ALBERT II, Koning der Belgen, Aan
allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben, in de door artikel 195
van de Grondwet bepaalde voorwaarden, aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : Enig artikel.
Artikel 125 van de Grondwet wordt vervangen als volgt : « Art. 125. - De leden van een Gemeenschaps-
of Gewestregering worden voor misdrijven die zij in de uitoefening van hun ambt mochten hebben
gepleegd, uitsluitend berecht door het hof van beroep. Hetzelfde geldt voor misdrijven die de leden van
een Gemeenschaps- of Gewestregering buiten de uitoefening van hun ambt mochten hebben gepleegd en waarvoor
zij worden berecht tijdens hun ambtstermijn. De artikelen 120 en 59 zijn in voorkomend geval niet van
toepassing. De wet bepaalt op welke wijze tegen hen in rechte wordt opgetreden, zowel bij de
vervolging als bij de berechting. De wet wijst het bevoegde hof van beroep aan, dat in algemene
vergadering zitting houdt, en bepaalt de samenstelling ervan. Tegen de arresten van het hof van beroep
is beroep mogelijk bij het Hof van Cassatie, in verenigde kamers, dat niet in de beoordeling van de zaken
zelf treedt. De vervolging in strafzaken van een lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering
kan enkel worden ingesteld en geleid door het openbaar ministerie bij het bevoegde hof van beroep. Voor
elke vordering tot regeling van de rechtspleging, voor elke rechtstreekse dagvaarding voor het hof van
beroep en, behalve bij ontdekking op heterdaad, voor elke aanhouding is het verlof van de Gemeenschaps-
of Gewestraad, ieder wat hem betreft, vereist. De wet bepaalt de procedure die moet worden gevolgd
indien de artikelen 103 en 125 beide van toepassing zijn, evenals in geval van dubbele toepassing van
artikel 125. Aan een overeenkomstig het eerste lid veroordeeld lid van een Gemeenschaps- of
Gewestregering kan geen genade worden verleend dan op verzoek van de betrokken Gemeenschaps- of Gewestraad. De
wet bepaalt in welke gevallen en volgens welke regels de benadeelde partijen een burgerlijke rechtsvordering
kunnen instellen. De wetten bedoeld in dit artikel moeten worden aangenomen met de meerderheid
bepaald in artikel 4, laatste lid. Overgangsbepaling Dit artikel is niet van toepassing
op feiten waarvoor daden van opsporing werden verricht en op vervolgingen ingesteld vóór de inwerkingtreding
van de wet tot uitvoering ervan. Hiervoor geldt de volgende regeling : de Gemeenschaps- en de
Gewestraden hebben het recht de leden van hun Regering in beschuldiging te stellen en hen te brengen
voor het Hof van Cassatie. Dit alleen is bevoegd om hen te berechten, in verenigde kamers, in de gevallen
en met toepassing van de straffen die in de strafwetten zijn bepaald. De bijzondere wet van 28 februari
1997 houdende tijdelijke en gedeeltelijke uitvoering van artikel 125 van de Grondwet blijft terzake gelden.
» Kondigen deze bepaling af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het
zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 17 juni 1998. ALBERT Van koningswege
: De Eerste Minister, J.-L. DEHAENE De Minister van Binnenlandse Zaken, L.
TOBBACK Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, T. VAN
PARYS
(1) Verklaring tot herziening van de Grondwet ( van 12 april 1995). (2)
Gewone zitting 1997-1998. Senaat. Parlementaire Stukken. - Voorstel en toelichting,
nr. 1-899/1. - Amendement, nr. 1-899/2. - Verslag, nr. 1-899/3. - Tekst aangenomen door de Commissie,
nr. 1-899/4. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers,
nr. 1-899/5. Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 11 juni 1998. Kamer
van volksvertegenwoordigers. Parlementaire Stukken. - Tekst overgezonden door de Senaat, nr.
1599/1. - Verslag, nr. 1599/2. - Amendement, nr. 1599/3. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering,
nr. 1599/4. Parlementaire Handelingen - Bespreking en aanneming. Vergadering van 16 juni 1998