30 OKTOBER 1998. - Ministerieel rondschrijven betreffende de toepassing van het beperkt éénrichtingsverkeer
Aan
Mevr. en heren provinciegouverneurs, ter kennisgeving aan de heren arrondissementscommissarissen en de
dames en heren burgemeester Mevr., Mijnheer de Gouverneur, U gelieve hierna een rondschrijven
te vinden over de toepassing van het beperkt éénrichtingsverkeer voor fietsers en bestuurders van tweewielige
bromfietsen klasse A. 1. Verantwoording en bedoeling De toename van het autoverkeer
is een zeer belastende factor voor de verkeersveiligheid en de verkeersleefbaarheid. Het gebruik van
de wagen neemt daarenboven nog steeds toe, ook in de stedelijke centra, zodat werkelijk van een autoverslaving
dient gesproken te worden. Er zijn nochtans voldoende andere verplaatsingsmiddelen die als alternatief
voor het autoverkeer kunnen gelden. De fiets is daar een uitstekend voorbeeld van. Tot afstanden
van + 10 km is de fiets een zeer geschikt middel om zich veilig te verplaatsen, zowel in het kader van
het woon- werkverkeer en het voor- en natransport in combinatie met openbaar vervoer, als voor andere
verplaatsingen in verblijfsgebieden en stedelijke centra; daarenboven is het recreatief fietsen in het
kader van de vrijetijdsbesteding zeer aantrekkelijk geworden. Het gebruik van de fiets dient dus verder
gestimuleerd te worden. Per 1 november 1998 zijn een aantal nieuwe maatregelen van kracht die
o.a. het fietsverkeer bevorderen. Dit is o.m. het geval via de versoepeling van de regels voor het instellen
van zones 30, via het invoeren van een regeling voor voetgangerszones (de zgn. winkel-wandelstraten)
waar het fietsen voortaan kan toegelaten worden of nog via het invoeren van wegen voorbehouden voor fietsers
en die o.a. de realisatie van fietsroutenetwerken mogelijk zal maken. De wet van 8 augustus
1997 maakt het mogelijk een belastingsvrije fietsvergoeding tot 6 fr./km uit te betalen voor verplaatsingen
in het kader van het woon-werkverkeer. Deze vergoeding zal bovendien voor de sociale zekerheid niet als
loon beschouwd worden, zodanig dat het bedrag netto aan de werknemer kan worden uitbetaald. Ook
het openstellen van éénrichtingsstraten voor fietsers in beide richtingen, het zgn. beperkt éénrichtingsverkeer,
is één van de mogelijkheden om dat fietsverkeer te stimuleren. Straten met éénrichtingsverkeer kunnen
inderdaad voor gevolg hebben dat fietsers gedwongen worden een vrij grote omweg te maken, terwijl zij
precies zeer omrijgevoelig zijn, of dat ze omgeleid worden via drukke verkeerswegen. Niettemin
wordt vastgesteld dat het beperkt éénrichtingsverkeer nog niet op grote schaal wordt toegepast. Het betreft
nochtans een maatregel die vrij eenvoudig kan ingevoerd worden, mits de wil aanwezig is om aan fietsers
de ruimte te geven die ze verdienen. Dit rondschrijven wenst daarom het gebruik van het beperkt
éénrichtingsverkeer gevoelig te verhogen en de toepassingsnormen te versoepelen voor het instellen van
deze maatregel. 2. Het reglementair kader - evaluatie en knelpunten 2.1. De reglementaire
bepalingen Het reglementair kader voor het instellen van beperkt éénrichtingsverkeer bestaat
sinds het KB van 20 juli 1990 tot wijziging van de wegcode en is in werking getreden op 1 januari 1991.
In artikel 65.2 van de wegcode zijn de onderborden afgebeeld die bij de verkeersborden F19
en D1 worden aangebracht (zie respectievelijk artikel 71.3 en 69.4.2°). Er wordt bovendien uitdrukkelijk
bepaald dat de kwestieuze onderborden M2 of M4 en M3 of M5 de draagwijdte van het verkeersbord F19 niet
wijzigen. De onderborden die geplaatst worden bij de verkeersborden betreffende de voorrang, zijn eveneens
afgebeeld.
Bij ministerieel besluit van 20 juli 1990 werd het besluit van de
wegbeheerder - het ministerieel besluit van 11 oktober 1976, waarbij de minimumafmetingen en de bijzondere
plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald, - aangepast als volgt : - de plaatsing
van de onderborden M3 of M5 bij de verkeersborden C1 (artikel 9.1.3°) en C31 (artikel 9.6°); -
het gebruik van de verkeersborden C31 of D1 of D3 in geval van beperkt éénrichtingsverkeer (artikel 9.5.3°,
alinea 2 en artikel 10.2.3°); - de plaatsing van de onderborden M3 of M5 bij de verkeersborden
D1 (artikel 10, alinea's 2,3 en 4); - de plaatsing van de onderborden M2 of M4 bij de verkeersborden
F19 (artikel 12.6.3°); - de plaatsing van de onderborden M9 of M10 bij de verkeersborden B1
(artikel 8.1.1°), B5 (artikel 8.3.2°) en B7 (artikel 8.9.2°). Het doel van de signalisatievoorschriften
bestaat erin een duidelijke en éénvormige aanduiding te geven van het beperkt éénrichtingsverkeer en
voor een optimale bescherming te zorgen op de kruispunten. 2.2. Evaluatie en knelpunten Diverse
reacties van en contacten met gemeenten en fietsorganisaties hebben een aantal bemerkingen en vragen
opgeleverd. De geciteerde moeilijkheden zijn : - twijfel omtrent de veiligheid van
de fietsers; - het aantal en de kostprijs van de verkeersborden; - de minimaal aanbevolen
vrije rijbaanbreedte van 3,50 meter als algemene regel, met mogelijkheid om in bijzondere gevallen hiervan
af te wijken. Daarom heb ik aan mijn administratie de opdracht gegeven om deze problematiek
te onderzoeken samen met het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid, een 12-tal gemeenten verspreid
over Vlaanderen, Brussel en Wallonië, de gewestelijke wegbeheerders en de Verenigingen van Steden en
Gemeenten. De v.z.w. Pro Vélo, een studiebureau gespecialiseerd in de fietsproblematiek, heeft eveneens
meegewerkt aan de evaluatie. Na het onderzoek van de voormelde knelpunten, kan het volgende
gesteld worden. 2.2.1. Effecten op de verkeersveiligheid Ongevallenstudies uitgevoerd
zowel in het buitenland als in eigen land laten toe te concluderen dat het aantal ongevallen als gevolg
van het invoeren van beperkt éénrichtingsverkeer niet toegenomen is. Waar meer ongevallen gebeurden,
blijkt dat zij niet noodzakelijkerwijze het gevolg zijn van de maatregel zelf. Bovendien gebeurden die
ongevallen niet in de straat zelf, maar op de kruispunten. Een eenvoudig hulpmiddel om aan kruispunten
of in bochten de aanwezigheid van fietsers in tegenrichting te signaleren, bestaat erin om over een afstand
van enkele meters op het wegdek de overlangse markering aan te brengen die een fietspad afbakent met
daarin het symbool van een fiets. 2.2.2. Het aantal vereiste onderborden De onderborden
moeten geplaatst worden bij de verkeersborden F19 en C1 en bij de verkeersborden C31 of D1 die op de
dwarsende openbare wegen zijn geplaatst. Bijkomende signalisatie met de nodige onderborden is
vereist om de voorrangsregels aan te duiden op de kruispunten. Uit de discussies is gebleken
dat de kostprijs voor signalisatie op zich niet echt een obstakel vormt voor het invoeren van beperkt
éénrichtingsverkeer. Het nut of de noodzaak voor de plaatsing van de bijkomende signalisatie
(B17, B1 of B5 met onderborden) wordt momenteel onderzocht in het kader van een meer algemeen onderzoek
van de voorschriften inzake de signalisatie van het einde van wegvakken met éénrichtingsverkeer [cfr.
de artikelen 8.1.1°b), 8.3.2°b) en 8.9.2°c) van het ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij
de minimumafmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald en punt
9.1. van het ministerieel rondschrijven van 14 november 1977 betreffende de aanvullende reglementen en
de plaatsing van de verkeerstekens]. Tot nader orde dient ook deze signalisatie geplaatst te worden. Het
is evenwel niet mogelijk om, zoals door sommigen werd gesuggereerd, het principe van het éénrichtingsverkeer
om te keren, nl. bij wijze van een algemeen verkeersvoorschrift het fietsverkeer in beide richtingen
toelaten in alle straten gesignaleerd door de verkeersborden F19 en C1 en het verbod om zulks te doen
door middel van onderborden aan te duiden. In die optiek zou het beperkt éénrichtingsverkeer de regel
worden en het gewoon éénrichtingsverkeer de uitzondering. Dergelijk voorschrift druist in tegen de internationale
voorschriften opgenomen in het Verdrag inzake de Verkeerstekens en Bijlagen, opgemaakt te Wenen op 8
november 1968, waarin aan het verkeersbord, dat overeenstemt met het Belgische bord F19 de betekenis
werd toegekend van « éénrichtingsweg ». Dit Verdrag werd door de wet van 30 september 1988 door België
geratificeerd, waardoor we verplicht zijn dit internationaal akkoord, behoudens herziening, na te leven.
Verder blijft het noodzakelijk om zowel de borden F19 als de borden C1 te plaatsen. Het weglaten
van het verkeersbord F19 zou een juridisch vacuüm creëren omtrent het statuut van de weg. Dit zou een
impact hebben op een aantal verkeersregels van de wegcode die verbonden zijn aan de plaatsing van het
verkeersbord F19 zoals de plaats op de openbare weg of het parkeren. 2.2.3. De aanbevolen vrije
rijbaanbreedte om fietsverkeer in de tegenrichting toe te laten De vooropgestelde aanbevolen
breedte van 3,50 meter werd meestal als strikte norm gehanteerd. Er werd zelden van afgeweken. Dit is
wellicht de voornaamste reden waarom er niet méér straten met beperkt éénrichtingsverkeer werden ingevoerd. Nochtans
blijkt uit de eigen ervaring en uit buitenlands onderzoek dat een vrije rijbaanbreedte van 3 meter de
veiligheid van de fietsers niet noodzakelijk in het gedrang brengt, hooguit vermindert het comfort. Om
het fietsverkeer op meer systematische wijze toegang te geven tot éénrichtingsstraten, wordt ingevolge
deze omzendbrief de algemene regel voor deze maatregel dan ook als volgt bepaald : een minimale vrije
rijbaanbreedte van drie meter is voldoende. Dit is het geval bv. wanneer er geen of zeer weinig verkeer
van zware voertuigen is (voornamelijk lokale bediening), bv. in straten met hoofdzakelijk plaatsgebonden
verkeer, bv. waar niet links in de rijrichting wordt geparkeerd of bv. in autoluwe gebieden. Alle
zone 30-gebieden, en al de andere verblijfsgebieden, komen daartoe in aanmerking. Dit is eveneens het
geval wanneer de weg in kwestie een belangrijke verbindingsweg vormt voor fietsers naar bv. een school
of een sport- of recreatiecentrum. Indien deze voorwaarden niet zijn vervuld, dan moet de vrije
rijbaanbreedte noodzakelijkerwijze breder zijn, in sommige gevallen zelfs breder dan 3,5 meter. In
uitzonderlijke gevallen kan dan weer een nog smallere rijbaan volstaan, met een minimum van 2,60 meter,
bv. wanneer de betrokken straat een essentiële schakel vormt in een fietsroute of wanneer omrijden voor
de fietser een te grote omweg vormt over gevaarlijke wegen met gevaarlijke kruispunten. Dit is ook het
geval wanneer de straat slechts zeer lokaal beperkt is tot deze minimumbreedte en er zich op die plaats
geen fundamenteel onveiligheidsprobleem voor fietsers voordoet. Essentiële voorwaarden zijn wel dat fietsers
en automobilisten een goed zicht hebben op elkaar en dat er enige uitwijkmogelijkheid bestaat. 3.
Systematische invoering van beperkt éénrichtingsverkeer Uit wat voorafgaat blijkt der er in
feite geen bezwaren bestaan voor het meer systematisch openstellen van éénrichtingsstraten voor fietsverkeer
(+ bromfietsen klasse A) in dubbele richting. 3.1. Invoeren van éénrichtingsverkeer. In
het kader van de politiek van de federale regering om het fietsverkeer te stimuleren en aldus op (in)directe
wijze de verkeersleefbaarheid te verhogen, wordt er er bij alle wegbeheerders op aangedrongen om bij
het invoeren van éénrichtingsverkeer op systematische wijze het fietsverkeer in beide richtingen toe
te laten; gewoon éénrichtingsverkeer is maar aangewezen indien dwingende redenen van verkeersveiligheid
het vereisen. Er werd ten andere opdracht gegeven aan de Dienst voor het Inspecteren van de
Verkeerstekens om alle aanvullende reglementen terzake te onderzoeken vanuit deze invalshoek. In
nieuwe verkavelingen of woonzones dient, in voorkomend geval, vanaf de aanvang met dit nieuwe principe
rekening te worden gehouden. De combinatie van beperkt éénrichtingsverkeer met de aanleg van fietsverbindingen
tussen de straten onderling, als kortere verbindingsweg, is hier aanbevolen. Wanneer langs beide
kanten van de rijbaan geparkeerd wordt en daardoor geen vrije ruimte van 3 meter over is om de fietsers
in tegenrichting te laten rijden, dan dient overwogen te worden om éénzijdig parkeerverbod in te voeren
zodat ook het beperkt éénrichtingsverkeer van toepassing kan worden gemaakt. 3.2. Reeds bestaand
éénrichtingsverkeer Gelijktijdig wordt gevraagd om systematisch de bestaande éénrichtingsstraten
te onderzoeken in functie van de nieuwe normen met als bedoeling ze voor fietsverkeer in beide richtingen
open te stellen. 4. Inrichting van het beperkt éénrichtingsverkeer Voor de inrichting
zelf bepaalt de wegbeheerder, zoals voorheen, de keuze in functie van de plaatselijke situatie : gemengd
verkeer, al dan niet in combinatie met een parkeerregeling, een fietssuggestiestrook gekoppeld aan een
parkeerverbod, fietsverkeer op een fietspad gemarkeerd of verhoogd en gesignaleerd door de borden D7
of D9, een aanloopfietspad op kruispunten, enz. Er moet in elk geval bijzondere aandacht gegeven
worden aan de inrichting op kruispunten aangezien precies daar ongevallen zijn geregistreerd. Bovendien
is het ten zeerste aangewezen reeds vóór en zeker na de invoering van het beperkt éénrichtingsverkeer
de weggebruikers door middel van bijzondere panelen te informeren over de gewijzigde verkeerssituatie. In
de brochure « Fietsvoorzieningen - Aanbevelingen voor fietsvriendelijke verkeersinfrastructuur », uitgegeven
in 1996 door het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid, zijn - in het bijzonder in hoofdstuk
4.6 - een aantal aanbevelingen gegeven voor de inrichting van beperkt éénrichtingsverkeer in straatsecties
en op kruispunten. Deze brochure bevat daarenboven nog tal van andere, goede raadgevingen en
instructies voor een fietsveilig en -vriendelijk verkeer, zodanig dat ze als leidraad mag dienen voor
uw beleid. 5. Nuttige adressen Ministerie van Verkeer en Infrastructuur, Dienst
Wegveiligheid, Directie Verkeersveiligheid (D1) Residence Palace, Blok C (4° V) Wetstraat
155, 1040 Brussel Tel. 02/287.44.13 - fax 02/287.44.00 Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid
(B.I.V.V.) VZW Haachtsesteenweg 1405 - 1130 Brussel Tel. 02/244.15.11 - fax 02/216.43.42 Tevens
wordt verwezen naar het « Repertorium van de Verkeersveiligheid », uitgegeven eind 1997 door het B.I.V.V.,
waarin een volledige adressenlijst is vermeld van alle diensten en organisaties in verband met verkeersveiligheid. De
aandacht wordt bovendien gevestigd op de andere maatregelen die getroffen werden o.m. in verband met
het fietsen en die vermeld staan in afzonderlijke koninklijke besluiten en omzendbrieven, die in werking
treden op 1 november 1998. De Staatssecretaris voor Veiligheid, J. Peeters.