze ter terechtzitting aanwezig
zijn. In de gevallen waar deze overhandiging niet heeft kunnen plaatsvinden, wordt de beslissing per
gerechtsbrief ter kennis gebracht. Het afschrift van de vonnissen en arresten vermeldt de rechtsmiddelen
die ertegen open staan, evenals de vormen en termijnen die terzake moeten worden nageleefd. Art.
62. (NOTA : Het Arbitragehof heeft door zijn arrest nr. 122/98 van 3 december 1998 voor recht
gezegd dat dit artikel de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre, dat in artikel 36,
2°, van de voormelde wet bedoelde procedures, de opvangouders niet in de zaak worden opgeroepen en hun
tussenkomst niet is toegestaan. (B.St. 20-01-1999, p. 1635-1638) Behoudens afwijking, gelden voor de
in titel II, hoofdstuk II, evenals voor de in de artikelen 63bis, § 2 en 63ter, eerste lid, b),
bedoelde procedures de wetsbepalingen inzake burgerlijke rechtspleging, en voor de in titel II, hoofdstuk
III, evenals voor de in artikel 63ter, eerste lid, a) en c), bedoelde procedures, de wetsbepalingen
betreffende de vervolgingen in correctionele zaken. Art. 62bis. In de gevallen waarin
de bepalingen genomen krachtens artikel 59bis, §§ 2bis en 4bis, van de Grondwet en artikel
5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, stellen
dat het openbaar ministerie niet belast wordt met de uitvoering van een maatregel van de jeugdrechtbank,
wordt een uitgifte van de beslissing van de jeugdrechtbank gericht aan de administratieve overheid die
ermee belast is. Art. 63. De ontzetting van (het ouderlijke gezag) en de maatregelen
die ingevolge (de artikelen 37 en 39) worden bevolen ten aanzien van minderjarigen die op grond van artikel
36, 1°, 3° en 4°, voor de jeugdrechtbank zijn gebracht, worden in het strafregister van de betrokkenen
vermeld. Die ontzetting en die maatregelen mogen nooit aan particulieren ter kennis worden gebracht. Zij
mogen aan de gerechtelijke overheden ter kennis worden gebracht. Zij mogen ook aan de administratieve
overheden, de notarissen en de gerechtsdeurwaarders worden ter kennis gebracht, indien dezen die inlichtingen
voor de toepassing van een wets- of verordeningsbepaling volstrekt nodig hebben. Deze mededeling geschiedt
onder de controle van de gerechtelijke overheden volgens de door de Koning te bepalen procedure. De
meldingen die bij toepassing van deze wet in het strafregister van een minderjarige zijn gemaakt, kunnen
op verzoek van degene die er het voorwerp van was, bij beslissing van de jeugdrechtbank geschrapt worden
na verloop van vijf jaren sedert het tijdstip waarop die maatregelen een einde hebben genomen. De
ontzetting van (het ouderlijke gezag) wordt ambtshalve geschrapt, wanneer daaraan door herstel een einde
is gemaakt. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 63. (FRANSE GEMEENSCHAP) De ontzetting
van (het ouderlijke gezag) en de maatregelen die ingevolge (de artikelen 37 en 39) worden bevolen ten
aanzien van minderjarigen die op grond van artikel 36, (...) 4°, voor de jeugdrechtbank zijn gebracht,
worden in het strafregister van de betrokkenen vermeld. <W 1994-02-02/33, art. 63, 1° en 2°, 007; Inwerkingtreding
: 27-09-1994> <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 10, 005; Inwerkingtreding : 07-12-1994> Die
ontzetting en die maatregelen mogen nooit aan particulieren ter kennis worden gebracht. Zij
mogen aan de gerechtelijke overheden ter kennis worden gebracht. Zij mogen ook aan de administratieve
overheden, de notarissen en de gerechtsdeurwaarders worden ter kennis gebracht, indien dezen die inlichtingen
voor de toepassing van een wets- of verordeningsbepaling volstrekt nodig hebben. Deze mededeling geschiedt
onder de controle van de gerechtelijke overheden volgens de door de Koning te bepalen procedure. De
meldingen die bij toepassing van deze wet in het strafregister van een minderjarige zijn gemaakt, kunnen
op verzoek van degene die er het voorwerp van was, bij beslissing van de jeugdrechtbank geschrapt worden
na verloop van vijf jaren sedert het tijdstip waarop die maatregelen een einde hebben genomen. De
ontzetting van (het ouderlijke gezag) wordt ambtshalve geschrapt, wanneer daaraan door herstel een einde
is gemaakt. <W 1994-02-02/33, art. 29, 1°, 007; Inwerkingtreding : 27-09-1994> Art. 63. (DUITSTALIGE
GEMEENSCHAP) De ontzetting van (het ouderlijke gezag) en de maatregelen die ingevolge (de artikelen
37 en 39) worden bevolen ten aanzien van minderjarigen die op grond van artikel 36, (...) 4°, voor de
jeugdrechtbank zijn gebracht, worden in het strafregister van de betrokkenen vermeld. <W 1994-02-02/33,
art. 29, 1° en 2°, 007; Inwerkingtreding : 27-09-1994> <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding
: 01-05-1995> Die ontzetting en die maatregelen mogen nooit aan particulieren ter kennis worden
gebracht. Zij mogen aan de gerechtelijke overheden ter kennis worden gebracht. Zij
mogen ook aan de administratieve overheden, de notarissen en de gerechtsdeurwaarders worden ter kennis
gebracht, indien dezen die inlichtingen voor de toepassing van een wets- of verordeningsbepaling volstrekt
nodig hebben. Deze mededeling geschiedt onder de controle van de gerechtelijke overheden volgens de door
de Koning te bepalen procedure. De meldingen die bij toepassing van deze wet in het strafregister
van een minderjarige zijn gemaakt, kunnen op verzoek van degene die er het voorwerp van was, bij beslissing
van de jeugdrechtbank geschrapt worden na verloop van vijf jaren sedert het tijdstip waarop die maatregelen
een einde hebben genomen. De ontzetting van (het ouderlijke gezag) wordt ambtshalve geschrapt,
wanneer daaraan door herstel een einde is gemaakt. <W 1994-02-02/33, art. 29, 1°, 007; Inwerkingtreding
: 27-09-1994> Art. 63bis. § 1. De rechtsplegingsregels bedoeld in dit hoofdstuk,
met uitzondering van de artikelen 45.2. en 46, zijn van toepassing op de bepalingen van gerechtelijke
bescherming die door de bevoegde instanties zijn uitgevaardigd krachtens artikel 59bis, §§
2bis en 4bis, van de Grondwet en artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus
1980 tot hervorming der instellingen. § 2. Niettemin, wanneer het verzoek de homologatie
van de wijziging van een door de jeugdrechtbank genomen beslissing tot voorwerp heeft, is de volgende
procedure van toepassing : a) het verzoek wordt door de bevoegde administratieve overheid bij
verzoekschrift gericht aan de griffie van de rechtbank die de beslissing heeft gegeven; b)
het wordt onmiddellijk samen met het rechtsplegingsdossier voor advies medegedeeld aan het openbaar ministerie; c)
de jeugdrechter neemt een beschikking binnen drie werkdagen te rekenen van de indiening van het verzoekschrift,
op advies van het openbaar ministerie. Deze beschikking wordt genomen zonder oproeping van de partijen.
Zij wordt ter kennis gebracht van de partijen en is niet vatbaar voor verzet. De weigering van de homologatie
is vatbaar voor hoger beroep. Art. 63ter. In de rechtsplegingen bedoeld in artikel
63bis, wordt de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig gemaakt : a) bij vordering van het openbaar
ministerie, met het oog op het bevelen of toelaten van de maatregelen voorzien door deze organen : -
hetzij, in het raam van voorlopige maatregelen, alvorens over de grond van de zaak te beslissen, -
hetzij, in spoedeisende gevallen; b) bij verzoekschrift door de belanghebbende partij neergelegd
ter griffie van de jeugdrechtbank, met het oog op het beslechten van een geschil betreffende een maatregel
genomen door de bevoegde instanties, bedoeld in artikel 37, § 2; c) in de andere gevallen,
door vrijwillige verschijning ingevolge een met redenen omklede waarschuwing van het openbaar ministerie
of bij dagvaarding op verzoek van het openbaar ministerie, met het oog op een beslissing ten gronde,
nadat de partijen hun middelen hebben voorgedragen. In de gevallen bedoeld in b), worden de
partijen opgeroepen door de griffier om te verschijnen op de door de rechter vastgestelde zitting. De
oproeping vermeldt het voorwerp van het verzoek. De griffier zendt een afschrift van het verzoekschrift
over aan het openbaar ministerie. In de gevallen bedoeld in c), moeten de dagvaarding of de
waarschuwing, op straffe van nietigheid, worden gericht aan de ouders, voogden of degenen die de jongere
onder hun bewaring hebben en aan hem zelf indien hij minstens twaalf jaar oud is, alsook aan de personen
aan wie, in voorkomend geval, een vorderingsrecht toegekend is. Art. 63quater. De artikelen
52bis, 52ter en 52quater, negende en tiende lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de maatregelen
genomen ten gevolge van de vorderingen bedoeld in artikel 63ter, eerste lid, a). Art. 63quinquies. Indien
in het kader van de rechtsplegingen bedoeld in artikel 63bis, de voorziene maatregelen van bepaalde duur
zijn, moet de procedure voor verlenging van die maatregelen plaatsvinden overeenkomstig dezelfde vormvereisten
als die welke vereist zijn voor de aanvankelijke beslissing. TITEL III. - Algemene bepalingen. Art.
64. In elk gerechtelijk arrondissement wordt een sociale dienst voor <jeugdbescherming> opgericht,
samengesteld uit vaste afgevaardigden. Die dienst bestaat uit twee afdelingen : a)
een afdeling waarvan de afgevaardigden ter beschikking van de jeugdbeschermingscomités worden gesteld; b)
een afdeling waarvan de afgevaardigden ter beschikking worden gesteld van de rechterlijke overheden
die met de toepassing van deze wet zijn belast. (De vaste afgevaardigden bij de <jeugdbescherming>
worden door de Minister van Justitie benoemd onder de houders van een diploma van maatschappelijke assistent
of van een diploma dat van voldoende pedagogische of sociale kennis doet blijken en volgens hun rangschikking
in een vergelijkend wervingsexamen. De Koning stelt het organiek reglement en het kader van
de vaste afgevaardigden bij de <jeugdbescherming> alsook de hiërarchische positie van hun ambt vast.
Hij bepaalt uit welke diploma's een voldoende pedagogische of sociale kennis blijkt en stelt nadere regels
voor het vergelijkend wervingsexamen dat door de Minister van Justitie wordt georganiseerd.) De
vaste afgevaardigden bij de <jeugdbescherming> zijn aan het statuut van het rijkspersoneel onderworpen
en zij staan administratiefrechtelijk onder het gezag van de Minister van Justitie. Zij vervullen,
onder de verantwoordelijkheid en de leiding van de met de <jeugdbescherming> belaste overheden tot wier
beschikking zij gesteld zijn, de hun door dezen opgelegde opdrachten. Aan iedere afdeling van
de sociale dienst voor <jeugdbescherming> kunnen door de overheden te wier beschikking zij is gesteld,
vrijwillige afgevaardigden worden toegevoegd. Op het stuk van vergoeding wegens reis- en verblijfkosten
worden deze afgevaardigden gelijkgesteld met de vaste afgevaardigden bij de <jeugdbescherming>. GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 64. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32> Art.
64. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 11, 005; Inwerkingtreding
: 24-12-1991> Art. 64. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art.
43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 65. (Opgeheven) Art. 66. Iedere natuurlijke
persoon of rechtspersoon, iedere vereniging of inrichting die zich bereid verklaart gezamenlijk en doorgaans
minderjarigen op te nemen krachtens deze wet, moet daartoe door de Minister van Justitie erkend worden. Na
het advies van de in artikel 67 bedoelde commissie te hebben ingewonnen, stelt de Koning, per categorie
van inrichtingen, de algemene voorwaarden voor erkenning vast; die voorwaarden kunnen betrekking hebben
op : a) het personeel van de diensten voor opvoeding, beroepsopleiding en bestuur; b)
de gebouwen en installaties; c) de verzorging, het onderwijs, de morele vorming en beroepsopleiding,
alsmede het opvoedingsregime van de minderjarigen, onverminderd de toepassing van artikel 6 van de wet
van 29 mei 1959 tot wijziging van de wetgeving betreffende het bewaarschoolonderwijs, het lager, middelbaar,
normaal-, technisch en kunstonderwijs. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 66. (VLAAMSE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32> Art. 66. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven)
<DFG 14-05-1987, art. 7> Art. 66. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34,
art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 67. De Minister van Justitie beschikt,
bij een met redenen omklede beslissing, op de erkenningsaanvragen, na het advies te hebben ingewonnen
van een commissie die wordt voorgezeten door een jeugdrechter in hoger beroep en bovendien bestaat uit
twee jeugdrechters, een ambtenaar van het Ministerie van Justitie, een ambtenaar van het Ministerie tot
wiens bevoegdheid de nationale opvoeding behoort, een ambtenaar van het Ministerie tot wiens bevoegdheid
de volksgezondheid en de gezinszorg behoort, alsook een vertegenwoordiger van het Nationaal Werk voor
Kinderwelzijn en vier personen die de inrichtingen vertegenwoordigen welke gewoonlijk minderjarigen huisvesten
krachtens deze wet. De leden van de commissie worden aangewezen door de Minister van Justitie
na advies van zijn betrokken collega's. De Minister van Justitie benoemt de leden die de inrichter
vertegenwoordigen welke gewoonlijk minderjarigen huisvesten, uit een driedubbel aantal kandidaten voorgedragen
door de meest representatieve verenigingen van inrichtingen. Hij regelt de modaliteiten van
die voordrachten. Hij stelt de werkwijze van die commissie vast. Elk erkenningsdossier
bevat, buiten de administratieve inlichtingen, een verslag van een rechter in de jeugdrechtbank en van
de procureur des Konings van het arrondissement waar de verzoeker is gevestigd. GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 67. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32> Art.
67. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 14-05-1987, art. 7> Art. 67. (DUITSTALIGE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art.
68. Wanneer wordt bevonden dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon, de vereniging of inrichting,
niet meer aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, kan de Minister van Justitie ze aanmanen zich, volgens
het geval, binnen acht dagen tot zes maanden naar die voorwaarden te gedragen; zoniet kan hij, na raadpleging
van de in artikel 67 bedoelde commissie, de erkenning bij een met redenen omklede beslissing intrekken. GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 68. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32> Art.
68. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 14-05-1987, art. 7> Art. 68. (DUITSTALIGE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art.
69. Aan de Minister van Justitie wordt kennis gegeven : a) van iedere beslissing die
genomen wordt krachtens de eerste titel van deze wet wanneer zij uitgaven ten gevolge heeft ten laste
van de begroting van het Ministerie van Justitie; b) van iedere krachtens titel II, hoofdstukken
III en IV, van deze wet genomen beslissing. Hij doet de plaatsingen alsmede de in artikel 66
bedoelde inrichtingen inspecteren door ambtenaren aan wie hij daartoe opdracht geeft. GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 69. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1990-03-28/34, art. 22,
6°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990> Art. 69. (FRANSE GEMEENSCHAP) Aan de Minister
van Justitie wordt kennis gegeven : a) (...) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 12, 005;
Inwerkingtreding : 07-12-1994> b) van iedere krachtens titel II, hoofdstukken III en IV, van
deze wet genomen beslissing. (Lid 2 opgeheven) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 12, 005;
Inwerkingtreding : 07-12-1994> Art. 69. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) Aan de Minister van
Justitie wordt kennis gegeven : a) (...) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> b)
van iedere krachtens titel II, hoofdstukken III en IV, van deze wet genomen beslissing. (Lid
2 opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 70. De
Koning bepaalt ieder jaar de prijs per dag onderhoud in de Rijksgestichten voor observatie en opvoeding
onder toezicht. Na het advies te hebben ingewonnen van de commissie ingesteld bij artikel 67,
bepaalt de Koning het bedrag van de toelagen per dag onderhoud en opvoeding waarop de andere inrichtingen
dan de in het eerste lid bedoelde of de private personen aanspraak kunnen maken voor de plaatsingen verricht
krachtens titel I en titel II, hoofdstukken III en IV, van deze wet. De toelagen per dag onderhoud
en opvoeding zijn een vast bedrag voor de courante uitgaven. Voor de betaling van bijzondere
kosten kunnen toelagen worden toegekend onder de voorwaarden die de Koning stelt. Alle toelagen
dienen uitsluitend voor het betalen van de uitgaven voor onderhoud, opvoeding en behandeling van de minderjarige
voor wie zij zijn toegekend. Zij worden alleen uitbetaald aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon
die de minderjarige werkelijk grootbrengt. Zij worden door de Staat voorgeschoten. GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 70. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32> Art.
70. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 13, 005; Inwerkingtreding
: 07-12-1994> Art. 70. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art.
43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 71. De jeugdrechtbank bepaalt, na onderzoek
van de gegoedheid der betrokkenen, de bijdrage van de minderjarigen en van de onderhoudsplichtigen in
de onderhouds-, opvoedings- en behandelingskosten die voortvloeien uit maatregelen genomen overeenkomstig
de bepalingen van titel II, hoofdstukken III en IV, van deze wet. De onderhoudsplichtigen die niet in
het geding betrokken zijn, worden opgeroepen. De jeugdrechtbank beslist evenzo op de voorziening
ingesteld krachtens artikel 6, laatste lid. Deze beslissingen zijn vatbaar voor hoger beroep
en voor herziening. Overtreding van de verplichtingen, door die beslissingen opgelegd, wordt
gestraft overeenkomstig de bepalingen van artikel 391bis van het Strafwetboek. De invordering
van de kosten die ten laste van betrokkenen komen, geschiedt door bemiddeling van het bestuur der registratie
en domeinen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949. De vordering
verjaart door verloop van vijf jaren, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2277 van het Burgerlijk
Wetboek. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 71. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (...).
De onderhoudsplichtigen die niet in het geding betrokken zijn, worden opgeroepen. <DVR 1990-03-28/34,
art. 22, 7°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990> De jeugdrechtbank beslist evenzo op de voorziening
ingesteld krachtens artikel 6, laatste lid. (NOTA : Lid 2 werd opgeheven door DVR 1985-06-27/35,
art. 32, 7°; deze bepaling is vernietigd door het Arbitragehof 30-06-1988) Deze beslissingen
zijn vatbaar voor hoger beroep en voor herziening. Overtreding van de verplichtingen, door die
beslissingen opgelegd, wordt gestraft overeenkomstig de bepalingen van artikel 391bis van het Strafwetboek. De
invordering van de kosten die ten laste van betrokkenen komen, geschiedt door bemiddeling van het bestuur
der registratie en domeinen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de domaniale wet van 22 december
1949. De vordering verjaart door verloop van vijf jaren, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2277
van het Burgerlijk Wetboek. Art. 71. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DFG 1991-03-04/36,
art. 62, § 14, 005; Inwerkingtreding : 07-12-1994> Art. 71. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven)
<DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 72. Het jeugdbeschermingscomité,
de jeugdrechtbank of de Minister van Justitie, al naar het geval, bepaalt welke bestemming zal worden
gegeven aan het loon dat aan de ingevolge titel I of titel II, hoofdstuk III of hoofdstuk IV, van deze
wet geplaatste minderjarige wordt toegekend. Tijdens de minderjarigheid van de betrokkene kunnen
de bijdragen uit dat loon die op een spaarboekje bij de Algemene Spaar- en Lijfrentekas mochten zijn
ingeschreven, niet worden afgehaald zonder de uitdrukkelijke machtiging van de overheid die het spaarboekje
heeft doen openen. De betrokkene kan ze afhalen als hij eenentwintig jaar wordt. De jeugdrechtbank
kan echter op verzoek van het openbaar ministerie of van de wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige
beslissen dat afhaling voordat betrokkene vijfentwintig jaar is geworden niet kan geschieden zonder de
uitdrukkelijke machtiging van de rechtbank. Zodanig verzoek kan alleen worden ingediend zolang de betrokkene
minderjarig is. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 72. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven)
<DVR 1990-03-28/34, art. 22, 8°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990> Art. 72. (FRANSE GEMEENSCHAP) (...),
de jeugdrechtbank of de Minister van Justitie, al naar het geval, bepaalt welke bestemming zal worden
gegeven aan het loon dat aan de ingevolge titel I of titel II, hoofdstuk III of hoofdstuk IV, van deze
wet geplaatste minderjarige wordt toegekend. <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 15, 005; Inwerkingtreding
: 24-12-1991> Tijdens de minderjarigheid van de betrokkene kunnen de bijdragen uit dat loon
die op een spaarboekje bij de Algemene Spaar- en Lijfrentekas mochten zijn ingeschreven, niet worden
afgehaald zonder de uitdrukkelijke machtiging van de overheid die het spaarboekje heeft doen openen. De
betrokkene kan ze afhalen als hij eenentwintig jaar wordt. De jeugdrechtbank kan echter op verzoek van
het openbaar ministerie of van de wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige beslissen dat afhaling
voordat betrokkene vijfentwintig jaar is geworden niet kan geschieden zonder de uitdrukkelijke machtiging
van de rechtbank. Zodanig verzoek kan alleen worden ingediend zolang de betrokkene minderjarig is. Art.
72. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art.
73. (Opgeheven) Art. 74. Het jeugdbeschermingscomité doet regelmatig iedere door zijn
bemiddeling geplaatste minderjarige door een van zijn afgevaardigden bezoeken. De jeugdrechter
bezoekt ten minste tweemaal per jaar iedere minderjarige die door hem geplaatst is krachtens een van
de in artikel 37, 3° en 4°, bedoelde maatregelen. Hij kan daartoe een afgevaardigde bij de <jeugdbescherming>
opdracht geven. Naar aanleiding van de bezoeken aan de minderjarige van wiens plaatsing is kennis
gegeven overeenkomstig artikel 69, wordt over de toestand van de betrokkene aan de Minister van Justitie
een rapport gezonden. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 74. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Lid
1 opgeheven) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 9°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990> De jeugdrechter
bezoekt ten minste tweemaal per jaar iedere minderjarige die door hem geplaatst is krachtens een van
de in artikel 37, 3° en 4°, bedoelde maatregelen. (...) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 9°, 003; Inwerkingtreding
: 01-05-1990> (Lid 3 opgeheven) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 9°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990> Art.
74. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Lid 1 opgeheven) <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 16, 1°, 005;
Inwerkingtreding : 24-12-1991> De jeugdrechter bezoekt ten minste tweemaal per jaar iedere minderjarige
die door hem geplaatst is krachtens een van de in artikel 37, 3° en 4°, bedoelde maatregelen. Hij kan
daartoe (de dienst voor gerechtelijke bescherming) opdracht geven. <DFG 1991-03-04/36, art. 62, §
16, 2°, 005; Inwerkingtreding : 24-12-1991> Naar aanleiding van de bezoeken aan de minderjarige
van wiens plaatsing is kennis gegeven overeenkomstig artikel 69, wordt over de toestand van de betrokkene
aan de Minister van Justitie een rapport gezonden. Art. 74. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) (Lid
1 opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> De jeugdrechter bezoekt
ten minste tweemaal per jaar iedere minderjarige die door hem geplaatst is krachtens een van de in artikel
37, 3° en 4°, bedoelde maatregelen. Hij kan daartoe (de dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand) opdracht
geven. <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Naar aanleiding van de bezoeken
aan de minderjarige van wiens plaatsing is kennis gegeven overeenkomstig artikel 69, wordt over de toestand
van de betrokkene aan de Minister van Justitie een rapport gezonden. Art. 75. Indien
zij niet begeleid zijn door een ouder, hun voogd of een persoon die over hen de bewaring heeft, is het
minderjarigen beneden de volle leeftijd van veertien jaar niet toegestaan de terechtzittingen van de
hoven en rechtbanken bij te wonen, tenzij voor de behandeling en de berechting van de vervolgingen die
tegen hen zijn ingesteld, of wanneer zij in persoon moeten verschijnen of getuigenis moeten afleggen,
en enkel voor de tijd dat hun aanwezigheid noodzakelijk is. De voorzitter kan steeds de aanwezigheid
van minderjarigen bij de terechtzitting verbieden, onder meer wegens het bijzonder karakter van de zaak
of de omstandigheden waarin de terechtzitting verloopt. Art. 76. De gerechtelijke en
administratieve overheden alsmede de natuurlijke personen of rechtspersonen, de verenigingen, instellingen
of inrichtingen die hun medewerking dienen te verlenen bij de maatregelen die ter uitvoering van deze
wet zijn genomen, moeten de godsdienstige en wijsgerige overuiting en de taal van de gezinnen waartoe
de minderjarigen behoren eerbiedigen. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art. 76. (VLAAMSE
GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 10°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990> Art.
77. Elke persoon die, in welke hoedanigheid ook, zijn medewerking verleent aan de toepassing
van deze wet, staat daardoor in voor de geheimhouding van de feiten die hem in de uitoefening van zijn
opdracht worden toevertrouwd en die hiermede verband houden. Artikel 458 van het Strafwetboek
is op hem van toepassing. Art. 78. Buiten de gevallen waarin er een medische tegenaanwijzing
bestaat, mogen aan de minderjarigen die geplaatst zijn overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstukken
III en IV, van deze wet, preventieve vaccinaties en inentingen toegediend worden, waarvan het aantal,
de soort en de toedieningswijze door de Koning bepaald worden. GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN Art.
78. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1990-03-28/34, art. 22, 10°, 003; Inwerkingtreding
: 01-05-1990> Art. 79. Iedere persoon of iedere inrichting, behalve de schoolinternaten
en daarmee gelijkgestelde kosthuizen, die zich bereid verklaart door deze wet of andere wetsbepalingen
niet beschermde minderjarigen gezamenlijk en doorgaans op te nemen buiten de verblijfplaats van hun bloedverwanten
in de rechte lijn of zijlijn of van hun wettelijke vertegenwoordiger, moet daarvan vooraf aangifte doen
bij het jeugdbeschermingscomité van het arrondissement. Wanneer uit een strafrechtelijke veroordeling
uitgesproken tegen een persoon of een personeelslid van een inrichting, zoals zij in het vorige lid zijn
bedoeld, of uit een onderzoek op klacht betreffende de huisvesting of de opvoeding van de minderjarigen
blijkt dat hun gezondheid, hun veiligheid of hun zedelijkheid gevaar loopt, kan de jeugdrechtbank op
vordering van het openbaar ministerie, de betrokkenen gehoord, het huis of de inrichting gedurende een
tijd die zij vaststelt aan geregeld bezoek onderwerpen en in ernstige gevallen de sluiting ervan gelasten. GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 79. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1990-03-28/34, art. 22,
10°, 003; Inwerkingtreding : 01-05-1990> Art. 79. (FRANSE GEMEENSCHAP) (Lid 1 opgeheven)
<DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 17, 1°, 005; Inwerkingtreding : 24-12-1991> Wanneer uit
een strafrechtelijke veroordeling uitgesproken tegen een persoon of een personeelslid van een inrichting,
(behalve de schoolinternaten en daarmee gelijkgestelde kosthuizen, die zich bereid verklaren door deze
wet of andere wetsbepalingen niet beschermde minderjarigen gezamenlijk en doorgaans op te nemen buiten
de verblijfplaats van hun bloedverwanten in de rechte lijn of zijlijn of van hun wettelijke vertegenwoordiger),
of uit een onderzoek op klacht betreffende de huisvesting of de opvoeding van de minderjarigen blijkt
dat hun gezondheid, hun veiligheid of hun zedelijkheid gevaar loopt, kan de jeugdrechtbank op vordering
van het openbaar ministerie, de betrokkenen gehoord, het huis of de inrichting gedurende een tijd die
zij vaststelt aan geregeld bezoek onderwerpen en in ernstige gevallen de sluiting ervan gelasten. <DFG
1991-03-04/36, art. 62, § 17, 2°, 005; Inwerkingtreding : 24-12-1991> Art. 79. (DUITSTALIGE
GEMEENSCHAP) (Lid 1 opgeheven) <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> Wanneer
uit een strafrechtelijke veroordeling uitgesproken tegen een persoon of een personeelslid van een inrichting,
(behalve de schoolinternaten en daarmee gelijkgestelde kosthuizen die door dit decreet of andere wetsbepalingen
beschermde minderjarigen gezamenlijk opnemen), of uit een onderzoek op klacht betreffende de huisvesting
of de opvoeding van de minderjarigen blijkt dat hun gezondheid, hun veiligheid of hun zedelijkheid gevaar
loopt, kan de jeugdrechtbank op vordering van het openbaar ministerie, de betrokkenen gehoord, het huis
of de inrichting gedurende een tijd die zij vaststelt aan geregeld bezoek onderwerpen en in ernstige
gevallen de sluiting ervan gelasten. <DDG 1995-03-20/34, art. 43, Inwerkingtreding : 01-05-1995> TITEL
IV. - Strafbepalingen. Art. 80 - 83. (Opgeheven) Art. 84. In alle gevallen
waarin een minderjarige (...) een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd en welke maatregel ook
tegen hem is genomen, kan, indien het feit vergemakkelijkt werd door gemis aan toezicht, degene die de
minderjarige onder zijn bewaring heeft, veroordeeld worden tot gevangenisstraf van één dag tot zeven
dagen en tot geldboete van een tot vijfentwintig frank, of tot een van die straffen alleen, onverminderd
de bepalingen van het Strafwetboek en van de bijzondere wetten betreffende de deelneming. Art.
85 De jeugdrechtbank kan de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de minderjarige,
die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd,en die duidelijk onverschillig zijn voor diens criminaliteit
en die weigeren de in artikel 29bis bedoelde ouderstage te volgen, of die aan diens uitvoering niet
meewerken, veroordelen tot een gevangenisstraf van een tot zeven dagen en tot een geldboete van een euro
tot vijfentwintig euro of tot een van die straffen alleen. Art. 86. (Opgeheven) GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 86. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) Tot de straffen bepaald in artikel 391bis
van het Strafwetboek, kan ieder worden veroordeeld die het toezicht op de gezinsbijslag of andere sociale
uitkeringen vrijwillig belemmert : a) door na te laten de nodige documenten te bezorgen aan
de instellingen belast met de vereffening van die uitkeringen; b) door valse of onvolledige
aangiften te doen; c) door de bestemming te wijzigen die de persoon of (de Sociale Dienst van
de Vlaamse Gemeenschap bij de Jeugdrechtbank) aangewezen overeenkomstig artikel 29, er aan gegeven heeft.
<DVR 1985-06-27/35, art. 33> Art. 86. (FRANSE GEMEENSCHAP) Tot de straffen bepaald
in artikel 391bis van het Strafwetboek, kan ieder worden veroordeeld die het toezicht op de gezinsbijslag
of andere sociale uitkeringen vrijwillig belemmert : a) door na te laten de nodige documenten
te bezorgen aan de instellingen belast met de vereffening van die uitkeringen; b) door valse
of onvolledige aangiften te doen; c) door de bestemming te wijzigen die de persoon (...) aangewezen
overeenkomstig artikel 29, er aan gegeven heeft. <DFG 1991-03-04/36, art. 62, § 18, 005; Inwerkingtreding
: 24-12-1991> Art. 86. (DUITSTALIGE GEMEENSCHAP) Tot de straffen bepaald in artikel
391bis van het Strafwetboek, kan ieder worden veroordeeld die het toezicht op de gezinsbijslag of andere
sociale uitkeringen vrijwillig belemmert : a) door na te laten de nodige documenten te bezorgen
aan de instellingen belast met de vereffening van die uitkeringen; b) door valse of onvolledige
aangiften te doen; c) door de bestemming te wijzigen die de persoon of het (dienst voor gerechtelijke
jeugdbijstand) aangewezen overeenkomstig artikel 29, er aan gegeven heeft. <DDG 1995-03-20/34, art. 43,
Inwerkingtreding : 01-05-1995> Art. 87. <Wijzigingsbepaling van SW, art. 372bis > Art.
88. (Wijzigingsbepaling van SW, art. 377) "In het geval van artikel 372bis, bedraagt de gevangenisstraf
ten minste één jaar." Art. 89. Al de bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek,
hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn toepasselijk op de misdrijven omschreven in de artikelen
71 en 85. TITEL V. - Opheffings-, wijzigings- en overgangsbepalingen. Art. 90. Opgeheven
worden : 1° de wet van 15 mei 1912 op de kinderbescherming, gewijzigd bij de wet van 2 juli
1930, bij het koninklijk besluit van 14 augustus 1933, bij het koninklijk besluit nr. 301 van 30 maart
1936, en bij de wetten van 21 augustus 1948, 24 december 1948, 20 mei 1949, 31 juli 1952 en 30 april
1958, met uitzondering van de artikelen 48 tot 61; 2° de artikelen 378, tweede lid, en 382,
tweede lid, van het Strafwetboek; 3° artikel 4, tweede lid, van de wet van 28 mei 1888 nopens
de bescherming van de in rondreizende beroepen tewerkgestelde kinderen. Art. 91. §
1. (Wijzigingsbepaling van BW, art. 348) § 2. <Wijzigingsbepaling van SW, art. 369bis
> § 3. (Wijzigingsbepaling van art. 225 en 226) § 4. <Wijzigingsbepaling
van art. 13> § 5. <Wijzigingsbepaling van art. 83> § 6. <Wijzigingsbepaling
van KIESW, art. 7> § 7. <Wijzigingsbepaling van art. 123bis > § 8. <Wijzigingsbepaling
van art. 70> § 9. <Wijzigingsbepaling van art. 55> § 10. <Wijzigingsbepaling
van art. 5, 6, 9, 10, 11 en 12> § 11. <Wijzigingsbepaling van art. 7 en 9> §
12. <Wijzigingsbepaling van art. 25> Art. 92 - 97. (Opgeheven) Art. 98. De
vaste afgevaardigden bij de kinderbescherming blijven hun functie uitoefenen en krijgen de titel van
"vaste afgevaardigde bij de <jeugdbescherming>". Zij zijn voortaan onderworpen aan het statuut
van het Rijkspersoneel en behouden het voordeel van hun verworven anciënniteit. GEMEENSCHAPPEN
EN GEWESTEN Art. 98. (VLAAMSE GEMEENSCHAP) (Opgeheven) <DVR 1985-06-27/35, art. 32> Art.
99. (Opgeheven) Art. 100. De Koning stelt de datum vast waarop alle bepalingen
van deze wet of een deel ervan in werking treden. Art. 100bis. Voor de zaken die hangend
zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 15 mei 2006 tot wijziging van de wetgeving
betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd en van de wet van 15 mei 2006 tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende
de jeugdbescherming, het Wetboek van strafvordering, het Strafwetboek, het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe
gemeentewet en de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie, worden de in die wetten vermelde
termijnen berekend vanaf de dag die volgt op hun inwerkingtreding. Het Strafwetboek. Art.
12. Levenslange opsluiting of levenslange hechtenis wordt niet uitgesproken ten aanzien van
een persoon die op het tijdstip van de misdaad de volle leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt. Art.
30. Elke hechtenis, voor het onherroepelijk worden van de veroordeling ondergaan ten gevolge
van het misdrijf dat tot die veroordeling aanleiding geeft, wordt toegerekend op de duur van de vrijheidsstraffen. Iedere
voorlopige plaatsingsmaatregel in een gesloten opvoedingsafdeling als bedoeld in artikel 52quater van
de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een
als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade
of in de wet van 1 maart 2002 betreffende de voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf
omschreven feit hebben gepleegd, wordt onder dezelfde voorwaarde toegerekend op de duur van de vrijheidsstraffen
waartoe de persoon, verwezen overeenkomstig artikel 57bis van de voornoemde wet van 8 april 1965, is
veroordeeld. Art. 391bis. Met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met
geldboete van vijftig euro tot vijfhonderd euro of met een van die straffen alleen, onverminderd de toepassing
van strengere straffen, indien daartoe grond bestaat, wordt gestraft hij die, na door een rechterlijke
beslissing waartegen geen verzet of hoger beroep meer openstaat, te zijn veroordeeld om een uitkering
tot onderhoud te betalen aan zijn echtgenoot, aan zijn bloedverwanten in de nederdalende of in de opgaande
lijn, meer dan twee maanden vrijwillig in gebreke blijft de termijnen ervan te kwijten. Met
dezelfde straffen worden gestraft hij die, in de omstandigheden omschreven in het eerste lid, niet voldoet
aan de verplichtingen bepaald in artikelen 203bis, 206, 207, 301, 303, 306 307, 336 (en 253-14 van het
Burgerlijk Wetboek en in de artikelen 1288,3° en 4°, en 1306, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek.) Dezelfde
straffen zijn van toepassing op de echtgenoot die zich vrijwillig geheel of ten dele onttrekt aan de
gevolgen van de machtiging door de rechter verleend krachtens (de artikelen 203ter, 221 en 301bis van
het Burgerlijk Wetboek en 1280, vijfde lid, en 1306, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek), wanneer
die machtiging geen verzet of hoger beroep meer openstaat. Hetzelfde geldt voor de echtgenoot
die, na te zijn veroordeeld, hetzij tot een van de verplichtingen op de niet-nakoming waarvan door de
eerste twee leden van dit artikel straf is gesteld, hetzij ingevolge (de artikelen 203ter, 221 en 301bis
van het Burgerlijk Wetboek en 1280, vijfde lid, en 1306, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek) zich
vrijwillig ervan onthoudt de door de sociale wetgeving voorgeschreven formaliteiten te vervullen en zijn
echtgenoot of zijn kinderen aldus berooft van de voordelen waarop zij aanspraak konden maken. (Dezelfde
straffen gelden voor eenieder die het toezicht op de gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen vrijwillig
belemmert, door na te laten de nodige documenten te bezorgen aan de instellingen belast met de vereffening
van die uitkeringen, door valse of onvolledige aangiften te doen, of door de bestemming te wijzigen die
de persoon of de overheid, aangewezen overeenkomstig artikel 29 van de wet van 8 april 1965 betreffende
de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben
gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, eraan gegeven heeft. In geval
van een tweede veroordeling wegens een van de in dit artikel omschreven misdrijven, gepleegd binnen een
termijn van vijf jaar te rekenen van de eerste, kunnen de straffen worden verdubbeld. Art. 433bis. Publicatie
en verspreiding van het verslag van de debatten voor de jeugdrechtbank, voor de onderzoeksrechter en
voor de kamers van het hof van beroep die bevoegd zijn om over het hoger beroep tegen hun beslissingen
te oordelen, door middel van boeken, pers, film, radio, televisie, of op enige andere wijze, zijn verboden. Alleen
de motieven en het beschikkend gedeelte van de in openbare terechtzitting uitgesproken rechterlijke beslissing
vormen, onder voorbehoud van de toepassing van het derde lid, hierop een uitzondering. Publicatie
en verspreiding door middel van welke procédés ook van teksten, tekeningen, foto's of beelden waaruit
de identiteit kan blijken van een persoon die vervolgd wordt, of ten aanzien van wie een maatregel is
genomen als bedoeld in de artikelen 37, 39, 43, 49, 52, 52quater en 57bis van de wet van 8 april 1965
betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade of in de wet van 1 maart
2002 betreffende de voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben
gepleegd, zijn eveneens verboden. Hetzelfde geldt voor de persoon ten aanzien van wie een maatregel genomen
is in het kader van de rechtspleging als bedoeld in artikel 63bis van de wet van 8 april 1965 betreffende
de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben
gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. Overtreding van dit artikel
wordt gestraft met gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar en met geldboete van driehonderd euro
tot drieduizend euro of met een van die straffen alleen. Het Wetboek van strafvordering. Voorafgaande
Titel van het Wetboek van strafvordering Hoofdstuk VI - Regels met betrekking tot de uitoefening
van de strafvordering volgend op een beslissing van uithandengeving bevolen door een jeugdgerecht Artikel
31. Wanneer de strafvordering wordt uitgeoefend met toepassing van deze wet, ten gevolge van
een beslissing van uithandengeving bevolen in toepassing van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965
betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, mogen de stukken die verband
houden met de persoonlijkheid en de leefomgeving van de vervolgde persoon uitsluitend worden meegedeeld
aan de betrokkene of aan zijn advocaat, met uitsluiting van elke andere vervolgde persoon en van de burgerlijke
partij. Artikel 216quater § 1. De procureur des Konings kan een persoon die
aangehouden is met toepassing van de artikelen 1 en 2 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige
hechtenis of die zich bij hem meldt, oproepen om te verschijnen voor de politierechtbank of de correctionele
rechtbank binnen een termijn die niet korter mag zijn dan tien dagen, noch langer dan twee maanden. Hij
stelt hem in kennis van de feiten die hem ten laste worden gelegd, alsook van de plaats, de dag en het
uur van de zitting, en deelt hem mede dat hij het recht heeft een advocaat te kiezen. Als de betrokkene
geen advocaat kiest, brengt de procureur des Konings de stafhouder of diens vertegenwoordiger daarvan
op de hoogte. Deze kennisgeving en deze formaliteit worden vermeld in een proces-verbaal, waarvan
hem onmiddellijk een kopie wordt overhandigd. De kennisgeving geldt als dagvaarding om te verschijnen.
De gekozen advocaat of, in voorkomend geval, de stafhouder of zijn vertegenwoordiger en de benadeelde
partij worden onverwijld van de datum van de terechtzitting op de hoogte gebracht. Aan de oproeping bij
proces-verbaal wordt voorrang gegeven in geval van vervolging van een persoon die uithanden gegeven is
met toepassing van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten
laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van
de door dit feit veroorzaakte schade. § 2. Een vonnis wordt binnen twee maanden na de
in § 1 bedoelde zitting uitgesproken. Zo niet, wordt het proces-verbaal onontvankelijk verklaard
en worden de vervolgingen die opnieuw worden ingesteld, ingesteld overeenkomstig de artikelen 145 tot
147 en 182 tot 184, in welk geval de in de artikelen 216quater en 216quinquies bedoelde wijzen van
aanhangigmaking niet van toepassing zijn. In geval van verzet wordt het vonnis uitgesproken
binnen twee maanden na de in de artikelen 151, tweede lid, en 188 bedoelde zitting. Als hoger
beroep wordt ingesteld, wordt de zaak vastgesteld uiterlijk op de eerste zitting na het verstrijken van
een termijn van één maand te rekenen van de akte van beroep. Artikel 416 Beroep in
cassatie tegen voorbereidende arresten en arresten van onderzoek of tegen in laatste aanleg gewezen vonnissen
van dezelfde soort staat eerst open na het eindarrest of het eindvonnis; de vrijwillige tenuitvoerlegging
van die voorbereidende arresten of vonnissen kan in geen geval als middel van niet-ontvankelijkheid worden
ingeroepen. Het vorige lid is niet van toepassing op arresten of vonnissen inzake bevoegdheid
of met toepassing van de artikelen 135 en 235bis, noch op arresten of vonnissen inzake de burgerlijke
rechtsvordering die uitspraak doen over het beginsel van aansprakelijkheid, noch op arresten waarbij
overeenkomstig artikel 524bis, § 1, uitspraak wordt gedaan over de strafvordering en een bijzonder
onderzoek naar de vermogensvoordelen wordt bevolen, noch op verwijzingsarresten overeenkomstig artikel
57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen
die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte
schade. Art. 594. De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit en na advies van
de Commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer aan bepaalde administratieve overheden toegang
verlenen tot in het Strafregister opgenomen gegevens, zulks uitsluitend in het kader van door of krachtens
de wet bepaalde doeleinden, en met uitzondering van : 1° de veroordelingen en beslissingen bedoeld
in artikel 593, 1° tot 4°; 2° arresten van herstel in eer en rechten en veroordelingen waarop
dat herstel in eer en rechten betrekking heeft; 3° beslissingen tot opschorting van de uitspraak
van de veroordeling en tot probatie-opschorting. Zij hebben geen toegang meer tot gegevens betreffende
veroordelingen tot gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden, tot geldboete van ten hoogste 500 frank
en tot geldboete, ongeacht het bedrag ervan, die is opgelegd krachtens het koninklijk besluit van 16
maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, na een termijn van
drie jaar te rekenen van de dag van de rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken, behalve
indien deze veroordelingen een vervallenverklaring of een ontzetting inhouden waarvan de gevolgen zich
over meer dan drie jaar uitstrekken, uitgesproken in het vonnis of waarvan die overheden absoluut kennis
moeten hebben om een wets- of verordeningsbepaling te kunnen toepassen. Zij hebben wel toegang
tot gegevens inzake de ontzettingen en maatregelen bedoeld in artikel 63 van de wet van 8 april 1965
betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade onder de voorwaarden vastgesteld
in dat artikel. Art. 595. Een ieder die zijn identiteit bewijst, kan een uittreksel
uit het Strafregister verkrijgen, dat een overzicht bevat van de daarin opgenomen persoonsgegevens die
op hem betrekking hebben, met uitzondering van : 1° de in artikel 594, 1° tot 3° bedoelde veroordelingen,
beslissingen en maatregelen; 2° maatregelen getroffen ten aanzien van abnormalen op grond van
de wet van 1 juli 1964; 3° de ontzettingen en maatregelen bedoeld in artikel 63 van de wet van
8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf
omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. Veroordelingen
tot gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden, tot geldboete van ten hoogste 500 frank en tot geldboete,
ongeacht het bedrag ervan, die is opgelegd krachtens het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie
van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, worden niet meer op dit uittreksel vermeld
na een termijn van drie jaar te rekenen van de dag van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij
zij zijn uitgesproken, behalve als ze in het vonnis, voorzien in een ontzetting of een vervallenverklaring
waarvan de gevolgen de duur van 3 jaar overstijgen. Dit uittreksel wordt uitgereikt door het
gemeentebestuur van de woon- of verblijfplaats van betrokkene onder de voorwaarden vastgesteld door de
Koning. Indien de betrokkene in België geen woon- of verblijfplaats heeft, wordt het uittreksel uitgereikt
door de dienst van het Strafregister van het Ministerie van Justitie. Een ieder die zijn identiteit
bewijst, geniet het recht op mededeling van de rechtstreeks op hem betrekking hebbende gegevens uit het
Strafregister, conform artikel 10 van de wet van de 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke
levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Het Burgerlijk Wetboek. Art.
397. Mogen geen voogd zijn : 1° personen die niet de vrije beschikking over hun goederen
hebben; 2° personen ten aanzien van wie de jeugdrechtbank een van de maatregelen heeft bevolen
die zijn bedoeld in de artikelen 29 tot 32 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming,
het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel
van de door dit feit veroorzaakte schade. Gerechtelijk Wetboek. Art. 58bis In
dit wetboek, voor wat de magistraten betreft, wordt verstaan onder : 1° benoemingen : de benoeming
tot vrederechter, rechter in de politierechtbank, toegevoegd vrederechter, toegevoegd rechter in de politierechtbank,
plaatsvervangend rechter in een vredegerecht of in een politierechtbank, rechter en toegevoegd rechter
in de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel, plaatsvervangend rechter,
substituut-procureur des Konings, substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden,
substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in handelszaken, toegevoegd substituut-procureur des
Konings, substituut-arbeidsauditeur en toegevoegd substituut-arbeidsauditeur, (...) raadsheer in het
hof van beroep en in het arbeidshof, plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep bedoeld in artikel
207bis, § 1, substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep, substituut-generaal bij het
arbeidshof, (...) raadsheer in het Hof van Cassatie en advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie; 2°
korpschef : de titularis van de mandaten van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank
en rechtbank van koophandel, procureur des Konings, arbeidsauditeur, (...) eerste voorzitter van het
hof van beroep en van het arbeidshof (...), procureur-generaal bij het hof van beroep en het arbeidshof,
(...) (federale procureur), eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, procureur-generaal bij het Hof
van Cassatie; 3° adjunct-mandaat : de mandaten van ondervoorzitter in de rechtbank van eerste
aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel, eerste substituut-procureur des Konings, eerste
substituut-arbeidsauditeur, (...) kamervoorzitter in het hof van beroep en in het arbeidshof, eerste
advocaat-generaal en advocaat-generaal bij het hof van beroep en bij het arbeidshof, (...) voorzitter
en afdelingsvoorzitter in het Hof van Cassatie en eerste advocaat- generaal bij het Hof van Cassatie; 4°
bijzonder mandaat : de mandaten van onderzoeksrechter, rechter in de jeugdrechtbank, rechter in de strafuitvoeringsrechtbank,
beslagrechter, jeugdrechter in hoger beroep, verbindingsmagistraat in jeugdzaken, bijstandsmagistraat,
federaal magistraat en substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken. Art.
76 De rechtbank van eerste aanleg bestaat uit een of meer kamers voor burgerlijke zaken, uit
één of meer kamers voor correctionele zaken en één of meer jeugdkamers. Die kamers vormen drie
afdelingen, genaamd : burgerlijke rechtbank, correctionele rechtbank en jeugdrechtbank. In de
afdeling van de correctionele rechtbank worden een of meer kamers onder meer bevoegd voor de procedures
van onmiddellijke verschijning en van oproeping bij proces verbaal. In de afdeling van de jeugdrechtbank
worden één of meer kamers bevoegd voor de berechting van personen ten aanzien van wie een beslissing
tot uithandengeving is genomen overeenkomstig de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming,
het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel
van de door dit feit veroorzaakte schade, in het kader van een wanbedrijf of correctionaliseerbare misdaad. Art.
78 De kamers van de rechtbank van eerste aanleg bestaan uit één of uit drie rechters. In
afwijking van de artikelen 80 en 259sexies en opdat de jeugdkamers die bevoegd zijn voor de in artikel
92, § 1, 7°, bedoelde aangelegenheden, rechtsgeldig zouden zijn samengesteld, moeten twee leden
ervan de opleiding hebben genoten die georganiseerd wordt in het kader van de in artikel 259sexies, §
1,1°, derde lid, bedoelde voortgezette vorming van de magistraten, die vereist is voor de uitoefening
van het ambt van rechter in de jeugdrechtbank. Het derde lid is een rechter van de correctionele rechtbank. Art.
80 Bij verhindering van een onderzoeksrechter, een beslagrechter of een rechter in de jeugdrechtbank,
wijst de voorzitter van de rechtbank een werkend rechter aan om hem te vervangen. Bovendien
kan de voorzitter van de rechtbank, indien de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, bij wijze van
uitzondering en na het advies van de procureur des Konings te hebben ingewonnen, een werkend rechter
aanwijzen om de voornoemde ambten gedurende een termijn van ten hoogste twee jaar waar te nemen, die
tweemaal kan worden hernieuwd. Om te kunnen worden aangewezen als onderzoeksrechter of rechter bij de
jeugdrechtbank, moet de werkende rechter de opleiding hebben gevolgd, bedoeld in artikel 259sexies, §
1, 1°, derde lid. De opdracht eindigt wanneer de reden ervan vervalt; voor zaken waarover de
debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn bij de rechter in de jeugdrechtbank of de beslagrechter,
blijft de opdracht gelden tot aan het eindvonnis. Art. 92 § 1. Aan de kamers
met drie rechters moeten worden toegewezen : 1° de burgerlijke rechtsvorderingen tot verbetering
van akten van de burgerlijke stand; 2° de burgerlijke rechtsvorderingen aangebracht naar aanleiding
van drukpersmisdrijven; 3° het hoger beroep tegen vonnissen gewezen door de vrederechter en
de politierechtbank; 4° de strafzaken betreffende misdrijven bedoeld in titel VII en titel VIII,
hoofdstuk III, van boek II van het Strafwetboek met uitzondering van de misdrijven als bedoeld in de
artikelen 391bis, 391ter, 431 en 432 van het Strafwetboek; 5° het verzoek tot herroeping van
het gewijsde; 6° de tuchtzaken 7° de vervolgingen van de personen ten aanzien van wie
een beslissing tot uithandengeving is genomen overeenkomstig de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming,
het ten laste nemen van de minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het
herstel van de door dit feit veroorzaakte schade in het kader van een wanbedrijf en/of correctionaliseerbare
misdaad. § 2. Wanneer er van verscheidene samenhangende zaken ten minste één bij een
kamer met drie rechters moet worden aanhangig gemaakt, dan verwijst de voorzitter van de rechtbank al
die zaken naar zulke kamer. Te dien einde kan hij ook hun vroegere verdeling wijzigen. Art.
101 Er zijn in het hof van beroep kamers voor burgerlijke zaken, kamers voor correctionele zaken
en jeugdkamers. Ten minste een van de jeugdkamers wordt bevoegd voor de vervolgingen ingesteld
tegen personen ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving is genomen overeenkomstig de wet
van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf
omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dat feit veroorzaakte schade, in het kader
van een wanbedrijf en/of correctionaliseerbare misdaad. Het hof van beroep bestaat uit een eerste
voorzitter, kamervoorzitters en raadsheren in het hof van beroep. De kamers van het hof van
beroep houden zitting, ofwel met drie raadsheren in het hof van beroep, de voorzitter daaronder begrepen,
ofwel met één lid, kamervoorzitter of raadsheer in het hof. Opdat de in het tweede lid bedoelde
jeugdkamers rechtsgeldig zouden zijn samengesteld, moeten ten minste twee leden ervan de opleiding hebben
genoten die georganiseerd wordt in het kader van de voortgezette vorming van de magistraten, zoals bedoeld
in artikel 259sexies, § 1,1°, derde lid, die vereist is voor de uitoefening van het ambt van rechter
in de jeugdrechtbank. Art. 144septies Er zijn twee verbindingsmagistraten in jeugdzaken.
De eerste oefent zijn functie uit ten aanzien van de instanties die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap
en van de instanties die afhangen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest. De tweede oefent zijn bevoegdheden uit ten aanzien van de instanties die afhangen van de Franse
Gemeenschap, van de instanties die afhangen van de Duitstalige Gemeenschap en van de instanties die afhangen
van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Zo nodig, wordt
een derde verbindingsmagistraat in jeugdzaken aangewezen voor de instanties die afhangen van de Duitstalige
Gemeenschap. De verbindingsmagistraat in jeugdzaken is belast met de volgende opdrachten : 1°
in geval van gebrek aan beschikbare plaatsen in de openbare gemeenschapsinstellingen voor jeugdbescherming,
de inwerkingstelling van de plaatsingsbeslissing optimaliseren voor de personen ten aanzien van wie een
rechterlijke beslissing genomen is met toepassing van artikel 36, 4°, en 37 van de wet van 8 april 1965
betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade; 2° de eventuele
verwijzingen coördineren van veroordeelde personen die zich in een federaal gesloten centrum bevinden,
naar een strafinrichting voor volwassenen; 3° met inachtneming van de respectieve bevoegdheden,
voorzien in permanent contact met de leidende ambtenaren van de diensten van de gemeenschappen belast
met de uitvoering van de beslissingen houdende plaatsing. De verbindingsmagistraat in jeugdzaken
vervult zijn opdrachten onder het gezag van het college van procureurs-generaal en onder de leiding van
de procureur-generaal die belast is met jeugdzaken. Hij oefent zijn ambt uit ten zetel van het
college van procureurs-generaal. Art. 186bis Voor de toepassing van deze titel, doch
met uitzondering van hoofdstuk Vquinquies, treedt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op
als korpschef van de vrederechters, de rechters in de politierechtbank, de toegevoegde vrederechters
en de toegevoegde rechters in de politierechtbank van zijn gerechtelijk arrondissement. Voor
de toepassing van deze titel zijn voor de berekening van de termijnen de bepalingen van de artikelen
50, eerste lid, 52, eerste lid, 53 en 54 van toepassing. De termijnen van de procedures met
het oog op de benoeming bedoeld in artikel 58bis, 1°, de aanwijzing bedoeld in artikel 58bis, 2°, evenals
de aanwijzing tot federaal magistraat, verbindingsmagistraat in jeugdzaken en bijstandsmagistraat, worden
geschorst van 15 juli tot 15 augustus. Art. 259bis -1 § 1. De Hoge Raad voor
de Justitie zoals ingesteld door artikel 151 van de Grondwet, hierna te noemen « Hoge Raad », telt vierenveertig
leden van Belgische nationaliteit. De Hoge Raad bestaat uit een Nederlandstalig en een Franstalig
college van elk tweeëntwintig leden. Elk college telt elf magistraten en elf niet-magistraten. De magistraten
die met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, belast zijn met een opdracht,
blijven, voor de verkiezingen bedoeld in artikel 259bis -2, verbonden aan hun rechtscollege. Alle
leden moeten de burgerlijke en politieke rechten genieten en het bewijs leveren van goed gedrag en zeden. §
2. De groep magistraten bestaat per college ten minste uit : 1° een lid van een hof of van het
openbaar ministerie bij een hof; 2° een lid van de zittende magistratuur; 3° een lid
van het openbaar ministerie; 4° een lid per rechtsgebied van het hof van beroep. De
magistraten van het Hof van Cassatie, (...) de bijstandsmagistraten, de verbindingsmagistraten in jeugdzaken
en de federale magistraten worden geacht deel uit te maken van het rechtsgebied van het hof van beroep
te Brussel. § 3. De groep niet-magistraten telt per college ten minste vier leden van
elk geslacht en bestaat uit ten minste : 1° vier advocaten met een beroepservaring van ten minste
tien jaar balie; 2° drie hoogleraren aan een universiteit of een hogeschool in de Vlaamse of
Franse Gemeenschap met een voor de opdracht van de Hoge Raad relevante beroepservaring van ten minste
tien jaar; 3° vier leden die houder zijn van ten minste een diploma van een hogeschool van de
Vlaamse of Franse Gemeenschap met een voor de opdracht van de Hoge Raad relevante beroepservaring van
ten minste tien jaar op juridisch, economisch, administratief, sociaal of wetenschappelijk vlak. Ten
minste één lid van het Franstalig college moet het bewijs leveren van de kennis van het Duits. Art.
259bis -3 (§ 1. De leden nemen in de Hoge Raad zitting voor een periode van vier jaar
die ingaat op de dag van de installatie en die eenmaal kan worden hernieuwd.) § 2. Het
lidmaatschap van de Hoge Raad is tijdens de duur van het mandaat onverenigbaar met de uitoefening van
: 1° een ambt van plaatsvervangend magistraat; (NOTA : Bij arrest nr 3/2001 van 25
januari 2001 (B.S. 13-02-2001) heeft het Arbitragehof in dit artikel, het 1° vernietigd en handhaaft
de gevolgen van de vernietigde bepaling, wat de samenstelling en de handelingen van de Hoge Raad voor
de Justitie betreft, tot aan de volgende benoemingen die zullen worden gedaan door de Senaat met toepassing
van artikel 259bis 2, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek) 2° een bij verkiezing verleend
openbaar mandaat; 3° een openbaar ambt van politieke aard; 4° een mandaat van korpschef. §
3. Het mandaat in de Hoge Raad eindigt van rechtswege indien : 1° het lid er om verzoekt; 2°
een onverenigbaarheid bedoeld in § 2 ontstaat; 3° een lid de hoedanigheid vereist als
voorwaarde om in de Hoge Raad zitting te kunnen nemen, verliest; 4° een lid kandidaat is voor
een benoeming tot magistraat of een aanwijzing tot korpschef, bijstandsmagistraat, verbindingsmagistraat
in jeugdzaken of federale magistraat; 5° een lid de leeftijd van inruststelling heeft bereikt
bepaald in artikel 383, § 1, voor de leden van de rechtscolleges andere dan het Hof van Cassatie. §
4. Het mandaat van een lid kan om ernstige redenen worden opgeheven door de Hoge Raad die daarover beslist
met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen in elke college. Tegen de beslissingen
staat geen enkel beroep open. Het mandaat kan niet worden opgeheven dan nadat het lid gehoord
is over de aangevoerde redenen. Voorafgaandelijk aan de hoorzitting stelt de Hoge Raad een dossier samen
dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de aangevoerde redenen. Ten minste vijf dagen
voor de hoorzitting wordt de betrokkene opgeroepen bij een ter post aangetekende brief met ten minste
opgave van : 1° de aangevoerde ernstige redenen; 2° het feit dat de opheffing van het
mandaat wordt overwogen; 3° plaats, dag en uur van de hoorzitting; 4° het recht van
de betrokkene zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze; 5° de plaats waar en de termijn
waarbinnen het dossier kan worden ingezien; 6° het recht om getuigen te doen oproepen. Vanaf
de oproeping tot en met de dag voor de hoorzitting kunnen de betrokkene en de persoon die hem bijstaat
het dossier inzien. Van de hoorzitting wordt proces-verbaal opgesteld. Art. 259bis
-10 § 1. De benoemingscommissies zijn bevoegd voor : 1° de voordracht van kandidaten
voor de benoemingen tot magistraat en de aanwijzingen tot korpschef, bijstandsmagistraat, verbindingsmagistraat
in jeugdzaken of federale magistraat, bedoeld in artikel 58bis, 1°, 2° en 4°; 2° de organisatie
van het examen inzake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage
op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij koninklijk besluit. 3° de organisatie van het
mondelinge evaluatie-examen op de wijze en onder de voorwaarden die bij koninklijk besluit bepaald zijn
en het verstrekken van de in artikel 191bis, § 2, laatste lid, bedoelde machtiging. §
2. Elke benoemingscommissie kan met een meerderheid van twee derden van haar leden besluiten om voor
de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in § 1, 2°, en artikel 259bis -9 in haar midden een
subcommissie in te stellen die evenveel magistraten als niet-magistraten telt. Elke benoemingscommissie
kan een beroep doen op externe deskundigen om de subcommissies bij te staan bij de voorbereiding van
de in § 1, 2°, bedoelde examens en bij de voorbereiding van de proeven. Deze deskundigen maken
in geen geval deel uit van de subcommissies en mogen niet deelnemen aan de beraadslagingen. In
de gevallen bedoeld in artikel 259bis -9 kan de ene benoemingscommissie of subcommissie niet meer stemmen
uitbrengen dan de andere benoemingscommissie of subcommissie. § 3. Elke benoemingscommissie
doet jaarlijks aan de algemene vergadering verslag over zijn werkzaamheden. Art. 259sexies §
1. De titularissen van de bijzondere mandaten bedoeld in artikel 58bis, 4°, worden aangewezen als volgt
: 1° de onderzoeksrechters, de beslagrechters en de rechters in de jeugdrechtbank worden door
de Koning aangewezen op voordracht van de bevoegde algemene vergadering uit de kandidaten die op gemotiveerde
wijze door de korpschef worden voorgesteld. Zij worden aangewezen uit de rechters die gedurende
ten minste drie jaar het ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van rechter in de rechtbank
van eerste aanleg hebben uitgeoefend en die voornoemde ambten reeds hebben uitgeoefend krachtens artikel
80, tweede lid, tenzij de Koning van de laatste voorwaarde afwijkt en Hij zijn keuze met bijzondere redenen
omkleedt. Om het ambt van onderzoeksrechter of jeugdrechter te kunnen uitoefenen, moet men,
onverminderd de voorgaande bepalingen, een gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd die georganiseerd
wordt in het kader van de in artikel 259bis -9, § 2, bedoelde vorming van magistraten. Bovendien,
om het ambt van onderzoeksrechter te kunnen uitoefenen, moet men gedurende ten minste een jaar het ambt
van rechter in de rechtbank van eerste aanleg hebben uitgeoefend; 2° de jeugdrechter in hoger
beroep wordt door de Koning aangewezen op voordracht van de bevoegde algemene vergadering uit de kandidaten
die op gemotiveerde wijze door de korpschef worden voorgesteld. Hij wordt aangewezen uit de kamervoorzitters
en raadsheren; 3° (de verbindingsmagistraten in jeugdzaken, de bijstandsmagistraten) en de federale
magistraten worden aangewezen uit de leden van het openbaar ministerie die gedurende ten minste vijf
jaar het ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van onderzoeksrechter hebben uiteoefend. 4°
De rechters in de strafuitvoeringsrechtbank worden door de Koning aangewezen op met redenen omklede voordracht
van de eerste voorzitter van het hof van beroep uit de rechters in de rechtbanken van eerste aanleg die
zich kandidaat hebben gesteld. De minister van Justitie stuurt de kandidaturen voor advies aan
de korpschef van de kandidaten en aan de korpschef van het rechtscollege waar de aanwijzing moet geschieden.
Deze laatsten bezorgen de kandidaturen aan de eerste voorzitter van het betrokken hof van beroep en voegen
er hun advies aan toe. De eerste voorzitter van het hof van beroep bezorgt de voordracht en
de adviezen aan de Minister van Justitie. De rechters in de strafuitvoeringsrechtbanken worden
aangewezen uit de rechters in de rechtbank van eerste aanleg met een ervaring van ten minste tien jaar
als werkende magistraat, waarvan drie jaar als rechter of toegevoegd rechter in de rechtbank van eerste
aanleg, en die een voortgezette gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd, die georganiseerd wordt in
het kader van de opleiding van magistraten als bedoeld in artikel 259bis -9, § 2. De
rechter in de strafuitvoeringsrechtbank kan voor de duur van zijn mandaat worden vervangen door een toegevoegd
rechter, in voorkomend geval door afwijking van artikel 86bis, eerste en tweede lid. 5° De substituten-procureur
des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken worden door de Koning aangewezen op met redenen
omklede voordracht van de procureur-generaal bij het hof van beroep uit de substituten-procureurs des
Konings die zich kandidaat hebben gesteld. De minister van Justitie stuurt de kandidaturen voor
advies aan de korpschef van de kandidaten en aan de korpschef van het openbaar ministerie bij het rechtscollege
waar de aanwijzing moet geschieden. Deze laatsten bezorgen de kandidaturen aan de betrokken procureur-generaal
en voegen er hun advies aan toe. De procureur-generaal bij het hof van beroep bezorgt de voordracht
en de adviezen aan de Minister van Justitie. De substituten-procureur des Konings gespecialiseerd
in strafuitvoeringszaken worden aangewezen uit de substituten-procureur des Konings met een ervaring
van ten minste tien jaar als werkend magistraat, waarvan drie jaar als substituut-procureur des Konings
of toegevoegd substituut-procureur des Konings, en die een voortgezette gespecialiseerde opleiding hebben
gevolgd die georganiseerd wordt in het kader van de opleiding van magistraten als bedoeld in artikel
259bis -9, § 2. De substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken
kan voor de duur van zijn mandaat worden vervangen door een toegevoegd substituut, in voorkomend geval
buiten de formatie. De aanwijzing geschiedt door de Koning op voordracht van de verenigde benoemingscommissie
overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikel 259ter, §§ 1, 2, 4 en 5. Voor de verbindingsmagistraten
in jeugdzaken wordt het door artikel 259ter, § 1, 1°, voorgeschreven advies niet ingewonnen. De
Minister van Justitie zendt binnen honderd dagen te rekenen van de bekendmaking van de vacature in het
Belgisch Staatsblad aan het college van procureurs-generaal voor elke kandidaat het benoemingsdossier
over met het verzoek een gemotiveerd advies uit te brengen over elk van de kandidaten; dit advies
wordt bij hun dossier gevoegd. Het college van procureurs-generaal hoort de kandidaten die haar
binnen honderd dagen te rekenen van de bekendmaking van de vacature zoals bedoeld in het vorige lid daarom
bij een ter post aangetekende brief hebben verzocht. Het college van procureurs-generaal zendt
binnen dertig dagen na het verzoek om advies de gemotiveerde adviezen in tweevoud aan de Minister van
Justitie over en deelt een afschrift tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende
brief met ontvangstbewijs mee aan de betrokken kandidaten. Het ontvangstbewijs wordt gericht aan de Minister
van Justitie. Bij gebrek aan adviezen binnen de vastgestelde termijn over elke kandidaat, wordt
met deze adviezen geen rekening gehouden, hetgeen uiterlijk acht dagen na het verstrijken van die termijn
door de Minister van Justitie bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs wordt meegedeeld
aan de betrokken kandidaten. § 2. De onderzoeksrechters, de beslagrechters en de rechters
in de jeugdrechtbank worden aangewezen voor een termijn van een jaar, die na evaluatie een eerste maal
voor twee jaar en vervolgens telkens voor vijf jaar kan worden hernieuwd. De rechters in strafuitvoeringszaken
en de substituten-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken worden aangewezen voor
een termijn van een jaar, die een eerste maal voor drie jaar en vervolgens enkel een maal voor vier jaar
kan worden verlengd, na evaluatie. De jeugdrechters in hoger beroep worden aangewezen voor een
termijn van drie jaar die na evaluatie telkens voor vijf jaar kan worden hernieuwd. De verbindingsmagistraten
in jeugdzaken, de bijstandsmagistraten) en de federale magistraten worden aangewezen voor een termijn
van vijf jaar, die na evaluatie tweemaal kan worden hernieuwd. De magistraten van het openbaar
ministerie die worden aangewezen tot verbindingsmagistraat in jeugdzaken of federaal magistraat kunnen
vervangen worden door een benoeming en, in voorkomend geval, een aanwijzing in overtal. §
3. Ingeval een bijzonder mandaat niet wordt hernieuwd, wordt de procedure bedoeld in § 1 aangevat. De
verbindingsmagistraat in jeugdzaken, de bijstandsmagistraat en de federale magistraat nemen na het verstrijken
van hun mandaat het ambt waarin zij zijn benoemd weer op en in voorkomend geval het adjunct-mandaat waarin
zij zijn aangewezen. Zijn zij niet vast aangewezen in een adjunct-mandaat, dan wordt hun adjunct-mandaat
voor de duur van deze bijzondere mandaten geschorst. Het bijzonder mandaat van rechter in de
strafuitvoeringsrechtbank, verbindingsmagistraat in jeugdzaken, bijstandsmagistraat, federaal magistraat
of substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken neemt een einde wanneer
de betrokkene een opdracht als bedoeld in de artikelen 308, 323bis, 327 en 327bis aanvaardt. Art.
259septies De uitoefening van een mandaat van korpschef is onverenigbaar met de uitoefening
van een adjunct-mandaat en met de uitoefening van een bijzonder mandaat indien dit laatste buiten het
rechtscollege gebeurt. De uitoefening van een adjunct-mandaat is verenigbaar met de uitoefening
van een bijzonder mandaat voorzover dit binnen hetzelfde rechtscollege gebeurt. Een aanwijzing
in een adjunct-mandaat overeenkomstig artikel 259quinquies is uitsluitend mogelijk in het rechtscollege
waar de magistraat op de personeelsformatie wordt aangerekend. Met uitzondering van de mandaten
van rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, van verbindingsmagistraat in jeugdzaken, van bijstandsmagistraat,
van federaal magistraat en van substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken
is de aanwijzing in een bijzonder mandaat overeenkomstig artikel 259sexies uitsluitend mogelijk in het
rechtscollege waar de magistraat op de personeelsformatie aangerekend wordt. Art. 259undecies
§ 1. De evaluatie van de titularissen van een adjunct-mandaat en van een bijzonder mandaat
vindt plaats op het einde van elke termijn waarvoor het mandaat is verleend en geschiedt uiterlijk vier
maanden voor het verstrijken van de termijn op de wijze bedoeld in artikel 259decies, § 2, met
uitzondering van de bijstandsmagistraat en de verbindingsmagistraat in jeugdzaken (...) die worden onderworpen
aan een evaluatie door het college van procureurs-generaal. § 2. Krijgt de titularis
van een adjunct-mandaat of een bijzonder mandaat de beoordeling "goed", dan wordt zijn mandaat hernieuwd.
Is de beoordeling "onvoldoende" dan is, al naar gelang het geval, de procedure bedoeld in artikel 259quinquies
of 259sexies van toepassing. De korpschef of het college van procureurs-generaal zendt aan de Federale
Overheidsdienst Justitie een beschikking over waarin de verlenging of het einde van het mandaat wordt
vastgesteld. De titularissen van een adjunct-mandaat die na negen jaar vast aangewezen zijn,
worden onderworpen aan een periodieke evaluatie. Art. 287 Elke kandidatuur voor een
benoeming in de rechterlijke orde of voor een aanwijzing tot korpschef, tot rechter in de strafuitvoeringsrechtbank,
tot verbindingsmagistraat in jeugdzaken, tot bijstandsmagistraat, tot federaal magistraat of tot substituut-procureur
des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken moet op straffe van verval bij een ter post aangetekend
schrijven aan de Minister van Justitie worden gericht binnen een termijn van een maand na de bekendmaking
van de vacature in het Belgisch Staatsblad. (...). De bekendmaking van de vacature vermeldt, in voorkomend
geval, binnen welke termijn de kandidaten kunnen vragen gehoord te worden met toepassing van de artikelen
259ter, 259quater en 259sexies, § 1, 3°. Elke kandidatuur voor een benoeming of voor
een aanwijzing tot korpschef in de magistratuur dient op straffe van verval, vergezeld te zijn van : a)
alle stavingstukken met betrekking tot de studies en beroepservaring; b) een curriculum vitae
overeenkomstig een door de Minister van Justitie, op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie, bepaald
standaardformulier; c) (...) <W 2003-12-22/53, art. 12, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004> De
stukken vermeld in het vorige lid, worden in tweevoud overgezonden. Het beleidsplan, bedoeld
in artikel 259quater, § 2, derde lid, moet, op straffe van verval, in tweevoud, bij een ter post
aangetekend schrijven aan de minister van Justitie worden gericht binnen een termijn van zestig dagen
na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad. De bekendmaking kan geschieden
op zijn vroegst vijftien maanden vóór het ontstaan van de vacature. Geen benoeming en aanwijzing
kan geschieden dan nadat de termijn bepaald in het eerste lid is verlopen. Deze bepaling is
eveneens van toepassing op de ambten bedoeld in de hoofdstukken Vsexies, VII, (...), VIII en IX van deze
titel, alsook op die ingesteld door de Koning overeenkomstig artikel 185, eerste lid. Art. 315bis
De verbindingsmagistraten in jeugdzaken behouden hun plaats op de ranglijst in hun oorspronkelijk
korps. Art. 341 § 1. De algemene vergadering bestaat uit : 1° de leden
bedoeld in artikel 129, eerste lid, voor het Hof van Cassatie; 2° de leden bedoeld in de artikelen
101, derde lid, en 102, § 1, voor de hoven van beroep; 3° de leden bedoeld in artikel
103, tweede en derde lid, voor de arbeidshoven; 4° de leden bedoeld in de artikelen 77, eerste
lid, en 87, eerste lid, voor de rechtbanken van eerste aanleg; 5° de leden bedoeld in de artikelen
82 en 87, eerste en derde lid, voor de arbeidsrechtbanken; 6° de leden bedoeld in de artikelen
85 en 87, eerste en derde lid, voor de rechtbanken van koophandel; 7° de leden bedoeld in de
artikelen 59, 60 en 69 voor de vredegerechten en de politierechtbanken gelegen binnen hetzelfde rechtsgebied
van het hof van beroep. Toegevoegde rechters en rechters benoemd bij toepassing van artikel
100 maken deel uit van de algemene vergadering van de rechtscolleges waar zij daadwerkelijk als rechter
werkzaam zijn. Magistraten die een opdracht vervullen nemen voor de duur van die opdracht, voor
zover dit een voltijdse opdracht buiten een rechtscollege betreft, deel aan de algemene vergadering zonder
stemrecht en zonder dat ze worden meegeteld voor het vaststellen van het quorum. Betreft het een opdracht
bij een ander rechtscollege dan maken zij zowel deel uit van de algemene vergadering van het rechtscollege
waar zij zijn benoemd als van de algemene vergadering van het rechtscollege waar zij een voltijdse opdracht
vervullen. § 2. In de gevallen bedoeld in artikel 340, § 2, 3°, 4° en 5°, en §
3, 1°, maken de plaatsvervangende magistraten, de rechters in handelszaken en de raadsheren en rechters
in sociale zaken geen deel uit van de algemene vergadering. § 3. In de gevallen bedoeld
in artikel 340, § 2, 2° en § 3, 2° woont de procureur-generaal of, naar gelang van het
geval, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur de algemene vergadering bij. Hij kan zijn vorderingen
in de registers laten optekenen. § 4. Wanneer de hoven in algemene vergadering kennis
nemen van tuchtvervolgingen, bestaat die vergadering uit de elf naar rangorde eerste leden van het hof
of degenen die hen vervangen. Art. 355bis § 1. De federale procureur geniet
dezelfde wedde als die bepaald voor de procureurs-generaal bij de hoven van beroep. De federale
magistraten, de bijstandsmagistraten en de verbindingsmagistraten in jeugdzaken genieten dezelfde wedde
als die bepaald voor de advocaten-generaal bij de hoven van beroep en de arbeidshoven. §
2. Artikel 357, § 2, is van toepassing op de federale magistraten en op de verbindingsmagistraten
in jeugdzaken. De magistraat die met toepassing van artikel 144bis, § 3, tweede lid,
belast wordt met een opdracht die ten minste drie opeenvolgende maanden in beslag neemt, ontvangt een
derde van het verschil tussen zijn wedde en die welke aan de functie van federale magistraat is verbonden. De
magistraat die met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste lid, belast wordt met een opdracht
die ten minste drie opeenvolgende maanden in beslag neemt, ontvangt een vierde van het verschil tussen
zijn wedde en die welke aan de functie van federale magistraat is verbonden. Art. 410 §
1. De tuchtoverheden bevoegd om een tuchtprocedure in te stellen zijn : 1° ten aanzien van de
zittende magistraten, met uitzondering van de magistraten van het Hof van Cassatie : - de eerste
voorzitter van het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste voorzitters van de hoven van beroep en
van de eerste voorzitters van de arbeidshoven; - de eerste voorzitter van het hof van beroep
ten aanzien van de leden van dat hof, van de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg en van
de voorzitters van de rechtbanken van koophandel, van de toegevoegde rechters bij de rechtbank van eerste
aanleg en van de toegevoegde rechters bij de rechtbank van koophandel van het betrokken rechtsgebied; -
de eerste voorzitter van het arbeidshof ten aanzien van de leden van dat hof, met inbegrip van de raadsheren
in sociale zaken, alsook ten aanzien van de voorzitters van de arbeidsrechtbanken en van de toegevoegde
rechters bij de arbeidsrechtbank van het betrokken rechtsgebied; - de voorzitter van de rechtbank
van eerste aanleg ten aanzien van de leden van die rechtbank, van de vrederechters, van de rechters in
de politierechtbanken, van de toegevoegde vrederechters en van de toegevoegde rechters bij de politierechtbanken; -
de voorzitter van de rechtbank van koophandel ten aanzien van de leden van die rechtbank, met inbegrip
van de rechters in handelszaken; - de voorzitter van de arbeidsrechtbank ten aanzien van de
leden van die rechtbank, met inbegrip van de rechters in sociale zaken; 2° ten aanzien van de
magistraten van het openbaar ministerie, met uitzondering van de magistraten bij het Hof van Cassatie
: - de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de procureurs-generaal bij
de hoven van beroep en van de federale procureur; - de procureur-generaal bij het hof van beroep
ten aanzien van de leden van het parket-generaal bij het hof van beroep, van de leden van het auditoraat-generaal
bij het arbeidshof, van de procureurs des Konings, van de arbeidsauditeurs, van de toegevoegde substituten
procureur des Konings en de toegevoegde substituten arbeidsauditeur; - de procureur des Konings
ten aanzien van de leden van het parket van de procureur des Konings; - de arbeidsauditeur ten
aanzien van de leden van het arbeidsauditoraat; - de federale procureur ten aanzien van de federale
magistraten; - de tuchtoverheid bevoegd voor het ambt waarin zij werden benoemd ten aanzien
van de bijstandsmagistraten en de verbindingsmagistraten in jeugdzaken; 3° ten aanzien van de
magistraten van het Hof van Cassatie : - de algemene vergadering van het Hof van Cassatie ten
aanzien van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie; - de eerste voorzitter van het Hof
van Cassatie ten aanzien van de zittende magistraten in het Hof van Cassatie; - de Minister
van Justitie ten aanzien van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie; - de procureur-generaal
bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste advocaat-generaal en de advocaten-generaal bij het
Hof van Cassatie; 4° ten aanzien van de referendarissen bij het Hof van Cassatie : -
de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie ten aanzien van de referendarissen die de raadsheren bijstaan; -
de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de referendarissen die de leden van parket
bijstaan; 5° ten aanzien van de referendarissen en van de parketjuristen : - de eerste
voorzitter van het hof van beroep ten aanzien van de referendarissen bij dat hof; - de voorzitter
van de rechtbank van eerste aanleg ten aanzien van de referendarissen bij die rechtbank; - de
procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de parketjuristen bij het parket-generaal; -
de procureur des Konings ten aanzien van de parketjuristen bij het parket van de rechtbank van eerste
aanleg; 6° ten aanzien van de attachés van de dienst voor documentatie en overeenstemming der
teksten bij het Hof van Cassatie, de procureur-generaal bij dat Hof; 7° ten aanzien van de griffiers,
de secretarissen en van het personeel van de griffies en parketten : - de procureur-generaal
bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de hoofdgriffier van het Hof van Cassatie en de hoofdsecretaris
van het parket-generaal bij het Hof van Cassatie; - de procureur-generaal bij het hof van beroep
ten aanzien van de hoofdgriffier van het hof van beroep en van het arbeidshof en van de hoofdsecretaris
van het parket-generaal bij het hof van beroep en bij het arbeidshof; - de procureur des Konings
ten aanzien van de hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg, van de hoofdgriffier van de rechtbank
van koophandel, van de hoofdgriffier van de politierechtbank, van de hoofdgriffier van het vredegerecht
en van de hoofdsecretaris van het parket van de procureur des Konings; - de arbeidsauditeur
ten aanzien van de hoofdgriffier van de arbeidsrechtbank en van de hoofdsecretaris van het arbeidsauditoraat; -
de hoofdgriffier ten aanzien van de griffiers-hoofden van dienst, van de griffiers en van de adjunct-griffiers,
van de opstellers en van de griffiebeambten; - de hoofdsecretaris ten aanzien van de secretarissen-hoofden
van dienst, van de secretarissen, van de adjunct-secretarissen, van de vertalers, van de opstellers en
van de parketbeambten; - de federale procureur ten aanzien van de hoofdsecretaris van het federaal
parket; - de hoofdsecretaris ten aanzien van de secretaris-hoofd van dienst, van de secretarissen,
van de adjunct-secretarissen, van de vertalers, van de opstellers en de beambten van het federaal parket. §
2. De magistraat, of ingeval van fout of nalatigheid begaan tijdens de zitting, de voorzitter van de
zitting, stelt ten aanzien van de griffiers een tuchtprocedure in wegens fouten of nalatigheden begaan
bij het verlenen van bijstand aan de rechter. § 3. De tuchtoverheid bevoegd om een tuchtprocedure
in te stellen neemt kennis van de klachten van iedere belanghebbende over tekortkomingen aan de verplichtingen
bedoeld in artikel 404 begaan door personen onderworpen aan haar tuchtbevoegdheid. Om ontvankelijk
te zijn moeten de klachten schriftelijk, ondertekend en gedagtekend zijn en de volledige identiteit van
de klager bevatten. De tuchtoverheid bevoegd voor het instellen van een tuchtprocedure geeft
de persoon die het voorwerp uitmaakt van een klacht kennis van het bestaan van die klacht, van de identiteit
van de klager en van de feiten die hem worden ten laste gelegd voor zover de klacht ontvankelijk wordt
verklaard. § 4. Het openbaar ministerie kan een tuchtprocedure aanhangig maken bij elke
tuchtoverheid bedoeld in dit artikel. Art. 415 § 1. De algemene vergadering
van het Hof van Cassatie neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen : 1° de lichte straffen
opgelegd aan de zittende magistraten van het Hof van Cassatie met uitzondering van de eerste voorzitter
van dat Hof; 2° de zware straffen opgelegd : - aan de eerste voorzitters van de hoven
van beroep; - aan de eerste voorzitters van de arbeidshoven. § 2. De verenigde
kamers van het Hof van Cassatie nemen kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de zware straffen opgelegd
: - aan de leden van de hoven van beroep; - aan de leden van de arbeidshoven, met inbegrip
van de raadsheren in sociale zaken; - aan de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg; -
aan de voorzitters van de arbeidsrechtbanken; - aan de voorzitters van de rechtbanken van koophandel; -
aan de leden van de rechtbanken van eerste aanleg met inbegrip van de toegevoegde rechters in de rechtbanken
van eerste aanleg; - aan de leden van arbeidsrechtbanken met inbegrip van de toegevoegde rechters
in de arbeidsrechtbanken en de rechters in sociale zaken; - aan de leden van de rechtbanken
van koophandel met inbegrip van de toegevoegde rechters in de rechtbanken van koophandel en de rechters
in handelszaken; - aan de vrederechters en aan de toegevoegde vrederechters; - aan
de rechters in de politierechtbanken en aan de toegevoegde rechters in de politierechtbanken. §
3. De eerste kamer van het Hof van Cassatie neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de lichte
straffen opgelegd : - aan de eerste voorzitters van de hoven van beroep; - aan de eerste
voorzitters van de arbeidshoven; - aan de leden van de hoven van beroep; - aan de leden
van de arbeidshoven met inbegrip van de raadsheren in sociale zaken; - aan de voorzitters van
de rechtbanken van eerste aanleg; - aan de voorzitters van de arbeidsrechtbanken; -
aan de voorzitters van de rechtbanken van koophandel. § 4. De eerste kamer van het hof
van beroep neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de lichte straffen opgelegd : -
aan de leden van de rechtbanken van eerste aanleg met inbegrip van de toegevoegde rechters in de rechtbanken
van eerste aanleg; - aan de leden van de rechtbanken van koophandel met inbegrip van de toegevoegde
rechters in de rechtbanken van koophandel en de rechters in handelszaken; - aan de vrederechters
en aan de toegevoegde vrederechters; - aan de rechters in de politierechtbanken en aan de toegevoegde
rechters in de politierechtbanken. § 5. De eerste kamer van het arbeidshof neemt kennis
van het hoger beroep ingesteld tegen de lichte straffen opgelegd aan de leden van de arbeidsrechtbanken
met inbegrip van de toegevoegde rechters in de arbeidsrechtbanken en de rechters in sociale zaken. §
6. De Minister van Justitie neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen : 1° de lichte
straffen opgelegd : - aan de eerste advocaat-generaal en aan de advocaten-generaal bij het Hof
van Cassatie; - aan de procureurs-generaal bij de hoven van beroep; - aan de federale
procureur; - aan de referendarissen bij het Hof van Cassatie; - aan de attachés van
de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie; - aan de
hoofdgriffier van het Hof van Cassatie; - aan de hoofdsecretaris van het parket-generaal bij
het Hof van Cassatie. 2° de zware straffen met uitzondering van de afzetting en het ontslag
van ambtswege, opgelegd : - aan de leden van het openbaar ministerie met uitzondering van de
procureur-generaal bij het Hof van Cassatie; - aan de referendarissen bij het Hof van Cassatie; -
aan de attachés van de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie; -
aan de referendarissen; - aan de parketjuristen; - aan de griffiers, de secretarissen
en het personeel van griffies en parketsecretariaten. § 7. De procureur-generaal bij
het Hof van Cassatie neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de lichte straffen, opgelegd : -
aan de leden van het parket-generaal bij de hoven van beroep; - aan de leden van het auditoraat-generaal
bij de arbeidshoven; - aan de procureurs des Konings; - aan de arbeidsauditeurs; -
aan de federale magistraten; - aan de toegevoegde substituten procureur des Konings; -
aan de toegevoegde substituten arbeidsauditeur; - aan de bijstandsmagistraten en de verbindingsmagistraten
in jeugdzaken; - aan de referendarissen bij de hoven van beroep; - aan de parketjuristen
bij het parket-generaal bij de hoven van beroep; - aan de griffiers en aan het personeel van
de griffies bij de hoven van beroep en de arbeidshoven; - aan de secretarissen en aan het personeel
van de secretariaten van het parket bij de hoven van beroep, de arbeidshoven en het federaal parket. §
8. De procureur-generaal bij het hof van beroep neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de
lichte straffen, opgelegd : - aan de leden van de parketten bij de rechtbanken van eerste aanleg; -
aan de leden van het arbeidsauditoraat; aan de referendarissen bij de rechtbanken van eerste aanleg; -
aan de parketjuristen bij het parket bij de rechtbanken van eerste aanleg; - aan de griffiers
en aan het personeel van de griffies van de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de
rechtbanken van koophandel, de politierechtbanken en de vredegerechten; - aan de secretarissen
en aan het personeel van de secretariaten van het parket bij de rechtbanken van eerste aanleg. §
9. De overheden in beroep kunnen lichtere of zwaardere straffen opleggen dan diegene die zijn uitgesproken
of geen straf opleggen. De overheid bevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep tegen lichte
straffen kan geen zware straf uitspreken dan na het verkrijgen van een advies van de Nationale Tuchtraad. §
10. Tegen tuchtstraffen in eerste en tweede aanleg opgelegd door organen van de rechterlijke orde staat
geen beroep bij de Raad van State open. § 11. De voorzieningen in cassatie bedoeld in
de artikelen 608, 609 en 612 worden uitgesloten. § 12. Het openbaar ministerie beschikt
over een recht op hoger beroep ten aanzien van elke tuchtstraf. § 13. Er kan hoger beroep
worden ingesteld door de betrokkene en door het openbaar ministerie tegen de ordemaatregelen bedoeld
in artikel 406. Het hoger beroep wordt gebracht voor de tuchtoverheid die ten aanzien van de betrokkene
bevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep tegen een lichte straf. De wet van 26 juni
1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke. Artikel 1 : §
1. Buiten de beschermingsmaatregelen waarin deze wet voorziet, kunnen de diagnose en de behandeling van
psychische stoornissen geen aanleiding geven tot enige vrijheidsbeperking, onverminderd de toepassing
van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en gewoontemisdadigers
en de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die
een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. §
2. De in deze wet bedoelde beschermingsmaatregelen worden opgelegd door de vrederechter. Echter,
voor minderjarigen, evenals voor meerderjarigen ten aanzien van wie een jeugdbeschermingsmaatregel is
gehandhaafd met toepassing van artikel 37, § 3, tweede en derde lid, van de wet van 8 april 1965
betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van de minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, is enkel de jeugdrechtbank
of de jeugdrechter bevoegd. De territoriale bevoegdheid van de jeugdrechtbank of de jeugdrechter
wordt bepaald overeenkomstig artikel 44 van de voormelde wet van 8 april 1965. Wanneer de bevoegdheid
van de jeugdrechtbank bedoeld in het tweede lid een einde neemt en een door deze wet voorziene maatregel
nog loopt, zendt de jeugdrechtbank het dossier over aan de vrederechter, die de zaak overneemt zoals
ze dan staat. Art. 18. § 1. Gedurende het verder verblijf kan de zieke, met
het oog op een meer geschikte behandeling, naar een andere psychiatrische dienst worden overgebracht. De
beslissing wordt genomen door de geneesheer-diensthoofd in overeenstemming met de geneesheer-diensthoofd
van de andere dienst, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van enige belanghebbende, hetzij
op verzoek van een bevoegde geneesheer-inspecteur van de psychiatrische diensten. De geneesheer
deelt zijn beslissing mee aan de zieke en wijst er hem op dat hij hiertegen verzet kan doen. Hij deelt
ze ook mee aan de rechter, aan de procureur des Konings evenals aan de directeur van de instelling; deze
brengt de beslissing van de geneesheer-diensthoofd per aangetekende brief ter kennis van de wettelijke
vertegenwoordiger van de zieke, van de advocaat en, in voorkomend geval, van de geneesheer en de vertrouwenspersoon
die de zieke heeft gekozen, evenals van de persoon die de opneming ter observatie heeft gevraagd. §
2. De zieke, zijn wettelijke vertegenwoordiger, zijn advocaat of zijn geneesheer, evenals de verzoeker
kunnen zich, binnen acht dagen na de toezending van de aangetekende brief, verzetten tegen de beslissing
waarbij de overbrenging wordt gelast of geweigerd. Het verzet wordt gedaan bij verzoekschrift neergelegd
ter griffie van het vredegerecht of de jeugdrechtbank waar tot de maatregel werd besloten. De rechter
behandelt het verzoek en doet uitspraak op de wijze bepaald in de laatste vier leden van artikel 13. De
uitvoering van de beslissing tot overbrenging wordt opgeschort gedurende de termijn van acht dagen en
gedurende het verzet. De artikelen 10 en 15 zijn mede van toepassing. Art. 22. Wanneer
de beslissing bedoeld in artikel 13 definitief is, kan de rechter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek
van de zieke of van enige belanghebbende, te allen tijde tot herziening daarvan overgaan. Het
verzoek moet worden gesteund door een verklaring van een geneesheer. De persoon die de opneming
ter observatie heeft gevraagd, wordt bij gerechtsbrief in de zaak betrokken met een uitnodiging om te
verschijnen. De rechter wint het advies in van de geneesheer-diensthoofd en neemt onverwijld
een beslissing op tegenspraak met toepassing van artikel 20, tweede lid. (De procureur des Konings
vervolgt de tenuitvoerlegging van het vonnis op de door de Koning bepaalde wijze.) <W 1991-07-18/30,
art. 1, 002; Inwerkingtreding : 05-08-1991> Ten aanzien van de in artikel 1, § 2, bedoelde
personen herziet de jeugdrechtbank de beslissing tot handhaving ten minste om de zes maanden, of ten
minste om de drie maanden als de maatregel genomen is op grond van artikel 52 van de wet van 8 april
1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. Art. 30. §
1. Tegen de vonnissen door de rechter gewezen met toepassing van deze wet kan geen verzet worden gedaan. §
2. Onverminderd de bepalingen van artikel 12 kunnen de zieke, zelfs al is deze minderjarig, zijn wettelijke
vertegenwoordiger of zijn advocaat, evenals alle partijen in het geding, hoger beroep instellen tegen
de vonnissen door de rechter gewezen met toepassing van deze wet. De termijn van hoger beroep
is vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van het vonnis. De vonnissen gewezen met toepassing
van de artikelen 8, 9, 13, 22, 24, 25 en 26, zijn, niettegenstaande hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad. §
3. Het hoger beroep tegen de vonnissen van de rechter wordt ingesteld bij verzoekschrift gericht tot
de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, die de datum van de zitting bepaalt. De zaak wordt
toegewezen aan een kamer met drie rechters. Het hoger beroep tegen de vonnissen van de jeugdrechtbank
wordt ingesteld bij verzoekschrift gericht tot de voorzitter van het hof van beroep, die de datum van
de zitting bepaalt. De procureur-generaal of de procureur des Konings en de zieke, bijgestaan
door een advocaat en, in voorkomend geval, door de geneesheer-psychiater van zijn keuze, worden gehoord. De
zaak wordt in raadkamer behandeld, tenzij de zieke of zijn advocaat vragen dat dit niet gebeurt. Betreft
het beslissingen gewezen met toepassing van de artikelen 13, 20, 22, 25 en 26, dan lopen de maatregelen
ter bescherming van de zieke onmiddellijk ten einde, indien de rechtbank of het hof over het verzoekschrift
geen uitspraak heeft gedaan binnen een maand na de indiening, zij het door het gelasten van een onderzoeksmaatregel. Een
zelfde termijn van een maand gaat in op de dag waarop die onderzoeksmaatregel is voltrokken; de totale
termijn waarbinnen de rechtbank een definitieve beslissing moet wijzen, mag echter drie maanden niet
te boven gaan. De zaak wordt vastgesteld op verzoek van de meest gerede partij. §
4. De griffier geeft aan de partijen bij gerechtsbrief kennis van het vonnis of het arrest en met toepassing
van § 3, vierde en vijfde lid, geeft hij bij gerechtsbrief kennis van het ontbreken van een vonnis
of een arrest. Hij zendt een niet-ondertekend afschrift van het vonnis of het arrest of kennisgeving
van het ontbreken van een vonnis of een arrest aan de raadslieden en, in voorkomend geval, aan de wettelijke
vertegenwoordiger, de geneesheer en de vertrouwenspersoon van de zieke. § 5. De griffier
geeft, in voorkomend geval, bij gerechtsbrief kennis van het vonnis of het arrest of van het ontbreken
van een vonnis of een arrest aan de directeur van de instelling of aan de persoon die werd aangewezen
om de zieke te bewaken. § 6. De procureur-generaal of de procureur des Konings vervolgt
de tenuitvoerlegging van het vonnis of het arrest op de door de Koning bepaalde wijze. Art.
31. De termijn om zich in cassatie te voorzien is één maand vanaf de kennisgeving van het vonnis
of het arrest. Art. 33. Het toezicht op de naleving van deze wet in de psychiatrische
diensten wordt uitgeoefend door de procureur des Konings en de vrederechter van de plaats waar de dienst
gelegen is, alsook door de geneesheren-inspecteurs-psychiaters hiertoe aangewezen door de overheden bevoegd
krachtens de artikelen 59bis en 59ter van de Grondwet. De magistraten en de geneesheren die hiertoe
opdracht hebben gekregen van de bevoegde overheden, alsmede de deskundigen aangewezen door de bevoegde
rechter, hebben toegang tot de psychiatrische diensten; zij kunnen zich de registers, gehouden ter uitvoering
van deze wet en alle stukken die zij nodig hebben voor het volbrengen van hun taak, doen voorleggen. Art.
34. De reis- en verblijfkosten van de magistraten, de kosten en het ereloon van de deskundigen
en van de door de zieke gekozen geneesheer, evenals het getuigengeld, worden ten voordele van de verzoekers
voorgeschoten op de wijze bepaald in het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken. De
kosten van vervoer, opneming, verblijf en behandeling in een psychiatrische dienst, of in een gezin,
en van eventuele overbrenging naar een andere dienst of een ander gezin, komen ten laste van de zieke
of, indien het een minderjarige betreft, van zijn wettelijke vertegenwoordigers. De rechter,
de rechtbank of het hof kan alleen dan in de gerechtskosten veroordelen wanneer de vordering niet uitgaat
van de zieke. In de artikelen 5, 6, 7, 8, 9, 12, 13, 16, 18, 19, 20, 21, 22, 24, 25, 27, 28,
29, 30, 33, 34 en 35 van dezelfde wet gewijzigd bij de wet van 6 augustus 1993, 6, 7, gewijzigd bij de
wet van 7 mei 1999, 8, gewijzigd bij de wet van 7 mei 1999, 9, 12, 13, 16,19, 20, gewijzigd bij de wet
van 18 juli 1991, 21, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991 en bij de wet van 2 februari 1994, 23, 24,
gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991, 25, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1991, 27, 28, 29,33 en 35,
gewijzigd bij de wet van 6 augustus 1993, van dezelfde wet wordt het woord "vrederechter" telkens vervangen
door het woord « rechter ».
1 MAART 2002. - Wet betreffende de voorlopige plaatsing
van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Art. 2. De
personen bedoeld in artikel 36, 4°, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming het ten
laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van
de door dit feit veroorzaakte schade kunnen, naar gelang van het geval, door de jeugdrechtbank of door
de onderzoeksrechter bij voorlopige maatregel van maatschappelijke beveiliging toevertrouwd worden aan
een Centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd,
hierna genoemd : het Centrum. Art. 3. De toegang tot het Centrum is tot jongens beperkt
en is aan de volgende cumulatieve voorwaarden onderworpen, die in de beschikking van de rechter omstandig
worden beschreven : 1° de persoon is ouder dan veertien jaar op het ogenblik van het plegen
van het als misdrijf omschreven feit en er bestaan voldoende ernstige aanwijzingen van schuld; 2°
het als misdrijf omschreven feit waarvoor hij vervolgd wordt, kan, indien hij meerderjarig zou zijn,
in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten een straf tot gevolg hebben van opsluiting van
vijf tot tien jaar of een zwaardere straf. 3° er bestaan dringende, ernstige en uitzonderlijke
omstandigheden die betrekking hebben op de vereisten van bescherming van de openbare veiligheid; 4°
de opname bij voorlopige maatregel van de persoon in een geschikte inrichting zoals bedoeld in artikel
37, § 2, eerste lid, 7°, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten
laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van
de door dit feit veroorzaakte schade, in een openbare instelling zoals bedoeld in artikel 37, §
2, eerste lid, 8°, juncto 52, inbegrepen de gesloten opvoedingsafdeling zoals bepaald in artikel 52quater
van dezelfde wet is, bij gebrek aan plaats, onmogelijk. Art. 5. § 1. De jeugdrechtbank
doet vijf dagen na haar aanvankelijke beschikking en daarna maandelijks, uitspraak over hetzij de intrekking,
hetzij de wijziging, hetzij de handhaving van de maatregel, zonder dat de handhaving de totale termijn
van twee maanden mag overschrijden. De beschikking van handhaving houdt meteen de uitnodiging in tot
de verdere behandeling van de zaak binnen de volgende termijn. De betrokkene en zijn raadsman
alsmede het openbaar ministerie worden telkens gehoord; de ouders of de personen die de betrokkene onder
hun bewaring hebben worden hiertoe telkens behoorlijk opgeroepen. Wanneer, in de loop van de twee maanden
en vijf dagen, wordt besloten tot het nemen van de voorlopige bepaald in van artikel 52quater van de
wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als
misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, wordt
de verlopen termijn in mindering gebracht van de eerste termijn bedoeld in het eerste lid van dit artikel
52quater. § 2.Artikel 60, eerste lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming,
het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel
van de door dit feit veroorzaakte schade is onverminderd van toepassing. Art. 6. §
1. De jeugdrechtbank of de onderzoeksrechter kan omwille van de noodwendigheden van het opsporingsonderzoek
of van het gerechtelijk onderzoek, bij gemotiveerde beschikking, de betrokkene, gedurende maximaal drie
kalenderdagen het vrij verkeer verbieden met de personen die hij bij naam aanwijst, zijn raadsman uitgezonderd. §
2. De jeugdrechtbank of de onderzoeksrechter kan de betrokkene, op advies van de directie van het Centrum,
bij gemotiveerde beschikking, onder de voorwaarden die hij bepaalt, toelaten de instelling te verlaten
voor de termijn die hij bepaalt of contact te hebben met derden die hij aanwijst. Een afschrift
van het advies van de directie van het Centrum en van de toelating wordt na ontvangst onverwijld door
de griffie aan het openbaar ministerie bezorgd. Het verlaten van de instelling om te verschijnen
voor de rechtbank, om redenen van medische noodzaak of om een begrafenis in België bij te wonen in geval
van overlijden van een familielid tot en met de tweede graad, is niet ondergeschikt aan een toelating
door de jeugdrechter of onderzoeksrechter. De Koning kan deze regel uitbreiden tot andere soorten uitstappen. Indien
de jeugdrechtbank of de onderzoeksrechter weigert de gevraagde toelating tot het verlaten van het centrum
te verstrekken, vermeldt zij of hij de redenen van dit verbod die steunen op een of meer van volgende
elementen : 1° de betrokkene geeft blijk van een gedrag dat voor hemzelf of voor anderen gevaarlijk
is; 2° er bestaan ernstige redenen om te vrezen dat de betrokkene nieuwe als misdrijf omschreven
feiten pleegt, zich aan het gerecht onttrekt, bewijsmateriaal probeert te doen verdwijnen of tot een
heimelijke verstandhouding komt met derden; 3° het belang van een slachtoffer of zijn omgeving
vereist dit verbod. De jeugdrechtbank of de onderzoeksrechter kan de dienst slachtofferonthaal verzoeken
om een slachtofferfiche op te stellen. Art. 7. Wanneer het als misdrijf omschreven
feit de dood, een ongeneeslijk lijkende ziekte, een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, het
volledig verlies van het gebruik van een orgaan of een zware verminking veroorzaakt, of wanneer het als
misdrijf omschreven feit behoort tot de misdrijven met geweld zoals bepaald in Hoofdstuk V, Titel VII,
Boek II van het Strafwetboek, dan worden de benadeelde personen door de dienst slachtofferonthaal bij
het parket van de procureur des Konings onverwijld op de hoogte gebracht van elke beschikking van de
jeugdrechtbank of van de onderzoeksrechter van de opheffing of de wijziging van de voorlopige maatregel
van maatschappelijke beveiliging of van de toelating om het Centrum kortstondig te verlaten. In het geval
een onderzoeksrechter gevat is, brengt de jeugdrechtbank hem op de hoogte van de opheffing of de wijziging
van de voorlopige maatregel van maatschappelijke beveiliging of van de toelating om het Centrum kortstondig
te verlaten. Art. 8. Hoger beroep tegen de beschikkingen van de jeugdrechtbank moet
ingesteld worden binnen een termijn van achtenveertig uren, die ten aanzien van het openbaar ministerie
loopt vanaf de mededeling van de beschikking en ten aanzien van de andere partijen in het geding vanaf
het vervullen van de vormvereisten bedoeld in artikel 52ter, vierde lid, van de wet van 8 april 1965
betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. De genomen maatregel
blijft gehandhaafd zolang hij niet in hoger beroep is gewijzigd. Het hoger beroep tegen een toelating
om het centrum te verlaten is daarentegen opschortend, gedurende vijftien dagen te rekenen van de akte
van hoger beroep. Het beroep kan door de betrokkene worden ingesteld door een verklaring aan
de directie van het Centrum. Deze schrijft de beroepen in een genummerd en geparafeerd register in. Hij
geeft er onmiddellijk kennis van aan de griffie van de bevoegde rechtbank en zendt haar per aangetekende
brief een uittreksel van het register. De jeugdkamer van het hof van beroep behandelt de zaak en doet
uitspraak binnen vijftien werkdagen te rekenen van de akte van hoger beroep. Na het verstrijken
van deze termijn vervalt de maatregel. De termijn wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel toegekend
op verzoek van de verdediging. De termijn van de dagvaarding voor het hof bedraagt drie dagen. De
nieuwe gemeentewet. Art. 119bis. In artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet, ingevoegd
bij de wet van 13 mei 1999 en laatst gewijzigd bij de wet van 20 juli 2005, worden de volgende wijzigingen
aangebracht : 1) In § 12, vijfde lid, worden de woorden "de wet van 8 april 1965 betreffende
de jeugdbescherming" vervangen door de woorden "de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming,
het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel
van de door dit feit veroorzaakte schade". 2) In § 12, zevende lid, worden de woorden
"de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming" vervangen door de woorden "de wet van 8 april
1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade". 3) In §
12, achtste lid, worden de woorden "de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming" vervangen
door de woorden "de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen
die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte
schade". De wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie. Art. 15. De
bepalingen van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen
die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte
schade die van toepassing zijn op de bloedverwanten in de opgaande lijn en op de bloedverwanten in de
nederdalende lijn, zijn van toepassing op de adoptant, op de geadopteerde en op zijn afstammelingen. (1)
Ministeriële omzendbrief n° 2/2006 : de lezing van de wettekst, verschenen in B.S. 2 juni 2006, laat
veronderstellen dat er een art. 37bis § 3, lid 3 zou bestaan. De lezing van de daarnavolgende
artikels noopt er evenwel toe te besluiten dat de zin "Het of de slachtoffers worden schriftelijk op
de hoogte gebracht" moet worden beschouwd als deel uitmakend van het tweede lid. (2) De woorden
"artikel 37, 3° en 4°" zullen het voorwerp vormen van een wetsontwerp dat hun wijziging in « artikel
37, § 2, lid 1, 7° en 8° » beoogt. (3) Ministeriële omzendbrief n° 2/2006 : de lezing
van de wettekst, verschenen in B.S. 2 juni 2006, laat veronderstellen dat er een art. 37bis §
3 lid 3 zou bestaan. De lezing van de daarnavolgende artikels noopt er evenwel toe te besluiten dat de
zin "Het of de slachtoffers worden schriftelijk op de hoogte gebracht" moet worden beschouwd als deel
uitmakend van het tweede lid. (4) De woorden "artikel 37, 3° en 4°" zullen het voorwerp vormen
van een wetsontwerp dat hun wijziging in "artikel 37, § 2, lid 1, 7° en 8°" beoogt.