FEDERALE OVERHEIDSDIENST BUITENLANDSE ZAKEN, BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
24 JUNI 2004. - Wet houdende instemming met het Verdrag inzake de internationale samenwerking en de bescherming van kinderen op het gebied van de interlandelijke adoptie, gedaan te Den Haag op 29 mei 1993 (1) (2)
ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : Artikel
1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Art. 2. Het
Verdrag inzake de internationale samenwerking en de bescherming van kinderen op het gebied van de interlandelijke
adoptie, gedaan te Den Haag op 29 mei 1993, zal volkomen gevolg hebben. Kondigen deze wet af,
bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 24 juni 2004. ALBERT Van Koningswege : De Minister
van Buitenlandse Zaken, L. MICHEL De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX Gezien
en met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota's (1)
Zitting 2003-2004. Senaat : Documenten. - Ontwerp van wet ingediend op 10 oktober
2003, nr. 3-259/1. - Verslag namens de commissie, nr. 3-259/2 Parlementaire Handelingen. -
Bespreking, vergadering van 18 maart 2004. Stemming, vergadering van 18 maart 2004. Kamer van
volksvertegenwoordigers : Documenten. - Ontwerp overgezonden door de Senaat, nr. 51-942/1.
Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd, nr. 51-942/2. Parlementaire
Handelingen. - Bespreking, vergadering van 6 mei 2004. Stemming, vergadering van 6 mei 2004. (2)
Zie Decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 8 mei 2002 (Belgisch Staatsblad van 18 juni 2002), Decreet
van de Franse Gemeenschap van 31 maart 1994 (Belgisch Staatsblad van 19 mei 1994), Decreet van de Duitstalige
Gemeenschap van 27 oktober 2003 (Belgisch Staatsblad van 12 februari 2004), Ordonnantie van de Gemeenschappelijke
Gemeenschapscommissie van 13 mei 2004 (Belgisch Staatsblad van 16 juni 2004).
Verdrag
inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie De
Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Erkennende dat het voor de volledige en harmonieuze
ontwikkeling van de persoonlijkheid van een kind noodzakelijk is dat het opgroeit in een gezinsverband,
in een sfeer van geluk, liefde en begrip, Eraan herinnerend dat elke Staat bij voorrang passende
maatregelen behoort te nemen opdat het kind in zijn familie van herkomst kan blijven, Erkennende
dat interlandelijke adoptie het voordeel van een vast gezinsverband kan bieden aan een kind waarvoor
geen geschikt gezin kan worden gevonden in zijn Staat van herkomst, Overtuigd van de noodzaak
maatregelen te nemen om te waarborgen dat interlandelijke adopties plaatsvinden op zodanige wijze dat
het hoogste belang van het kind daarmee is gediend en dat zijn grondrechten worden geeërbiedigd, en om
ontvoering, verkoop van of handel in kinderen te voorkomen, Geleid door de wens daartoe gemeenschappelijke
bepalingen vast te stellen die rekening houden met de in internationale akten vervatte beginselen, met
name het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, en de Verklaring
van de Verenigde Naties inzake sociale en juridische beginselen betreffende de bescherming en het welzijn
van kinderen, in het bijzonder met betrekking tot plaatsing in een pleeggezin en adoptie, zowel nationaal
als internationaal (Resolutie van de Algemene Vergadering 41/85 van 3 december 1986), Zijn de
volgende bepalingen overeengekomen : HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied van het verdrag Artikel
1 Dit Verdrag heeft tot doel : a. waarborgen vast te leggen om te verzekeren dat interlandelijke
adopties op zodanige wijze plaatsvinden dat het hoogste belang van het kind daarmee is gediend en de
grondrechten die hem volgens het internationale recht toekomen, worden geeërbiedigd; b. een
samenwerkingsverband tussen de Verdragsluitende Staten in het leven te roepen ten einde te verzekeren
dat deze waarborgen in acht worden genomen en ontvoering, verkoop van of handel in kinderen aldus worden
voorkomen; c. de erkenning van overeenkomstig het Verdrag tot stand gekomen adopties in de Verdragsluitende
Staten te verzekeren. Artikel 2 1. Dit Verdrag is van toepassing wanneer een kind dat
zijn gewone verblijfplaats in een Verdragsluitende Staat (Staat van herkomst) heeft, naar een andere
Verdragsluitende Staat (Staat van opvang) is, wordt of zal worden overgebracht, hetzij na zijn adoptie
in de Staat van herkomst door echtgenoten of een persoon van wie de gewone verblijfplaats zich in de
Staat van opvang bevindt, hetzij met het oog op een zodanige adoptie in de Staat van opvang of in de
Staat van herkomst. 2. Het Verdrag heeft slechts betrekking op adopties die familierechtelijke
betrekkingen tot stand brengen. Artikel 3 Het Verdrag is niet langer van toepassing
indien de instemmingen bedoeld in artikel 17, onder c, niet zijn verkregen voordat het kind de leeftijd
van achttien jaren bereikt. HOOFDSTUK II. - Vereisten voor interlandelijke adopties Artikel
4 Een adoptie als bedoeld in dit Verdrag kan slechts plaatsvinden indien de bevoegde autoriteiten
van de Staat van herkomst : a. hebben vastgesteld dat het kind in aanmerking komt voor adoptie; b.
na de mogelijkheden tot plaatsing van het kind in zijn Staat van herkomst naar behoren te hebben onderzocht,
hebben vastgesteld dat een interlandelijke adoptie het hoogste belang van het kind dient; c.
zich ervan hebben vergewist 1. dat de personen, instellingen en autoriteiten, wier toestemming
voor de adoptie vereist is, zonodig voorlichting hebben ontvangen en naar behoren zijn ingelicht over
de gevolgen van hun toestemming, met name over de vraag of adoptie zal leiden tot de beeïndiging van
de rechtsbetrekkingen tussen het kind en zijn familie van herkomst, 2. dat deze personen, instellingen
en autoriteiten hun toestemming vrijelijk hebben gegeven, in de wettelijk voorgeschreven vorm en dat
deze toestemming op schrift is gegeven of vastgelegd, 3. dat de toestemmingen niet zijn verkregen
tegen betaling of in ruil voor enige andere tegenprestatie en dat zij niet zijn ingetrokken, 4.
dat de toestemming van de moeder, indien deze vereist is, eerst na de geboorte van het kind is gegeven,
en d. zich, rekening houdende met de leeftijd en het peil van ontwikkeling van het kind, ervan
hebben vergewist 1. dat het is voorgelicht en naar behoren ingelicht over de gevolgen van de
adoptie en van zijn toestemming tot de adoptie, indien deze vereist is, 2. dat de wensen en
meningen van het kind in aanmerking zijn genomen, 3. dat de toestemming van het kind tot de
adoptie, indien deze vereist is, vrijelijk is gegeven, in de wettelijk voorgeschreven vorm, en dat deze
toestemming op schrift is gegeven of vastgelegd, en 4. dat deze niet is verkregen tegen betaling
of in ruil voor enige andere tegenprestatie. Artikel 5 Adopties als bedoeld in dit
Verdrag kunnen slechts plaatsvinden indien de bevoegde autoriteiten van de Staat van opvang : a.
hebben vastgesteld dat de aspirant-adoptiefouders aan de vereisten voor adoptie voldoen en daartoe geschikt
zijn; b. zich ervan hebben verzekerd dat de aspirant-adoptiefouders de nodige voorlichting hebben
ontvangen; en c. hebben vastgesteld dat het het kind toegestaan is of toegestaan zal worden
om die Staat binnen te komen en aldaar permanent te verblijven. HOOFDSTUK III. - Centrale autoriteiten en
vergunninghoudende instellingen Artikel 6 1. Elke Verdragsluitende Staat wijst een
Centrale Autoriteit aan die is belast met de nakoming van de door het Verdrag aan haar opgelegde verplichtingen. 2.
Federale Staten, Staten waarin meer dan één rechtsstelsel geldt en Staten die autonome territoriale eenheden
omvatten, staat het vrij meer dan één Centrale Autoriteit aan te wijzen en de territoriale of personele
reikwijdte van hun taken aan te geven. De Staat die van deze mogelijkheid gebruik maakt, wijst de Centrale
Autoriteit aan waaraan mededelingen kunnen worden gedaan ter overbrenging daarvan aan de bevoegde Centrale
Autoriteit binnen deze Staat. Artikel 7 1. De Centrale Autoriteiten dienen onderling
samen te werken en de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van hun onderscheiden Staten te bevorderen
teneinde kinderen te beschermen en de overige doelstellingen van het Verdrag te verwezenlijken. 2.
Zij nemen alle passende maatregelen teneinde : a. informatie te verstrekken over de wetgeving
van hun Staat op het gebied van adoptie en andere algemene informatie, zoals statistieken en standaardformulieren; b.
elkaar op de hoogte te houden omtrent de werking van het Verdrag en, voorzover mogelijk, belemmeringen
voor de toepassing daarvan weg te nemen. Artikel 8 De Centrale Autoriteiten nemen,
hetzij rechtstreeks, hetzij via overheidsinstanties, alle passende maatregelen om het ten onrechte genieten
van financieel of ander voordeel in verband met de adoptie te voorkomen en alle praktijken die in strijd
zijn met de doelstellingen van het Verdrag te verhinderen. Artikel 9 De Centrale Autoriteiten
nemen, hetzij rechtstreeks, hetzij via overheidsinstanties of andere instellingen waaraan naar behoren
vergunning is verleend in hun Staat, alle passende maatregelen, in het bijzonder om : a. informatie
te verzamelen, te bewaren en uit te wisselen over de situatie van het kind en de aspirant-adoptiefouders,
voorzover zulks noodzakelijk is om de adoptie tot stand te brengen; b. de procedure ten behoeve
van de adoptie te vergemakkelijken, te volgen en te bespoedigen; c. de ontwikkeling van voorlichtingsactiviteiten
op het gebied van adoptie en van nazorg bij adoptie in hun Staten te bevorderen; d. algemene
evaluatierapporten betreffende ervaringen met interlandelijke adoptie uit te wisselen; e. voorzover
de wetgeving van hun Staat dit toestaat, gevolg te geven aan met redenen omklede verzoeken van andere
Centrale Autoriteiten of overheidsinstanties om informatie over een bepaalde adoptiesituatie. Artikel
10 Vergunningen kunnen slechts worden verleend aan, en worden behouden door, instellingen die
aantonen in staat te zijn de taken die hun kunnen worden toevertrouwd naar behoren te vervullen. Artikel
11 Een vergunninghoudende instelling dient : a. uitsluitend doelstellingen zonder winstoogmerk
na te streven onder de voorwaarden en binnen de beperkingen die door de bevoegde autoriteiten van de
Staat die de vergunning verleent, worden bepaald; b. te zijn voorzien van bestuurders en medewerkers
die op grond van hun onkreukbaarheid en hun opleiding of ervaring bekwaam zijn om werkzaamheden te verrichten
op het gebied van de interlandelijke adoptie; en c. wat hun samenstelling, functioneren en financiële
situatie betreft, onderworpen te zijn aan het toezicht van bevoegde autoriteiten van die Staat. Artikel
12 Een instelling waaraan in een Verdragsluitende Staat vergunning is verleend, kan in een andere
Verdragsluitende Staat slechts optreden indien zij daartoe door de bevoegde autoriteiten van beide Staten
is gemachtigd. Artikel 13 De aanwijzing van de Centrale Autoriteiten en de eventuele
reikwijdte van hun taken, alsmede de namen en adressen van de vergunninghoudende instellingen worden
door elke Verdragsluitende Staat medegedeeld aan het Permanent Bureau van de Haagse Conferentie voor
Internationaal Privaatrecht. HOOFDSTUK IV. - Procedurele vereisten voor interlandelijke adoptie Artikel
14 Personen die hun gewone verblijfplaats hebben in een Verdragsluitende Staat en die een kind
wensen te adopteren dat zijn gewone verblijfplaats in een andere Verdragsluitende Staat heeft, dienen
zich te wenden tot de Centrale Autoriteit van de Staat van hun gewone verblijfplaats. Artikel
15 1. Indien de Centrale Autoriteit van de Staat van opvang van oordeel is dat de verzoekers
voldoen aan de vereisten voor adoptie en daartoe geschikt zijn, stelt zij een rapport samen dat gegevens
bevat omtrent hun identiteit, hun bevoegdheid en hun geschiktheid om te adopteren, hun persoonlijke achtergrond,
gezinssituatie en medisch verleden, hun sociale milieu, hun beweegredenen, hun geschiktheid om een interlandelijke
adoptie aan te gaan en omtrent de kinderen waarvoor zij de zorg op zich zouden kunnen nemen. 2.
Zij doet het rapport toekomen aan de Centrale Autoriteit van de Staat van herkomst. Artikel
16 Indien de Centrale Autoriteit van de Staat van herkomst van oordeel is dat het kind voor
adoptie in aanmerking komt, a. stelt zij een rapport samen dat gegevens bevat omtrent de identiteit
van het kind, de vraag of het voor adoptie in aanmerking komt, zijn persoonlijke achtergrond, zijn sociale
milieu en gezinssituatie, zijn medisch verleden en dat van zijn familie, alsmede zijn bijzondere behoeften; b.
houdt zij naar behoren rekening met de opvoeding van het kind en zijn etnische, godsdienstige en culturele
achtergrond; c. vergewist zij zich ervan dat de in artikel 4 bedoelde toestemmingen zijn verkregen;
en d. bepaalt zij, op grond van in het bijzonder de rapporten betreffende het kind en de aspirant-adoptiefouders,
of met de voorgenomen plaatsing het hoogste belang van het kind is gediend. 2. Zij doet het
rapport inzake het kind, het bewijs dat de vereiste toestemmingen zijn verkregen en de redenen voor haar
conclusie inzake de plaatsing toekomen aan de Centrale Autoriteit van de Staat van opvang, waarbij zij
ervoor zorg draagt geen mededeling te doen van de identiteit van de moeder en de vader indien deze identiteit
in de Staat van herkomst niet mag worden bekendgemaakt. Artikel 17 Een beslissing om
een kind aan de zorg van aspirant-adoptiefouders toe te vertrouwen, mag in de Staat van herkomst slechts
worden genomen indien : a. de Centrale Autoriteit van de Staat van herkomst zich ervan heeft
vergewist dat de aspirant-adoptiefouders zich daarmee verenigen; b. de Centrale Autoriteit van
de Staat van opvang deze beslissing heeft goedgekeurd, ingeval een zodanige goedkeuring is vereist door
de wetgeving van die Staat of door de Centrale Autoriteit van de Staat van herkomst; c. de Centrale
Autoriteiten van beide Staten ermede instemmen dat de adoptie voortgang vindt; en d. overeenkomstig
artikel 5 is vastgesteld dat de aspirantadoptiefouders aan de vereisten voor adoptie voldoen en daartoe
geschikt zijn en dat het kind vergunning heeft of zal verkrijgen de Staat van opvang binnen te komen
en aldaar permanent te verblijven. Artikel 18 De Centrale Autoriteiten van de beide
Staten nemen alle nodige maatregelen om voor het kind de vergunningen te verkrijgen om de Staat van herkomst
te verlaten en de Staat van opvang binnen te komen en aldaar permanent te verblijven. Artikel
19 1. De overbrenging van het kind naar de Staat van opvang mag slechts plaatsvinden indien
aan de vereisten van artikel 17 is voldaan. 2. De Centrale Autoriteiten van beide Staten zien
erop toe dat deze overbrenging in alle veiligheid en onder passende omstandigheden geschiedt en, indien
mogelijk, in gezelschap van de adoptiefouders dan wel de aspirant-adoptiefouders. 3. Indien
de overbrenging van het kind niet plaatsvindt, worden de in de artikelen 15 en 16 bedoelde rapporten
teruggezonden aan de autoriteiten die deze hebben verzonden. Artikel 20 De Centrale
Autoriteiten houden elkaar op de hoogte van de adoptieprocedure en de maatregelen die worden genomen
om deze af te wikkelen, alsmede van het verloop van de plaatsing, indien een proeftijd vereist is. Artikel
21 1. Indien de adoptie moet plaatsvinden na de overbrenging van het kind naar de Staat van
opvang en de Centrale Autoriteit van die Staat van oordeel is dat met het voortgezette verblijf van het
kind in het gezin van de aspirant-adoptiefouders het hoogste belang van het kind niet is gediend, neemt
zij de nodige maatregelen om het kind te beschermen, met name door : a. het kind bij de aspirant-adoptiefouders
weg te nemen en voor tijdelijke opvang zorg te dragen; b. in overleg met de Centrale Autoriteit
van de Staat van herkomst onverwijld zorg te dragen voor herplaatsing van het kind met het oog op adoptie
of, indien deze maatregel niet passend is, zorg te dragen voor een andere vorm van langdurige verzorging;
adoptie van het kind kan slechts plaatsvinden indien de Centrale Autoriteit van de Staat van herkomst
naar behoren is ingelicht over de nieuwe aspirant-adoptiefouders; c. in de laatste plaats, het
kind te doen terugkeren indien zijn belangen zulks vereisen. 2. Afhankelijk, in het bijzonder,
van zijn leeftijd en zijn ontwikkelingspeil, wordt het kind geraadpleegd en wordt, waar passend, zijn
toestemming tot de op grond van dit artikel te nemen maatregelen verkregen. Artikel 22 1.
De taken waarmee de Centrale Autoriteit op grond van dit hoofdstuk is belast, kunnen, voorzover de wet
van haar Staat zulks toelaat, worden uitgevoerd door overheidsinstanties of door instellingen waaraan
op grond van Hoofdstuk III vergunning is verleend. 2. Een Verdragsluitende Staat kan bij de
depositaris van het Verdrag de verklaring afleggen dat, voorzover de wet zulks toelaat en onder toezicht
van de bevoegde autoriteiten van die Staat, de taken waarmee de Centrale Autoriteit op grond van de artikelen
15 tot 21 in die Staat is belast, ook kunnen worden uitgevoerd door personen of instellingen die a.
aan de eisen van die Staat betreffende onkreukbaarheid, vakbekwaamheid, ervaring en verantwoordelijkheid
voldoen; en b. op grond van hun ethisch normbesef en door opleiding of ervaring in staat zijn
werkzaamheden te verrichten op het terrein van interlandelijke adoptie. 3. Een Verdragsluitende
Staat die de in het tweede lid bedoelde verklaring aflegt, doet aan het Permanent Bureau van de Haagse
Conferentie voor Internationaal Privaatrecht regelmatig mededeling van de namen en adressen van deze
instellingen en personen. 4. Een Verdragsluitende Staat kan bij de depositaris van het Verdrag
de verklaring afleggen dat adopties van kinderen die hun gewone verblijfplaats op zijn grondgebied hebben,
slechts kunnen plaatsvinden indien de taken van de Centrale Autoriteit worden uitgevoerd in overeenstemming
met het eerste lid. 5. Ongeacht of ingevolge het tweede lid een verklaring is afgelegd, worden
de in de artikelen 15 en 16 bedoelde rapporten in elk geval opgesteld onder de verantwoordelijkheid van
de Centrale Autoriteit of van andere autoriteiten of instellingen in overeenstemming met het eerste lid. HOOFDSTUK
V. - Erkenning en gevolgen van de adoptie Artikel 23 1. Een adoptie ten aanzien waarvan
de bevoegde autoriteit van de Staat waar de adoptie heeft plaatsgevonden schriftelijk heeft verklaard
dat zij in overeenstemming met het Verdrag is tot stand gekomen, wordt in de andere Verdragsluitende
Staten van rechtswege erkend. In de verklaring wordt aangegeven wanneer en van wie de instemmingen ingevolge
artikel 17, onder c, werden verkregen. 2. Elke Verdragsluitende Staat stelt, op het tijdstip
van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, de depositaris van het Verdrag
in kennis van de identiteit en de taken van de autoriteit of autoriteiten die in de Staat bevoegd is
of zijn om de verklaring af te geven. Hij stelt de depositaris ook in kennis van wijzigingen in de aanwijzing
van deze autoriteiten. Artikel 24 De erkenning van een adoptie kan in een Verdragsluitende
Staat slechts worden geweigerd indien, gelet op het belang van het kind, de adoptie kennelijk niet verenigbaar
is met zijn openbare orde. Artikel 25 Een Verdragsluitende Staat kan bij de depositaris
van het Verdrag de verklaring afleggen dat hij ingevolge dit Verdrag niet gehouden zal zijn adopties
te erkennen die in overeenstemming met een op grond van artikel 39, tweede lid, gesloten overeenkomst
tot stand zijn gekomen. Artikel 26 1. De erkenning van een adoptie brengt mee de erkenning
van a. de afstammingsband tussen het kind en zijn adoptiefouders; b. het ouderlijk
gezag van de adoptiefouders over het kind; c. de verbreking van de voordien bestaande familierechtelijke
betrekkingen tussen het kind en zijn moeder en vader, indien de adoptie dit gevolg heeft in de Verdragsluitende
Staat waar zij plaatsvond. 2. Ingeval een adoptie tot gevolg heeft dat de voordien bestaande
familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, geniet het kind in de Staat van opvang en in elke andere
Verdragsluitende Staat waar de adoptie wordt erkend, rechten gelijk aan die welke voortvloeien uit adopties
die in elk van deze Staten dit gevolg hebben. 3. De voorgaande leden doen geen afbreuk aan de
toepassing van voor het kind gunstiger bepalingen die gelden in de Verdragsluitende Staat die de adoptie
erkent. Artikel 27 1. Indien een in de Staat van herkomst toegestane adoptie niet tot
gevolg heeft dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, kan zij in de
Staat van opvang die de adoptie ingevolge het Verdrag erkent, worden omgezet in een adoptie die dit gevolg
heeft a. indien het recht van de Staat van opvang dit toestaat; en b. indien de in
artikel 4, onder c en d, bedoelde toestemmingen zijn of worden gegeven met het oog op een zodanige adoptie. 2.
Artikel 23 is van toepassing op de beslissing tot de omzetting van de adoptie. HOOFDSTUK VI.
- Algemene bepalingen Artikel 28 Dit verdrag doet geen afbreuk aan de wetten van een
Staat van herkomst die vereisen dat de adoptie van een kind dat zijn gewone verblijf in die Staat heeft
in die Staat plaatsvindt, of die verbieden dat een kind voor zijn adoptie in de Staat van opvang wordt
geplaatst of daarheen wordt overgebracht. Artikel 29 Er mag tussen de aspirant-adoptiefouders
en de ouders van het kind of een andere persoon aan wie de zorg voor het kind is toevertrouwd geen contact
zijn totdat is voldaan aan de vereisten van artikel 4, onder a tot en met c, en artikel 5, onder a, tenzij
de adoptie plaatsvindt binnen eenzelfde familie of tenzij aan de daaraan door de bevoegde autoriteit
van de Staat van herkomst gestelde voorwaarden is voldaan. Artikel 30 1. De bevoegde
autoriteiten van een Verdragsluitende Staat dragen zorg voor de bewaring van de in hun bezit zijnde gegevens
omtrent de afkomst van het kind, met name gegevens betreffende de identiteit van zijn ouders, alsmede
de medische gegevens betreffende het medische verleden van het kind en zijn familie. 2. Zij
bewerkstelligen dat voorzover de wetgeving van hun Staat zulks toelaat, het kind of zijn vertegenwoordiger,
onder passende begeleiding, toegang heeft tot deze gegevens. Artikel 31 Onverminderd
artikel 30 mogen de op grond van het Verdrag verzamelde of toegezonden persoonlijke gegevens, in het
bijzonder de in de artikelen 15 en 16 bedoelde gegevens, slechts worden gebruikt voor de doeleinden waarvoor
zij zijn verzameld of toegezonden. Artikel 32 1. Niemand mag ongerechtvaardigd financieel
of ander voordeel trekken uit enig optreden in verband met een interlandelijke adoptie. 2.
Uitsluitend kosten en uitgaven, met inbegrip van redelijke honoraria van personen die bij een adoptie
hebben bemiddeld, mogen in rekening worden gebracht en betaald. 3. Bestuurders, beheerders en
werknemers van instellingen die bij een adoptie hebben bemiddeld, mogen geen bezoldiging ontvangen die
onevenredig hoog is in vergelijking met de verleende diensten. Artikel 33 Een bevoegde
autoriteit die vaststelt dat een van de bepalingen van het Verdrag niet is nageleefd of kennelijk dreigt
niet te worden nageleefd, stelt de Centrale Autoriteit van haar Staat hiervan onmiddellijk in kennis.
De Centrale Autoriteit heeft de verantwoordelijkheid erop toe te zien dat passende maatregelen worden
getroffen. Artikel 34 Indien de bevoegde autoriteit van de Staat waarvoor een document
is bestemd zulks verzoekt, moet een voor eensluidend gewaarmerkte vertaling worden verstrekt. Tenzij
anders bepaald, worden de kosten van deze vertaling gedragen door de aspirant-adoptiefouders. Artikel
35 De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten betrachten voortvarendheid in adoptieprocedures. Artikel
36 Ten aanzien van een Staat die op het gebied van adoptie twee of meer rechtsstelsels heeft
die in verschillende territoriale eenheden van toepassing zijn : a. wordt een verwijzing naar
de gewone verblijfplaats in die Staat uitgelegd als een verwijzing naar de gewone verblijfplaats in een
territoriale eenheid van die Staat; b. wordt een verwijzing naar de wetgeving van die Staat
uitgelegd als een verwijzing naar het in de desbetreffende territoriale eenheid geldende recht; c.
wordt een verwijzing naar de bevoegde autoriteiten of de overheidsinstellingen van die Staat uitgelegd
als een verwijzing naar degenen die in de desbetreffende territoriale eenheid tot optreden bevoegd zijn; d.
wordt een verwijzing naar de vergunninghoudende instellingen van die Staat uitgelegd als een verwijzing
naar de in de desbetreffende territoriale eenheid erkende instellingen. Artikel 37 Ten
aanzien van een Staat die met betrekking tot adoptie twee of meer rechtsstelsels heeft die op verschillende
categorieën personen van toepassing zijn, wordt een verwijzing naar de wetgeving van die Staat uitgelegd
als een verwijzing naar het door het recht van die Staat aangewezen rechtsstelsel. Artikel 38 Een
Staat waarbinnen verschillende territoriale eenheden met betrekking tot adoptie hun eigen rechtsregels
hebben, is niet gehouden het Verdrag toe te passen in gevallen waarin een Staat met een uniform rechtsstelsel
daartoe niet gehouden zou zijn. Artikel 39 1. Het Verdrag laat onverlet internationale
regelingen waarbij Verdragsluitende Staten Partij zijn en die bepalingen bevatten betreffende in dit
Verdrag geregelde onderwerpen, tenzij door de Staten die Partij zijn bij zodanige regelingen een andersluidende
verklaring wordt afgelegd. 2. Een Verdragsluitende Staat kan met één of meer andere Verdragsluitende
Staten overeenkomsten sluiten met het oog op verbetering van de toepassing van het Verdrag in hun onderlinge
betrekkingen. Deze overeenkomsten kunnen alleen afwijken van de bepalingen van de artikelen 14 tot en
met 16 en 18 tot en met 21. Staten die een zodanige overeenkomst hebben gesloten, zenden een afschrift
daarvan aan de depositaris van het Verdrag. Artikel 40 Voorbehouden op het Verdrag
zijn niet toegestaan. Artikel 41 Het Verdrag is steeds van toepassing wanneer op grond
van artikel 14 een aanvraag is ontvangen nadat het Verdrag in de Staat van opvang en de Staat van herkomst
in werking is getreden. Artikel 42 De Secretaris-generaal van de Haagse Conferentie
voor internationaal privaatrecht roept periodiek een Bijzondere Commissie bijeen ten einde de praktische
werking van dit Verdrag te toetsen. HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen Artikel 43 1.
Dit Verdrag staat open voor ondertekening voor de Staten die ten tijde van de Zeventiende Zitting lid
waren van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht en voor andere Staten die aan deze Zitting
hebben deelgenomen. 2. Het Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd en de
akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring te worden nedergelegd bij het Ministerie van Buitenlandse
Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden, depositaris van het Verdrag. Artikel 44 1.
Iedere andere Staat kan tot het Verdrag toetreden nadat het overeenkomstig artikel 46, eerste lid, in
werking is getreden. 2. De akte van toetreding dient te worden nedergelegd bij de depositaris. 3.
De toetreding heeft slechts gevolg in de betrekkingen tussen de toetredende Staat en die Verdragsluitende
Staten die niet binnen zes maanden na de ontvangst van de in artikel 48, letter b, bedoelde kennisgeving
bezwaar hebben gemaakt tegen de toetreding van deze Staat. Een dergelijk bezwaar kan ook worden gemaakt
door een Staat op het tijdstip van een bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van het verdrag, indien
deze na de toetreding plaatsvindt. Van bezwaren wordt kennis gegeven aan de depositaris. Artikel
45 1. Een Staat die twee of meer territoriale eenheden omvat waarin verschillende rechtsstelsels
van toepassing zijn betreffende onderwerpen die door dit Verdrag worden geregeld, kan op het tijdstip
van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding verklaren dat dit Verdrag van
toepassing is op al deze territoriale eenheden of slechts op een of meer daarvan en kan te allen tijde
deze verklaring wijzigen door één nieuwe verklaring af te leggen. 2. Deze verklaringen worden
ter kennis gebracht van de depositaris en vermelden uitdrukkelijk de territoriale eenheden waarop het
Verdrag van toepassing is. 3. Indien een Staat geen verklaring krachtens dit artikel aflegt,
is het Verdrag van toepassing op het gehele grondgebied van die Staat. Artikel 46 1.
Het Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van een termijn
van drie maanden na de nederlegging van de derde akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring,
bedoeld in artikel 43. 2. Vervolgens treedt het Verdrag in werking a. voor iedere Staat
die het Verdrag later bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of hiertoe toetreedt, op de eerste dag van de
maand volgend op het verstrijken van een termijn van drie maanden na de nederlegging van zijn akte van
bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding; b. voor een territoriale eenheid waarop
het Verdrag overeenkomstig artikel 45 is uitgebreid, op de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken
van een termijn van drie maanden na de kennisgeving bedoeld in dat artikel. Artikel 47 1.
Een Staat die Partij is bij het Verdrag kan dit opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving
gericht aan de depositaris. 2. De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand volgend
op het verstrijken van een termijn van twaalf maanden nadat de kennisgeving door de depositaris is ontvangen.
Wanneer in de kennisgeving een langere opzegtermijn is aangegeven, wordt de opzegging van kracht na het
verstrijken van zulk een langere termijn nadat de kennisgeving door de depositaris is ontvangen. Artikel
48 De depositaris geeft de lid-Staten van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht,
de andere Staten die aan de Zeventiende Zitting hebben deelgenomen en de Staten die overeenkomstig artikel
44 zijn toegetreden, kennis van : a. de ondertekeningen, bekrachtigingen, aanvaardingen en goedkeuringen
bedoeld in artikel 43; b. de toetredingen en bezwaren tegen toetredingen bedoeld in artikel
44; c. de datum waarop het Verdrag overeenkomstig artikel 46 in werking treedt; d.
de verklaringen en aanwijzingen bedoeld in de artikelen 22, 23, 25 en 45; e. de overeenkomsten
bedoeld in artikel 39; f. de opzeggingen bedoeld in artikel 47. Ten blijke waarvan
de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend. Gedaan
te Den Haag, de negenentwintigste mei negentienhonderddrieënnegentig, in de Engelse en de Franse taal,
waarbij beide teksten gelijkelijk authentiek zijn, in één enkel exemplaar, dat zal worden nedergelegd
in het archief van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en waarvan een voor eensluidend gewaarmerkt
afschrift langs diplomatieke weg zal worden gezonden aan alle Staten die ten tijde van haar Zeventiende
Zitting lid waren van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht, alsmede aan elke andere
Staat die aan deze Zitting heeft deelgenomen. Verdrag inzake de internationale samenwerking
en de bescherming van kinderen op het gebied van de interlandelijke adoptie, gedaan te Den Haag
op 29 mei 1993 Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
Verdrag
inzake de internationale samenwerking en de bescherming van kinderen op het gebied van de interlandelijke
adoptie, gedaan te Den Haag op 29 mei 1993 Verklaringen van België - Verklaring
betreffende artikel 22, lid 4 : Overeenkomstig artikel 22, lid 4 van het Verdrag, verklaart
België dat de adoptie van een kind dat zijn gewone verblijfplaats op zijn grondgebied heeft slechts plaats
kan vinden indien de taken waarmee de Centrale Autoriteit van de Staat van opvang uitgevoerd worden overeenkomstig
artikel 22, lid 1 van het Verdrag. - Verklaring betreffende artikel 23, lid 2 : Overeenkomstig
artikel 23, lid 2, van het Verdrag, verklaart België dat de Dienst Internationale adoptie van de Federale
Overheidsdienst Justitie de enige bevoegde Autoriteit is om de verklaring vermeld in artikel 23, lid
1 af te leveren wanneer de adoptie plaatsvindt in België. - Lijst van Belgische Centrale Autoriteiten *
Federale Staat De Federale Centrale Autoriteit is de Dienst Internationale adoptie van de Federale
Overheidsdienst Justitie. Het betreft hier de Autoriteit waaraan alle mededelingen gericht kunnen
worden met het oog op hun toezending aan de bevoegde Centrale Autoriteit binnen de Belgische Staat. Dienst
Internationale adoptie, Federale Overheidsdienst Justitie, Directie-generaal Wetgeving, Vrijheden
en Fundamentele rechten Waterloolaan 115 B-1000 Brussel Telefoonnummer : +
32 (2) 542 6511 Faxnummer : + 32 (2) 542 70 38 * De Gemeenschappen 1. Franse
Gemeenschap « Autorité centrale communautaire, Ministère de la Communauté française, Direction
générale Aide à la Jeunesse, Espace 27 septembre Boulevard Léopold II 44 B-1080
Bruxelles Tél. : + 32 (2) 413 27 26 Fax : + 32 (2) 413 21 39 » De Centrale
Autoriteit van de Gemeenschap is bevoegd in het Franse taalgebied, evenals ten aanzien van de instellingen
die gevestigd zijn in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, die om reden van hun organisatie, moeten
beschouwd worden als exclusief behorend tot de Franse Gemeenschap. 2. Vlaamse Gemeenschap Kind
en Gezin, Hallepoortlaan 27 B-1060 Brussel Telefoonnummer : + 32 (2) 533 12
11 Faxnummer : + 32 (2) 534 13 82 Kind en Gezin is bevoegd in het Nederlandse taalgebied,
evenals ten aanzien van de instellingen die gevestigd zijn in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad,
die om reden van hun organisatie, moeten beschouwd worden als exclusief behorend tot de Vlaamse Gemeenschap. 3.
Duitstalige Gemeenschap « Ministerium der Deutschsprachigen Gemeinschaft Zentrale Behörde
der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Adoptionen Gospertstrasse 1 B-4700 Eupen Fax.
: + 32 (87)55 64 74 Tel. : + 32 (87) 59 63 46 E-Mail : michael.fryns@dgov.be Kontaktperson
: Herr Michael Fryns » Deze Centrale Autoriteit van de Gemeenschap is bevoegd in het Duitse
taalgebied. (Deze tekst vernietigt en vervangt degene die verschenen is in het Belgisch Staatsblad
nr. 173 van 1 juni 2005, bladzijden 25424 tot en met 25437).