28 NOVEMBER 2003. - Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de toelaatbare functiewijzigingen voor gebouwen, gelegen buiten de geëigende bestemmingszone
VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Goedkeuring
na advies van de Raad van State. Situering De decreetswijziging van 13 juli 2001 inzake
zonevreemde woningen en gebouwen voert een artikel 145bis in in het decreet van 18 mei 1999 houdende
de organisatie van de ruimtelijke ordening. In § 2 van dat artikel worden de functiewijzigingen
geregeld : « § 2. De vergunningverlenende overheid mag, bij het verlenen van een stedenbouwkundige
vergunning die betrekking heeft op een vergunningsplichtige wijziging van de hoofdfunctie van een onroerend
bebouwd goed met het oog op een nieuwe functie in de zin van artikel 99, § 1, eerste lid, 6°,
alleen afwijken van de voorschriften van een gewestplan of een algemeen plan van aanleg in de volgende
gevallen : - het wijzigen van het gebruik van een bestaand vergund, eventueel leegstaand, landbouwbedrijf,
dat volgens het gewestplan niet gelegen is in een recreatiegebied of een ruimtelijk kwetsbaar gebied,
behoudens een parkgebied, met als nieuw gebruik uitsluitend wonen, én op voorwaarde dat de volgende voorschriften
nageleefd worden : 1° de bedrijfswoning en de bijgebouwen die er fysisch één geheel mee vormen,
krijgen als nieuw gebruik wonen met uitsluiting van meergezinswoningen, maar met inbegrip van tijdelijke
verblijfsgelegenheden op voorwaarde dat landbouw als nevenbestemming nog aanwezig blijft; 2°
de bedrijfsgebouwen van dit landbouwbedrijf mogen niet afgesplitst worden van de bedrijfswoning en kunnen
enkel een nieuw gebruik krijgen als woningbijgebouwen, of als accommodatie voor tijdelijke verblijfsgelegenheden
op voorwaarde dat landbouw als nevenbestemming nog aanwezig blijft; - het wijzigen van het gebruik
van een bestaand, vergund gebouw voor zover deze wijziging is opgesomd in een door de Vlaamse regering
vast te leggen lijst. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen voor deze wijzigingen
van gebruik. De hierboven beschreven wijzigingen van gebruik kunnen eventueel gecombineerd worden
met de onder § 1, eerste lid, 1° tot en met 6° beschreven mogelijkheden. Al de hierboven
vermelde afwijkingen kunnen slechts worden verleend op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet
wordt geschaad. De Vlaamse regering kan hiertoe in een besluit de nadere regels vastleggen, zoals ondermeer
met betrekking tot de ruimtelijke draagkracht van het gebied en de verweving van de functies. De
weigering van het verlenen van een afwijking tot het wijzigen van het gebruik kan geen aanleiding geven
tot het verschuldigd zijn van een vergoeding zoals bedoeld in de artikelen 84 tot en met 86. » Het
is wenselijk om via ruimtelijke uitvoeringsplannen zo snel mogelijk over te gaan tot een differentiëring
van het agrarisch gebied, om via deze weg de toelaatbare functiewijzigingen te verruimen of te beperken,
al naargelang de aard van het concrete gebied. Met een generieke regeling is het zeer moeilijk om maximaal
rekening te houden met de sterk verschillende ruimtelijke situaties die in de praktijk kunnen voorkomen.
Er zijn in het besluit een aantal grendels en afwegingskaders ingebouwd die deze differentiëring in het
vergunningenbeleid moeten mogelijk maken, doch de planmatige aanpak zal altijd de voorkeur wegdragen. Artikelswijze
bespreking Art. 1. In dit artikel worden een aantal gehanteerde begrippen gedefinieerd. Toch
lijkt het nuttig om even verder in te gaan op een paar van deze definities. « gebouwengroep"
Het dient te gaan over minstens drie gebouwen of gebouwencomplexen, al dan niet aan dezelfde kant van
de straat gelegen, die samen geen functioneel, maar wel een ruimtelijk aaneengesloten geheel vormen.
Een boerderijcomplex, bestaande uit het woongebouw en twee losstaande stallen, is dus geen gebouwengroep,
want het vormt één functioneel geheel. Het moet dus werkelijk minstens 3 onafhankelijk van elkaar functionerende
eenheden betreffen (van 3 verschillende eigenaars). Met in aparte onderdelen gesplitste onroerende goederen
zal geen rekening worden gehouden. Met ruimtelijk aaneengesloten geheel wordt een geheel van gebouwen
bedoeld, die zeer dicht bij elkaar gelegen zijn. Wanneer de ruimte tussen de gebouwen meer dan 50 meter
bedraagt, is dit reeds voldoende om niet meer van een ruimtelijk aaneengesloten geheel te spreken. «
ruimere omgeving". Voor de bepaling van de ruimere omgeving stelt men zich bijvoorbeeld in de plaats
van een bezoeker aan het gebouw of gebouwencomplex in kwestie. De ruimte die grenst aan alle openbare
wegen waarlangs het gebouw of gebouwencomplex kan benaderd worden, behoort tot de ruimere omgeving, weliswaar
met een maximum van 200 meter, gemeten vanaf het gebouw of gebouwencomplex. In het besluit worden
nog een aantal andere begrippen gehanteerd, die niet gedefinieerd worden, voornamelijk omdat ze reeds
elders voorkomen. Het gaat hier om de functiecategorieën, zoals « landbouw in de ruime zin »,
« horeca », « dagrecreatie ». Het is duidelijk dat hier dezelfde begrippen gehanteerd zijn als in het
besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen
en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is. Art.
2. § 1. Verkrotte, onvergunde, of niet meer bestaande gebouwen komen uiteraard niet in aanmerking. §
2. Ruimtelijk kwetsbare gebieden worden uitgesloten van de toepassing (behalve parkgebied). Ook recreatiegebieden
en overstromingsgebieden komen niet in aanmerking. § 3. Voor de meeste functiewijzigingen
dient het gebouw gelegen te zijn langs een voldoende uitgeruste weg. § 4. "bouwfysisch
geschikt voor het nieuwe gebruik". Normalerwijze dient de bestemming die vastgelegd is in de plannen
van aanleg gevolgd te worden. Hierop afwijkingen toestaan is niet vanzelfsprekend. Dit is enkel verantwoord
omdat bestaande gebouwen afbreken en elders (in de goede zone) nieuwe gebouwen oprichten, kosten met
zich meebrengt (financiële, maar ook milieukosten). Dit besluit is dan ook gericht op een valorisatie
van het bestaande gebouwenpatrimonium in Vlaanderen. Gebouwen komen daarom enkel in aanmerking wanneer
ze bouwfysisch nog in goede staat zijn en zonder al te grote investeringen of ingrijpende verbouwingen
geschikt zijn voor de nieuwe functie. De financiële grootte van de investering wordt afgewogen tegen
de waarde van het onroerend goed. Gebouwen waarin de laatste 2 jaar ingrijpende werken gebeurd zijn (die
misschien speculatieve bedoelingen gehad hebben) komen niet in aanmerking. Uit het feit dat recentelijk
ingrijpende werken zijn uitgevoerd in functie van het oorspronkelijke gebruik kan immers worden besloten
dat de oorspronkelijke functie niet is achterhaald. Ook is het evident dat eens de functiewijziging is
toegestaan, het gebouw gedurende een periode van minstens 10 jaar niet in aanmerking komt voor ingrijpende
verbouwingen. Van herbouw kan al evenmin sprake zijn, aangezien dat regelrecht ingaat tegen de bedoeling
van 145bis, § 2, namelijk valorisatie van het bestaande gebouwenpatrimonium. Minder ingrijpende
verbouwingen, zoals het bijmaken van raam- en deuropeningen, het aanbrengen van uithangborden, het uitvoeren
van niet constructieve binnenverbouwingen kunnen wel vergund worden. Teneinde expliciet op deze bepaling
te wijzen, zal bij de aanvraag een door de aanvrager en eigenaar ondertekende verklaring zoals in bijlage
bij dit besluit gevoegd worden. Art. 3. Vaak werd de vraag gesteld of bij zonevreemde woningen
een complementaire functie kon worden uitgevoerd. Met « complementaire functie » worden voornamelijk
kantoor- en dienstenfuncties in de ruime zin bedoeld (architect, advocaat, dierenarts, kapsalon, ...),
en dit ten behoeve van de bewoners van de zonevreemde woning. Artikel 3 schept hiervoor ruimte, ook al
blijft de oppervlakte beperkt tot 100 m2. Doordat voor de woonfunctie een grotere oppervlakte
moet worden voorzien dan voor de complementaire functie, wordt oneigenlijk gebruik van deze bepaling
vermeden. De complementaire functie wordt niet meegerekend voor de bepaling van het maximaal
toelaatbare volume, bedoeld in artikel 145bis, § 1, 6° van het decreet. Hiermee wordt bedoeld
dat de complementaire functie ook in niet-woonruimten (zoals stallen) kan ondergebracht worden. Een
voorbeeld van een aanvaardbare functiewijziging : een verzekeringsagent die in twee lokalen van zijn
zonevreemde woning klanten ontvangt, een bureau heeft en dossiers bijhoudt. Een niet vergunbaar
voorbeeld : een nieuw klein café in een zonevreemde woning. Art. 4. Het begrip plattelandstoerisme
wordt niet gedefinieerd. Dit is een bewuste keuze omdat de decreetgever ervoor kan opteren om in de sectorale
regelgeving een eigen invulling van het begrip te geven. In tussentijd moge het duidelijk zijn dat met
plattelandstoerisme de uit het buitenland genoegzaam bekende formules genre « bed and breakfast » of
« zimmer frei » bedoeld zijn : het aanbieden van eenvoudige logiesmogelijkheid (maximaal 4 kamers) en
eventueel ontbijt (in een aparte ontbijt- en verblijfsruimte) bij particulieren, zonder restaurant of
café. De complementaire functie wordt niet meegerekend voor de bepaling van het maximaal toelaatbare
volume, bedoeld in artikel 145bis, § 1, 6° van het decreet. Hiermee wordt bedoeld dat de complementaire
functie ook in niet-woonruimten (zoals stallen) kan ondergebracht worden. Een voorbeeld van
een aanvaardbare functiewijziging : 3 kamers voor bed and breakfast + 1 ontbijtruimte in schuur van zonevreemde
woning (voormalige boerderij) zonder landbouw als nevenfunctie. Een niet vergunbaar voorbeeld
: een klein hotel met half pension in schuur van voormalige boerderij. Art. 5. Artikel 145bis,
§ 2 van het decreet maakt het mogelijk om van een landbouwwoning een residentiële woning te maken.
Er was echter geen mogelijkheid om van niet-agrarische gebouwen residentiële woningen te maken. Deze
mogelijkheid wordt thans voorzien, voorzover deze gebouwen liggen binnen een gebouwengroep en er reeds
woningen in de buurt gelegen zijn. Een voorbeeld van een aanvaardbare functiewijziging : voormalig
schoolgebouw in woonkorrel wordt omgevormd naar zonevreemde woning. Een ander aanvaardbaar voorbeeld
: oud industrieel gebouw in kmo-zone in stadscentrum wordt ingericht als loft. Een niet vergunbaar
voorbeeld : een geïsoleerd gelegen watertoren wordt omgevormd naar woning (geen woningen in omgeving
- geen gebouwengroep). Een ander niet vergunbaar voorbeeld : ambachtelijke loods in betonplaten
wordt omgevormd naar woning (gebouw bouwfysisch niet geschikt voor nieuwe functie). Art. 6.
Dit artikel maakt een omvorming van bijvoorbeeld industrieel gebouw naar handelszaak mogelijk, in industriegebied,
voorzover in de onmiddellijke omgeving reeds dergelijke vergunde functies voorkomen en voor zover in
het betreffende bedrijventerrein reeds tal van vergunde winkels, kantoren en dienstenfuncties aanwezig
zijn. We denken hier bijvoorbeeld aan kleinhandelslinten langs sommige wegen, die gelegen zijn in KMO-zone,
bedrijventerreinen met een gevarieerde vergunde invulling, KMO-zones met een beperkte oppervlakte in
functie van één of enkele kleine bedrijven volledig omgeven door een woongebied, ... Om een ruimtelijk
aanvaardbare functiewijziging in deze laatste kleine KMO-zones mogelijk te maken, is de voorwaarde zoals
gesteld in art. 6 - 3° slechts van toepassing op bedrijventerreinen met meer dan 3 bedrijven. Een
voorbeeld van een aanvaardbare functiewijziging : een ambachtelijk bedrijf in industriegebied tussen
bestaande vergunde handelszaken wordt omgevormd naar winkel. Een niet vergunbaar voorbeeld :
ambachtelijk bedrijf op volwaardig industrieterrein zonder winkels wordt omgevormd naar handelszaak. Art.
7. In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen werd vastgesteld dat er een tekort is aan gebieden bestemd
voor recreatie. Voor deze problematiek zal een planologische oplossing worden uitgewerkt. Hierbij zijn
er bijzondere vormen van recreatie die niet op om het even welk recreatiegebied onder te brengen zijn.
Er is enerzijds de luidruchtige buitenrecreatie (motorcross en dergelijke) en anderzijds de luidruchtige
binnenrecreatie (karting, fuifzaal, schietstand, ...). In 2 arresten heeft het hof van beroep van Antwerpen
in 1999 in twee concrete situaties gesteld dat een karting kan worden geëxploiteerd in een industriegebied
of KMO-zone, gelet dat zijn bezoek, onderhoudswerkplaatsen, opslag van diverse petroleumproducten, onvermijdelijk
lawaai en luchtafzuiginstallatie veeleer beantwoordt aan het begrip KMO en lichte industriële activiteit. Sommige
gebouwen in industriegebied zijn omwille van hun concept en ligging geschikt om dergelijke luidruchtige
binnenfuncties op te vangen. Dit artikel geeft die mogelijkheid. Uiteraard zal (zoals elders opgelegd)
een uitgebreid onderzoek een eventuele vergunning dienen vooraf te gaan. Dit kan gaan tot en met de opmaak
van een MOBER om de mobiliteitseffecten te onderzoeken. Een voorbeeld van een aanvaardbare functiewijziging
: een leegstaande loods met voldoende geluidwerende muren in industriegebied wordt ingericht als gemeentelijke
fuifzaal. Een niet vergunbaar voorbeeld : een leegstaande loods in metaalplaten in industriegebied
omvormen naar fuifzaal, indien er te veel ingrijpende werken moeten gebeuren om het gebouw geschikt te
maken voor het nieuwe gebruik. Een ander niet vergunbaar voorbeeld : leegstaande fabriekshal
omvormen naar karting wanneer deze gelegen is in een slecht ontsloten industriegebied met onvoldoende
parking (geen oplossing van het mobiliteitsprobleem). Art. 8. In agrarisch gebied komen voormalige
landbouwgebouwen voor, die onttrokken zijn aan de landbouwfunctie (schuren, stallen, en dergelijke).
Deze kunnen gebruikt worden louter voor de opslag van allerhande materialen of materieel, zonder dat
er andere activiteiten in het gebouw plaatsvinden. Hier kan bijvoorbeeld gedacht worden aan : winterberging
voor caravans, berging van oldtimers, opslag van hout voor een schrijnwerkerij, enz ... Een
niet vergunbaar voorbeeld : schrijnwerkerij in dezelfde leegstaande stal. Art. 9. Een aantal
in min of meerdere mate landbouwverwante activiteiten kunnen soms moeilijk een geschikte locatie vinden.
Het hergebruik van bestaande landbouwgebouwen kan hiervoor een uitweg bieden. Hierbij wordt (limitatief)
gedacht aan een paardenhouderij, een manège, een dierenasiel, een dierenpension, een dierenartspraktijk,
een tuinaanlegbedrijf met 0,5 ha plantenkweek of opslag van planten, een kinderboerderij, een dagverblijf
voor patiënten met een beperkt landbouwbedrijf,.... Een voorbeeld van een aanvaardbare functiewijziging
: omvormen van een leegstaande boerderij naar dagverblijf voor autistische kinderen, met onder meer therapeutische
verzorging van pony's en schapen. Een niet vergunbaar voorbeeld : omvormen van leegstaande boerderij
naar tuincentrum met plantenverkoop. Art. 10. Voor gebouwen die voorkomen in de inventaris van
het bouwkundig erfgoed is het soms onmogelijk om een functie te vinden die overeenstemt met de bestemming
van het terrein en tegelijkertijd economisch haalbaar is. Dit leidde soms tot het verdwijnen van dergelijke
gebouwen. Dit moet betreurd worden, ook al zijn het geen beschermde gebouwen. Daarom wordt hier de nieuwe
functie vrij gelaten, maar worden wel een aantal grendels ingebouwd, waaronder een gunstig advies van
monumenten en landschappen. Art. 11. In 1984 werden voor de eerste maal sommige gebruikswijzigingen
vergunningsplichtig gemaakt. Ze waren echter allemaal vergunbaar. In de praktijk werden de aangevraagde
wijzigingen vaak toegestaan. In plaats van een uitzonderingsregel was de regel bijna een automatisme
geworden. Dit is thans duidelijk niet de bedoeling. Daarom wordt duidelijk bepaald dat de ruimtelijke
ordening niet mag worden geschaad, wat uiteraard moet blijken uit de motivering van de beslissing. Minstens
5 items moeten in deze motivering worden onderzocht : 1° de invloed van het nieuwe gebruik op
het aantal te verwachten gebruikers, bewoners of bezoekers van het gebouw; 2° de invloed van
het nieuwe gebruik op het mobiliteitsaspect; 3° de relatie van het nieuwe gebruik met de in
de omgeving aanwezige functies; 4° de relatie van het nieuwe gebruik met de in de omgeving vastgelegde
bestemmingen; 5° het al dan niet bouwfysisch geschikt zijn voor het nieuwe gebruik. De
mogelijke relaties tussen deze punten moeten ook afgewogen worden. Zo moet bijvoorbeeld onderzocht worden
welke invloed punt 1° (aantal bezoekers) heeft op punt 2° (mobiliteitsaspect). Ook wanneer slechts één
van deze 5 items problematisch is, zal de aanvraag moeten worden geweigerd! Al naargelang de
aard van de gevraagde gebruikswijziging, zal de motivering beperkt of uitgebreid dienen te zijn. Ook
zal bij sommige gebruikswijzigingen meer op bepaalde aspecten moeten ingegaan worden. Zo we
dit toepassen op een aantal van de gegeven voorbeelden, bekomen we het volgende : 1. Een verzekeringsagent
die in twee lokalen van zijn zonevreemde woning klanten ontvangt, een bureau heeft en dossiers bijhoudt
: beperkte motivering lijkt voldoende. 2. Drie kamers voor bed and breakfast + 1 ontbijtruimte
in schuur van zonevreemde woning (voormalige boerderij) zonder landbouw als nevenfunctie : beperkte motivering
lijkt voldoende. 3. Voormalig schoolgebouw in woonkorrel wordt omgevormd naar zonevreemde woning
: beperkte motivering lijkt voldoende, met vooral aandacht voor punten 3°, 4° en 5°. 4. Een
ambachtelijk bedrijf in industriegebied tussen bestaande vergunde handelszaken wordt omgevormd naar winkel
: grondige motivering met vooral aandacht voor punten 1° en 2°. 5. Een leegstaande loods met
voldoende geluidwerende muren in industriegebied wordt ingericht als gemeentelijke fuifzaal : grondige
motivering met aandacht voor alle punten (1° tot en met 5°). 6. Winterberging voor caravans
: grondige motivering met vooral aandacht voor 3°, 4° en 5°. 7. Omvormen van een leegstaande
boerderij naar dagverblijf voor autistische kinderen, met onder meer therapeutische verzorging van pony's
en schapen : grondige motivering met vooral aandacht voor punten 1°, 2° en 5°. Art. 12. Bevat
de standaardformule. Inspectie van financiën De Inspecteur van Financiën heeft op 29
april 2003 geoordeeld dat deze regeling een financiële weerslag heeft gelet dat dit besluit een mogelijke
invloed kan hebben op het aantal aanvragen, vergunningen, weigeringen en beroepsprocedures. Deze financiële
weerslag is echter gering, gelet dat het afhandelen van vergunningsaanvragen tot de normale taken behoren.
Er werd een aanvraag tot begrotingsakkoord aangevraagd en op 5/5/03 verkregen. Weerslag van
het voorstel op de lokale besturen a) Personeel : geen weerslag b) Werkingsuitgaven
: geen weerslag c) Investeringen en schuld : geen weerslag d) Ontvangsten : geen
weerslag e) Conclusie : de regeling heeft geen invloed op de uitvoering van de gemeentelijke
taken. Effect van het voorstel van beslissing op personeelsbehoeften en/of personeelsbudgetten De
regeling heeft geen invloed. Taal en legistiek advies Het ontwerp werd aangepast aan
het advies van 7 mei 2003. Raad van State De Raad van State heeft op 18 september 2003
advies uitgebracht over het op 23 mei 2003 voorlopig aanvaarde ontwerp-besluit. Eerst wordt
door de Raad opgemerkt dat in artikel 2, § 4, eerste lid beter wordt geschreven "hoofdzakelijk
vergunde of vergund geachte functie", om gelijkluidend te zijn met § 1 "hoofdzakelijk vergunde
of vergund geachte gebouwen". Nader onderzoek heeft echter uitgewezen dat op deze opmerking beter niet
ingegaan wordt. De thans gehanteerde terminologie is immers die van het decreet. Bovendien is niet duidelijk
wat onder een "hoofdzakelijk vergunde functie" moet begrepen worden. Een functie is immers vergund of
niet vergund. Dit is bij gebouwen niet het geval. De herformulering van artikel 2, §
4, vierde en vijfde lid is doorgevoerd zoals gevraagd door de Raad. Artikel 11 is ook aangepast
zoals gevraagd. Voorstel van beslissing De Vlaamse regering beslist haar goedkeuring
te hechten aan het bovengenoemd ontwerp-besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de toelaatbare
functiewijzigingen voor gebouwen, gelegen buiten de geëigende bestemmingszone, na advies van de Raad
van State. De Vlaamse regering beslist de artikelswijze bespreking als "verslag aan de Vlaamse
regering" te laten publiceren in het Belgisch Staatsblad . De Vlaamse minister, bevoegd voor
de ruimtelijke ordening, wordt belast met de uitvoering van deze beslissing. De Vlaamse minister
van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie D.
VAN MECHELEN
28 NOVEMBER 2003. - Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling
van de toelaatbare functiewijzigingen voor gebouwen, gelegen buiten de geëigende bestemmingszone De
Vlaamse regering, Gelet op het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke
ordening, inzonderheid op artikel 145bis, § 2, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2001; Gelet
op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 5 mei 2003; Gelet
op de beraadslaging van de Vlaamse regering, op 23 mei 2003, betreffende de aanvraag om advies bij de
Raad van State binnen een maand; Gelet op het advies nr. 35.544/1 van de Raad van State, gegeven
op 18 september 2003, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op
de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke
Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie; Na beraadslaging, Besluit : Artikel
1. In dit besluit wordt verstaan onder : 1° gebouwencomplex : fysiek niet met elkaar verbonden
gebouwen, die samen een functioneel geheel vormen; 2° gebouwengroep : minstens drie gebouwen
of gebouwencomplexen, al dan niet aan dezelfde kant van de straat gelegen, die samen geen functioneel,
maar wel een ruimtelijk aaneengesloten geheel vormen; 3° decreet : het decreet van 18 mei 1999
houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; 4° ruimere omgeving : omgeving die ruimtelijk
aansluit bij het gebouw of gebouwencomplex, steeds beperkt tot een maximum van 200 meter; 5°
industriegebied in de ruime zin : alle gebieden, bestemd voor industrie en ambacht, ook indien dit onderworpen
is aan bijzondere voorwaarden; 6° agrarisch gebied in de ruime zin : alle gebieden, bestemd
voor landbouw in de ruime zin, ook indien dit onderworpen is aan bijzondere voorwaarden, onverminderd
de bepaling van artikel 2, § 2. Art. 2. § 1. De functiewijzigingen, die in dit
besluit worden opgesomd, kunnen enkel worden toegestaan aan bestaande, niet-verkrotte, hoofdzakelijk
vergunde of vergund geachte gebouwen. Gebouwen worden beschouwd als zijnde verkrot indien ze niet voldoen
aan de elementaire eisen van stabiliteit. § 2. De functiewijzigingen, die in dit besluit
worden opgesomd, kunnen niet worden toegestaan in ruimtelijk kwetsbare gebieden, bedoeld in artikel 145bis,
§ 1 van het decreet, behoudens parkgebied, noch in recreatiegebieden in de ruime zin. Ze kunnen
evenmin worden toegestaan in overstromingsgebieden, aangeduid met toepassing van het decreet van 18 juli
2003 betreffende het integraal waterbeleid. § 3. De functiewijzigingen, die in artikel
4 tot en met 9 van dit besluit worden opgesomd, kunnen enkel worden toegestaan als voldaan is aan de
bepalingen van artikel 100, § 1, eerste lid, van het decreet. § 4. De functiewijzigingen,
die in artikel 4 tot en met 10 van dit besluit worden opgesomd, kunnen enkel worden toegestaan als het
gebouw of gebouwencomplex niet meer geschikt is voor de vergunde of vergund geachte functie op het moment
van de aanvraag en bouwfysisch wel geschikt is voor de nieuwe functie. Een gebouw of gebouwencomplex
is niet meer geschikt voor een functie als economische, maatschappelijke, milieutechnische, gebruikstechnische
of andere redenen de uitoefening van deze functie in de weg staan. Een gebouw of gebouwencomplex
is bouwfysisch geschikt voor een nieuwe functie indien het aan de volgende voorwaarden voldoet : 1°
gedurende een periode van 2 jaar voor de aanvraag tot functiewijziging zijn er aan het gebouw of gebouwencomplex
geen uit financieel en bouwtechnisch oogpunt ingrijpende werken uitgevoerd; 2° het gebouw of
gebouwencomplex kan zonder uit financieel of bouwtechnisch oogpunt ingrijpende werken klaargemaakt worden
voor de nieuwe functie. Het is de aanvrager en de eigenaar gedurende een periode van tien jaar
na de vergunning tot wijziging van gebruik niet toegestaan uit financieel en bouwtechnisch oogpunt ingrijpende
vergunningsplichtige werken uit te voeren. Dit verbod geldt eveneens voor elke verwerver van een zakelijk
recht op het gebouw of gebouwencomplex; het wordt door de eigenaar gedurende tien jaar na de vergunning
tot wijziging van gebruik meegedeeld aan elke verwerver. De aanvrager voegt een verklaring in
die zin door hemzelf en door de eigenaar ondertekend, bij de aanvraag. Hij gebruikt daarvoor het model,
dat als bijlage bij dit besluit is gevoegd. Indien de aanvrager dit niet gedaan zou hebben, kan hij dit
stuk alsnog in de loop van de procedure toevoegen. Art. 3. Met toepassing van artikel 145bis,
§ 2, van het decreet, kan een vergunning worden verleend voor het gedeeltelijk wijzigen van het
gebruik van een woning, met inbegrip van de woningbijgebouwen die er fysisch een geheel mee vormen, in
een complementaire functie meer bepaald « kantoor- of dienstenfunctie », zoals kantoorfunctie, vrij beroep
of dienstverlening, voorzover aan al de volgende voorwaarden voldaan is : 1° de complementaire
functie beslaat een totale maximale vloeroppervlakte van 100 vierkante meter; 2° de woonfunctie
beslaat een grotere oppervlakte dan de complementaire functie. Art. 4. Met toepassing van artikel
145bis, § 2, van het decreet, kan een vergunning worden verleend voor het gedeeltelijk wijzigen
van het gebruik van een woning, met inbegrip van de woningbijgebouwen, in een complementaire functie,
voorzover aan al de volgende voorwaarden voldaan is : 1° de complementaire functie heeft betrekking
op het gebruik als een logiesverstrekkend bedrijf, categorie kamers voor zover het maximaal 4 kamers
en/of accomodaties betreft, met uitsluiting van elke vorm van restaurant of café; 2° de aanvraag
wordt voor voorafgaand advies voorgelegd aan Toerisme Vlaanderen. Art. 5. Met toepassing van
artikel 145bis, § 2, van het decreet, kan een vergunning worden verleend voor het geheel of gedeeltelijk
wijzigen van het gebruik van een gebouw of gebouwencomplex, niet gebruikt of bedoeld voor de « landbouw
» in de ruime zin, in maximaal één eengezinswoning per gebouwencomplex, voorzover aan al de volgende
voorwaarden voldaan is : 1° het gebouw of gebouwencomplex maakt deel uit van een gebouwengroep; 2°
in de ruimere omgeving van het gebouw of het gebouwencomplex komen nog gebouwen voor met de vergunde
functie wonen. Art. 6. Met toepassing van artikel 145bis, § 2, van het decreet kan een
vergunning worden verleend voor het geheel of gedeeltelijk wijzigen van het gebruik van een gebouw of
gebouwencomplex, voorzover aan al de volgende voorwaarden voldaan is : 1° het gebouw of gebouwencomplex
is gelegen in een industriegebied in de ruime zin; 2° in de ruimere omgeving van het gebouw
of gebouwencomplex komen nog gebouwen voor met de vergunde functie « handel, horeca, kantoorfunctie of
diensten »; 3° indien op het industriegebied in kwestie meer dan drie bedrijven gevestigd zijn,
dan hebben minstens 50 % van de bedrijven van dat industriegebied reeds een vergunde hoofdfunctie « handel,
horeca, kantoorfunctie of diensten »; 4° de nieuwe functie behoort tot de functiecategorie «
handel, horeca, kantoorfunctie of diensten ». Art. 7. Met toepassing van artikel 145bis, §
2, van het decreet kan een vergunning worden verleend voor het geheel of gedeeltelijk wijzigen van het
gebruik van een gebouw of gebouwencomplex, voorzover aan al de volgende voorwaarden voldaan is : 1°
het gebouw of gebouwencomplex is gelegen in een industriegebied in de ruime zin; 2° de nieuwe
functie heeft betrekking op een inrichting voor luidruchtige binnenrecreatie, zoals een karting, een
fuifzaal of een schietstand. Art. 8. Met toepassing van artikel 145bis, § 2, van het
decreet kan een vergunning worden verleend voor het geheel of gedeeltelijk wijzigen van het gebruik van
een gebouw of gebouwencomplex van de hoofdfunctie « landbouw » in de ruime zin, voorzover aan al de volgende
voorwaarden voldaan is : 1° het gebouw of gebouwencomplex is gelegen in een agrarisch gebied
in de ruime zin; 2° het gebouw of gebouwencomplex maakt deel uit van een gebouwengroep; 3°
de nieuwe functie heeft louter betrekking op de opslag van allerhande materialen of materieel. Art.
9. Met toepassing van artikel 145bis, § 2, van het decreet kan een vergunning worden verleend
voor het geheel of gedeeltelijk wijzigen van het gebruik van een gebouw of gebouwencomplex van de hoofdfunctie
« landbouw in de ruime zin », voor zover aan al de volgende voorwaarden voldaan is : 1° het
gebouw of gebouwencomplex is gelegen in een agrarisch gebied in de ruime zin; 2° de nieuwe functie
heeft betrekking op een paardenhouderij, een manège, een dierenasiel, een dierenpension, een dierenartsenpraktijk,
een tuinaanlegbedrijf, een kinderboerderij of een instelling waar hulpbehoevenden al dan niet tijdelijk
verblijven en landbouwactiviteiten of aan de landbouw verwante activiteiten uitoefenen. Art.
10. Met toepassing van artikel 145bis, § 2, van het decreet kan een vergunning worden verleend
voor het geheel of gedeeltelijk wijzigen van het gebruik van een gebouw of gebouwencomplex, voorzover
aan al de volgende voorwaarden voldaan is : 1° het gebouw of gebouwencomplex is opgenomen in
de inventaris van het bouwkundige erfgoed, opgesteld met toepassing van artikel 3, 2° van het koninklijk
besluit van 1 juni 1972 tot oprichting van een Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg bij het
Ministerie van Nationale Opvoeding en Nederlandse Cultuur, en vastgesteld door de Vlaamse minister, bevoegd
voor de monumenten en landschappen; 2° de voortzetting van de vroegere functie blijkt niet haalbaar
of garandeert de duurzame leefbaarheid van het gebouw of het gebouwencomplex niet; 3° de nieuwe
functie laat de erfgoedwaarde ongeschonden of verhoogt ze; 4° de administratie, bevoegd voor
de monumenten en landschappen, brengt een gunstig advies uit over de aanvraag. Ze spreekt zich minstens
uit over de in 1°, 2° en 3° vermelde voorwaarden. Art. 11. De functiewijzigingen, die in artikel
145bis van het decreet en in dit besluit worden opgesomd, kunnen enkel worden toegestaan op voorwaarde
dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Meer bepaald moet in die motivering aan de volgende
aspecten aandacht worden geschonken : 1° de invloed van het nieuwe gebruik wat betreft het aantal
te verwachten gebruikers, bewoners of bezoekers van het gebouw; 2° de invloed van het nieuwe
gebruik op het mobiliteitsaspect; 3° de relatie van het nieuwe gebruik met de in de omgeving
aanwezige functies; 4° de relatie van het nieuwe gebruik met de in de omgeving vastgelegde bestemmingen; 5°
het al dan niet bouwfysisch geschikt zijn voor het nieuwe gebruik. Art. 12. De Vlaamse minister,
bevoegd voor de ruimtelijke ordening, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel,
28 november 2003. De minister-president van de Vlaamse regering, B. SOMERS De
Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie, D.
VAN MECHELEN
Bijlage Model Voor de raadpleging van de tabel,
zie beeld
Verklaring
: 2° Vul de onderstaande verklaring in. Als de aanvrager niet de eigenaar van het gebouw
is, moet de eigenaar eveneens deze verklaring ondertekenen. Ik ben ervan op de hoogte dat -
als deze aanvraag voor de functiewijziging van een gebouw, gelegen buiten de geëigende bestemmingszone,
wordt toegestaan en ik de functiewijziging uitvoer - ik mij ertoe verbind om gedurende tien jaar geen
aanvraag meer in te dienen voor ingrijpende werkzaamheden vanuit financieel of bouwtechnisch oogpunt
aan dit gebouw. Ik aanvaard dat aanvragen voor dergelijke werkzaamheden, zoals voor het herbouwen van
het gebouw, zullen worden geweigerd. Minder ingrijpende verbouwingen, zoals het beperkt toevoegen van
raam- en deuropeningen, het aanbrengen van uithangborden, het uitvoeren van niet-constructieve binnenverbouwingen,
kunnen eventueel wel worden vergund. Ik verbind mij ertoe deze informatie gedurende tien jaar
mee te delen aan de begunstigden bij iedere overdracht van zakelijke rechten op dit gebouw. Voor
de raadpleging van de tabel, zie beeld
De
gegevens die u meedeelt, kunnen worden opgeslagen in een of meerdere bestanden. Deze bestanden kunnen
zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag indient, bij de provincie waarin de grond waarop de
aanvraag betrekking heeft is gelegen, en ook bij de administratie voor Ruimtelijke Ordening, Huisvesting
en Monumenten & Landschappen. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt
worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om kennis
te nemen van uw gegevens in deze bestanden en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen. Gezien
om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 28 november 2003 tot bepaling van de
toelaatbare functiewijzigingen voor gebouwen, gelegen buiten de geëigende bestemmingszone. Brussel,
28 november 2003. De minister-president van de Vlaamse regering, B. SOMERS De
Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie, D.
VAN MECHELEN