23 DECEMBER 2005. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006 (1)
Het
Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : decreet houdende bepalingen
tot begeleiding van de begroting 2006. HOOFDSTUK I. - Algemeen Artikel 1. Dit decreet
regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid. HOOFDSTUK II. - Archiefdecreet Art.
2. In artikel 6 van het decreet van 19 juli 2002 houdende de privaatrechtelijke culturele archiefwerking
worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden "waarvan de eerste ingaat op 1 januari
2002 "worden geschrapt; 2° een § 2 wordt ingevoegd, die luidt als volgt : "§
2. De eerste beleidsperiode loopt van 1 januari 2002 tot 31 december 2007.". Art. 3. Artikel
8 van het archiefdecreet van 19 juli 2002 wordt vervangen door wat volgt : "Artikel 8.De in
artikel 7, eerste lid, vastgelegde kredieten worden aangevuld met een specifiek krediet van ten minste
2.144.000 euro voor het uitvoeren van het Vlaamse Intersectorale Akkoord 2000-2005 en voor het opvangen
van de gevolgen van dit akkoord op de concrete personeelsformaties van de vier centra. De verdeelsleutel,
bedoeld in artikel 7, tweede lid, van dit decreet is niet van toepassing op dit specifieke krediet. De
subsidie voor het uitvoeren van het Vlaamse Intersectorale Akkoord wordt toegekend volgens de volgende
verdeelsleutel : - KADOC (Katholiek Documentatie- en Onderzoekscentrum) : 37,47 %; -
Amsab-Instituut voor Sociale Geschiedenis : 26,29 %; - Liberaal Archief (Archief-, documentatie-
en onderzoekscentrum van het Liberalisme) : 9,4 %; - ADVN (Archief en Documentatiecentrum voor
het Vlaams nationalisme) : 26,84 %.". Art. 4. Artikel 9, tweede lid, van het archiefdecreet
van 19 juli 2002 wordt opgeheven. HOOFDSTUK III. - Sociaal-cultureel vormingswerk Art.
5. In afwijking van artikel 3, § 2, tweede lid, van het decreet van 6 juli 2001 houdende ondersteuning
van de federatie van erkende organisaties voor volksontwikkeling en houdende ondersteuning van de vereniging
van Vlaamse Cultuurcentra, wordt in 2006 de tussenkomst van de Vlaamse Gemeenschap rechtstreeks uitgekeerd
aan de FOV. HOOFDSTUK IV. - VEN-gebieden Art. 6. Artikel 55ter van het Wetboek der
successierechten wordt aangevuld met de volgende leden : "Tegen de beslissing waarbij de aflevering
van het attest geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd kunnen de aanvragers van het attest bezwaar aantekenen
bij de door de Vlaamse Regering gemachtigde ambtenaren van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
Dat gemotiveerd bezwaar moet worden ingediend bij ter post aangetekende brief uiterlijk één maand na
de kennisgeving bij ter post aangetekende brief van de administratieve beslissing waarbij de attestaanvraag
geheel of gedeeltelijk werd afgewezen. De bevoegde ambtenaren van het ministerie van de Vlaamse
Gemeenschap bevestigen bij ter post aangetekende brief en uiterlijk vijf werkdagen na de datum ervan,
de ontvangst van het bezwaarschrift aan de indieners en sturen tezelfdertijd, eveneens bij ter post aangetekende
brief, een kopie van het bezwaarschrift aan de ontvanger van het kantoor waar de aangifte van nalatenschap
moet worden ingediend. Uiterlijk drie maanden na de in het vorige lid bedoelde datum van de
betekening van de ontvangst van het bezwaarschrift, zenden de bevoegde ambtenaren van het ministerie
van de Vlaamse Gemeenschap bij aangetekende brief hun gemotiveerde beslissing over het bezwaarschrift
aan de verzoekers en tezelfder tijd aan de ontvanger van het kantoor waar de aangifte van nalatenschap
moet worden ingediend. Bij gebreke van kennisgeving van de gemotiveerde beslissing binnen de gestelde
termijn wordt het bezwaarschrift geacht te zijn ingewilligd." HOOFDSTUK V. - Economisch ondersteuningsbeleid Art.
7. In het decreet van 31 januari 2003 betreffende het economisch ondersteuningsbeleid worden de volgende
wijzigingen aangebracht : 1° aan artikel 2, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen,
wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt : "De Vlaamse Regering kan steun verlenen
aan projecten ter stimulering van het ondernemerschap."; 2° in artikel 3, 1°, worden tussen
de woorden "met rechtspersoonlijkheid," en de woorden "de Europese economische samenwerkingsverbanden"
de woorden "burgerlijke vennootschappen met handelsvorm," ingevoegd; 3° in artikel 4 worden
tussen de woorden "De cumulering van de steun" en de woorden "ongeacht de bron" de woorden", in de zin
van artikel 87, lid 1, van het EG-verdrag," ingevoegd; 4° Artikel 35 van hetzelfde decreet wordt
vervangen door wat volgt : "Artikel 35. De Vlaamse Regering kan steun verlenen aan ondernemingen
onder de voorwaarden vermeld in de de minimisverordening.". Art. 8. De volgende regelingen
worden opgeheven voor zover ze betrekking hebben op het Vlaamse Gewest : 1° de wet van 30 december
1970 betreffende de economische expansie, het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2001; 2°
de wet van 4 augustus 1978 tot economische hertering, het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 mei
2002; 3° het decreet van l5 december 1993 tot bevordering van de economische expansie in het
Vlaamse Gewest, het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 februari 2004. HOOFDSTUK VI. - VLAM Art.
9. Het besluit van de Vlaamse Regering van 22 juli 2005 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse
Regering van 4 februari 1997 betreffende de verplichte bijdragen bestemd voor de promotie en afzetbevordering
van de Vlaamse producten van de sectoren landbouw, tuinbouw en visserij, wordt bekrachtigd. HOOFDSTUK
VII. - Familiale ondernemingen Art. 10. In artikel 60bis van het Wetboek der successierechten
wordt een § 13 toegevoegd, die luidt als volgt : "§ 13. Tegen de beslissing waarbij
de aflevering van een attest, als bedoeld in de §§ 10 of 12 van dit artikel, geheel of
gedeeltelijk wordt geweigerd, kunnen de aanvragers van het attest bezwaar aantekenen bij de door de Vlaamse
Regering gemachtigde ambtenaren van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Dat gemotiveerd bezwaar
moet worden ingediend bij ter post aangetekende brief uiterlijk één maand na de kennisgeving bij ter
post aangetekende brief van de administratieve beslissing waarbij de attestaanvraag geheel of gedeeltelijk
werd afgewezen. De bevoegde ambtenaren van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bevestigen
bij ter post aangetekende brief en uiterlijk vijf werkdagen na de datum ervan, de ontvangst van het bezwaarschrift
aan de indieners en sturen tezelfdertijd, eveneens bij ter post aangetekende brief, een kopie van het
bezwaarschrift aan de ontvanger van het kantoor waar de aangifte van nalatenschap moet worden of werd
ingediend. Uiterlijk drie maanden na de in het vorige lid bedoelde datum van de betekening van
de ontvangst van het bezwaarschrift, zenden de bevoegde ambtenaren van het ministerie van de Vlaamse
Gemeenschap bij aangetekende brief hun gemotiveerde beslissing over het bezwaarschrift aan de verzoekers
en tezelfdertijd aan de ontvanger van het kantoor waar de aangifte van nalatenschap moet worden of werd
ingediend. Bij gebreke van kennisgeving van de gemotiveerde beslissing binnen de gestelde termijn wordt
het bezwaarschrift geacht te zijn ingewilligd." HOOFDSTUK VIII. - DAB PPS Art. 11.
Artikelen 3 en 5 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende publiek-private samenwerking worden opgeheven. In
artikel 4, § 1, eerste zin, worden de woorden "Het Vlaams Kenniscentrum" vervangen door de woorden
"Het Vlaams Kenniscentrum publiek-private samenwerking, afgekort "Vlaams Kenniscentrum PPS",". Art.
12. Er wordt een fonds opgericht voor het Vlaams Kenviscentrum publiek-private samenwerking. Dit fonds
is een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit.
Het wordt gestijfd met ontvangsten uit de organisatie van PPS-opleidingen en de verkoop van publicaties.
Het fonds is gemachtigd uitgaven te doen die verband houden met de organisatie van opleidingen en de
verkoop van publicaties. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks
over de kredieten van het fonds. HOOFDSTUK IX. - Waarborg als verliesgarantie voor het verstrekken
van risicokapitaal Art. 13. Het decreet van 15 april 1997 tot regeling van de toekenning van
een waarborg als verliesgarantie voor het verstrekken van risicokapitaal, gewijzigd bij het decreet van
"21 december 2001, en het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet
van 15 april 1997 tot regeling van de toekenning van een waarborg als verliesgarantie voor het verstrekken
van risicokapitaal, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 1999, worden opgeheven. Art.
14. De waarborgen die op grond van het decreet van 15 april 1997 tot regeling van de toekenning van
een waarborg als verliesgarantie voor het verstrekken van risicokapitaal werden verleend vóór de inwerkingtreding
van dit decreet, blijven onderworpen aan de regelen, de voorwaarden en de procedures bedoeld in dat decreet
en zijn uitvoeringsbesluit. HOOFDSTUK X. - Centra voor leerlingenbegeleiding Art. 15.
Artikel 84bis, § 5, van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding,
wordt vervangen door wat volgt : "§ 5. Dit project eindigt op 31 augustus 2006." HOOFDSTUK
XI. - Hogescholen Art. 16. In artikel 178, § 1, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende
de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap wordt het woord "2005" vervangen door het woord "2006" en wordt
het woord "536.011.719,26" vervangen door het woord "556.419.543,24". Art. 17. In artikel 179
van hetzelfde decreet wordt : 1° aan de explicitering van W "- injectie" toegevoegd; 2°
een 18° toegevoegd dat luidt als volgt : "18° injectie is gelijk aan de middelen uit de financiële
injectie voor de hogescholen, zoals bepaald in artikel 183quater. ". Art. 18. Aan hetzelfde
decreet wordt een artikel 183quater toegevoegd, dat luidt als volgt : "Artikel 183quater. De
middelen uit de financiële injectie worden als volgt onder de hogescholen verdeeld : 1° de middelen
die de hogescholen in 2005 meer ontvangen zouden hebben indien de parameters in artikel 193 het gemiddeld
aantal financierbare studenten op 1 februari 2002, 1 februari 2003 en 1 februari 2004 waren, wordt bij
wijze van voorafname op de financiële injectie toegekend; 2° het saldo van de financiële injectie
wordt aan de bevroren enveloppe toegevoegd." Art. 19. Artikel 184 van hetzelfde decreet wordt
als volgt gewijzigd : 1° § 1 wordt vervangen door wat volgt : Vanaf 2007 worden
de werkingsuitkeringen jaarlijks op de volgende wijze aangepast : 0,8 x (Ln/L06)+0,2x(Cn/C06),
waarbij : Ln/L06 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten
op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van
het begrotingsjaar 2006; Cn/C06 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de
consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen
op het einde van het begrotingsjaar 2006."; 2° in § 2 wordt het jaartal "2005" vervangen
door "2006". Art. 20. Aan artikel 340sexies wordt een § 5 toegevoegd, die luidt als
volgt : "§ 5. beheersovereenkomsten worden, in afwijking van wat bepaald werd in §
3, in 2006 met één jaar verlengd." HOOFDSTUK XII. - Recuperatiefonds Studietoelagen Art.
21. § 1. Er wordt een Recuperatiefonds Studietoelagen opgericht, hierna genoemd "het fonds". §
2. Het fonds is een begrotingsfonds in de zin van artikel 45 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991
houdende coördinatie van de wetten op de rijkscomptabiliteit. § 3. Het fonds wordt gespijsd
door alle ontvangsten die voortvloeien uit terugvorderingen in uitvoering van artikelen 10, 11 en 22
van het decreet van 16 februari 2001 houdende regeling van de studietoelagen voor het hoger onderwijs
in de Vlaamse Gemeenschap evenals door alle ontvangsten die voortvloeien uit terugvorderingen zoals bepaald
in artikelen 47 en 48 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen
in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap. § 4. Het fonds wordt aangewend voor
de betaling van studiefinanciering overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 april 2004. §
5. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het
fonds. HOOFDSTUK XIII. - Universiteiten Art. 22. Artikel 140ter van het decreet van
12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, wordt vervangen door wat volgt
: "Artikel 140ter. § 1. Het bedrag van de sociale toelage van de universiteiten wordt
in 2006 vastgesteld als volgt (in duizenden euro) : 1. Katholieke Universiteit Leuven : 4 846; 2.
Vrije Universiteit Brussel : 1 977; 3. Universiteit Antwerpen : 2 133; 4. Katholieke
Universiteit Brussel : 180; 5. Universiteit Gent : 5 186; 6. Universiteit Hasselt :
583; § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2 047 worden de in § 1 vermelde bedragen geïndexeerd
aan, de hand van de volgende indexformule : I = 0,50 x (Ll/LO) + 0,50 x (C1/CO). I
: de indexformule; L1/L0 : de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten
op het einde van het desbetreffende begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde
van begrotingsjaar 2006; Cl/C0 : de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen
op het einde van het desbetreffende begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde
van begrotingsjaar 2006." HOOFDSTUK XIV. - Regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve
stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van één of meerdere diersoorten Art.
23. Aan artikel 5, tweede lid, van het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige
en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van één of meerdere diersoorten,
wordt de volgende zin toegevoegd : "Indien om redenen van overmacht de gemiddelde veebezetting
voor de betrokken diersoort, vermeld in de Mestbankaangifte van het laatste aanslagjaar, lager is dan
de gemiddelde veebezetting voor de betrokken diersoort, vermeld in de Mestbankaangiften van de laatste
drie aanslagjaren, kan de minister voor de aanvragen ingediend vanaf 1 september 2004 beslissen om het
aantal dieren te beperken tot de gemiddelde veebezetting, welke voor iedere betrokken diersoort wordt
vermeld in de Mestbankaangifte van de laatste twee aanslagjaren voorafgaand aan het aanslagjaar waarin
de overmachtsituatie zich heeft voorgedaan.". HOOFDSTUK XV. - Pensioendecreet BRTN Art.
24. In artikel 63 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de rustpensioenen toegekend aan de vastbenoemde
personeelsleden van de BRTN en betreffende de overlevingspensioenen toegekend aan de rechtverkrijgenden
van die personeelsleden, worden de bedragen "357.843 BEF (8.870,70 EUR)" en "447.304 BEF (11.088,38 EUR)"
respectievelijk vervangen : - op 1 april 2003, door de bedragen "9.048,00 EUR" en "11.310,00
EUR"; - op 1 april 2004, door de bedragen "9.228,00 EUR" en "11.535,00 EUR"; beide
bedragen volgen verder de evolutie van de minima zoals die gelden voor de pensioenen ten laste van de
Openbare Schatkist. In artikel 64, § 2, van hetzelfde decreet, wordt het bedrag "715.687
BEF (17.741,42 EUR)" respectievelijk vervangen : - op 1 april 2003, door het bedrag "18.096,00
EUR"; - op 1 april 2004, door het bedrag "18.456,00 EUR"; het bedrag volgt verder de
evolutie van de minima zoals die gelden voor de pensioenen ten laste van de Openbare Schatkist. HOOFDSTUK
XVI. - Geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen Art. 25. De Vlaamse Regering wordt
gemachtigd een procedure uit te werken die de registratie op communautair niveau van oorsprongsbenamingen
en geografische aanduidingen, zoals voorzien in verordening (EG) nr. 2081/92 van 14 juli 1992 inzake
de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen,
en specificiteitscertificeringen, zoals voorzien in verordening (EG) nr. 2082/92 van 14 juli 1992 inzake
de specificiteitscertificering voor landbouwproducten en levensmiddelen, mogelijk maakt. HOOFDSTUK
XVII. - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Art. 26. Bij het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek,
of zijn rechtsopvolger, wordt een Eigen Vermogen ingesteld, waaraan rechtspersoonlijkheid is toegekend,
onder de benaming "Eigen Vermogen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek" afgekort EV INBO. Art.
27. De bevoegdheden, de personeelsleden, de goederen, de rechten en de verplichtingen die samenhangen
met de eigen vermogens van het Instituut voor Natuurbehoud en het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer,
opgericht krachtens het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede
de bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, worden toegewezen aan de rechtspersoon, vermeld
in artikel 26. Art. 28. Onverminderd de bepalingen van artikel 27, wordt het vermogen van de
rechtspersoon, vermeld in artikel 26, gevormd door : 1° de gelden en vergoedingen die werden
betaald voor de onderzoekingen en studies, ontledingen, proeven, keuringen en andere diensten die voor
rekening van derden worden verricht door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2° de giften,
legaten, schenkingen, beurzen, prijzen of alle andere giften die zijn aanvaard krachtens de wet van 12
juli 1931 betreffende de uitbreiding tot alle rechtspersonen van het voordeel van de voorlopige aanvaarding
van bij akten gedane schenkingen onder de levenden; 3° leningen; 4° de inkomsten uit
de verkoop van rapporten, brochures, kaarten, plans of andere publicaties, met inbegrip van die producten
in elektronische vorm; 5° de inkomsten uit de verkoop van producten die door het INBO zijn gekweekt,
geoogst, verhandeld of vervaardigd; 6° de inkomsten van het valoriseren van de resultaten van
de uitgevoerde activiteiten, waaronder het exploiteren van intellectuele eigendomsrechten; 7°
de inkomsten van liet beheer en de inkomsten uit de vervreemding van goederen die tot de rechtspersoon
van het EV INBO behoren; 8° intresten en waardevermeerderingen van het patrimonium; 9°
andere inkomsten, na goedkeuring door de Vlaamse Regering. Art. 29. Het EV INBO is bevoegd
voor het verrichten van beleidsgericht wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening
inzake behoud, ontwikkeling, beheer en duurzaam gebruik van biodiversiteit en het milieu ervan, al dan
niet in de opdracht van derden en voor het beheer van het eigen vermogen. Art. 30. Het EV INBO
kan voor de verwezenlijking van zijn doel vrij contracten sluiten, roerende en onroerende goederen verwerven
en vervreemden, op contractuele basis personeel aanwerven, tewerkstellen en ontslaan, en in het algemeen
alle nuttige rechtshandelingen verrichten. Het EV INBO kan personeel ter beschikking stellen
van het Vlaamse Gewest. De wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en
het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers is op die terbeschikkingstelling
niet van toepassing. Art. 31. § 1. Het EV INBO wordt bestuurd door een beheerscommissie.
De leden worden aangeduid bij ministerieel besluit voor een termijn van maximum vijf jaar en die in elk
geval eindigt zes maanden na de installatie van het bij verkiezingen vernieuwde Vlaams Parlement. §
2. De beheerscommissie is samengesteld uit : 1° de leidend ambtenaar, die de commissie voorzit; 2°
twee personeelsleden van het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek; 3° een Inspecteur van Financiën
geaccrediteerd bij het beleidsdomein; 4° een vertegenwoordiger van de minister bevoegd voor
het beleid inzake leefmilieu en natuur; 5° een vertegenwoordiger van de minister bevoegd voor
het wetenschapsbeleid; 6° de leidend ambtenaar van het Agentschap voor Natuur en Bos of zijn
afgevaardigde. § 3. De voorzitter kan bevoegde personen uitnodigen om met raadgevende
stem aan de bespreking van een punt van de agenda van een vergadering van de beheerscommissie deel te
nemen. § 4. De beheerscommissie vergadert minstens tweemaal per jaar, met name voor het
vaststellen van de begroting en de rekening overeenkomstig artikel 32 op uitnodiging van de voorzitter.
Twee leden kunnen te allen tijde eisen dat de voorzitter een vergadering samenroept binnen de dertig
dagen. § 5. De beheerscommissie maakt een huishoudelijk reglement op dat ter bekrachtiging
aan de minister wordt voorgelegd. § 6. Het mandaat van lid van de beheerscommissie is
onbezoldigd. Art. 32. § 1. Ieder jaar, voor 31 oktober, stelt de beheerscommissie de
begroting vast van de uitgaven voor het volgende begrotingsjaar, alsmede de middelen van het EV INBO
om die uitgaven te dekken. Ieder jaar, voor 31 maart, stelt de beheerscommissie de rekening
van het EV INBO van het vorige begrotingsjaar op. De begroting en de rekening, alsmede elke
wijziging ervan, worden ter goedkeuring voorgelegd aan de Vlaamse Regering, samen met het advies van
de Inspectie van Financiën. § 2. Het EV INBO kan het saldo tijdens het volgende begrotingsjaar
vrij aanwenden voor het verwezenlijken van zijn doel. Art. 33. Onverminderd de voorgaande bepalingen
worden de nadere regelen betreffende het beheer, de werking en de boekhouding van het Eigen Vermogen
INBO vastgesteld bij besluit van de Vlaamse Regering. Art. 34. Het Eigen Vermogen van het Instituut
voor Natuurbehoud en het Eigen Vermogen van het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer, opgericht bij het
decreet van 21 december 1990 houdende de begrotïngstechnische bepalingen tot begeleiding van de begroting
1991, worden opgeheven. HOOFDSTUK XVIII. - Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek Art.
35. Bij het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek, afgekort het ILVO, wordt een Eigen Vermogen
ingesteld, waaraan de rechtspersoonlijkheid is toegekend, onder de benaming "Eigen Vermogen van het Instituut
voor Landbouw- en Visserijonderzoek", afgekort het EV ILVO. Art. 36. De bevoegdheden, de personeelsleden,
de goederen, de rechten en de verplichtingen die samenhangen met het Eigen Vermogen van het Centrum voor
Landbouweconomie en met het Eigen Vermogen van het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek, opgericht de
artikelen 27 en 28 van het decreet van 5 juli 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing
van de begroting 2002, worden toegewezen aan het EV ILVO. Art. 37. Onverminderd de bepalingen
van artikel 36 wordt het vermogen van het EV ILVO gevormd door : 1° de gelden en vergoedingen,
betaald voor onderzoeken, studies, ontledingen, proeven, keuringen of andere diensten, die voor derden
worden verricht door het ILVO; 2° de inkomsten uit de verkoop van materiële of intellectuele
producten; 3° de inkomsten uit de verkoop van brochures, verslagen, kaarten, plans of andere
publicaties; 4° de inkomsten uit de verkoop of het beheer van goederen die aan de rechtspersoon
toebehoren; 5° dotaties; 6° intresten en waardevermeerderingen van het patrimonium; 7°
de inkomsten van heft valoriseren van de resultaten van de uitgevoerde activiteiten, waaronder het exploiteren
van intellectuele eigendomsrechten; 8°andere inkomsten, na goedkeuring door de minister bevoegd
voor het landbouw- en visserijbeleid, legaten en schenkingen inbegrepen; 9° leningen. Art.
38. Het EV ILVO is bevoegd voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek, expertises en dienstverlening
op het vlak van landbouw en visserij, al dan niet in opdracht van derden en voor het beheer van het eigen
vermogen. Art. 39. Het EV ILVO kan voor de verwezenlijking van zijn doel vrij contracten sluiten,
roerende en onroerende goederen verwerven en vervreemden, op contractuele basis personeel aanwerven,
tewerkstellen en ontslaan, en in het algemeen alle nuttige rechtshandelingen verrichten. Het
EV ILVO kan personeel ter beschikking stellen van het Vlaamse Gewest. De wet van 24 juli 1987 betreffende
de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van
gebruikers is op die terbeschikkingstelling niet van toepassing. Art. 40. § 1. Het EV
ILVO wordt bestuurd door een beheerscommissie. De leden worden aangeduid bij ministerieel besluit voor
een termijn van maximum vijf jaar en die in elk geval eindigt zes maanden na de installatie van het Vlaams
Parlement bij vernieuwing. § 2. De beheerscommissie is samengesteld uit : 1°
de Leidend ambtenaar van het ILVO, die de commissie voorzit; 2°. vser personeelsleden van het
ILVO; 3° een inspecteur van Financiën geaccrediteerd bij het beleidsdomein Landbouw en Visserij; 4°
de leidend ambtenaar van het departement Landbouw en Visserij; 5°een vertegenwoordiger van de
minister bevoegd voor het Wetenschapsbeleid; 6° een vertegenwoordiger van de Strategische Adviesraad
Landbouw, en Visserij, § 3. De voorzitter kan bevoegde personen uitnodigen om met raadgevende
stem aan de bespreking van een agendapunt van een vergadering van de beheerscommissie deel te nemen. §
4. De beheerscommissie vergadert minstens tweemaal per jaar, met name voor het vaststellen van de begroting
en de rekening overeenkomstig artikel 41 op uitnodiging van de voorzitter. Twee leden kunnen te allen
tijde eisen dat de voorzitter een vergadering samenroept binnen de dertig dagen. § 5.
De beheerscommissie maakt een huishoudelijk reglement op dat ter bekrachtiging aan de minister wordt
voorgelegd. § 6. Het mandaat van lid van de beheerscommissie is onbezoldigd. Art.
41. § 1. Ieder jaar, voor 31 oktober, stelt de beheerscommissie de begroting vast van de uitgaven
voor het volgende begrotingsjaar, alsmede de middelen van het EV ILVO om die uitgaven te dekken. Ieder
jaar, voor 31 maart, stelt de beheerscommissie de rekening van het EV ILVO van het vorige begrotingsjaar
op. De begroting en de rekening, alsmede elke wijziging ervan, worden ter goedkeuring voorgelegd
aan de Vlaamse Regering, samen met het advies van de Inspectie van Financiën. § 2. Het
EV ILVO kan het saldo tijdens het volgende begrotingsjaar vrij aanwenden voor het verwezenlijken van
zijn doel. Art. 42. Onverminderd de voorgaande bepalingen worden de nadere regelen betreffende
het beheer, de werking en de boekhouding van het EV ILVO vastgesteld bij besluit van de Vlaamse Regering. Art.
43. Worden opgeheven : 1° het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd
agentschap met rechtspersoonlijkheid "Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek"; 2° de
artikelen 27 en 28 van het decreet van 5 juli 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing
van de begroting 2002; 3° artikel 69, 7°, van het decreet van 5 juli 2002 houdende bepalingen
tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2002, gewijzigd bij artikel 3 van het decreet van
20 december 2002. Art. 44. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op de datum te
bepalen door de. Vlaamse Regering. HOOFDSTUK XIX. - Reorganisatie van de watersector Afdeling
I. - Wijzigingen aan de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging Art.
45. Aan artikel 32quater, § 1, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren
tegen verontreiniging, gewijzigd bij het decreet van 24 december 2004, worden een punt 10° en een punt
11° toegevoegd, die luiden als volgt : "10° het op eenvoudig verzoek van de exploitanten van
een openbaar waterdistributienetwerk, de in artikel 32septies, § 1, bedoelde vennootschap, de
gemeenten, de gemeentebedrijven, de intercommunales, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of
de door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteiten die door de gemeenten belast zijn
met en instaan voor de aanleg, het aanpassen, het onderhoud of de exploitatie van gemeentelijke saneringsinfrastructuur,
meedelen van gegevens waarover de Maatschappij beschikt van heffingsplichtigen, bedoeld in artikel 35quinquies
en artikel 35septies van deze wet, voorzover die noodzakelijk zijn in het kader van de aanrekening
van de bijdrage, zoals bedoeld in artikel 16bis, § 1, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende
water bestemd voor menselijke aanwending, en de vergoeding, zoals bedoeld in artikel 16quinquies, §
1, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending en artikel 32septies,
§ 4, van deze wet; 11° het opmaken van zoneringsplannen voor de sanering van het afvalwater.
De zoneringsplannen maken een onderscheid tussen de gebieden met collectieve sanering en de gebieden
met individuele sanering. In uitvoering van één of meerdere zoneringsplannen wordt een gebiedsdekkend
uitvoeringsplan per zuive-. ringsgebied opgemaakt waarin de uitvoering en de timing van de projecten
met betrekking tot respectievelijk de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting geregeld
zijn, evenals de noodzakelijke afstemming van de projecten. Deze zonerings- en uitvoeringsplannen worden
bindend voor derden na goedkeuring door de Vlaamse Regering.". Art. 46. In artikel 32septies,
§ 4, van dezelfde wet, wordt de zin "De in § 1 bedoelde vennootschap kan, onder toezicht
van de economische toezichthouder, contracten afsluiten met het oog op de sanering van het afvalwater
dat niet afkomstig is van huishoudelijke activiteiten en dat bovendien wordt geloosd in een openbare
riolering aangesloten op een operationele openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie." vervangen door de
zin "De in § 1 bedoelde vennootschap kan, onder toezicht van de economische toezichthouder, contracten
afsluiten met het oog op de sanering van het afvalwater dat niet afkomstig is van huishoudelijke activiteiten
en : - dat wordt geloosd in een openbare riolering aangesloten op een operationele openbare
rioolwaterzuiveringsinstallatie; - dat wordt geloosd in een operationele openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie
via een bestaande privaatrechtelijke of ten laste van de vergunde exploitant aan de in § 1 bedoelde
vennootschap voor uitvoering opgedragen toevoerleiding; - dat wordt geloosd in een openbare
riolering waarvan de aansluiting op een operationele of overeenkomstig § 2 ter uitvoering aan
de in § 1 bedoelde vennootschap opgedragen openbare waterzuiveringsinstallatie is voorzien op
basis van het investeringsprogramma, bedoeld in artikel 32octies , of het door de Vlaamse Regering vastgestelde
subsidiëringsprogramma, bedoeld in artikel 32duodecies, § 2.". Art. 47. § 1.
In artikel 35ter, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij het decreet van 21 december 2001, wordt
de zin "Het bedrag van het eenheidstarief van de heffing wordt vastgesteld op 22,3 euro en wordt jaarlijks
aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer der consumptieprijzen
van december 1992, basis 1988, met name 113,76." vervangen door de zin "Het bedrag van het eenheidstariefvan
de heffing wordt vastgesteld op 22,3 euro voor : a) de heffingsplichtigen, bedoeld in artikel
35quinquies en artikel 35septies van deze wet, die zijn aangesloten op het openbaar hydrografisch net,
zoals bedoeld in artikel 1, en bovendien op basis van de bepalingen van het decreet van 28 juni 1985
betreffende de milieuvergunning, alle uitvoeringsbepalingen van deze wet, evenals de bepalingen uit de
betreffende milieuvergunning verplicht zijn hun afvalwater zelf te zuiveren en in oppervlaktewater te
lozen; b) de heffingsplichtigen, bedoeld in artikel 35quinquies en artikel 35septies van
deze wet, die beschikken over een vergunning met normen voor lozing in de gewone oppervlaktewateren en
lozen in de openbare riolering gelegen in zuiveringszone C, zoals bedoeld in artikel 1.1.2 van het besluit
van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne,
in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of in een openbare of privaatrechtelijke effluentleiding
die uitmondt in oppervlaktewater; c) de heffingsplichtigen, bedoeld in artikel 35quater van
deze wet, waarvan de inrichting niet gelegen de zuiveringszones A of B, zoals bedoeld in artikel 1.1.2
van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake
milieuhygiëne. Voor alle andere heffingsplichtigen wordt het eenheidstarief van de heffing vastgesteld
op 22,6 euro. De eenheidstarieven van de heffing worden jaarlijks aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen
met als basisindex het indexcijfer der consumptieprijzen van november 1992, basis 1988, met name 113,77. Deze
bepaling gaat in vanaf heffingsjaar 2006.". § 2. In artikel 35ter, § 2, van dezelfde
wet, gewijzigd bij het decreet van 21 december 2001, wordt een zesde lid toegevoegd, dat luidt als volgt
: "Bedrijfsafvalwater dat op basis van de bepalingen van het decreet van 28 juni 1985 betreffende
de milieuvergunning en de uitvoeringsbesluiten ervan, door de exploitant van de hinderlijke inrichting
zelf moet gezuiverd worden en/of in oppervlaktewater dient geloosd te worden, komt niet in aanmerking
voor een contract zoals bedoeld in het eerste lid, behalve voor wat betreft een contract voor de aanleg
en exploitatie van een afvoerleiding waarin de betrokken exploitant zijn aandeel ten laste neemt.". Art.
48. § 1. In artikel 35ter, § 3, 2°, van dezelfde wet, gewijzigd het decreet van 24 december
2004, worden de woorden "verminderd met X" vervangen door de woorden "verminderd met X. De heffing kan
in geen geval negatief worden.". § 2. In artikel 35ter, § 3, 2°, van dezelfde
wet, gewijzigd bij het decreet van 24 december 2004, worden de zinnen "de bijdrage, zoals berekend in
artikel 16bis, § 1, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke
aanwending, aangerekend gedurende het heffingsjaar voor de bovengemeentelijke sanering. Indien bedoelde
bijdrage niet in het heffingsjaar in mindering gebracht wordt, kan deze in mindering gebracht worden
van de heffing van het volgende jaar. Elke aangerekende bijdrage kan evenwel slechts éénmaal in mindering
gebracht worden;" vervangen door de zinnen "de som van de bijdrage, zoals bedoeld in artikel 16bis, §
1, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, aangerekend
op het water verbruikt of geloosd in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar voor de bovengemeentelijke
sanering, exclusief BTW, en de vergoeding, zoals bedoeld in artikel 16quinquies, § 1, van het
decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, aangerekend op het water
verbruikt of geloosd in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar voor de bovengemeentelijke sanering,
exclusief BTW. Indien bedoelde som niet.in het heffingsjaar in mindering gebracht wordt, kan deze in
mindering gebracht worden van de heffing van het volgende jaar. Elke aangerekende bijdrage of vergoeding
kan evenwel slechts éénmaal in mindering gebracht worden. Voor de verrekening wordt uitgegaan van de
bijdrage of vergoeding opgenomen in de eindfactuur;". § 3. In artikel 35ter, §
3, 2°, van dezelfde wet, gewijzigd het decreet van 24 december 2004, worden de woorden "geloosd in het
jaar voorafgaand aan het heffingsjaar" vervangen door de woorden "geloosd ïn het jaar voorafgaand aan
het heffingsjaar, exclusief BTW.". § 4. Aan artikel 35ter, § 3, van dezelfde wet,
gewijzigd bij het decreet van 24 december 2004, wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt : 3°
Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel 35quater, § 1, 2° en 3°, wordt geen heffing gevestigd
op het waterverbruik op respectievelijk op voor zover door de openbare watervoorzieningsmaatschappij
op dit waterverbruik een vergoeding, zoals bedoeld in artikel 16quinquies, § 1, van het decreet
van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke consumptie, werd aangerekend voor de bovengemeentelijke
sanering. Deze bepaling gaat in vanaf het heffingsjaar 2005.". Art. 49. Artikel 35quinquies,
§ 1, van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : Voor de heffingsplichtigen
die niet onder artikel 35quater vallen wordt de vuilvracht als volgt berekend : N = N1 + N2 + N3 + Nk waarin
: Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld waarin : N1 : de
vuilvracht veroorzaakt door de lozing tijdens de maand van de grootste vervuiling van zuurstofbindende
stoffen en zwevende stoffen uitgedrukt in vervuilingseenheden; Qd : het volume, uitgedrukt in
liter, van het afvalwater geloosd in een etmaal tijdens de maand van grootste vervuiling van het jaar
voorafgaand aan het heffingsjaar; a : 1° deze term is gelijk aan nul : a)
voor de heffingsplichtigen die op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het beschouwde heffingsjaar
zijn aangesloten op het openbaar hydrografisch net, zoals bedoeld in artikel 1, en op dezelfde datum
bovendien beschikken over een milieu- respectievelijk lozingsvergunning voor lozing op het openbaar hydrografisch
net; b) voor de heffingsplichtigen die op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het beschouwde
heffingsjaar, conform de milieu- respectievelijk lozingsvergunning, lozen in een kunstmatige afvoerweg
voor hemelwater of in een openbare of privaatrechtelijke effluentleiding; 2° deze term is in
de overige gevallen gelijk aan 0, 20; 3° indien in de loop van het jaar voorafgaand aan de lozingssituatie
en/of vergunningstoestand bedoeld onder 1° verandert in deze bedoeld onder 2° of omgekeerd, wordt voor
de toepassing van de a-factor procentueel opgesplitst voorzover de vuilvracht berekend zonder de a-factor
niet gevoelig wijzigt. De wijziging van de a-factor gaat in, hetzij vanaf de maand volgend op
deze waarin de vergunning wordt afgeleverd, hetzij vanaf de maand die volgt op die waarin de wijziging
van de lozingssituatie effectief ingaat. De heffingsplichtige dient minstens één maand voor de wijziging
per aangetekend schrijven de leidend ambtenaar van de Maatschappij hiervan op de hoogte te brengen. Bij
gevoelige wijziging van de vuilvracht is overeenkomstig de bepalingen van §§ 8 tot 11 de
situatie op het ogenblik van de monstername van toepassing." Art. 50. In artikel 35quinquies,
§ 12, van dezelfde wet, wordt aan het laatste lid een zin toegevoegd, die luidt als volgt : "Deze
verplichting geldt niet voor de meetsystemen waarmee het geloosde dagdebiet wordt gemeten.". Art.
51. § 1. Artikel 35terdecies, § 1, van dezelfde wet, wordt vervangen door de volgende
bepaling : "§ 1. De heffing, vastgesteld overeenkomstig artikel 35ter, wordt gevestigd
uiterlijk op 31 december van het jaar volgend op het heffingsjaar. Deze bepaling gaat in vanaf heffingsjaar
2005.". § 2. Aan artikel 35terdecies, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de
decreten van 19 december 2003 en 24 december 2004, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt
: "Eveneens in afwijking van het eerste lid kan een heffing of een aanvullende heffing wolden
gevestigd binnen de twaalf maanden na definitieve regeling van het geschil over de vergoeding, zoals
bedoeld in artikel 16quinquies, § 1, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd
voor menselijke consumptie. Deze heffing kan ook gevestigd worden binnen de twaalf maanden na de bevestiging
door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk aan de betrokken persoon dat hem of haar
ten onrechte een vergoeding, zoals bedoeld in artikel 16quinquies, § 1, van het decreet van 24
mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke consumptie, werd aangerekend." Art. 52.
Artikel 35vicies van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : "Artikel 35vicies.
§ 1. Het bedrag van de heffing, zoals bepaald in artikel 35ter, wordt voor de sectoren 45.a, 45.b,
45.c, 45.d, 51.a en 51.b, zoals omschreven in de bijlage bij deze wet, vermenigvuldigd met de volgende
coëfficiënten : - 0, 7 voor de heffingen gevestigd in 2003; - 0,775 voor de heffingen
gevestigd in 2004; - 0,850 voor de heffingen gevestigd in 2005 en volgende. §
2. Het bedrag van de heffing, zoals bepaald in artikel 35ter, wordt voor de sectoren 57, zoals omschreven
in de bijlage bij deze wet, vermenigvuldigd met de volgende coëfficiënt : - 0,957 voor de heffingen
gevestigd in 2006.". Art. 53. Aan de tabel in bijlage bij de wet van 26 maart 1971 op de bescherming
van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging wordt een sector 57 toegevoegd, luidend als volgt : Voor
de raadpleging van de tabel, zie beeld
Afdeling
II. - Wijzigingen aan het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer Art.
54. § 2. Artikel 2 van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer,
ingevoegd bij het decreet van 20 december 1996 en gewijzigd bij de decreten van 19 december 1997, 22
december 1999, 21 december 2001 en 24 december 2004, wordt aangevuld met volgende definitie : "-
afgesloten watervoerende laag : watervoerende laag die voorkomt onder één van de volgende afsluitende
hydrogeologische hoofdeenheden die gekenmerkt worden door de unieke code 0300, 0500, 0700 of 0900 zoals
weergegeven in bijlage bij dit decreet. De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast. Daarbij
wordt er voor gezorgd dat elke winning eenduidig is vastgelegd." De bijlage van het decreet
van 24 januari 1984 wordt vervangen door wat volgt : "Bijlage I. Laag-factor Voor
de raadpleging van de tabel, zie beeld
Voor
de raadpleging van de tabel, zie beeld
De
gebiedsfactor is in de overige zones gelijk aan 1.". § 2. Artikel 28quater, §
1, 1° en 2°, van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : "1° voor de exploitatie
van. 'grondwaterwinningen bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening : Z = 7,5 eurocent
per m3 * index; Q = het volume grondwater (in m3) dat in het
jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgepompt en dat tot drinkbaar water voor de openbare drinkwatervoorziening
verwerkt kan worden, ongeacht de wijze van winning of het gebruik. De hoeveelheid die voorafgaand aan
de winning via kunstmatige infiltratie aan het grondwaterreservoir werd toegevoegd kan in mindering worden
gebracht van de opgepompte hoeveelheid, op voorwaarde dat voor die activiteit de nodige vergunningen
en toestemmingen zijn verleend en op voorwaarde dat het infiltratiewater minstens voldoet aan de basiskwaliteitsdoelstellingen
voor oppervlaktewater; 2° voor de exploitatie van grondwaterwinningen niet bestemd voor de openbare
drinkwatervoorziening : a) indien de exploitatie voor het geheel van de grondwaterwinningeenheid
aangelegd in een freatische watervoerende laag aanleiding geeft tot een gewonnen hoeveelheid grondwater
in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar van 500 tot en met 30.000 m3 : Z
= 5 eurocent per m3 * index; Q = opgepompt grondwater (in m3); b)
indien de exploitatie voor het geheel van de grondwaterwinningeenheid aanleiding geeft tot een gewonnen
hoeveelheid grondwater in het jaar voorafgaand aan het heflngsjaar van meer dan 30.000 m3
of tot een gewonnen hoeveelheid grondwater in het jaar voorafgaand aan het hefingsjaar uit een afgesloten
watervoerende laag : Z = een lineaire tarieffunctie (in eurocent per m3) die
voor het geheel van de grondwaterwinningeenheid van toepassing is en als volgt bepaald wordt : (6,2
+ 0,75 x Qgwe/100.000) x a x index Met : Qgwe = m3 opgepompt grondwater
voor het geheel van de grondwaterwinningeenheid a = 0,75 op 1 januari 2002; a = 1 vanaf
1 januari 2003; Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Grondwaterputten Met
: gl = een grondwaterputspecifieke multiplicator zijnde het product van twee termen : laagfactor
en gebiedsfactor. Daarbij nemen de laagfactor en gebiedsfactor in het heffingsjaar 2006 de waarde aan
die is aangegeven in de bijlage gevoegd bij dit decreet; Qgwp = opgepompt grondwater (in m3)
per grondwaterput. De index is de verhouding van twee indexcijfers van de consumptieprijzen
met in de teller hét indexcijfer van de maand december van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar
en in de noemer het indexcijfer van de maand december 2001. De indexering dient ieder jaar automatisch,
dus zonder voorafgaande verwittiging te geschieden op 1 januari van elk jaar. Het aangepast
bedrag wordt afgerond tot de hogere eurocent." Afdeling III. - Wijzigingen aan het decreet
van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Art. 55. In artikel X.2.3.,
§ 1, tweede lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid,
gewijzigd bij decreet van 24 december 2004, worden een punt 19° en een punt 20° toegevoegd, die luiden
als volgt : "19° het op eenvoudig verzoek van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk,
de in artikel 32septies, § 1, bedoelde vennootschap, de gemeenten, de gemeentebedrijven, de intercommunales,
de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde
entiteiten die door de gemeenten belast zijn met en instaan voor de aanleg, het aanpassen, het onderhoud
of de exploitatie van gemeentelijke saneringsinfrastructuur, meedelen van gegevens waarover de Maatschappij
beschikt van heffïngsplichtigen bedoeld in artikel 35quinquies en artikel 35septies van de Oppervlaktewaterenwet,
voor zover die noodzakelijk zijn in het kader van de aanrekening van de bijdrage, zoals bedoeld in artikel
16bis, § 1, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending,
en de vergoeding, zoals bedoeld in artikel 16quinquies, § 1, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende
water bestemd voor menselijke aanwending en artikel 32septies, § 4, van de Oppervlaktewaterenwet; 20°
het opmaken van zoneringsplannen voor de sanering van het afvalwater. De zoneringsplannen maken een onderscheid
tussen de gebieden met collectieve sanering en de gebieden met individuele sanering. In uitvoering van
één of meerdere zoneringsplannen wordt een gebiedsdekkend uitvoeringsplan per zuiveringsgebied opgemaakt
waarin de uitvoering en de timing van de projecten met betrekking tot respectievelijk de gemeentelijke
en bovengemeentelijke saneringsverplichting geregeld zijn, evenals de noodzakelijke afstemming van de
projecten. Deze zonerings- en uitvoeringsplannen worden bindend voor derden na goedkeuring door de Vlaamse
Regering.". Afdeling IV. - Wijzigingen aan het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd
voor menselijke aanwending Art. 56. In artikel 3, § 3, van het decreet van 24 mei 2002
betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, gewijzigd bij het decreet van 24 december 2004,
wordt de zin "Van het toepassingsgebied van dit decreet wordt uitgesloten, met uitzondering van de bepalingen
in artikel 6bis, artikel 16bis, artikel 16ter, artikel 16quater, artikel 24 en artikel 25. " vervangen
door de zin "Van het toepassingsgebied van dit decreet wordt uitgesloten, met uitzondering van de bepalingen
in artikel 6bis, artikel 16bis, artikel 16ter, artikel 16quater, artikel 16quinquies, artikel 24 en artikel
25.". Art. 57. § 1. In artikel 6bis, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij
het decreet van 24 december 2004, wordt de zin "De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk
mag geen bijdrage, zoals bedoeld in artikel 16bis, vragen aan de heffingsplichtigen, bedoeld in artikel
35quinquies en artikel 35septies van de wet van 26 maart 1971, die op basis van de bepalingen van het
decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, alle uitvoeringsbepalingen van dit decreet,
evenals de bepalingen uit de betreffende milieuvergunning verplicht zijn hun afvalwater zelf te zuiveren
en in oppervlaktewater te lozen. " vervangen door de zinnen "De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk
mag geen bovengemeentelijke bijdrage, zoals bedoeld in artikel 16bis, § 1, vragen aan de heffingsplichtigen,
bedoeld in artikel 35ter, § 2, a) en b), van de wet van 26 maart 1971. De exploitant van een
openbaar waterdistributienetwerk mag geen bovengemeentelijke vergoeding, zoals bedoeld in artikel 16quinquies,
§ 1, vragen aan de heffingsplichtigen, bedoeld in artikel 35ter, § 2, a), b) en c), van
de wet van 26 maart 1971". § 2. Aan artikel 6bis, § 2, van hetzelfde decreet,
ingevoegd bij het decreet van 24 december 2004, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : "De
exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk mag geen bovengemeentelijke bijdrage, zoals bedoeld
in artikel 16bis, § 1, en geen bovengemeentelijke vergoeding, zoals bedoeld in artikel 16quinquies,
§ 1, vragen voor het geloosde afvalwatervolume of verbruikt water dat het voorwerp uitmaakt van
een contract, zoals bedoeld in artikel 32septies, § 4, van de wet van 26 maart 1971." §
3. Artikel 6bis, § 6, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 24 december 2004, wordt
vervangen door wat volgt : "§ 6. Vlaamse Regering zal nadere regels vastleggen met betrekking
tot de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en dit op basis
van de zoneringsplannen en uitvoeringsplannen zoals bedoeld in artikel 32quater, 11 °, van de wet van
26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging. Art. 58. Aan
artikel 16bis, § 3, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 24 december 2004, wordt een
punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt : "6° het aandeel van de kosten veroorzaakt door het
lozen van water niet afkomstig van een openbaar waterdistributienetwerk.". Art. 59. Aan hoofdstuk
V van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 24 december 2004, wordt een afdeling V, bestaande
uit artikel 16quinquies, toegevoegd, dat luidt als volgt : "Afdeling V. - Aanrekenen van een
vergoeding voor het water dat niet geleverd wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk
Artikel 16quinquies, § 1. De exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk kunnen
een vergoeding aanrekenen aan eigen waterwinners als bijdrage in de kosten voor de sanering van het uit
eigen waterwinning afkomstig afvalwater. De bepalingen van de artikelen 16bis, §§
3 en 4, 16ter en 25 zijn van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde vergoeding. §
2. Indien een vergoeding wordt aangerekend, zoals bedoeld in § 1 voor de bovengemeentelijke sanering,
wordt het bedrag ervan bepaald overeenkomstig artikel 16 ter, met dien verstande dat Q in dit geval gelijk
is aan "het aantal m3 water opgenomen via de eigen waterwinning". Het water opgenomen
via de eigen waterwinning wordt bepaald conform artikel 35quater, § 1, 2°, artikel 35quater, §
1, 3°, artikel 35quinquies, § 12, of artikel 35septies, § 2, van de wet van 26 maart 1971. §
3. De bepaling van de vergoeding, zoals bedoeld in § 1, met betrekking tot de gemeentelijke saneringsverplichting,
maakt deel uit van de overeenkomsten bedoeld in artikel 6bis, § 3. § 4. Wooninrichtingen
gelegen in de zuiveringszones A of B, zoals bedoeld in artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering
van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, worden onweerlegbaar
vermoed te zijn aangesloten op de bovengemeentelijke saneringsinfrastructuur. Wooninrichtingen
gelegen in de zuiveringszones A, B of C, zoals bedoeld in artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse
Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, worden onweerlegbaar
vermoed te zijn aangesloten op de gemeentelijke saneringsinfrastructuur. Hetzelfde geldt voor
inrichtingen die onder artikel 35quater, § 1 van de wet van 26 maart 1971 vallen en die uitsluitend
beschikken over een vergunning voor het lozen van huishoudelijk afvalwater." Art. 60. Artikel
25 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 24 december 2004, wordt vervangen door wat volgt
: "Artikel 25. Bij wijze van overgangsmaatregel en tot de Vlaamse Regering gebruik maakt van
de in artikel 16ter, § 3, bepaalde bevoegdheid, worden ter bepaling van de correctie, bedoeld
in dit artikel, de correcties overgenomen, zoals bepaald in artikel 35bis, § 4, § 5 en
§ 6, artikel 35ter, § 4, § 5, § 6, § 7, § 8 en § 9,
artikel 35quinquies, § 6, § 7, § 8 en § 9, en artikel 35sexies van de wet
van 26 maart 1971, met dien verstande dat de woorden "de heffing", "het heffingsbiljet", "het heffingsjaar"
en "de heffingsplichtige" vervangen worden door respectievelijk "de bijdrage of vergoeding", "de waterfactuur",
"het facturatiejaar" en "de abonnee of gebruiker van de saneringsinfrastructuur". De abonnees
of gebruikers van de saneringsinfrastructuur die aan de vrijstellingsvoorwaarden voldoen en een aangifte
indienen conform artikel 35quater, § 2, of artikel 35octies, § 1, van de wet van 26 maart
1971 moeten hun aanvraag binnen de gestelde termijnen richten aan de economische toezichthouder. De overige
abonnees of gebruikers van de saneringsinfrastructuur moeten hun aanvraag richten aan de exploitant van
het openbaar waterdistributienetwerk.". Art. 61. Artikel 26 van hetzelfde decreet, ingevoegd
bij het decreet van 24 december 2004, wordt vervangen door wat volgt : "Artikel 26. Dit decreet
treedt in werking op de dag van de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad. In afwijking
hiervan treden de bepalingen van artikel 6bis, artikel 16bis, artikel 16ter, artikel 16quater, artikel
16quinquies, artikel 24 en 25 in werking op 1 januari 2005." Afdeling V. - Wijziging van het
decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid Art. 62. Artikel 27, §
2 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal, waterbeleid wordt aangevuld met : "10°
Een advies uit te brengen over het ontwerp van zoneringsplan, zoals bedoeld in artikel 32quater, §
1, 11 °, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging.". Afdeling
VI. - Wijzigingen aan het decreet van 24 december 2004 houdende bepalingen tot begeleiding
van de begroting 2005 Art. 63. § 1. De in artikel 79 van het decreet van 24 december
2004 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2005 vermelde overgangsbepaling wordt met ingang
van het heffingsjaar 2006 vervangen door wat volgt : "Met ingang van het heffingsjaar 2006 worden
de heffingsplichtigen, bedoeld in 35quater, § 1, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming
van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, bij wijze van overgangsmaatregel vrijgesteld van heffing
voor het door de exploitant van een openbaar waterdis netwerk gefactureerd waterverbruik dat vóór 1 januari
2005 verbruikt werd." § 2. Aan artikel 79 van hetzelfde decreet wordt een bijkomend lid
toegevoegd, dat luidt als volgt : "Eveneens bij wijze van overgangsmaatregel worden op eenvoudig
verzoek van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk, de gemeenten, de gemeentebedrijven,
de intercommunales, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de door de gemeente na publieke marktbevraging
aangestelde entiteiten die door de gemeenten belast zijn met en instaan voor de aanleg, het aanpassen,
het onderhoud of de exploitatie van gemeentelijke saneringsinfrastructuur, de gegevens waarover de Maatschappij
beschikt van heffingsplichtigen, bedoeld in artikel 35quater, § 1, 2° en 3°, van de wet van 26
maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, voor zover die noodzakelijk
zijn in het kader de aanrekening van de bijdrage, zoals bedoeld in artikel 16bis, § 1, van het
decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, en de vergoeding, zoals
bedoeld in artikel 16quinquies, § 1, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd
voor menselijke aanwendïng,eenmalig meegedeeld in 2006." HOOFDSTUK XX. - Vlaams Informatiepunt
Jeugd Art. 64. § 1. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd toe te treden tot de op te
richten vereniging zonder winstgevend doel Vlaams Informatiepunt Jeugd. Deze vereniging heeft tot doel
een coördinerende rol te spelen op het vlak van jeugdinformatie in Vlaanderen. De wijze van
participatie van de Vlaamse Gemeenschap dient vastgelegd te worden in de statuten van de vereniging.
Deze statuten alsmede alle latere statutenwijzigingen dienen onmiddellijk na hun goedkeuring, meegedeeld
te worden aan het Vlaams Parlement. § 2. Om de drie jaar dient de vereniging een beleidsnota
in te dienen. Op basis van deze beleidsnota wordt er tussen de vereniging en de Vlaamse Gemeenschap een
driejaarlijkse overeenkomst afgesloten. Deze overeenkomst bevat onder meer de verschillende strategische
en operationele doelstellingen die de vereniging gedurende de subsidieperiode zal uitvoeren, alsook de
daaraan verbonden acties. Tevens omschrijft deze overeenkomst de modaliteiten van de uitbetaling van
de subsidie en het toezicht op de uitvoering ervan. Indien de Vlaamse Regering vaststelt dat de vooropgestelde
doelstellingen of acties niet volledig of correct uitgevoerd worden, kan ze beslissen om het subsidiebedrag
te verminderen of de overeenkomst op te zeggen. De vereniging bezorgt de Vlaamse Regering haar
eerste beleidsnota uiterlijk op 31 december 2006. De overeenkomst dient onmiddellijk na haar
ondertekening meegedeeld te worden aan het Vlaams Parlement. § 3. Aan de vereniging kan
door de Vlaamse Gemeenschap infrastructuur ter beschikking worden gesteld. Deze terbeschikkingstelling
is onderworpen aan een specifieke overeenkomst die de voorwaarden van deze terbeschikkingstelling regelt.
Deze overeenkomst kan op ieder ogenblik opgezegd worden door de Vlaamse Regering zonder dat hieruit enige
eis tot schadeloosstelling kan worden geput. Deze overeenkomst wordt na ondertekening onmiddellijk
meegedeeld aan het Vlaams Parlement. HOOFDSTUK XXI. - Registratierechten : aanpassing definitie
nieuw gebouw Art. 65. Voor wat betreft het Vlaamse Gewest wordt in artikel 159, 8°, van het
Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, vervangen bij wet van 28 december 1992 en gewijzigd
bij de wet van 30 maart 1994, het vijfde lid, littera a), vervangen door wat volgt : "a) de
datum van de eerste ingebruikneming of inbezitneming van het gebouw waarop de overeenkomst betrekking
heeft;". HOOFDSTUK XXII. - Schenking bouwgronden Art. 66. In artikel 140nonies van
het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten worden de woorden "van 1 januari 2003 tot en
met 31 december 2005" vervangen door de woorden "van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009". Art.
67. In artikel 140undecies wordt de eerste zin vervangen door wat volgt : "Het in artikel
140nonies bepaalde bijzonder evenredig recht wordt alleen toegepast indien in de akte van schenking
uitdrukkelijk wordt vermeld : 1° dat het perceel grond volgens de stedenbouwkundige voorschriften
bestemd is voor woningbouw; 2° dat de begiftigde zich ertoe verbindt om binnen de drie jaren
te rekenen van de datum van de akte een volledig dossier tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning
tot het bouwen van een woning met betrekking tot het geschonken perceel in te dienen.". Art.
68. In hetzelfde wetboek wordt een artikel 140undecies 2 ingevoegd, luidende als volgt
: "Artikel 140undecies 2. Het voordeel van het in artikel 140nonies bepaalde
bijzonder evenredig recht blijft alleen dan behouden indien de begiftigde de overeenkomstig artikel 140undecies
aangegane verbintenis nakomt. De datum van het ontvangstbewijs van de aanvraag tot het bekomen van stedenbouwkundige
vergunning wordt in aanmerking genomen voor de beoordeling van de naleving van deze verbintenis. Bij
niet-nakoming van de aangegane verbintenis is de begiftigde gehouden de reeds betaalde rechten aan te
vullen tot de normaal verschuldigde rechten, vermeerderd met de wettelijke intrest, naar de voet in burgerlijke
zaken, over die aanvullende rechten. De intresten zijn niet verschuldigd wanneer de niet-nakoming van
de aangegane verbintenis het gevolg is van overmacht. De aanvullende rechten en eventuele intresten
dienen betaald te worden op een verklaring van het niet-vervullen van de gestelde voorwaarde, uiterlijk
in te dienen drie maanden na het verstrijken van de periode van drie jaar, bedoeld in artikel 140undecies.
Deze verklaring wordt ingediend op het kantoor waar de akte van schenking werd geregistreerd. Bij gebreke
aan tijdige indiening van deze verklaring verbeurt de begiftigde bovendien een geldboete gelijk aan één
derde van de aanvullende rechten. De boete is evenwel niet verschuldigd wanneer de laattijdige indiening
van de verklaring het gevolg is van overmacht." HOOFDSTUK XXIII. - Leningsmachtigingen Art.
69. Artikel 60 van het decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2005 van 24 december
2004 is niet van toepassing op volgende instellingen : - de investeringsmaatschappijen, bedoeld
in artikelen 10 en 11 van het decreet betreffende de Vlaamse Investeringsmaatschappij van 13 juli 1994; -
de N.V. Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel; - het Universitair Ziekenhuis Gent; -
OPZ Rekem;. - OPZ Geel. HOOFDSTUK XXIV. - Heffing ter bestrijding van leegstand en
verkrotting van gebouwen en/of woningen Art. 70. Artikel 24, 4°, van het decreet van 22 december
1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, hoofdstuk VIII, juli 2, gewijzigd bij
decreten van 8 juli 1996, 8 hult 1997, 15 juli 1997, 7 juli 1998, 18 mei 1999, 30 juni 2000, 6 juli 2001,
7 mei 2004, 24 december 2004 en 24 juni 2005, wordt geschrapt. Art. 71. In artikel 26 van hetzelfde
decreet, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : " Wanneer er in een heffingsjaar
meerdere verjaardagen zijn ten gevolge van opnames van het gebouw en/of de woning op meerdere inventarislijsten,
kan de aanslag worden gevestigd vanaf de datum van de laatste verjaardag tot uiterlijk de laatste dag
van het hierop volgend kwartaal.". Art. 72. In artikel 27 van hetzelfde decreet wordt §
3 vervangen als volgt : § 3. De instrumenterende ambtenaar gelast met de overdracht van
het zakelijk recht, bedoeld in § 1, moet de verkrijger van het zakelijk recht uiterlijk op het
ogenblik van de overdracht van het zakelijk recht in kennis stellen van de kennisgeving van de vaststelling
tot leegstand, ongeschiktheid of verwaarlozing ervan of van de opname van het gebouw en/of de woning
in de inventaris, bedoeld in de artikelen 28 tot 35. Een door beide partijen ingevuld en ondertekend
formulier wordt door de notaris of een partij uiterlijk zeven dagen na de overdracht van het zakelijk
recht aan de administratie en aan de in artikel 38, eerste lid, bedoelde ambtenaren gezonden. Bij ontstentenis
van deze kennisgeving aan de administratie en aan de in artikel 38, eerste lid, bedoelde ambtenaren,
wordt de overdrager van het zakelijk recht, in afwijking van § 1, als belastingplichtige beschouwd
voor de eerstvolgende heffing die na de overdracht van het zakelijk recht ontstaat.". Art. 73.
In artikel 36, § 1, in fine, van hetzelfde decreet worden tussen de woorden "is opgenomen" en
de woorden "in de inventaris" de woorden "op de desbetreffende lijst" ingevoegd. Art. 74. In
artikel 42bis van hetzelfde decreet wordt § 1 vervangen door wat volgt : "§ 1.
De houder van een zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, krijgt 80 procent terugbetaald van het bedrag
van het gewestelijk aandeel in de gewestelijke heffing, die het laatst bij deze houder geïnd werd, voor
: 1° de gebouwen en/of woningen die binnen een periode van maximaal één jaar na de beëindiging
van de renovatiewerkzaamheden geschrapt zijn uit de inventaris; 2° de gebouwen en/of woningen
waarvoor een renovatiecontract afgesloten is, zoals bepaald in artikel 18, § 2, van het decreet
van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode. De toepassing van het eerste lid kan in geen
geval aanleiding geven tot terugbetaling van heffingen die verschuldigd waren.vóór 5 augustus 2004. Deze
terugbetaling kan in geen geval aanleiding geven tot betaling van moratoriumintresten." Art.
75. In artikel 43 van hetzelfde decreet wordt het derde lid vervangen door wat volgt : "Voor
de toepassing van dit decreet wordt sloop gevolgd door vervangingsbouw, gelijkgesteld met renovati-werkzaamheden. De
schorsing geldt voor de heffingen die verschuldigd worden op de inventarisatiedata die vallen in de periode
van schorsing." Art. 76. Artikel 43bis van hetzelfde decreet wordt vervangen door de bepaling,
die luidt als volgt : " Artikel 43bis. Voor de toepassing van artikelen 42, § 1, en 43
dient, ons geldig te zijn, het aanslagbiljet te worden verstuurd als volgt : - wanneer de einddatum
van de periode van opschorting valt vóór of op 31 december van het kalenderjaar na het jaar waarin de
heffing gevestigd werd, moet het aanslagbiljet verstuurd worden tegen het einde van het kwartaal dat
volgt op de einddatum van de periode van opschorting; - wanneer de einddatum van de periode
van opschorting valt na 31 december van het kalenderjaar na het jaar waarin de heffing gevestigd werd,
moet het aanslagbiljet verstuurd worden tegen het einde van het kwartaal dat volgt op de einddatum van
de periode van opschorting. Deze bepaling geldt voor de aanslagbiljetten die vanaf 5 augustus
2004 verstuurd worden." HOOFDSTUK XXV. - Organiek fonds ontvangen dividenden BAM Art.
77. § 1. Er wordt een begrotingsfonds "Financieringsfonds, voor de financiering van Masterplanprojecten,
andere dan de Oosterweelverbinding, kortgenoemd financieringsfonds BAM" opgericht conform artikel 45
van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit. § 2. Aan het Financieringsfonds
BAM worden toegewezen alle ontvangsten voortvloeiend uit dividenden uitgekeerd door BAM aan het Vlaamse
Gewest. § 3. De middelen van het fonds dienen aangewend te worden voor projecten opgenomen
in het Masterplan Antwerpen of aanverwante programma's, andere dan de Oosterweelverbinding, steeds met
als finaliteit een positief effect te hebben op de duurzame mobiliteit in de Antwerpse regio. HOOFDSTUK
XXVI. - Economisch beleid Art. 78. In het kader van de terugbetaling ten overstaan van het
Vlaamse Gewest vanwege Vlaamse bedrijven dewelke terugbetalingsverplichtingen hebben en die in terugbetalingsmoeilijkheid
verkeren, nadat door artikel 40 van het decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding
van de begroting 2002 het artikel 23 van het decreet van 20 december 1996 houdende bepalingen tot begeleiding
van de begroting 1997 werd opgeheven, en dit krachtens een overeenkomst tot toekenning van een achtergestelde
lening, kan de Vlaamse Regering een schuldherschikking toestaan volgens de door haar vastgestelde modaliteiten. HOOFDSTUK
XXVII. - Beschutte werkplaatsen Art. 79. § 1. De personen, die als persoon met een handicap
worden erkend door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap en die wegens de aard of de ernst
van hun handicap onder de gewone arbeidsvoorwaarden voorlopig of definitief geen beroepsactiviteiten
kunnen uitoefenen, kunnen hetzij voltijds, hetzij deeltijds in beschutte werkplaatsen worden tewerkgesteld,
die worden erkend en gesubsidieerd door het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie. De
in de beschutte werkplaatsen tewerkgestelde personen met een handicap worden aangeworven krachtens een
arbeidsovereenkomst. voor arbeiders of voor bedienden. De beschutte werkplaats kan aan de personen
met een handicap, die zich onmogelijk of moeilijk kunnen verplaatsen, huisarbeid verschaffen. In dit
geval worden zij aangeworven krachtens een arbeidsovereenkomst voor huisarbeiders. §
2. Het bouwen, het inrichten en oprichten, het in gebruik nemen van, het exploiteren en het wijzigen
van de opnamecapaciteit van een door het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie subsidiabele
beschutte werkplaats is onderworpen aan een voorafgaande vergunning verleend door het Vlaams Subsidieagentschap
voor Werk en Sociale Economie in het kader van de door de Vlaamse Regering vastgestelde programmatie. De
Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten van deze vergunningsplicht. In geval de vergunning
wordt geweigerd kan de aanvrager tegen deze beslissing beroep aantekenen bij de regering op de wijze
door deze bepaald. § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden inzake erkenning van
de beschutte werkplaatsen en de nadere regels inzake de indiening en behandeling van de aanvraag tot
erkenning en inzake het verlenen, weigeren, schorsen en intrekken van deze erkenning. In geval de erkenning
wordt geweigerd, geschorst of ingetrokken, kan de aanvrager tegen de beslissing beroep aantekenen bij
de regering op de wijze door deze bepaald. Deze voorwaarden van erkenning hebben ten minste
betrekking op : 1° het onthaalbeleid en de begeleiding van de werknemers met een handicap; 2°
de vrijheid van de in de werkplaats tewerkgestelde personen en de eerbiediging van hun ideologische,
filosofische of godsdienstige overtuiging; 3° de veiligheid en gezondheid van de werknemers
met een handicap, en de arbeidsrechtelijke verhoudingen; 4° de materiele infrastructuur; 5°
de inspraak van de personen met een handicap of van hun wettelijke vertegenwoordigers; 6° het
beheer, de boekhouding en de verslaggeving van de werkplaats; 7° het onderzoek en het behandelen
van de klachten van de werknemers; 8° de kwaliteit van de sociale begeleiding van de werknemers; 9°
het beheer van geldenen goederen van de werknemers met een handicap. De erkenning kan niet worden
verleend wanneer de beschutte werkplaats niet past in het kader van de programmatie die door de regering
is vastgesteld. Dm erkend te worden moet de voorziening opgericht zijn door een vereniging zonder winstoogmerk,
of door een ondergeschikt bestuur zoals een provincie, een gemeente, een intercommunale van gemeenten,
een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een vereniging, bedoeld bij artikel 118 van de organieke
wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare céntra voor maatschappelijk welzijn, of door een publiekrechtelijke
rechtspersoon of een instelling van openbaar nut. Indien voormelde rechtspersoon ook andere
voorzieningen organiseert dan beschutte tewerkstelling moet de inhoudelijke en administratieve autonomie
van de beschutte werkplaats gewaarborgd zijn. § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden,
de criteria, de modaliteiten en het bedrag van de subsidies, die aan de beschutte werkplaatsen worden
verleend met het oog op de tewerkstelling van werknemers met een handicap. § 5. Het Vlaams
Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie kan binnen de perken van de hiervoor op de begroting
van het Vlaams ministerie van Werk en Sociale Economie ingeschreven middelen tegemoetkomen in de financiering
van de aankoop, bouw en verbouwingswerken alsook in de kosten van uitrusting en apparatuur van de door
hem erkende beschutte werkplaatsen die in het kader van de programmatie ter zake hiervoor in aanmerking
komen. De Vlaamse Regering bepaalt de procedureregels, de bouwtechnische normen en de maximumbedragen
inzake het verlenen van deze tegemoetkomingen. § 6. De sociaalrechtelijke inspecteurs,
vermeld in het decreet van 30 april 2004 tot uniformisering van de toezichts-, sanctie- en strafbepalingen
die zijn opgenomen in de regelgeving van de sociaalrechtelijke aangelegenheden, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap
en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn, oefenen controle en toezicht uit op de toepassing van de bepalingen
van dit artikel en van de krachtens dit artikel genomen besluiten overeenkomstig de bepalingen van het
voornoemd decreet van 30 april 2004. § 7. Onverminderd de toepassing van de in het Straf
wetboek gestelde straffen, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en
met een geldboete van 26 euro tot 500 euro of met één van die straffen alleen degene die, zonder voorafgaande
vergunning, vermeld in § 2, een door het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie
subsidieerbare beschutte werkplaats bouwt, wie deze opricht, in gebruik neemt, exploiteert of de opnamecapaciteit
ervan wijzigt en die het toezicht verhindert zoals voorzien in § 6. § 8. De Vlaamse
Regering wordt ermee belast de bestaande wets- en decreetbepalingen betreffende de beschutte tewerkstelling
te wijzigen, aan te vullen, te vervangen of op te heffen, om ze in overeenstemming te brengen met de
bepalingen van het kaderdecreet bestuurlijk beleid en van het besluit van de Vlaamse Regering tot oprichting
van het Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie. De besluiten die hiertoe worden vastgesteld,
houden op uitwerking te hebben indien ze niet bij decreet bekrachtigd zijn binnen negen maanden na de
datum van hun inwerkingtreding. De bekrachtiging werkt terug tot die laatste datum. De bevoegdheid
die hiertoe aan de Vlaamse Regering is opgedragen, vervalt negen maanden na de inwerkingtreding van dit
decreet. Na die datum kunnen de besluiten die krachtens deze paragraaf zijn vastgesteld en zijn bekrachtigd,
alleen bij een decreet worden gewijzigd, aangevuld, vervangen of opgeheven. § 9. De Vlaamse
Regering kan de bepalingen van de decreten betreffende de beschutte tewerkstelling coördineren, alsook
de bepalingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend wijzigingen hebben aangebracht tot het tijdstip
van de coördinatie. Te dien einde kan zij : 1° de te coördineren bepalingen anders inrichten,
inzonderheid opnieuw ordenen en vernummeren; 2° de verwijzingen in de te coördineren bepalingen
dienovereenkomstig vernummeren; 3° de te coördineren bepalingen met het oog op onderlinge overeenstemming
en eenheid van terminologie herschrijven, zonder te raken aan de erin neergelegde beginselen. De
coördinatie treedt pas in werking nadat zij bij decreet is bekrachtigd. HOOFDSTUK XXVIII. -
Centra voor gespecialiseerde voorlichting bij beroepskeuze en centra voor beroepsopleiding of
omscholing van personen met een handicap Art. 80. § 1. Het bouwen, het inrichten en
oprichten, het in gebruik nemen van, het exploiteren, en het wijzigen van de opnamecapaciteit van door
de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding subsidierbare centra voor gespecialiseerde
voorlichting beroepskeuze en centra voor beroepsopleiding of omscholing voor door het Vlaams Agentschap
voor Personen met een Handicap erkende personen met een handicap is onderworpen aan een voorafgaande
vergunning verleend door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, in het kader
van de door de Vlaamse Regering vastgestelde programmatie voor deze organisaties. De Vlaamse
Regering bepaalt de modaliteiten van deze verplichting en het toezicht erop. § 2. De
Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding kan binnen de perken van de hiervoor op zijn
begroting ingeschreven middelen tegemoetkomen in de financiering van de aankoop, bouw en verbouwingswerken
alsook in de kosten van uitrusting en apparatuur van de door hem erkende en in 1 bedoelde centra. De
Vlaamse Regering bepaalt de procedureregels, de bouwtechnische normen en de maximumbedragen inzake het
verlenen van deze tegemoetkomingen. § 3. Onverminderd de toepassing van de in het Strafwetboek
gestelde straffen, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een
geldboete van 26 euro tot 500 euro of met één van die straffen alleen degene die, zonder voorafgaande
vergunning een door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding subsidieerbaar centrum
voor gespecialiseerde voorlichting beroepskeuze voor personen met een handicap of centrum voor beroepsopleiding
of omscholing van personen met een handicap bouwt, wie deze opricht, in gebruik neemt, exploiteert of
de opnamecapaciteit ervan wijzigt. HOOFDSTUK. XXIX. - Dagcentra voor palliatieve verzorging Art.
81. De volgende initiatieven, die tot en met 31 december 2005 verbonden zijn door een overeenkomst met
het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging betreffende de werking en de tijdelijke financiering,
bij wijze van experiment, van de dagcentra voor palliatieve verzorging, worden voor de Vlaamse Gemeenschap
van rechtswege erkend als dagcentrum voor palliatieve verzorging voor de periode van 1 januari 2006 tot
uiterlijk 31 december 2006 : 1° Dagcentrum Topaz, AZ VUB, Vander Vekenstraat 158, 1780 Wemmel; 2°
Dagcentrum Heilig Hartziekenhuis, Kolveniersvest 20, 2500 Lier; 3° Dagcentrum Het Heidehuis,
Diksmuidseheirweg 647, 8200 Sint-Andries-Brugge; 4° Dagcentrum AZ Sint-Augustinus, Oosterveldlaan
24, 2610 Wilrijk; 5° Dagcentrum De Kust, AZ H. Serruys, Kaïrostraat 84, 8400 Oostende; 6°
Coda Hospice, Bredabaan 743, 2990 Wuustwezel. Om deze erkenning niet fie verliezen, moeten de
dagcentra voor palliatieve verzorging verder de verplichtingen naleven die hen waren opgelegd door de
overeenkomst, vermeld in het eerste lid. De Vlaamse Regering kan het toezicht op die naleving nader regelen. Aan
de erkende dagcentra voor palliatieve verzorging kan financiële ondersteuning worden verleend binnen
de perken van de middelen die daarvoor aan de Vlaamse Gemeenschap ter beschikking worden gesteld door
het Rijksinstituut, voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. HOOFDSTUK XXX. - Zorgverzekering Art.
82. In artikel 10, § 1, eerste lid, van het decreet van 30 maart 1999 houdende de organisatie
van de zorgverzekering, zoals gewijzigd bij het decreet van 20 december 2002 en bij het decreet van 25
november 2045, worden de woorden "van de derde maand die volgt", vervangen door de woorden "van de vierde
maand die volgt". HOOFDSTUK XXXI. - Beter Bestuurlijk Beleid. Art. 83. Onverminderd
de bepalingen van het vennootschapsrecht, blijft de raad van bestuur van een openbare instelling die
afhangt van de Vlaamse Gemeenschap of van het Vlaamse Gewest die wordt ontbonden, ertoe gehouden de jaarrekening
van de ontbonden instelling, goed te keuren overeenkomstig het oprichtingsdecreet en de statuten. Dit
geldt voor : - de rekeningen van de boekjaren voorafgaand aan het jaar van de ontbinding wanneer
die op het ogenblik van de ontbinding van de instelling nog niet werden goedgekeurd; - de rekening
voor het reeds verstreken gedeelte van het boekjaar tijdens hetwelk de openbare instelling wordt ontbonden. Art.
84. § 1. De Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd om diensten met afzonderlijk beheer op te
richten waarvan het werkingsdomein overeenstemt met het werkingsdomein van intern verzelfstandigde agentschappen
zonder rechtspersoonlijkheid, conform de lijst, zoals voorzien in artikel 6, § 4, van het kaderdecreet
bestuurlijk beleid van 18 juli 2003. § 2. De Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd
de regels met betrekking tot het financieel en materieel beheer van deze DAB's vast te stellen. §
3. De begrotingen van deze intern verzelfstandigde agentschappen zonder rechtspersoonlijkheid kunnen
worden opgesteld en goedgekeurd door de Vlaamse Regering. § 4. De door de Vlaamse Regering
goedgekeurde begrotingen, worden onmiddellijk aan het Vlaams Parlement en aan het Rekenhof medegedeeld. HOOFDSTUK
XXXII. - Inwerkingtreding Art. 85. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2006, met uitzondering
van : - artikel 7, 2°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2005; - artikel
23 dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2004; - artikel 24 dat uitwerking heeft met
ingang van 1 apri1 2003; - artikel 25 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2005; -
artikelen 26 tot 34 waarvoor de Vlaamse Regering de datum bepaalt waarop ze in werking treden; -
artikel 65 dat in werking treedt op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad ; -
artikelen 70 tot 76 die uitwerking hebben met ingang van 5 augustus 2004; - artikel 79 dat in
werking treedt op de datum van inwerkingtreding van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het
intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap; -
artikel 80 dat in werking treedt op de datum van inwerkingtreding van het decreet van 7 mei 2004 tot
oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor
Personen met een Handicap. Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad
zal worden bekendgemaakt. Brussel, 23 december 2005. De minister-president van de
Vlaamse Regering, Dè Vlaamse minister van Institutionele Hervormingen, Landbouw, Zeevisserij
en Plattelandsbeleid, Y. LETERME De Vlaamse minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap,
Innovatie en Buitenlandse Handel, Mevr. F. MOERMAN De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs
en Vorming, F. VANDENBROUCKE De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Mevr.
I. VERVOTTE De Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, D.
VAN MECHELEN De Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, B. ANCIAUX De
Vlaamse minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, G. BOURGEOIS De
Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Natuur, K. PEETERS De Vlaamse minister
van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, M. KEULEN De Vlaamse minister
van Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen, Mevr. VAN BREMPT _______ Nota's (1)
Zitting 2005-2006. Stukken. - ontwerp van decreet : 567, nr. 1. - Amendement : 567, nr. 2. -
Verslag van het Rekenhof 567, nr. 3. - Amendementen : 567-nrs. 4 tot 8. - Verslag namens de Commissie
voor Algemeen Beleid, Financiën en Begroting : 567, nr. 9. - Verslag namens de Commissie voor Cultuur,
Jeugd, Sport en Media : 567, nr. 10. - Verslag namens de Commissie voor Economie, Werk en Sociale Economie
: 567, nr. 11. - Verslag namens de Subcommissie voor Landbouw, Visserij en Plattelandsbeleid : 567, nr.
12. - Verslag namens de Commissie voor Leefmilieu en Natuur, Landbouw, Visserij en Plattelandsbeleid
en Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed : 567, nr. 13. - Verslag namens de Commissie voor Onderwijs,
Vorming, Wetenschap en Innovatie : 567 nr. 14. - Verslag namens de Commissie voor Openbare Werken, Mobiliteit
en Energie : 567, nr. 15. - Verslag namens de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin : 567,
nr. 16. - Tekst aangenomen door de Commissies : 567, nr. 17. - amendement : 567, nr. 18. - Tekst aangenomen
door de plenaire vergadering : 567, nr. 19. Handelingen. - Bespreking en aanneming : vergaderingen
van 20 en 21 december.