16 JULI 2012. - Koninklijk besluit houdende uitvoering van de artikelen 157 tot 163 van de programmawet (I) van 29 maart 2012
VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van koninklijk
besluit waarvan we de eer hebben aan de handtekening van Uwe Majesteit te onderwerpen slaat op de uitvoering
van de artikelen 157 tot 163 van de programmawet (I) van 29 maart 2012. Deze bepalingen kaderen in een
geheel van maatregelen die ertoe bijdragen om de inning van de belasting te verbeteren. Er werd
rekening gehouden met de opmerkingen van de Raad van State, behalve wat betreft de artikelen 3, 4 en
6. Het lag inderdaad niet in de bedoeling van de wetgever om de in artikel 157 bedoelde verzending
op papier in geval van problemen met het elektronisch systeem, aan één enkele ambtenaar toe te zenden.
(art. 3). Wat artikel 4 betreft laat het advies van de Raad van State niet toe om exact de tekstgedeelten
te bepalen die te herzien zijn. Daarenboven stemt de tekst van dit artikel volledig overeen met een gelijkaardige
tekst die nooit werd gecensureerd en bekritiseerd en die van toepassing is in het huidige e-notariaat. Tenslotte,
wat artikel 6 betreft werd niet ingegaan op het geformuleerde voorstel omdat dit de draagwijdte van artikel
6 ten onrechte zou beperken. Daartoe kan ook worden verwezen naar de memorie van toelichting
bij het voorontwerp van wet houdende fiscale en financiële bepalingen waarin de draagwijdte van artikel
158 van de programmawet van 29 maart 2012 wordt herinnerd en waarin wordt gepreciseerd dat "het geheel
van de fiscale schulden - bestaande uit belastingen en hun toebehoren - mits die schulden zeker en vaststaand
zijn of, om iedere discussie daaromtrent uit te sluiten, geacht worden dat te zijn, zoals bepaald in
het derde lid van genoemd artikel. ». De Raad van State heeft in zijn advies 51.189/1 hierover geen enkele
opmerking gegeven. De artikelen 2 en 3 van dit besluit hebben betrekking op de uitvoering van
respectievelijk het artikel 157, § 1, 1° en 157, § 1, 2° van de voornoemde wet. Het artikel
2 duidt de bevoegde dienst aan om de berichten van de notaris en de ontvangers van de successierechten
te ontvangen, en om de desbetreffende ontvangstmeldingen af te leveren. Wanneer de mededeling van het
bericht niet elektronisch kan gebeuren, moet die mededeling worden gedaan aan de ambtenaren aangeduid
in artikel 3 van dit besluit : de ambtenaar belast met de invordering van de directe belastingen en de
ambtenaar belast met de invordering van de btw voor de Algemene administratie van de Inning en de Invordering,
en de Administrateur Rechtszekerheid voor de Algemene administratie van de Patrimoniumdocumentatie. Wanneer
de overledene en/of één van zijn rechthebbenden hun woonplaats in het buitenland hebben, is het noodzakelijk
om het voornoemde bericht toe te zenden aan de ambtenaar belast met de invordering van de schulden ingekohierd
op naam van een belastingplichtige niet-inwoner. Artikel 4 preciseert wat er bedoeld wordt met
btw-plichtige, overeenkomstig de bepalingen van het artikel 157, § 5, van de wet. Zo is iedere
in artikel 4 van dit besluit bedoelde persoon ertoe gehouden op verzoek van de notaris belast met het
opstellen van de akte of het attest van erfopvolging hem zijn hoedanigheid van belastingplichtige of
lid van een btw-eenheid kenbaar te maken, alsook zijn btw-identificatienummer of zijn sub-btw-identificatienummer. Artikel
5 preciseert de modaliteiten voor de oplegging van de boete van 500 EUR, voorzien bij artikel 157, §
5, van de wet, voor de btw-plichtige die een valse verklaring aflegde. De invordering van deze boete
wordt vervolgd door middel van een dwangbevel door de ambtenaar belast met de invordering van de btw
bevoegd voor de belastingplichtige. Overeenkomstig artikel 158, eerste lid van de wet duidt
artikel 6 van dit besluit de ambtenaar aan die aan de notaris of aan de ontvanger van de successierechten
kennis kan geven van de fiscale schulden. Artikel 7 bepaalt dat bijlage 1 het model bevat van
het bericht dat de notarissen en de ontvangers van de successierechten aan de bevoegde ambtenaren mededelen. Artikel
8 handelt tenslotte over de bijlagen waarin de modellen worden bepaald voor de kennisgeving van fiscale
schulden : een bijlage betreft de directe belastingen, een andere de belasting over de toegevoegde waarde
en de twee laatsten betreffen de registratierechten en de successierechten. Ik heb de eer te
zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe
dienaar, De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, S. VANACKERE
Advies
51.577/1 van 26 juni 2012 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State De
Raad van State, afdeling Wetgeving, eerste kamer, op 21 juni 2012 door de Minister van Financiën verzocht
hem, binnen een termijn van vijf werkdagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit
'houdende uitvoering van de artikelen 157 tot 163 van de programmawet (I) van 29 maart 2012', heeft het
volgende advies gegeven : 1. Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten
op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden
opgegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan. In het onderhavige geval wordt het
verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd door de omstandigheid dat « - les articles 157 à 163
de la loi-programme (I) du 29 mars 2012 entrent en vigueur à une date déterminée par le Roi, par arrêté
délibéré en Conseil des ministres, et au plus tard le 1er juillet 2012; - que
l'arrêté royal en projet contient les mesures d'exécution des articles 157 à 163 précités et qu'il s'indique,
afin d'assurer la sécurité juridique, que l'entrée en vigueur des dispositions du présent arrêté soit
identique à celle desdits articles ». 2. Overeenkomstig artikel 84, § 3, eerste lid,
van de wetten op de Raad van State, heeft de afdeling Wetgeving zich moeten beperken tot het onderzoek
van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de
voorgeschreven vormvereisten is voldaan. Strekking en rechtsgrond van het ontwerp 3.
De artikelen 157 en volgende van de programmawet (I) van 29 maart 2012 (hierna : de wet van 29 maart
2012) voeren een regeling in waarbij de bevoegde personen (1) die verzocht zijn om een in artikel 1240bis
van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken, tot op zekere hoogte
persoonlijk aansprakelijk zijn voor de betaling van bepaalde, door de overledene en zijn rechtverkrijgenden
verschuldigde belastingen en bijbehoren, tenzij zij een en ander aan de overheid meedelen. Dit moet de
overheid toelaten om de bevoegde persoon kennis te geven van het bestaan van belastingschulden in hoofde
van de overledene of een andere in de akte of het attest vermelde persoon. Wie overeenkomstig artikel
1240bis van het Burgerlijk Wetboek tegoeden van een overledene vrijgeeft zonder dat duidelijk uit de
akte of het attest blijkt dat geen kennisgeving van belastingschulden werd gedaan of zonder vermelding
in de akte of het attest dat alle op naam van de overledene en zijn rechtverkrijgenden bestaande schulden
en hun bijbehoren waarvan kennis werd gegeven, zijn betaald, is persoonlijk aansprakelijk voor de betaling
van die belastingen en hun bijbehoren. 4. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit
strekt ertoe uitvoering te geven aan (bepaalde onderdelen van) de artikelen 157 tot 163 van de wet van
29 maart 2012 (2), die op 1 juli 2012 in werking treden. (3) 4.1. Artikel 2 van het ontwerp
bepaalt de dienst die bevoegd is om de elektronische berichten te ontvangen (en ontvangstmeldingen af
te leveren). Daarvoor kan rechtsgrond worden gevonden in artikel 157, § 1, eerste lid, 1°, (en
§ 4) van de wet van 29 maart 2012. Aan welke ambtenaar het bericht moet worden toegezonden
indien elektronische verzending niet mogelijk is, wordt bepaald in artikel 3 van het ontwerp. Artikel
157, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 29 maart 2012 biedt daartoe rechtsgrond. In de betrokken
bepaling van het ontwerp wordt echter een reeks ambtenaren vermeld, zodat het bericht in tweevoud bij
ter post aangetekende brief in voorkomend geval aan elk van die ambtenaren zal moeten worden gestuurd.
Het is de vraag of dit wel overeenstemt met de wil van de wetgever. In artikel 157, § 1, eerste
lid, wordt immers bepaald dat het bericht op elektronische wijze aan « de dienst » die de Koning aanwijst
dient te worden gestuurd en, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet
op elektronische wijze kan worden meegedeeld aan die dienst, aan « de door de Koning aangewezen ambtenaar
». Het lijkt er dus op dat de wetgever een mededelingsplicht aan één dienst of één ambtenaar heeft beoogd,
(4) zodat het aan de Federale Overheidsdienst Financiën toekomt om het bericht te bezorgen aan de betrokken
invorderingsambtenaren en aan « de Administrateur Rechtszekerheid », ook als de mededeling uitzonderlijk
bij ter post aangetekende brief gebeurt. In artikel 5 van het ontwerp wordt de invordering geregeld
van de administratieve boete van 500 euro, bedoeld in artikel 157, § 5, vierde lid, van de wet
van 29 maart 2012. De rechtsgrond daarvoor is te vinden in artikel 157, § 6, van de wet, dat de
Koning ermee belast de overige voorwaarden en de nadere regels inzake de toepassing van het artikel te
bepalen. Artikel 6 van het ontwerp duidt aan welke ambtenaar bevoegd is om de kennisgeving te
doen van het bestaan van belastingschulden. Rechtsgrond daarvoor is te vinden in artikel 158, eerste
lid, van de wet van 29 maart 2012. De artikelen 8 en 9 van het ontwerp bepalen de modellen voor
de berichten en kennisgevingen (zie ook de bijlagen 1 tot 5 bij het ontwerp). De Koning heeft die bevoegdheid
op grond van artikel 161 van de wet van 29 maart 2012. 4.2. Artikel 7 van het ontwerp biedt
de mogelijkheid aan schuldenaars van de overledene om bevrijdend te betalen aan een aangewezen ambtenaar.
Een rechtsgrond daarvoor lijkt niet voorhanden te zijn. Artikel 160, § 2, van de wet van 29 maart
2012 kan daartoe niet dienstig worden ingeroepen, vermits het in die bepaling gaat over het vrijgeven
van de tegoeden van de overledene aan een erfgenaam, een legataris of een begunstigde van een contractuele
erfstelling. Behoudens indien voor de betrokken bepaling een deugdelijke rechtsgrond kan worden ingeroepen,
zal ze moeten worden weggelaten. 4.3. Uit artikel 157, § 5, derde lid, van de wet van
29 maart 2012 volgt dat elke btw-belastingplichtige en elk lid van een btw-eenheid deze hoedanigheid
moet meedelen, evenals zijn btw-nummer. Vergeleken met de voormelde wetsbepaling beperkt artikel 4 van
het ontwerp enerzijds de uit de wet voortvloeiende verplichtingen en lijkt het die anderzijds ook uit
te breiden. Noch voor een beperking, noch voor een uitbreiding is er rechtsgrond voorhanden in de wet,
zodat artikel 4 dient te vervallen. Vormvereisten 5. Uit artikel 19/1, § 1,
van de wet van 5 mei 1997 'betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling'
vloeit voort dat in beginsel elk voorontwerp van wet, elk ontwerp van koninklijk besluit en elk voorstel
van beslissing dat ter goedkeuring aan de Ministerraad moet worden voorgelegd, aanleiding moet geven
tot een voorafgaand onderzoek met betrekking tot de noodzaak om een effectbeoordeling inzake duurzame
ontwikkeling uit te voeren. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat aan dit vormvereiste
reeds is voldaan, zodat dergelijk onderzoek wellicht nog dient te gebeuren. Indien uit dit voorafgaand
onderzoek zou blijken dat een effectbeoordeling in de zin van artikel 19/2 van dezelfde wet noodzakelijk
is, en als gevolg van die effectbeoordeling wijzigingen zouden worden aangebracht in de om advies voorgelegde
tekst van het ontwerp, dan zullen deze wijzigingen eveneens om advies aan de Raad van State moeten worden
voorgelegd. Onderzoek van de tekst Aanhef 6. Het tweede lid van de aanhef
vermeldt artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek. Die bepaling strekt het ontwerp evenwel niet tot
rechtsgrond, zodat de verwijzing ernaar geschrapt dient te worden. Artikel 1 7. Teneinde
verwarring te vermijden kan - in lijn met artikel 157, § 1, derde lid, van de wet van 29 maart
2012 - in de Nederlandse tekst van het ontwerp beter de term « rechtverkrijgende » worden gebruikt in
plaats van de term « rechthebbende » (zie artikel 1, 2°, en verder in het ontwerp). In de Franse tekst
wordt, zoals in de wet, de omschrijving « ayant droit » gebezigd. Artikel 3 8. In dit
artikel wordt bepaald aan welke ambtenaren het in artikel 157, § 1, eerste lid, 2°, van de wet
van 29 maart 2012 bedoelde bericht dient te worden gezonden. Gelet op wat over de rechtsgrond voor dit
artikel van het ontwerp is opgemerkt, zal de regeling beter moeten worden afgestemd op de wet door te
voorzien in de kennisgeving aan één ambtenaar. 9. In zoverre de kennisgeving aan « de Administrateur
Rechtszekerheid » zou worden behouden, rijst de vraag of deze aanduiding duidelijk genoeg is. Volgens
het verslag aan de Koning gaat het om « de Administrateur Rechtszekerheid voor de Algemene administratie
van de Patrimoniumdocumentatie ». Ter wille van de rechtszekerheid zal aan de bestemmelingen (o.a. notarissen)
op een of andere manier meer precies moeten worden aangegeven aan wie het bericht dient te worden gestuurd. Artikel
6 10. Aan het einde van artikel 6 van het ontwerp wordt in het algemeen verwezen naar artikel
158 van de wet van 29 maart 2012. De onbepaaldheid van die verwijzing werkt rechtsonzekerheid in de hand.
Het verdient daarom aanbeveling om aan het einde te schrijven : « bedoeld in het derde lid van voormeld
artikel 158 ». De kamer was samengesteld uit : de heren : M. Van Damme, kamervoorzitter, J.
Baert, W. Van Vaerenbergh, staatsraden, L. Denys, assessor van de afdeling Wetgeving, Mevr.
M. Verschraeghen, toegevoegd griffier. Het verslag werd uitgebracht door Mevr. A. Somers, auditeur. De
griffier, De voorzitter, M. Verschraeghen. M. Van Damme. _______ Nota's (1)
Het gaat om de notarissen en de personen bedoeld in artikel 163 van de wet van 29 maart 2012. (2)
In het voorontwerp van wet 'houdende fiscale en financiële bepalingen', waarover de Raad van State op
10 mei 2012 advies 51.189/1 heeft gegeven, zijn een reeks wijzigingen aan de artikelen 157 tot 163 van
de wet van 29 maart 2012 opgenomen. Aangezien die bepalingen nog geen wet zijn geworden, is er geen rekening
mee gehouden voor het geven van dit advies. (3) Artikel 164 van de wet van 29 maart 2012 bepaalt
dat de artikelen 157 tot 163 in werking treden op een datum die door de Koning wordt bepaald bij besluit
vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en uiterlijk op 1 juli 2012. (4) Dat de wetgever
beducht was voor een overvloed aan te verrichten kennisgevingen blijkt uit de memorie van toelichting
(Parl.St. Kamer, nr. 53-2081/001, 107).
16 JULI 2012. - Koninklijk besluit houdende
uitvoering van de artikelen 157 tot 163 van de programmawet (I) van 29 maart 2012 ALBERT II,
Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet
op de programmawet (I) van 29 maart 2012, artikelen 157 tot 163; Gelet op het advies van de
Inspecteur van Financiën, gegeven op 8 juni 2012; Gelet op de akkoordbevinding van de Minister
van Begroting, gegeven op 20 juni 2012; Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd
door de omstandigheid dat : - dat het koninklijk besluit van 27 juni 2012 tot vaststelling
van de datum van inwerkingtreding van artikel 147, 2° en 3°, en de artikelen 157 tot 163 van de programmawet
(I) van 29 maart 2012, de inwerkingtreding van de artikelen 157 tot 163 van de programmawet (I) van 29
maart 2012 heeft vastgesteld op 1 juli 2012; - dat het huidige koninklijk besluit maatregelen
tot tenuitvoerlegging van voornoemde artikelen 157 tot 163 bevat en dat het, teneinde de rechtszekerheid
te vrijwaren, aangewezen is dat de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van huidig besluit gelijk
is aan deze van voormelde artikelen; - dat deze maatregelen dus onverwijld moeten worden genomen; Gelet
op het advies nr. 51.577/1 van de Raad van State, gegeven op 26 juni 2012, met toepassing van artikel
84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op
de voordracht van de Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, Hebben Wij besloten en
besluiten Wij : Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1°
"de wet" : de programmawet (I) van 29 maart 2012; 2° "rechtverkrijgende" : elke erfgenaam,
legataris of begunstigde van een contractuele erfstelling die moet worden vermeld in de verzochte akte
of het verzochte attest van erfopvolging, bedoeld in artikel 157, § 1, eerste lid, van de wet. Art.
2. De Stafdienst I.C.T. van de Federale Overheidsdienst Financiën wordt aangewezen om de berichten te
ontvangen en de ontvangstmeldingen af te leveren overeenkomstig artikel 157, § 1 en § 4
van de wet. Art. 3. In het geval genoemd in artikel 157, § 1, 2°, van de wet, wordt
het in artikel 157, § 1, van de wet bedoelde bericht toegezonden aan volgende ambtenaren : 1°
de ambtenaar belast met de invordering van de directe belastingen van de woonplaats van de overledene,
evenals de ambtenaar belast met de invordering van de directe belastingen van de woonplaats van de rechtverkrijgenden
of van hun maatschappelijke zetel wanneer de legatarissen een rechtspersoon, een trust, een fiduciaire
of een gelijkaardige rechtsvorm zijn, evenals de ambtenaar belast met de invordering van de directe belastingen
van niet-inwoners en waarvan de administratieve woonplaats gelegen is te Brussel wanneer de overledene
en/of de rechtverkrijgenden hun woonplaats hebben in het buitenland. 2° de ambtenaar belast
met de invordering van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de overledene ressorteert die,
op het ogenblik van zijn overlijden, de hoedanigheid heeft van btw-plichtige of van lid van een btw-eenheid
in de zin van artikel 4, § 2, van het Wetboek van de btw, evenals de ambtenaar belast met de invordering
van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de rechtverkrijgenden ressorteren die, op de datum
van het in artikel 157, § 1, van de wet bedoelde bericht, de hoedanigheid van btw-plichtige of
van lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Wetboek van de btw hebben. 3°
de Administrateur Rechtszekerheid. Art. 4. § 1. Zijn gehouden hun hoedanigheid van
belastingplichtige of lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Wetboek van
de btw, evenals, in voorkomend geval, hun btw-identificatienummer of sub-btw-identificatienummer kenbaar
te maken op verzoek van de notaris belast met het opmaken van de in artikel 1240bis van het Burgerlijk
Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging : 1° de rechtverkrijgenden aan wie een btw-identificatienummer
is toegekend; 2° de rechtverkrijgenden aan wie een sub-btw-identificatienummer is toegekend; 3°
de rechtverkrijgenden die binnen vijf jaar vóór de datum van het in artikel 157, § 1, van de
wet bedoelde bericht een gebouw vervreemd hebben met toepassing van de btw overeenkomstig het bepaalde
in artikel 8 van het Wetboek van de btw; § 2. De rechtverkrijgenden die deel uitmaken
van een feitelijke vereniging welke, wegens haar werkzaamheid, de hoedanigheid van belastingplichtige
heeft zoals bedoeld in § 1, zijn gehouden de hoedanigheid van belastingplichtige van die vereniging
kenbaar te maken aan de notaris belast met het opmaken van de in artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek
bedoelde akte of attest van erfopvolging : § 3. De rechtverkrijgenden die deel uitmaken
van een tijdelijke vereniging welke, wegens haar werkzaamheid, de hoedanigheid van belastingplichtige
heeft zoals bedoeld in § 1, zijn gehouden, naast hun hoedanigheid van belastingplichtige, de hoedanigheid
van belastingplichtige van die vereniging kenbaar te maken aan de notaris belast met het opmaken van
de in artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging.
§ 4. De rechtverkrijgenden die deel uitmaken van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, §
2, van het Wetboek van de btw zijn gehouden, naast hun hoedanigheid van lid van een btw-eenheid, de hoedanigheid
van belastingplichtige van die btw-eenheid kenbaar te maken aan de notaris belast met het opmaken van
de in artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging. Art.
5. De invordering van de in artikel 157, § 5 van de wet bedoelde boete wordt vervolgd middels
een dwangbevel, op de wijze zoals bedoeld in artikel 85 van het Wetboek van de btw, door de ambtenaar
belast met de invordering van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige
of lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Wetboek van de btw ressorteert,
die een onjuiste verklaring heeft afgelegd. Art. 6. De ambtenaar bedoeld in artikel 158, eerste
lid van de wet is, voor de belastingen en toebehoren die tot zijn bevoegdheid behoren, de ambtenaar belast
met de invordering van de fiscale schulden bedoeld in voormeld artikel 158. Art. 7. De in artikel
157 van de wet bedoelde berichten worden opgemaakt volgens het model in bijlage 1 van huidig besluit. Art.
8. De kennisgevingen betreffende het bestaan van de in artikel 158 van de wet bedoelde fiscale schulden
worden opgemaakt volgens de modellen in de bijlagen 2 tot 5 van dit besluit. Art. 9. Dit besluit
treedt in werking op 1 juli 2012. Art. 10. De Minister die bevoegd is voor Financiën is belast
met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 16 juli 2012. ALBERT Van
Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, S. VANACKERE
Bijlage
1 bij het koninklijk besluit van 16 juli 2012.
Voor de raadpleging van de tabel,
zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 16 juli 2012. ALBERT Van
Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, S. VANACKERE
Bijlage
2 bij het koninklijk besluit van 16 juli 2012.
Voor de raadpleging van de tabel,
zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 16 juli 2012. ALBERT Van
Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, S. VANACKERE
Bijlage
3 bij het koninklijk besluit van 16 juli 2012.
Voor de raadpleging van de tabel,
zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 16 juli 2012. ALBERT Van
Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, S. VANACKERE
Bijlage
4 bij het koninklijk besluit van 16 juli 2012.
Voor de raadpleging van de tabel,
zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 16 juli 2012. ALBERT Van
Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, S. VANACKERE
Bijlage
5 bij het koninklijk besluit van 16 juli 2012.
Voor de raadpleging van de tabel,
zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 16 juli 2012. ALBERT Van
Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, S. VANACKERE