20 DECEMBER 2006. - Koninklijk besluit tot invoering van de toekenningsvoorwaarden van een adoptieuitkering ten gunste van de zelfstandigen
ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn
en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967
houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, inzonderheid op artikel 18, § 5,
ingevoegd bij artikel 21 van de programmawet (1) van 27 december 2005; Gelet op het advies van
de Inspecteur van Financiën, gegeven op 18 april 2006; Gelet op de akkoordbevinding van Onze
Minister van Begroting van 19 september 2006; Gelet op het advies van het Algemeen Beheerscomité
voor het sociaal statuut van de zelfstandigen, gegeven op 16 november 2006; Gelet op het advies
nr. 41.413/1 van de Raad van State, gegeven op 19 oktober 2006, met toepassing van artikel 84, §
1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van Onze
Minister van Sociale Zaken, Onze Minister van Middenstand en op het advies van Onze in Raad vergaderde
Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. § 1. Dit besluit
voert, in het kader van de prestaties tot bevordering van de verzoening van het beroepsleven en het privé-leven
van zelfstandigen bedoeld in artikel 18, § 5, van koninklijk besluit nr. 38, de voorwaarden voor
een adoptie-uitkering in. § 2. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan
onder : a) "koninklijk besluit nr. 38", het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende
inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen; b) "zelfstandige", elke zelfstandige,
helper of meewerkende echtgenoot onderworpen aan het sociaal statuut der zelfstandigen krachtens voornoemd
koninklijk besluit nr. 38 die sociale bijdragen verschuldigd is, hetzij berekend minstens op een minimuminkomen
zoals bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid of 12, § 1ter eerste lid, hetzij in geval
van begin van activiteit, bijdragen zoals bedoeld in artikel 40, § 1, 1° et 1°bis van voornoemd
koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk
besluit nr. 38; c) "hoofdverblijfplaats" : hoofdverblijfplaats in de zin van artikel 3, eerste
lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen; d)
"koninklijk besluit van 20 juli 1971" : koninklijk besluit houdende instelling van een uitkeringsverzekering
en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten; e)
"verzekeringsinstelling" : verzekeringsinstelling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van
20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele
van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten. Art. 2. De adoptie-uitkering wordt
toegekend aan de zelfstandige, met inachtneming van de voorwaarden vastgesteld bij dit besluit, naar
aanleiding van de adoptie van één of meerdere kinderen. Art. 3. Het bedrag van de adoptie-uitkering
wordt vastgesteld in functie van een periode van maximum zes weken, zo het kind bij het begin van deze
de leeftijd van 3 jaar niet heeft bereikt, en maximum vier weken als het kind zich bevindt tussen de
leeftijd van 3 tot 8 jaar. Tijdens deze periode mag de zelfstandige, ten persoonlijke titel, geen enkele
beroepsactiviteit uitoefenen. Indien de zelfstandige ervoor kiest om niet het toegestane maximum aantal
weken van deze periode op te nemen, dient deze ten minste een week of een veelvoud van een week te bedragen. De
maximumduur van deze periode wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of
geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % of door een aandoening die tot gevolg heeft dat ten minste
4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende
de kinderbijslag. Deze periode vangt aan op de dag die door de zelfstandige wordt gekozen maar
ten vroegste de dag van de inschrijving van het kind in de hoofdverblijfplaats van de adoptant en ten
laatste twee maanden na deze inschrijving. Deze periode neemt een einde op het moment waarop het kind
de leeftijd van acht jaar bereikt. Art. 4. § 1. De gerechtigden bedoeld in artikel 3
van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 hebben recht op een adoptie-uitkering voor het tijdvak beoogd
in artikel 3 van dit besluit. § 2. Voor het verkrijgen van het recht op een adoptie-uitkering
moet de gerechtigde bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 de voorwaarden bepaald
in de artikelen 14 tot 18 van voornoemd besluit vervullen. Tijdens het tijdvak beoogd in artikel
3 van dit besluit, kan de gerechtigde geen aanspraak maken op primaire arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
noch op invaliditeitsuitkeringen, toegekend krachtens het koninklijk besluit van 20 juli 1971. De
adoptie-uitkering wordt verminderd met het bedrag van de uitkeringen waarop de gerechtigde, tijdens het
tijdvak bedoeld in artikel 3, aanspraak kan maken krachtens de wet betreffende de verplichte verzekering
voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994. Art. 5. - De adoptie-uitkering
wordt uitgekeerd en beheerd door de instellingen en organen die bevoegd zijn inzake de uitkeringsverzekering.
Voorzover hiervan niet wordt afgeweken door de bepalingen van dit besluit, hebben die instellingen en
organen ten aanzien van de adoptie-uitkering dezelfde bevoegdheden als ten aanzien van de uitkeringsverzekering. Art.
6. § 1. Om de adoptie-uitkering te ontvangen, moet de zelfstandige een aanvraag indienen bij
de verzekeringsinstelling per gewone post of door het neerleggen van een aanvraag ter plaatse, tegen
ontvangstbewijs zoals bedoeld in § 2. De aanvraag moet worden ingediend ten vroegste
vanaf de indiening van het verzoekschrift bij de bevoegde rechtbank of, bij gebrek hieraan, vanaf de
datum van ondertekening van de adoptieakte, en ten laatste de dag van de inschrijving van het kind bij
de hoofdverblijfplaats van de adoptant. Zonder afbreuk te doen aan de regels die vastgelegd
zijn in artikel 3 van dit besluit, moet de aanvraag de periode beoogd in hetzelfde artikel aangeven in
aantal weken. Elke aanvraag ingediend na deze vervaldag is onontvankelijk. §
2. De verzekeringsinstelling bericht de ontvangst van de aanvraag en, indien de zelfstandige de in artikel
4, § 2 vastgestelde voorwaarden vervult, nodigt zij hem (haar) uit om : - een kopie van
van het verzoekschrift ingediend bij de bevoegde rechtbank of, bij gebrek hieraan, een kopie van de adoptieakte
voor te leggen, tenzij de instelling reeds beschikt over dit bewijs; - indien het een buitenlandse
adoptie betreft, een kopie van het bewijs van registratie van een buitenlandse beslissing houdende een
adoptie overeenkomstig artikel 367-2 van het Burgerlijk Wetboek, afgeleverd door de Dienst internationale
adopties van de FOD Justitie, voor te leggen. Art. 7. Het bedrag van de adoptie-uitkering bedraagt
302,18 EUR voor elke week van de periode beoogd in artikel 3. Dat bedrag is gekoppeld aan de
spilindex 103,14 (basis 1996 = 100). Het bedrag van de adoptieuitkering toegekend aan de gerechtigde
is het bedrag zoals het is aangepast op de eerste dag van het hierboven beoogde tijdvak. De
adoptie-uitkering wordt door de verzekeringsinstelling in één keer betaald uiterlijk één maand na de
aanvangsdatum van die periode voor zover dat de voorwaarden vastgesteld in de artikelen 4, § 2,
en 6 worden vervuld. Art. 8. Voorzover er niet van wordt afgeweken door dit besluit zijn de
bepalingen van titel I van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 die betrekking hebben op de uitkeringsverzekering,
ook van toepassing voor de adoptie-uitkering. Wat de toepassing betreft van de voorziene bepalingen
inzake de financiering, wordt de adoptie-uitkering gelijkgesteld met een primaire ongeschiktheidsuitkering.
Wanneer bovengenoemde uitkering wordt toegekend aan een gerechtigde als bedoeld in artikel 10 van het
koninklijk besluit van 20 juli 1971, wordt ze echter gelijkgesteld met een invaliditeitsuitkering. Art.
9. Dit besluit is van toepassing vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de bekendmaking in het
Belgisch Staatsblad. Art. 10. Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Minister van Middenstand
zijn, ieder wat hem (haar) betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel,
20 december 2006. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken, R.
DEMOTTE De Minister van Middenstand, S. LARUELLE