29 OKTOBER 2010. - Omzendbrief over de toepassing van de wapenwetgeving
Inhoudstafel Inleiding 1.
Toepassingsgebied 1.1.De bevoegdheden van de gewesten (jacht) en de gemeenschappen (sportschieten) 1.2.
De geregionaliseerde wet op de internationale wapenhandel 1.3. Uitzonderingen voor de ordediensten 1.4.
Pro memorie : andere toepasselijke regelgeving 1.5. Private veiligheid : buiten bestek 1.6.
Statuut van de uitvoeringsbesluiten 2. Definities 2.1. Verdere toelichting en voorbeelden
bij wettelijke definities 2.2. Nuttige definities uit andere regelgeving 3. Indeling
van de wapens in categorieën 3.1. Verboden wapens 3.1.1. Wettelijke opsomming 3.1.2.
Bij besluit verboden wapens 3.1.3. Verboden handelingen 3.1.4. Uitzonderingen voor
wapenhandelaars, verzamelaars en de overheid 3.2. Vergunningsplichtige wapens 3.2.1.
Betekenis van de restcategorie 3.2.2. Bij besluit vergunningsplichtige wapens 3.2.3.
Principieel vrij verkrijgbare wapens die vergunningsplichtig worden 3.2.4. Verboden en toegelaten
handelingen 3.3. Vrij verkrijgbare wapens 3.3.1. Blanke wapens 3.3.2. Niet-vuurwapens 3.3.3.
Historische, folkloristische en decoratieve wapens 3.3.4. Vergunningsplichtige wapens die in
sommige omstandigheden worden ingedeeld als « vrij verkrijgbaar » voor specifieke activiteiten 3.3.5.
Geneutraliseerde wapens 3.3.6. Verboden en toegelaten handelingen 3.4. Wapens vs. werktuigen
en speelgoed 3.5. Illegale wapens 4. Bepalingen van toepassing op wapenhandelaars en
tussenpersonen 4.1. Erkenningsprocedure 4.1.1. Bevoegdheid 4.1.2. Beroepsbekwaamheidsexamen 4.1.3.
Ontvankelijkheid 4.1.4. Onderzoek 4.1.5. Termijn 4.1.6. De herkomst van de
financiële middelen 4.1.7. Veiligheidsmaatregelen 4.1.8. Beslissing 4.1.9.
Motivering 4.1.10. Model 2 4.1.11. Beroep 4.1.12. Wijziging van de erkenning 4.1.13.
Administratieve sancties 4.1.14. 5-jaarlijkse controle 4.2. Rechten en plichten 4.2.1.
Deontologie 4.2.2. Registers 4.2.3. Overdracht/verkoop van vuurwapens 5. Bepalingen
van toepassing op verzamelaars en musea 5.1. Erkenningsprocedure 5.1.1. Voorwaarden 5.1.2.
Bevoegdheid 5.1.3. Ontvankelijkheid 5.1.4. Onderzoek 5.1.5. Termijn 5.1.6.
Veiligheidsmaatregelen 5.1.7. Beslissing 5.1.8. Motivering 5.1.9. Model 3 5.1.10.
Beroep 5.1.11. Wijziging van de erkenning 5.1.12. Administratieve sancties 5.1.13.
5-jaarlijkse controle 5.2. Rechten en plichten 5.2.1. Registers 5.2.2. Overdracht/verkoop
van vuurwapens 5.2.3. Munitie 6. Bijzondere erkenningen voor niet-commerciële activiteiten 6.1.
Voorbeelden 6.2. Bijzondere aspecten in de erkenningsprocedure 7. Erkenning als vervoerder 7.1.
Bijzondere aspecten in de erkenningsprocedure 8. Schietstanden 8.1. Erkenningsprocedure 8.1.1.
Toepassingsgebied 8.1.2. Voorwaarden 8.1.3. Bevoegdheid 8.1.4. Ontvankelijkheid 8.1.5.
Onderzoek 8.1.6. Termijn 8.1.7. Beslissing 8.1.8. Motivering 8.1.9.
Model 13 8.1.10. Beroep 8.1.11. Wijziging van de erkenning 8.1.12. Administratieve
sancties 8.1.13. 5-jaarlijkse controle 8.2. Rechten en plichten 8.2.1. De
uitbater 8.2.2. De schutters 8.2.3. Uitzonderingen 9. Wapenbezit door particulieren
: algemene regels 9.1. Vergunningsprocedure 9.1.1. Bevoegdheid 9.1.2. Ontvankelijkheid 9.1.3.
Onderzoek 9.1.4. Termijn 9.1.5. Advies van de lokale politie 9.1.6. Het medisch
attest 9.1.7. De theoretische en de praktische proef 9.1.8. De instemming van de gezinsleden 9.1.9.
De wettige reden 9.1.10. Passief wapenbezit 9.1.11. Vondst van een wapen 9.1.12.
Beslissing 9.1.13. Motivering 9.1.14. Model 4 9.1.15. Beroep 9.1.16.
Wijziging van de vergunning 9.1.17. Administratieve sancties 9.1.18. 5-jaarlijkse controle 9.2.
Rechten en plichten 9.2.1. Aanschaf van een wapen 9.2.2. Overdracht/verkoop van een
wapen 9.2.3. Veiligheidsmaatregelen 9.2.4. Gebruik 9.2.5. Lenen van een wapen 9.2.6.
Vervoer 9.2.7. Herstelling 9.2.8. Munitie 10. Wapendracht door particulieren
: algemene regels 10.1. Notie 10.2. Omstandigheden waarin een wapen vrij mag worden
gedragen 10.3. Vergunningsprocedure 10.3.1. Bevoegdheid 10.3.2. Ontvankelijkheid 10.3.3.
Onderzoek 10.3.4. Ambassadepersoneel e.d. 10.3.5. Het medisch attest 10.3.6.
Termijn 10.3.7. Beslissing 10.3.8. Model 5 10.3.9. Beroep 10.3.10.
Wijziging van de vergunning 10.3.11. Administratieve sancties 11. Bijzondere regeling
voor jagers 11.1. Wie ? 11.2. Welke wapens ? 11.3. Welke handelingen ? 11.4.
Model 9 11.5. Administratieve sancties 11.6. Rechten en plichten 11.7. Beëindiging
van de activiteiten 12. Bijzondere regeling voor sportschutters 12.1. Wie ? 12.2.
Welke wapens ? 12.3. Welke handelingen ? 12.4. Model 9 12.5. Administratieve
sancties 12.6. Rechten en plichten 12.7. Beëindiging van de activiteiten 13.
Bijzondere wachters 14. De Europese vuurwapenpas 14.1. Nut 14.2. Aanvraag 14.3.
Geldigheid van de EVP 14.4. Op reis met wapens 14.5. Rechten en plichten van buitenlandse
houders van de EVP 15. Occasionele schutters 15.1. Voorwaarden 16. Opslag
van wapens en munitie 17. Wapenbeurzen 17.1. Voorwaarden 17.2. Toelating 18.
De nummering van vuurwapens 18.1. Het centraal wapenregister 18.2. De proefbank voor
vuurwapens 18.3. Het nationaal identificatienummer 19. Bijzonderheden over munitie
en onderdelen 19.1. Onderdelen en hulpstukken 19.2. Munitie 20. Toezicht en
straffen 20.1. Bevoegde overheden 20.2. Straffen 21. Inbeslagname van wapens 21.1.
Gerechtelijke inbeslagname en administratieve inbeslagname 21.2. Verwittiging van de gouverneur
en administratieve sancties 21.3. Model 10 21.4. Vrijwillige afstand en tijdelijke
bewaargeving van een wapen zonder dat er sprake is van een misdrijf 21.5. Onderzoek van wapens
door het NICC en private experts 21.6. Teruggave 21.7. Verbeurdverklaring 22.
Gevolgen van de overgang van de oude naar de nieuwe wetgeving 22.1. De hernieuwing van de oude
erkenningen en vergunningen 22.2. Model 6 22.3. Regularisaties 23. Verandering
van statuut van een vergunningsplichtig wapen 24. Retributies 24.1. Principes 24.2.
Tarieven 24.3. Uitzonderingen Nuttige adressen Bijlage 1 : lijst van inbreuken
bedoeld in artikel 5, § 4, 2° WW Bijlage 2 : lijst van HFD-wapens (punt 3.3.3) Bijlage
3 : theoretische proef (punt 9.1.7) Bijlage 4 : aanvraagformulier tot het verkrijgen van een
vergunning (model 4) tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen Inleiding De
regelgeving met betrekking tot wat de Wapenwet (in verdere verwijzingen afgekort als WW) de « economische
en individuele activiteiten met wapens » noemt, is sinds de invoering van de nieuwe wet op 8/6/06 fundamenteel
gewijzigd. Er is een volledig nieuwe wet en alle oude uitvoeringsbesluiten die nog bestaan, zijn in min
of meer grondige mate aangepast en enkele nieuwe uitvoeringsbesluiten werden genomen. Het is
daarom dringend noodzakelijk geworden de oude omzendbrief 3630/1/8 van 30/10/95 en zijn aanvullingen
te vervangen door een tekst die de vernieuwde regelgeving in haar geheel nader toelicht en praktische,
bindende richtlijnen bevat voor de overheden die zijn belast met de toepassing van die regelgeving op
het terrein. Deze omzendbrief behandelt alle thema's die aan bod komen in de wapenwetgeving.
Hij beoogt de vaak complexe en technische regels te verduidelijken en toegankelijker te maken, zowel
voor de lokale overheid als voor de burger. Waar voor de volledigheid zaken worden aangehaald die behoren
tot de bevoegdheid van andere overheden (jacht, schietsport, in- en uitvoer), beperkt deze omzendbrief
zich ertoe de regelgeving te citeren of te parafraseren zonder commentaar en zonder toepassingsrichtlijnen. 1.
Toepassingsgebied De Belgische regelgeving over wapens vindt zijn neerslag in verschillende
teksten. Dit is deels te verklaren door de verdeling van bevoegdheden binnen onze federale staat. Zo
moet men niet alleen rekening houden met de federale Wapenwet van 8/6/06 en haar uitvoeringsbesluiten,
maar ook met de gewestelijke decreten over de jacht, de gemeenschapsdecreten over het sportschieten en
de gewestelijke bevoegdheid op het gebied van de in-, uit- en doorvoer van wapens, die evenwel nog niet
heeft geleid tot eigen decreten. Verder onderging de federale wapenwet reeds enkele tekstwijzigingen
en bevatten diverse uitvoeringsbesluiten regels die noodzakelijk zijn voor haar toepassing, hetgeen eveneens
heeft bijgedragen tot de versnippering. Voor de toepassing op het terrein van onze regelgeving
minder relevant, maar als gemeenschappelijke basis van de betrokken wetten van de andere lidstaten van
de Europese Unie een belangrijke rechtsbron is tot slot de Europese Richtlijn 91/477/EEG van de Raad
van 18/6/91 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (gewijzigd door de
Europese Richtlijn 2008/51/EG van 21/5/08), waarnaar verder kort wordt verwezen als « Richtlijn 91/477/EEG
». 1.1. De bevoegdheden van de gewesten (jacht) en de gemeenschappen (sportschieten) Sinds
de staatshervorming van 1980 zijn de gewesten en de gemeenschappen van ons land bevoegd voor respectievelijk
de jacht en de sport (het schieten is in alle gemeenschappen een erkende sporttak). Dit betekent dat
de federale wet zich niet mag uitspreken over de voorwaarden waaronder de jacht en de schietsport mogen
beoefend worden. De federale wet beperkt zich tot het indelen van de wapens in categorieën en ze verbindt
aan elke categorie de modaliteiten voor het uitoefenen van economische en individuele activiteiten met
die wapens. Concreet bepaalt de Wapenwet wie wapens mag verhandelen, verzamelen, bezitten, vervoeren
en dragen, evenals wie een schietstand mag uitbaten, en de voorwaarden waaraan dit alles is gebonden.
De gewesten en de gemeenschappen van hun kant, hebben in hun decreten en uitvoeringsbesluiten bepaald
wie mag jagen en sportschieten, en onder welke voorwaarden dit mag. Het raakpunt van de federale
met de gewestelijke, resp. gemeenschapsbevoegdheden ligt waar artikel 12 WW een gunstregime toekent aan
jagers en sportschutters. Omdat de jagers en de sportschutters hun statuut pas kunnen verkrijgen na controle
van hun antecedenten en hun theoretische en praktische kennis, heeft de wetgever ervoor gekozen hen niet
te verplichten de vergunningsprocedure te doorlopen telkens als ze een vergunningsplichtig wapen voor
de jacht of de schietsport willen kopen. Hun jachtverlof of sportschutterslicentie geldt dan als vergunning
voor het voorhanden hebben van wapens die ontworpen zijn voor hun activiteit. Zeker voor de sportschutters,
die een grote verscheidenheid aan schietdisciplines kennen waarbij allerlei wapens, ook zware, worden
gebruikt, reikt dit gunstregime echter niet zover dat ze alle wapens vrij mogen verwerven. De Europese
Richtlijn 91/477/EEG (zie verder), zoals deze meer bepaald in Belgisch recht geïmplementeerd werd door
artikel 12 WW en het MB van 15/03/07, verzet zich hiertegen. Het is belangrijk te weten dat
de toepassing van de jachtdecreten plaatsgebonden is. Wie wenst te jagen, moet in het bezit zijn van
een jachtverlof afgegeven door de bevoegde overheden van de plaats waar de activiteit plaatsvindt. Een
Vlaming die wil jagen in het Waals gewest, moet dus een Waals jachtverlof hebben (hierop bestaan echter
uitzonderingen). Sport(schieten) is dan weer een persoonsgebonden materie. De Vlaamse sportschutter
zal met zijn Vlaamse sportschutterslicentie, afgegeven door de schuttersfederatie waarvan hij lid is,
ook kunnen deelnemen aan een wedstrijd georganiseerd door een Waalse schuttersfederatie (ook hier bestaan
bijzondere regelingen). Momenteel (midden 2010) zijn de volgende teksten van kracht (allemaal
terug te vinden op de website van de FOD Justitie www.just.fgov.be onder « Belgische wetgeving ») : -het
Vlaams jachtdecreet van 24/7/91; - het besluit van 28/10/87 van de Vlaamse Executieve betreffende
het gebruik van vuurwapens en munitie bij de jacht in het Vlaamse Gewest; - het decreet van
het Waals gewest van 14/7/94 tot wijziging van de jachtwet van 28/2/1882 (de oude jachtwet is er nog
deels van toepassing); - het besluit van 22/9/05 van de Waalse Regering houdende regeling van
het gebruik van vuurwapens en munitie met het oog op het uitoefenen van de jacht, alsmede van enkele
jachtprocessen of -technieken; - het Vlaams decreet van 11/5/07 houdende het statuut van de
sportschutter; - het besluit van de Vlaamse Regering van 1/6/07 houdende de uitvoering van het
decreet van 11/5/07 houdende het statuut van de sportschutter; - het decreet van de Franse gemeenschap
van 24/11/06 betreffende de toekenning van de vergunning van sportschutter; - het besluit van
de Regering van de Franse Gemeenschap van 30/3/07 tot vaststelling van de lijst van de schietsportdisciplines; -
het besluit van 30/3/07 van de Regering van de Franse Gemeenschap tot vaststelling van de nadere regels
voor de organisatie, de inhoud, de evaluatie en de gelijkwaardigheid van de theoretische en praktische
proeven waarvoor geslaagd moet worden voor het bekomen van de vergunning van sportschutter; -
het besluit van 30/3/07 van de Regering van de Franse Gemeenschap tot vaststelling van het model van
vergunning van sportschutter; - het besluit van 11/4/08 van de Regering van de Franse Gemeenschap
tot vaststelling van het model van het verslag bedoeld in artikel 7 van het decreet van 24 november 2006
betreffende de toekenning van de vergunning van sportschutter; - het decreet van de Duitstalige
gemeenschap van 20/11/06 over het statuut van de sportschutters; - het besluit van de Regering
van de Duitstalige gemeenschap van 23/5/07 tot uitvoering van het decreet van 20/11/06 over het statuut
van de sportschutters. Te noteren valt dat de teksten die dateren van voor de Wapenwet (8/6/06)
nog de terminologie van de oude wetgeving gebruiken, bijvoorbeeld de oude benaming van de diverse categorieën
wapens. Die achterhaalde terminologie moet uiteraard worden gelezen met respect voor de nieuwe regelgeving! 1.2.
De geregionaliseerde wet op de internationale wapenhandel In 2003 werden de gewesten bevoegd
voor nog een ander aspect van de wapenproblematiek, met name de in-, uit- en doorvoer (uitgezonderd voor
leger en politie). Voorheen was dit, net zoals dit voor andere goederen het geval is gebleven, een federale
bevoegdheid. Omdat de gewesten nog geen eigen decreten hebben aangenomen, passen ze nog steeds de oude
federale regelgeving toe : de wet van 5/8/91 betreffende de in-, uit- en doorvoer van en de bestrijding
van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig
materieel en daaraan verbonden technologie, en haar uitvoeringsbesluiten. Zoals de titel aangeeft,
is het toepassingsgebied van die wet heel wat ruimer dan dat van de hier besproken Wapenwet. Ze bestrijkt
alle wapens die onder de Wapenwet vallen, maar daarnaast ook zwaar militair materieel, onderdelen daarvoor,
elektronica, software, chemische substanties, materiaal voor ordehandhaving (zoals kogelwerende vesten,
helmen, schilden en handboeien, die in tegenstelling tot wat soms wordt gedacht, niet onder de Wapenwet
vallen!), en wat men « materiaal voor dubbel gebruik » noemt (dit zijn op zich onschuldige goederen die
een militaire bestemming krijgen of hebben gehad). Naar gelang van de vestigingsplaats van de
in-, uit- of doorvoerder geeft het betrokken gewest in-, uit- en doorvoerlicenties af. Dit zijn vaak
grote gespecialiseerde bedrijven, die alleen als ze wapens in de zin van de Wapenwet produceren of verhandelen
als wapenhandelaar of tussenpersoon moeten zijn erkend in overeenstemming met de Wapenwet. Maar ook de
gewone particulier die een wapen aankoopt in het buitenland of zijn wapen daar wenst te verkopen, valt
onder deze wetgeving. Binnen de Benelux zijn er dan weer geen in-, uit- of doorvoerlicenties
vereist. Een bijzonderheid van de regelgeving op het vlak van uit- en doorvoer (niet van invoer!)
is de onmogelijkheid de nodige licenties aan te vragen bij de gewestelijke overheden, als men niet een
voorafgaande vergunning heeft verkregen. Die wordt door de Federale Wapendienst namens de minister van
Justitie afgegeven. Ook particulieren moeten die aanvragen. Een uitzondering wordt in de praktijk wel
gemaakt voor de particulier die naar het buitenland verhuist en zijn wapen meeneemt. Toelichting dienaangaande
en het verplichte aanvraagformulier zijn terug te vinden op de voornoemde website van de FOD Justitie
(rubriek 'justitie van a tot z', trefwoord 'wapens'). Verderop (punten 9.2.1 en 14.4) wordt
ingegaan op twee aspecten van de in- en uitvoerregeling die van belang zijn binnen dit bestek : het reizen
met wapens binnen de EU en het aankopen van een wapen in een andere EU-lidstaat. 1.3. Uitzonderingen
voor de ordediensten De Wapenwet is niet van toepassing op de dienstwapens van de ordediensten,
die worden opgesomd in het KB van 26/6/02 betreffende het voorhanden hebben en het dragen van wapens
door de diensten van het openbaar gezag of van de openbare macht. Het gaat over : 1° de krijgsmacht; 2°
het operationeel kader van de politiediensten; 3° bepaalde leden van het administratief en logistiek
kader van de politiediensten; 4° de politieambtenaren van de Algemene inspectie van de federale
politie en van de lokale politie; 5° de hoofden en de leden van de Diensten Enquêtes van de
Vaste Comités van toezicht op de politiediensten en op de inlichtingendiensten; 6° de agenten
van de Administratie van douane en accijnzen; 7° de buitendiensten van het Directoraat-Generaal
Strafinrichtingen; 8° de buitendiensten van het Bestuur Veiligheid van de Staat; 9°
de daartoe aangestelde personeelsleden van het Agentschap voor Natuur en Bos binnen het Vlaamse ministerie
van Leefmilieu, Natuur en Energie; 10° de ambtenaren van het bosbeheer van het « Département
de la Nature et des Forêts », alsook de ambtenaren van het « Département de la police et des contrôles
de la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement » van de
Waalse overheidsdienst; 11° de ingenieurs en adjuncten van de Bosdienst van de Afdeling Natuur,
Water en Bos van het Brussels Instituut voor Milieubeheer van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; 12°
de inspecteurs van de Dienst Beveiliging van de Luchtvaart- en Luchthaveninspectie; 13° de politiediensten
van een lidstaat van de Europese Unie, overeenkomstig een bilateraal of multilateraal akkoord van politiesamenwerking
of een maatregel die genomen is in het kader van titel VI van het Verdrag over de Europese Unie, waarin
bepaald wordt dat deze politieambtenaren bepaalde politieopdrachten uitvoeren in België waarbij zij wapens
dragen; 14° de veiligheidsbeambten van het veiligheidskorps van de Federale Overheidsdienst
Justitie. Het feit dat een overheidsdienst is opgenomen in de bovenstaande lijst houdt niet
in dat de betrokken ambtenaren volledige vrijheid genieten. Voor elke betrokken dienst moet er immers
een uitvoeringsbesluit worden gemaakt waarin wordt bepaald welke wapens door welke ambtenaren als dienstwapens
mogen worden gebruikt, hoe ze dienen te worden verworven, bewaard, vervoerd, gebruikt, enz. Het
voorhanden mogen hebben van een dienstwapen betekent zeker niet dat de betrokken ambtenaren het recht
zouden hebben dat dienstwapen ook buiten de dienst voorhanden te hebben, laat staan te gebruiken voor
privédoeleinden. Over dit onderwerp bestaan bijzondere richtlijnen van de Minister van Binnenlandse Zaken.
In elk geval zijn ook de gewapende leden van de ordediensten als privépersoon onderworpen aan alle gewone
regels die gelden voor de burger (1). Verderop wordt besproken (punt 3.1.4) onder welke voorwaarden
bepaalde wapens niet verboden zijn voor de ordediensten en hoe ze die kunnen verwerven, voorhanden hebben,
enz. 1.4. Pro memorie : andere toepasselijke regelgeving Het is opportuun om er op
deze plaats aan te herinneren dat wapenhandelaars en particuliere wapenbezitters niet alleen de regelgeving
over wapens moeten naleven. In geval van opslag van grote hoeveelheden munitie kan de wetgeving
over springstoffen ook van toepassing zijn (de wet van 28/5/56 betreffende ontplofbare en voor deflagratie
vatbare stoffen en mengsels en de daarmede geladen tuigen, en haar voornaamste uitvoeringsbesluit van
23/9/58 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen,
vervoeren en gebruiken van springstoffen). Hiervoor is de Dienst Reglementering Springstoffen en Gas
bij de FOD Economische Zaken verantwoordelijk. Daarnaast is de gewestelijke milieureglementering
van toepassing op wapenhandelaars en -fabrikanten, net als op schietstanden. Wapenhandelaars dienen met
name, naast bijvoorbeeld de sociale, fiscale en de milieureglementering, ook de wetgeving over de handelspraktijken
te eerbiedigen. Bezoekers van schietstanden en openluchtmanifestaties waar vuurwapens worden
gebruikt, en vooral deelnemers aan « oorlogsspellen » met paintballmarkers of airsoftwapens moeten opletten
dat ze geen daden stellen die strafbaar worden gesteld door de wet van 29/7/34 waarbij de private milities
verboden worden. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn als de activiteiten een politiek doel nastreven.
Activiteiten georganiseerd in het kader van de door de gemeenschapsoverheden erkende sporten vallen nooit
onder de wet op de private milities. 1.5. Private veiligheid : buiten bestek Een aparte
categorie van wapenbezitters wordt gevormd door de bewakingsagenten die met toepassing van de wet van
10/4/90 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid het recht hebben tijdens de uitoefening
van hun beroep wapens voorhanden te hebben. Omdat zijzelf en hun werkgevers al moeten vergund
of erkend worden door de Minister van Binnenlandse Zaken en ze voor het voorhanden hebben en dragen van
wapens een bijzondere toestemming van hem nodig hebben, heeft de Wapenwet (2) ook de afgifte van de vergunningen
tot het voorhanden hebben van wapens en wapendrachtvergunningen aan bewakingsagenten gecentraliseerd
bij de bevoegde directie private veiligheid van de FOD Binnenlandse Zaken. Deze omzendbrief
is niet op hen van toepassing, maar kan wel als aanvullende toelichting worden gebruikt door de bevoegde
diensten (3). 1.6. Statuut van de uitvoeringsbesluiten De belangrijkste uitvoeringsbesluiten
van de oude wapenwet van 1933 waren veel recenter dan die wet en waren zelf niet aan een fundamentele
herziening toe op het moment dat de nieuwe Wapenwet in 2006 in werking trad. Daarom werd ervoor gekozen
ze waar mogelijk van kracht te laten (4) en alleen over te gaan tot de noodzakelijke aanpassingen (eerst
vooral terminologisch, later vooral inhoudelijk) om ze te doen overeenstemmen met de tekst en de geest
van de nieuwe wet. Soms was het mogelijk de uitvoering van nieuwe wetsbepalingen te integreren in een
bestaand besluit. Midden 2010 zijn de volgende besluiten nog van kracht (en meestal al volledig aangepast)
: • het KB van 26/6/02 betreffende het voorhanden hebben en het dragen van wapens door
de diensten van het openbaar gezag of van de openbare macht; • het KB van 13/7/2000 tot
bepaling van de erkenningsvoorwaarden van schietstanden; • het KB van 1/3/98 betreffende
de indeling in categorieën van sommige seinpistolen, sommige slachttoestellen, sommige verdovingswapens; •
het KB van 24/4/97 tot bepaling van de veiligheidsvoorwaarden bij het opslaan, het voorhanden hebben
en het verzamelen van vuurwapens of munitie; • het KB van 27/2/97 betreffende de indeling
van de munitie van kaliber 5.7 x 28 mm; • het KB van 18/11/96 tot indeling van sommige
alarmwapens bij de categorie vergunningsplichtige vuurwapens; • het KB van 30/3/95 tot
indeling van sommige gas- en luchtwapens; • het KB van 8/8/94 betreffende de Europese
Vuurwapenpassen; • het KB van 20/9/91 tot uitvoering van de Wapenwet; •
het KB van 20/9/91 betreffende de vuurwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde en
de vuurwapens die voor het schieten onbruikbaar zijn gemaakt. Een reeks van overbodig geworden
oude uitvoeringsbesluiten werd uitdrukkelijk opgeheven. Tevens werd een aantal nieuwe autonome
besluiten genomen om te voorzien in de uitvoering van nieuwe wetsbepalingen. Midden 2010 betreft het
de volgende teksten : • het KB van 29/12/06 tot uitvoering van sommige bepalingen van
de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, waarvan
de eerste artikelen autonome bepalingen zijn; • het MB van 15/3/07 tot bepaling van de
lijst van vuurwapens ontworpen voor het sportschieten, waarvoor houders van een sportschutterslicentie
vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht; • het KB van 16/10/08 tot regeling van het
statuut van de wapenhandelaar; • het MB van 16/10/08 houdende erkenning van de artsen
bevoegd voor het afgeven van een attest bedoeld in artikel 14 van de wapenwet; • het
MB van 11/3/10 tot indeling bij de verboden wapens van bepaalde hulpstukken voor vuurwapens. Ook
na het verspreiden van deze omzendbrief zal nog een (beperkt) aantal nieuwe besluiten moeten worden genomen,
die echter geen fundamentele wijzigingen meer zullen aanbrengen in deze tekst. 2. Definities 2.1.
Verdere toelichting en voorbeelden bij wettelijke definities Artikel 2 WW geeft een heterogene
reeks definities van termen die worden gebruikt in de regelgeving. Ook in sommige uitvoeringsbesluiten
zijn definities terug te vinden. Die laatste worden (tenzij ze van algemeen nut zijn) besproken in de
punten waar de betrokken besluiten zelf ter sprake komen. Hieronder worden alle wettelijke definities
weergegeven, waar mogelijk aangevuld met nuttige commentaar. De gebruikte nummering is die van de wet. 1°
wapenhandelaar : eenieder die voor eigen rekening en gewoonlijk, als hoofdactiviteit of als nevenactiviteit,
tegen een vergoeding of om niet, vuurwapens, onderdelen ervan of munitie ervoor vervaardigt, herstelt,
wijzigt, verhandelt of anderszins ter beschikking stelt; Commentaar : • deze
term dekt niet alleen de traditionele handelaars, maar ook de andere leden van de betrokken economische
sector (fabrikanten, invoerders, ambachtelijke herstellers en onderaannemers, graveerders,...) •
handelaars in blanke wapens zoals messen zijn geen wapenhandelaars • particulieren mogen
occasioneel hun eigen wapens verkopen zonder als wapenhandelaar beschouwd te worden, zolang ze geen wapens
verwerven met het oog op de wederverkoop ervan en dus geen verdoken handel drijven •
particulieren, vooral jagers en sportschutters, mogen zelf in beperkte hoeveelheden munitie voor eigen
gebruik vervaardigen zonder als wapenhandelaar beschouwd te worden, zonder ze evenwel te mogen verhandelen •
hieronder vallen niet de schietstanden of particulieren die wapens tijdelijk uitlenen op de schietstand
en personen begeleiden zonder evenwel de wapens definitief over te dragen 2° tussenpersoon :
eenieder die, tegen een vergoeding of om niet, de voorwaarden creëert voor het sluiten van een overeenkomst
met als onderwerp de vervaardiging, de herstelling, de wijziging, het aanbod, de verwerving, de overdracht
of enige andere vorm van terbeschikkingstelling van vuurwapens, onderdelen ervan of munitie ervoor, ongeacht
de herkomst en de bestemming ervan en ongeacht of de goederen op het Belgische grondgebied komen, of
die een dergelijke overeenkomst sluit wanneer het vervoer door een derde wordt verricht; Commentaar
: • deze term slaat zowel op de particulier die als bijberoep optreedt als makelaar bij
de aankoop van wapens door derden, als op internationale brokers die enkel een bureau in België hebben
en zelf niet in contact komen met de wapens 3° antipersoonsmijnen, valstrikmijnen en soortgelijke
mechanismen : ieder tuig dat op of onder enig oppervlak of in de nabijheid daarvan wordt geplaatst, en
ontworpen of aangepast is om te ontploffen of uiteen te spatten door de aanwezigheid of nabijheid van
of het contact met een persoon, al dan niet voorzien van een anti-hanteermechanisme, dat de mijn beschermt,
er onderdeel van is, verbonden is met, bevestigd aan of geplaatst onder de mijn en dat in werking wordt
gesteld wanneer een poging wordt gedaan de mijn te manipuleren of opzettelijk te ontregelen; 4°
submunitie : alle munitie die zich, om haar functie te vervullen, van een moederbom losmaakt. Dat betreft
alle munitie of explosieve ladingen die bedoeld zijn om op een bepaald ogenblik te ontploffen nadat zij
zijn gelanceerd of uitgestoten uit een moederbom met verspreidingsmunitie, met uitzondering van :
- verspreidingssystemen die alleen rook- of lichtmunitie bevatten, of munitie die uitsluitend bestemd
is om als elektrisch of elektronisch afweermiddel te dienen; - systemen met meervoudige munitie
die alleen bedoeld is om pantservoertuigen te doorboren en te vernietigen, die uitsluitend met die doelstelling
kunnen worden ingezet zonder dat ze gevechtszones kunnen bestrijken zonder enig onderscheid, meer bepaald
doordat hun traject en hun doelwit moeten worden gecontroleerd, en die in voorkomend geval uitsluitend
kunnen exploderen op het ogenblik dat ze inslaan en in ieder geval niet kunnen exploderen louter door
het contact met, de aanwezigheid of de nabijheid van een persoon; 5° blindmakend laserwapen
: wapen ontworpen of aangepast met als enig doel of onder meer als doel om door middel van lasertechnologie
mensen permanent blind te maken; 6° brandwapen : elk wapen of elk stuk munitie dat in de eerste
plaats is ontworpen om objecten in brand te steken of brandwonden toe te brengen aan personen via de
inwerking van vlammen, hitte of een combinatie daarvan, voortgebracht door een chemische reactie van
een op het doel gebrachte stof; 7° spring- of valmes met slot : mes waarvan het lemmet door
een mechanisme of door de zwaartekracht uit het heft wordt gebracht en automatisch wordt geblokkeerd; Commentaar
: • de bekendste voorbeelden hiervan zijn de messen beter gekend onder de benamingen
« knipmes » of « stiletto » • het gaat dus niet over messen waarvan het lemmet handmatig
moet worden opengevouwen en al dan niet automatisch kan worden geblokkeerd met een veer, knop of ring 8°
vlindermes : een mes, waarvan het heft in de lengterichting in tweeën is gedeeld en waarvan het lemmet
naar buiten wordt gebracht door elk van de delen van het heft in tegenovergestelde richting zijdelings
open te vouwen; 9° namaakwapen : al dan niet inerte natuurgetrouwe imitatie, replica of kopie
van een vuurwapen; Commentaar : • de ouderdom van namaakwapen en origineel model
speelt geen rol • van doorslaggevend belang is de uiterlijke gelijkenis, maar ook het
gewicht kan meespelen • de vraag die men zich moet stellen om iets als namaakwapen te
beschouwen, is of iemand zich er redelijkerwijs bedreigd zou kunnen door voelen 10° lang wapen
: wapen waarvan de looplengte meer dan 30 cm bedraagt of waarvan de totale lengte meer dan 60 cm bedraagt; Commentaar
: • a contrario heeft een kort wapen een looplengte van ten hoogste 30 cm en een totale
lengte van ten hoogste 60 cm 11° vouwgeweer : wapen waarvan de loop, door volledig te draaien
rond een as, langsheen de kolf komt, zodat de lengte van het wapen is herleid tot de helft ervan, waardoor
het aldus gemakkelijk kan worden verborgen onder de kledij; Commentaar : • niet
te verwarren met de term plooigeweer die vaak wordt gebruikt voor openknikkende jachtgeweren •
typevoorbeeld van het stropersgeweer • geweren met een klapkolf of met een uitschuifbare
kolf vallen hier evenwel niet onder als deze kolven er niet voor zorgen dat het wapen gemakkelijk kan
worden verborgen onder de kledij. 12° niet-vuurwapen : elk wapen dat één of meerdere projectielen
afschiet waarvan de voortstuwing niet resulteert door de verbranding van poeder of door een detonator; Commentaar
: • deze term dekt uiteenlopende soorten wapens : luchtpistolen, loodjesgeweren, airsoftwapens,
paintballmarkers, bogen, kruisbogen, katapulten, ... • ook de zeldzame wapens die projectielen
afschieten door middel van elektrische impulsen vallen hieronder 13° blank wapen : elk wapen
voorzien van één of meerdere klingen die één of meerdere snedes hebben; Commentaar : •
in deze definitie gaat het alleen over de steek- en snijwapens, maar verderop bij de bespreking van het
statuut van de blanke wapens (punt 3.3.1) worden ook sommige slagwapens ermee gelijkgesteld 14°
werpmes : mes waarvan het bijzonder evenwicht toelaat met precisie te werpen; Commentaar : •
dit zijn de messen die gebruikt worden bij stunts en in circussen, die zich nu tevreden moeten stellen
met imitaties • ook zgn. ballistische messen vallen hieronder, dit zijn lemmeten met
het uitzicht van een werpmes die niet worden geworpen, maar afgeschoten door een mechanisme in het heft 15°
nunchaku : vlegel bestaande uit twee korte onbuigzame stokjes die met elkaar verbonden zijn door een
ketting of een ander middel; Commentaar : • bij gevechtssporten neemt men vaak
zijn toevlucht tot imitaties waarvan de stokjes zijn gemaakt uit een buigzaam materiaal of zijn overtrokken
met een soepel materiaal; die zijn aanvaardbaar als ze niet kunnen kwetsen 16° werpster : metalen
plaatje in de vorm van een ster en met scherpe punten, dat kan worden verborgen en ook « shuriken »
wordt genoemd; 17° jachtverlof : een document dat het recht verleent om de jacht te beoefenen
en dat is afgeleverd door of namens de gewestelijke overheden bevoegd voor de jacht, of een gelijkwaardig
document afgeleverd in een andere lidstaat van de Europese Unie, of een door de minister van Justitie
erkend document afgeleverd in een andere staat; Commentaar : • een jachtverlof
uit een andere EU-lidstaat is niet per definitie gelijkwaardig : voor elk land dient het bewijs geleverd
te worden dat het document slechts wordt afgegeven na grondige controle van de gerechtelijke antecedenten
en de theoretische en praktische kennis • op dezelfde basis kan de Federale Wapendienst
namens de minister jachtverloven van andere staten ook als gelijkwaardig beschouwen 18° sportschutterslicentie
: een document dat het recht verleent om de schietsport te beoefenen en dat is afgeleverd door of namens
de gemeenschapsoverheden bevoegd voor sport, of een gelijkwaardig document afgeleverd in een andere lidstaat
van de Europese Unie of een door de minister van Justitie erkend document afgeleverd in een andere staat; Commentaar
: • hiervoor gelden dezelfde opmerkingen als bij het jachtverlof, met dien verstande
dat in tegenstelling daartoe in veel landen geen officiële sportschutterslicentie bestaat of ze niet
gelijkwaardig blijkt te zijn! 19° schietstand : een schietinstallatie voor vuurwapens, al dan
niet gelegen in een gesloten lokaal; Commentaar : • ook openlucht-schietstanden
voor het kleischieten vallen hieronder • schietstanden waar alleen met niet-vuurwapens
wordt geschoten (paintball, luchtdruk,...) vallen hier niet onder 20° munitie : een geheel bestaande
uit een huls, een slaghoedje, een kruitlading en een of meer projectielen; Commentaar : •
de projectielen bestemd voor niet-vuurwapens vallen niet onder deze definitie, maar wanneer de betrokken
niet-vuurwapens met vuurwapens gelijkgesteld werden, krijgen die projectielen in de praktijk toch vaak
het statuut van munitie • blanke munitie (of oefenmunitie) voldoet niet aan deze definitie
bij gebrek aan projectiel, en kan er dus niet mee worden gelijkgesteld 21° automatisch vuurwapen
: enig vuurwapen dat, na elk afgevuurd schot, zich automatisch herlaadt en dat met een druk op de trekker,
een salvo van meerdere schoten kan afvuren; Commentaar : • elk vuurwapen dat
automatisch kan vuren, ook al kan het ook in een andere modus vuren, is te beschouwen als een automatisch
vuurwapen 22° verblijfplaats : de belangrijkste verblijfplaats die iemand in België heeft, met
uitsluiting van de plaatsen waar wapens worden bewaard en die de betrokkene deelt met derden; Commentaar
: • de plaats waar de betrokkene het meest aanwezig is als hij twee eigen verblijfplaatsen
heeft in ons land, of één in ons land en één in het buitenland • de plaats waar het wapen
is ondergebracht als de betrokkene evenveel aanwezig is in twee verblijfplaatsen in ons land, of waarvan
één in ons land ligt en één in het buitenland • niet een tweede verblijfplaats die door
anderen wordt bewoond wanneer de betrokkene er zelf niet aanwezig is 23° loop : onderdeel van
een wapen, bestaande uit de holte waarlangs het projectiel voorbijkomt, al dan niet met trekken, en gewoonlijk
met een kamer waarin het projectiel wordt ingebracht; 24° revolver : kort vuurwapen met rotatiemagazijn
of trommel met een of meerdere kamers. De kamers komen achtereenvolgens voor de loop te staan door druk
op de trekker of bij rechtstreekse wapening, door druk van de duim op de haan van het wapen; Commentaar
: • er bestaan ook enkelschotsrevolvers waarvan de trommel niet beweegt •
trommelkarabijnen zijn lange wapens en vallen niet onder deze definitie 25° pistool : kort vuurwapen
waarbij de uitwerping van de huls, de invoering van de nieuwe patroon en het vergrendelen automatisch
gebeurt na het vertrekken van het schot, dankzij de energie die ontstaat door de ontploffing van de kruitlading
of door de verbrandingsgassen. De schutter moet de trekker loslaten en opnieuw drukken om een nieuw schot
af te vuren; Commentaar : • er bestaan ook enkelschotspistolen zonder lader 26°
repeteerwapen : vuurwapen dat projectielen één per één afvuurt bij iedere druk op de trekker, doch waarbij
de schutter het wapen manueel dient te herbewapenen, met een hefboom, een grendel of een pomp. Commentaar
: • bekende voorbeelden van elk gebruikt mechanisme zijn de Winchesterkarabijn (hefboom),
de Lee-Enfield (grendel) en de riot-gun (pomp) • een single-actionrevolver, waarbij de
haan met de vinger moet worden opgespannen voor elk schot, is een repeteerwapen 2.2. Nuttige
definities uit andere regelgeving De bovenstaande definities van automatische wapens en van
repeteerwapens zijn door de wet overgenomen uit de Richtlijn 91/477/EEG. In deze Richtlijn zijn ook de
volgende andere relevante definities opgenomen : 1° semi-automatisch of halfautomatisch wapen
: een vuurwapen dat na elk schot automatisch weer geladen wordt en dat bij eenmalige bediening van de
trekker niet meer dan één projectiel kan afvuren; Commentaar : • een double-actionrevolver,
waarbij de haan automatisch wordt opgespannen door de trekker te manipuleren voor elk schot, heeft een
semi-automatische werking, maar wordt traditioneel niet beschouwd als een semi-automatisch wapen doch
wel als een repeteerwapen 2° enkelschotswapen : een vuurwapen zonder lader, dat voor elk schot
wordt geladen door met de hand een kogel in de kamer of in een hiertoe aangebrachte ruimte bij de ingang
van de loop te brengen. Commentaar : • een pistool is in principe een semi-automatisch
wapen, tenzij het slechts een enkelschotswapen is De definitie van jagen en sportschieten is
terug te vinden in de verschillende betrokken gewest- en gemeenschapsdecreten. Hoewel de regelgeving
verschillend is, zijn de definities in de praktijk dezelfde : 1° jagen volgens het Vlaams jachtdecreet
: de jachtdaad is de handeling waarbij het wild gedood of gevangen wordt, alsmede de handeling waarbij
dat wild met dat doel opgespoord en achtervolgd wordt. In dit decreet wordt het woord jagen gebruikt
in de betekenis van het stellen van een jachtdaad; 2° sportschieten volgens het Vlaams sportschuttersdecreet
: het beoefenen van de schietdisciplines die worden aangeboden door de internationale schietsportfederatie
die erkend is door het Internationaal Olympisch Comité, of door de schietsportfederaties, met uitzondering
van het buksschieten; de sportschutter is de natuurlijke persoon die via een schuttersvereniging lid
is van een schietsportfederatie; Commentaar : • in alle Gemeenschappen is het
verboden om het sportschieten te beoefenen zonder houder te zijn van een sportschutterslicentie. De definitie
van het begrip « sportschieten » verschilt in elke Gemeenschap. De decreten regelen echter enkel het
beoefenen van de schietsport binnen de disciplines die worden aangeboden door de erkende schietsportfederaties.
Met de term « recreatief schieten » wordt dan bedoeld het schieten buiten het door de Gemeenschappen
geregelde kader (b.v. wapenbezitters die niet bij een club zijn aangesloten en/of die geen door een federatie
georganiseerde schietdisciplines beoefenen). 3. Indeling van de wapens in categorieën In
onze regelgeving is sprake van drie categorieën van wapens : verboden wapens, vergunningsplichtige wapens
en vrij verkrijgbare wapens. Vuurwapens die niet uitdrukkelijk bij de verboden of de vrij verkrijgbare
wapens zijn ingedeeld, zijn vergunningsplichtig. Niet-vuurwapens zijn dan weer principieel vrij verkrijgbaar,
maar kunnen vergunningsplichtig worden gemaakt of verboden worden. Tot slot wordt ingegaan op de soms
moeilijke aflijning tussen wapens en andere voorwerpen. 3.1. Verboden wapens 3.1.1.
Wettelijke opsomming (5) Opmerking - Uit de vroegere opsomming van de verboden wapens in de
wet zijn de dolken en dolkmessen verdwenen. Dit komt enerzijds omdat hun statuut al te veel aanleiding
gaf tot twijfel en discussie, en anderzijds omdat veel types van messen die als verboden dolkmessen konden
worden beschouwd noodzakelijk of nuttig zijn bij het beoefenen van een hobby. Dat deze messen voortaan
vrij verkrijgbaar zijn, betekent echter niet dat ze ontsnappen aan alle controle : hun dracht en bijgevolg
hun gebruik zijn nog steeds onderworpen aan een wettige reden ! 1° antipersoonsmijnen, valstrikmijnen
en soortgelijke mechanismen (ieder tuig dat op of onder enig oppervlak of in de nabijheid daarvan wordt
geplaatst, en ontworpen of aangepast is om te ontploffen of uiteen te spatten door de aanwezigheid of
nabijheid van of het contact met een persoon, al dan niet voorzien van een anti-hanteermechanisme, dat
de mijn beschermt, er onderdeel van is, verbonden is met, bevestigd aan of geplaatst onder de mijn en
dat in werking wordt gesteld wanneer een poging wordt gedaan de mijn te manipuleren of opzettelijk te
ontregelen), en blindmakende laserwapens (wapen ontworpen of aangepast met als enig doel of onder meer
als doel om door middel van lasertechnologie mensen permanent blind te maken); 2° brandwapens
(elk wapen of elk stuk munitie dat in de eerste plaats is ontworpen om objecten in brand te steken of
brandwonden toe te brengen aan personen via de inwerking van vlammen, hitte of een combinatie daarvan,
voortgebracht door een chemische reactie van een op het doel gebrachte stof); 3° wapens ontworpen
voor uitsluitend militair gebruik, zoals automatische vuurwapens, lanceertoestellen, artilleriestukken,
raketten, wapens die gebruik maken van andere vormen van straling dan die bedoeld onder het 1°, munitie
die specifiek is ontworpen voor die wapens, bommen, torpedo's en granaten; 4° submunitie (alle
munitie die zich, om haar functie te vervullen, van een moederbom losmaakt. Dat betreft alle munitie
of explosieve ladingen die bedoeld zijn om op een bepaald ogenblik te ontploffen nadat zij zijn gelanceerd
of uitgestoten uit een moederbom met verspreidingsmunitie, met uitzondering van verspreidingssystemen
die alleen rook- of lichtmunitie bevatten, of munitie die uitsluitend bestemd is om als elektrisch of
elektronisch afweermiddel te dienen, en van systemen met meervoudige munitie die alleen bedoeld is om
pantservoertuigen te doorboren en te vernietigen, die uitsluitend met die doelstelling kunnen worden
ingezet zonder dat ze gevechtszones kunnen bestrijken zonder enig onderscheid, meer bepaald doordat hun
traject en hun doelwit moeten worden gecontroleerd, en die in voorkomend geval uitsluitend kunnen exploderen
op het ogenblik dat ze inslaan en in ieder geval niet kunnen exploderen louter door het contact met,
de aanwezigheid of de nabijheid van een persoon); 5° spring- en valmessen met slot (mes waarvan
het lemmet door een mechanisme of door de zwaartekracht uit het heft wordt gebracht en automatisch wordt
geblokkeerd), vlindermessen (een mes, waarvan het heft in de lengterichting in tweeën is gedeeld en
waarvan het lemmet naar buiten wordt gebracht door elk van de delen van het heft in tegenovergestelde
richting zijdelings open te vouwen), boksbeugels en blanke wapens die uiterlijk gelijken op een ander
voorwerp (bijvoorbeeld een mes verborgen in een riem); 6° degenstokken en geweerstokken die
geen historische sierwapens zijn : het gaat om wandelstokken of paraplu's waarin een steekwapen of een
vuurwapen verborgen zit, en die geen aantoonbare historische waarde hebben; 7° knotsen (wapens
die zijn gemaakt om iemand zware slagen mee te geven) en wapenstokken (het woord "matrak" is een soortnaam
waaronder alle kleine slagwapens worden bedoeld, uit eender welk materiaal vervaardigd en die, naar vorm
en bestemming, een gelijkenis hebben met de wapenstok. Specifieke kenmerken van de wapenstok zijn o.m.
het feit dat hij de vorm van een stok heeft; gemakkelijk te gebruiken en zelfs te verbergen is; zeer
sterk en stevig is; voorzien van een handvat of van een riem en dat hij kennelijk ontworpen of bestemd
is om te kneuzen of te verwonden); 8° vuurwapens waarvan de kolf of de loop op zich in verschillende
delen kan worden uiteengenomen, vuurwapens die zodanig zijn vervaardigd of gewijzigd dat het dragen ervan
niet of minder zichtbaar is dan wel dat hun technische eigenschappen niet meer overeenstemmen met die
van het model zoals omschreven in de vergunning tot het voorhanden hebben ervan en vuurwapens die uiterlijk
gelijken op een ander voorwerp dan een wapen (hieronder valt bijvoorbeeld een geweer met afgezaagde loop); 9°
draagbare tuigen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of
pijn kan worden toegebracht, met uitzondering van medische of diergeneeskundige hulpmiddelen (zgn. tasers); 10°
voorwerpen bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, traanverwekkende en soortgelijke
stoffen, met uitzondering van medische hulpmiddelen (bijvoorbeeld traangas- of pepersprays, maar ook
de zgn. « smurfenspray » die een sterke kleurstof in het gezicht van een aanvaller spuit, waarbij die
tijdelijk wordt verblind); 11° vouwgeweren boven kaliber 20 (wapen waarvan de loop, door volledig
te draaien rond een as, langsheen de kolf komt, zodat de lengte van het wapen is herleid tot de helft
ervan, waardoor het aldus gemakkelijk kan worden verborgen onder de kledij). De kaliberaanduiding 20
wijst op een loop met diameter 15,6mm, dus enkel lopen met een diameter van 15,6mm of groter zijn verboden
(dus kalibers 4, 10, 12, 14, 16 en 20); 12° werpmessen (mes waarvan het bijzonder evenwicht
toelaat met precisie te werpen); 13° nunchaku's (vlegel bestaande uit twee korte onbuigzame
stokjes die met elkaar verbonden zijn door een ketting of een ander middel); 14° werpsterren
(metalen plaatje in de vorm van een ster en met scherpe punten, dat kan worden verborgen en ook "shuriken"
wordt genoemd); 15° vuurwapens uitgerust met de volgende onderdelen en hulpstukken, evenals
de volgende onderdelen en hulpstukken afzonderlijk : geluiddempers (ook als ze in het wapen zijn geïntegreerd);
laders met een grotere capaciteit dan de normale capaciteit zoals bepaald door de minister van Justitie
voor een bepaald model vuurwapen; richtapparatuur voor vuurwapens, die een straal projecteert op het
doel (niet de elektronische richtapparatuur waarbinnen een rood punt is te zien, zonder dat dit op het
doel wordt geprojecteerd) en nachtkijkers (bedoeld worden de nachtkijkers die op een vuurwapen kunnen
worden gemonteerd); 16° bij MB aangewezen tuigen, wapens en munitie die een nieuwe ernstige
bedreiging voor de openbare veiligheid kunnen vormen en wapens en munitie die om die reden alleen de
ordediensten voorhanden mogen hebben (deze mogelijkheid werd in het leven geroepen om te kunnen reageren
wanneer een onwenselijk type wapen op de markt komt); 17° voorwerpen en stoffen die niet als
wapen zijn ontworpen, maar waarvan, gegeven de concrete omstandigheden, duidelijk is dat degene die ze
voorhanden heeft, draagt of vervoert, ze wenst te gebruiken voor het toebrengen van lichamelijk letsel
aan of het bedreigen van personen (dit zijn de zgn. verboden wapens door bestemming : eender welke zaak
die als wapen wordt gebruikt); 18° inerte munitie en bepantsering die verarmd uranium of elk
ander industrieel uranium bevatten. 3.1.2. Bij besluit verboden wapens Het voornoemde
punt 16° laat toe dat in de toekomst bepaalde tuigen, wapens en munitie bij ministerieel besluit als
verboden wapens worden ingedeeld. Alle vroegere koninklijke besluiten die wapens als verboden
bestempelden, zijn opgeheven en bijna allemaal geïntegreerd in de nieuwe wet. Katapulten worden niet
meer beschouwd als verboden wapens. Op het vlak van de munitie bestaat er nog één KB (van 27/02/97)
dat de munitie van kaliber 5.7 x 28 mm heeft verboden. Het betreft de munitie gebruikt door de P90 van
FN. Recent werden tevens bepaalde hulpstukken evenals de vuurwapens die ermee zijn uitgerust
ingedeeld bij de verboden wapens middels het MB van 11/3/10. Het betreft meer bepaald hulpstukken, met
uitzondering van gewone kolven, die aan een handvuurwapen bepaalde uiterlijke kenmerken en technische
eigenschappen van een schoudervuurwapen geven. In werkelijkheid betreft het enkel de recente
hulpstukken waarin een handvuurwapen volledig wordt verborgen waardoor het kan worden gebruikt als een
lang aanvalswapen. Het betreft dus helemaal niet de houten of metalen kolfverlengstukken die lang geleden
werden ontwikkeld. 3.1.3. Verboden handelingen (6) In de praktijk zijn alle handelingen
met verboden wapens uiteraard ook verboden. De wet somt het vervaardigen, herstellen, te koop stellen,
verkopen, overdragen, vervoeren, opslaan, voorhanden hebben en dragen ervan op. In tegenstelling tot
de oude regelgeving is het loutere bezit van een verboden wapen nu ook verboden en strafbaar. Wanneer
een inbreuk wordt vastgesteld, worden de verboden wapens in beslag genomen, verbeurd verklaard en vernietigd,
zelfs indien zij niet aan de veroordeelde toebehoren. Het is tevens verboden om reclame te maken
voor verboden wapens (7). 3.1.4. Uitzonderingen voor wapenhandelaars, verzamelaars en de overheid
(8) Sommige wapens zijn niet absoluut verboden : bepaalde handelingen mogen door bepaalde categorieën
van personen worden gesteld onder strikte voorwaarden. Dit geldt echter uitsluitend als de wet hierin
uitdrukkelijk voorziet. De overheidsdiensten die voor de uitoefening van hun taak over dienstwapens
mogen beschikken, worden opgesomd in het KB 26/6/02 betreffende het voorhanden hebben en het dragen
van wapens door de diensten van het openbaar gezag of van de openbare macht. Om hen toe te laten van
deze uitzondering te genieten, bestaat er bovendien voor elk van de opgesomde diensten een MB dat preciseert
welke de dienstwapens zijn en onder welke voorwaarden ze mogen worden verworven, opgeslagen, gebruikt,
enz. Voor hun dienstwapens hebben deze overheden geen vergunningen nodig en zijn de overige wettelijke
bepalingen evenmin van toepassing. Dit betekent dat wapens die niet kunnen worden beschouwd als dienstwapens,
maar die bijvoorbeeld voor didactische doeleinden voorhanden worden gehouden, wel onder de gewone wettelijke
regeling vallen. Het gebruik van privé-wapens als dienstwapen door leden van de politie is niet
meer toegelaten. Het omgekeerde, privé-gebruik van een dienstwapen, is mogelijk mits toelating van de
korpschef en op voorwaarde dat de betrokkene een vergunning tot het voorhanden hebben van het wapen heeft
verkregen. De door de gouverneur te volgen procedure in dergelijk geval is dezelfde als die voor iedereen,
met dien verstande dat het wapen niet op naam van de betrokkene zal kunnen worden geregistreerd in het
CWR en dat de geldigheid van de vergunning beperkt is tot wat de korpschef heeft bepaald en door de wettelijke
en reglementaire bepalingen inzake de bewapening van de politie. Om te kunnen voldoen aan de
behoeften van de voornoemde overheden (evenals die van de publiekrechtelijke musea, dit zijn de musea
die afhangen van de overheid), mogen erkende wapenhandelaars de betrokken wapens invoeren, opslaan,
verhandelen, voorhanden hebben en vervoeren. In principe mag het alleen over bestelde hoeveelheden gaan,
maar het is aanvaardbaar dat de handelaars een beperkte hoeveelheid prospectiemateriaal voorhanden houden. De
wapens en hulpstukken bedoeld in artikel 3, § 1, 3° en 15° WW (zie hierboven) mogen worden vervaardigd,
hersteld, verkocht, ingevoerd, opgeslagen en vervoerd door erkende wapenfabrikanten die licentiehouder
zijn van de betrokken wapens. Tussenpersonen komen hiervoor echter niet in aanmerking. Erkende
verzamelaars en musea hebben het recht bepaalde verboden wapens toch in hun verzameling op te nemen.
Zo mogen ze automatische vuurwapens in originele staat aankopen, invoeren en voorhanden houden als ze
er de slagpin uit verwijderen en ze bewaren op de wijze bepaald door de Koning (9). Dit geldt eveneens
voor de wapens (andere dan automatische vuurwapens) en hulpstukken bedoeld in artikel 3, § 1,
3° en 15° WW (zie hierboven), als deze definitief geneutraliseerd zijn. Het neutraliseren van draagbare
vuurwapens is een monopolie van de Proefbank voor vuurwapens, maar die kan niet instaan voor het neutraliseren
van zwaar militair materieel zoals kanonnen (hiervoor is de tussenkomst van een bevoegde militaire overheid
noodzakelijk, bijvoorbeeld de oorspronkelijke militaire eigenaar die attesteert dat ze het wapen heeft
geneutraliseerd). Een erkenning uitsluitend voor deze wapens is echter niet mogelijk. Die laatste
kan wel worden aangevraagd door wie enkel de in artikel 3, § 1, 5°, 6°, 7°, 12°, 13° en 14° WW
bedoelde wapens (zie hierboven : het gaat telkens over blanke wapens) wenst te verzamelen. Ze mogen door
erkende verzamelaars worden voorhanden gehouden, verworven en ingevoerd, op voorwaarde dat ze overeenkomstig
de reglementaire bepalingen ter zake worden bewaard zoals vuurwapens (10). Een erkenning als verzamelaar
van uitsluitend deze wapens kan worden verkregen volgens de gewone procedure en de betrokken wapens worden
dan gelijkgesteld met vuurwapens. Er moet worden opgemerkt dat wapenhandelaars deze wapens nooit mogen
verhandelen. De betrokken verzamelaars en musea moeten dus hun nieuwe aanwinsten invoeren uit het buitenland. 3.2.
Vergunningsplichtige wapens 3.2.1. Betekenis van de restcategorie (11) De wetgeving
gaat uit van het principe dat alle vuurwapens vergunningsplichtig zijn. Vuurwapens die niet uitdrukkelijk
als zodanig zijn aangewezen door de wet of een uitvoeringsbesluit, zijn dus nooit vrij verkrijgbaar. Munitie
is vergunningplichtig van zodra ze kan worden gebruikt in een vergunningsplichtig vuurwapen. Dit geldt
dus ook voor munitie die geschikt is voor zowel vergunningsplichtige als voor vrij verkrijgbare vuurwapens.
Munitie voor niet-vuurwapens is nooit vergunningsplichtig (ze beantwoordt overigens niet aan de wettelijke
definitie van munitie) (12). Losse onderdelen van vuurwapens zijn vergunningsplichtig als ze
kunnen worden gebruikt voor vergunningsplichtige wapens en als ze aan de wettelijke proef (kwaliteitscontrole
door de proefbank) zijn onderworpen (13). De vergunningsplicht is echter niet steeds dezelfde
ten aanzien van alle personen. Zo is ze veel soepeler ten aanzien van jagers en sportschutters, die onder
bepaalde voorwaarden hun jachtverlof en hun sportschutterslicentie mogen gelijkstellen met een vergunning
tot het voorhanden hebben van bepaalde vuurwapens. Anders gezegd kunnen bepaalde vergunningsplichtige
vuurwapens subjectief vergunningsvrij worden. Dit belet niet dat alle andere wettelijke bepalingen die
van toepassing zijn op vergunningsplichtige wapens niet zouden gelden t.a.v. deze personen. Ook
het omgekeerde is mogelijk. Wapens ingedeeld als vrij verkrijgbare wapens (« objectief vrij verkrijgbare
wapens »), omdat ze zijn vermeld in het KB van 20/9/91 betreffende de vuurwapens met historische, folkloristische
of decoratieve waarde en de vuurwapens die voor het schieten onbruikbaar zijn gemaakt (of zijn bijlagen),
kunnen in hoofde van de bezitters vergunningsplichtig worden als ze hun wapens voor het schieten (wensen
te) gebruiken (14) Niet-vuurwapens, zoals luchtdrukwapens, vallen niet onder de algemene vergunningsplicht
(zoals die van toepassing is op vuurwapens). Die zijn in principe vrij verkrijgbaar, maar kunnen via
een uitvoeringsbesluit vergunningsplichtig gemaakt worden. Het belangrijkste voorbeeld hiervan is het
KB van 30/3/95 tot indeling van sommige gas- en luchtwapens. In geval van twijfel kan advies
of uitsluitsel worden gevraagd aan de wapendeskundigen van de lokale politie, aan het Centraal wapenregister
en in laatste instantie aan de proefbank voor vuurwapens (voor technische kwesties), en aan de provinciale
wapendiensten en in laatste instantie de federale wapendienst (voor juridische kwesties). 3.2.2.
Bij besluit vergunningsplichtige wapens Zoals hiervoor gezegd, kunnen alleen niet-vuurwapens
bij koninklijk besluit vergunningsplichtig worden gemaakt. Voor vuurwapens zou dit immers zinloos zijn. Vergunningsplichtig
zijn de volgende niet-vuurwapens : 1° De korte namaakwapens en de korte repeteer, semi-automatische
of automatische wapens en de korte slingerwapens, die projectielen kunnen afschieten door middel van
een ander aandrijvingsmechanisme dan de verbranding van kruit, wanneer de kinetische energie van het
projectiel, gemeten op 2,5 meter afstand van het uiteinde van de loop, meer dan 7,5 Joule bedraagt. Daarop
wordt dan weer een uitzondering gemaakt voor de korte wapens ontworpen voor het sportschieten en met
de volgende eigenschappen : 1) de lengte van de miklijn van het wapen bedraagt meer dan 300
mm; 2) het totale gewicht van het wapen bedraagt meer dan 1 kg; 3) het wapen is voorzien
van een richtmechanisme dat ten minste uit een zijdelings en in hoogte regelbaar vizier bestaat; 4)
het kaliber van het wapen is 4,5 mm (.177); 5) de lader of het magazijn van het wapen heeft
een capaciteit van ten hoogste vijf schoten (artikel 3 KB van 30/3/95 tot indeling van sommige gas- en
luchtwapens). Concreet worden deze regels als volgt toegepast : • De maat van
7,5 joule wordt eveneens gebruikt in Nederland en Duitsland, en kan worden nagegaan door de Proefbank. •
De wapens zijn kort wanneer hun totale lengte maximum 60 cm bedraagt, of wanneer hun "loop" maximum 30
cm bedraagt. • Bij handbogen meet men alleen de totale lengte in ontspannen toestand,
van as tot as. • Bij kruisbogen meet men, eveneens in ontspannen toestand, de lengte
van ligplaats van de pijl (van de spanveer tot het einde van de ligplaats) als lengte van de "loop",
en de afstand van de kolf tot het voorste uiteinde van de boog (zonder de eventuele voetbeugel) als totale
lengte (indien de kolf plooibaar is en er kan aldus mee geschoten worden, meet men vanaf de geplooide
kolf). Voor kruisbogen met verwisselbare armen of bogen meet men de kinetische energie met de krachtigst
beschikbare types. • Bij onderwatergeweren meet men de totale lengte en de lengte van
de loop zonder de pijl of harpoen, en de kinetische energie buiten het water. • Bij paintballwapens
meet men alleen de totale lengte van het wapen op zich in schietklare toestand, met de onderdelen waarmee
het aangetroffen wordt (voorbeeld : een paintballwapen wordt gecontroleerd op het ogenblik dat er een
korte loop op gemonteerd is en de gasfles op de rug wordt gedragen : alleen de lengte van die loop wordt
in aanmerking genomen, ondanks de mogelijkheid om een langere te monteren, en de gasfles noch de verbinding
ernaar worden meegeteld. Een rechtstreeks op de kolf gemonteerde gasfles wordt wel meegeteld);
Lange niet-vuurwapens zijn steeds vrij verkrijgbaar, ook indien ze projectielen afschieten met een kinetische
energie van meer dan 7,5 J gemeten op 2,5 m van de loop. 2° niet-gehomologeerde alarmwapens
(alarmwapens vormen een grensgeval : ze gebruiken blanke munitie waarbij kruit verbrand wordt, maar ze
schieten geen projectielen af; sommige zijn toch uitdrukkelijk bij de vergunningsplichtige wapens ingedeeld)
(15); 3° de seinpistolen, slachttoestellen en verdovingsgeweren die niet uitsluitend zijn ontworpen
om noodseinen te geven, dieren te slachten en dieren te verdoven, of waarvoor de bezitter niet kan bewijzen
dat hij ze nodig heeft voor een dergelijke activiteit (16). 3.2.3. Principieel vrij verkrijgbare
wapens die vergunningsplichtig worden De vrij verkrijgbare vuurwapens die geschikt zijn voor
het afschieten van projectielen zijn alleen vergunningsvrij wanneer ze door de bezitter niet voor het
schieten worden bestemd of waarmee alleen geschoten wordt binnen het kader van historische of folkloristische
activiteiten (17). Deelname aan sportschieten met deze wapens vergt dus een vergunning tot het voorhanden
hebben ervan. Het gaat meer bepaald over de vuurwapens bedoeld in het verder besproken KB van 20/9/91
betreffende de vuurwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde en de vuurwapens die
voor het schieten onbruikbaar zijn gemaakt (18). 3.2.4. Verboden en toegelaten handelingen De
verkoop of elke andere vorm van overdracht van een vergunningsplichtig wapen is voorbehouden aan erkende
personen en vergunninghouders of gelijkgestelden (19). (20) De verkoop van een vuurwapen aan
een minderjarige is verboden. (21) Het voorhanden hebben, wat het bezit, de bewaring, het vervoer
en het gebruik omvat, evenals de aankoop of elke andere vorm van verwerving van een vergunningsplichtig
wapen zijn voorbehouden aan dezelfde personen. (22) Het is verboden om reclame te maken voor
een vergunningsplichtig wapen of om zodanig wapen te koop te stellen zonder op zichtbare wijze aan te
geven dat voor het voorhanden hebben ervan een vergunning vereist is. (23) Vergunningsplichtige
wapens die worden verloot of die als prijs worden uitgereikt, mogen slechts aan de begunstigde worden
overhandigd nadat hij een vergunning voor het voorhanden hebben ervan heeft verkregen. (24) Het
dragen van een vergunningsplichtig wapen is in principe voorbehouden aan houders van een wapendrachtvergunning
die daartoe een wettige reden kunnen aantonen. Voor houders van een vergunning tot het voorhanden hebben
van het wapen en gelijkgestelden geldt echter een soepeler regeling, die aan voorwaarden is gekoppeld.
(25) Uiteraard moet de betrokken erkenning of vergunning geldig zijn voor de handeling die men
wenst te stellen. Zo zal een erkenning als wapenhandelaar geen recht geven om voor persoonlijke redenen
een wapen te bezitten of te dragen. Het (uit)lenen en onderling uitwisselen van een vergunningsplichtig
wapen is onderworpen aan een bijzondere regeling (26), evenals het occasioneel gebruik van een vergunningsplichtig
wapen (27). Elk verlies of diefstal van een vergunningsplichtig wapen moet door de houder van
de titel tot het voorhanden hebben onverwijld worden gemeld aan de lokale politie (28) en aan de gouverneur
(29). Al deze regels worden gedetailleerd besproken in de omzendbrief. 3.3. Vrij verkrijgbare
wapens (30) 3.3.1. Blanke wapens Blanke wapens zijn wapens die zijn ontworpen om te
doden of te verwonden door middel van een direct contact met het slachtoffer. Als ze niet uitdrukkelijk
zijn verboden, zijn ze vrij verkrijgbaar. Dit betekent niet dat ze ongebreideld mogen worden verhandeld,
gebruikt en gedragen. Het gaat hier in de eerste plaats over alle niet-verboden messen : keukenmessen,
slagersmessen, hobbymessen, dolk(mess)en, zakmessen, vouwmessen, opinelmessen, enz. De grootte en vorm
van al die messen speelt dus geen enkele rol. Bij uitbreiding gaat het hier ook om zwaarden, degens,
sabels, bajonetten, lansen, enz. Naast de snijdende en stekende wapens zijn er ook de niet-verboden
slagwapens, die veelal van historische aard zijn of gebruikt worden bij gevechtssporten. Bij
gebrek aan een bijzondere regeling kan men tot slot ook bijzondere niet-verboden tuigen zoals blaaspijpen
en andere traditionele wapens als blanke wapens beschouwen. 3.3.2. Niet-vuurwapens Niet-vuurwapens
zijn wapens die projectielen afschieten op een andere manier dan vuurwapens. Ze maken met name geen gebruik
van de verbranding van kruit. Vaak gaat het over de voorlopers van de vuurwapens (bijvoorbeeld slingerwapens
zoals katapulten, bogen en kruisbogen) en hun moderne afgeleiden, en over als minder gevaarlijk geachte
varianten van vuurwapens die werden ontworpen met een recreatief doel (bijvoorbeeld luchtbuksen, paintballmarkers,
airsoftwapens,...). Als ze niet zijn verboden of vergunningsplichtig zijn gemaakt, zijn ze vrij
verkrijgbaar. Voor de volgende wapens bestaat een uitdrukkelijke regeling : 1° de namaakwapens,
de slingerwapens (van het type bogen, kruisbogen, onderwatergeweren,...) en de (half)-automatische of
repeteerwapens op gas of lucht die projectielen (loodjes of al dan niet gekleurde bolletjes in plastic)
kunnen afschieten en die niet als vergunningsplichtig moeten beschouwd worden (a contrario artikel 3
KB van 30/3/95 tot indeling van sommige gas- en luchtwapens, zie hoger punt 3.2.2). Het speelgoed dat
speciaal ontworpen is voor het vermaak van kinderen beneden de 14 jaar valt hier niet onder. Het betreft
dus de lange wapens van deze types, de éénschotswapens op lucht of gas ongeacht hun lengte en kracht,
de korte wapens die slechts een kinetische energie van maximum 7,5 joule ontwikkelen, en de korte wapens
ontworpen voor het sportschieten die aan alle volgende voorwaarden voldoen : 1) de lengte van
de miklijn bedraagt meer dan 300 mm; 2) het totale gewicht bedraagt meer dan 1 kg;
3) er is een richtmechanisme voorzien dat minstens bestaat uit een zijdelings en in hoogte regelbaar
vizier; 4) het kaliber is 4,5 mm (.177); 5) de lader of het magazijn heeft een capaciteit
van maximum 5 schoten; 2° gehomologeerde alarmwapens (artikel 1 KB 18/11/96 tot indeling van
sommige alarmwapens bij de categorie vergunningsplichtige vuurwapens). De homologatie gebeurt model per
model door de Proefbank voor vuurwapens, volgens een wettelijke procedure. Hiertoe moet de fabrikant
of invoerder een model bezorgen aan de Proefbank, die controleert of het alarmwapen niet geschikt is
of kan worden gemaakt voor het afvuren van vaste, vloeibare of gasvormige projectielen. Daarvan wordt
een attest opgesteld en het model wordt vervolgens opgenomen in de lijst van de gehomologeerde alarmwapens,
gepubliceerd op de website van de Proefbank. De in de handel gebrachte alarmwapens moeten het homologatienummer
(BEL xxxx) dragen. Particulieren mogen evenwel nog oudere modellen die nooit werden gehomologeerd zonder
formaliteiten voorhanden hebben (maar deze mogen niet meer vrij worden verkocht!) (31); 3° de
seinpistolen, slachttoestellen en verdovingsgeweren die uitsluitend zijn ontworpen om noodseinen te geven,
dieren te slachten en dieren te verdoven, op voorwaarde dat de bezitter kan bewijzen dat hij ze nodig
heeft voor een dergelijke activiteit (artikelen 1-2 KB van 1/3/98 betreffende de indeling in categorieën
van sommige seinpistolen, sommige slachttoestellen, sommige verdovingswapens); 4° een bijzondere
categorie vormen de inerte namaakwapens. Dit zijn natuurgetrouwe imitaties van echte (vuur)wapens, die
echter geen projectielen kunnen afschieten. Vaak bestaan er van echte vuurwapens zowel inerte imitaties
als imitaties die kleine plastic projectielen kunnen afschieten met behulp van gas- of veerdruk. Die
laatste vallen reeds onder 1°. De inerte exemplaren moeten als wapens worden beschouwd omdat ze bijzonder
realistisch zijn gemaakt en aldus gemakkelijk kunnen worden misbruikt. 3.3.3. Historische, folkloristische
en decoratieve wapens Het KB van 20/9/91 betreffende de vuurwapens met historische, folkloristische
of decoratieve waarde en de vuurwapens die voor het schieten onbruikbaar zijn gemaakt, voorziet in een
reeks gevallen waarin vuurwapens vrij verkrijgbaar zijn omwille van hun ouderdom, zeldzaamheid of ongevaarlijkheid.
Dit zijn de objectief vrij verkrijgbare vuurwapens. Daarnaast bevat het KB ook twee hieronder beschreven
gevallen van subjectief vrij verkrijgbare wapens, die principieel vergunningsplichtig zijn, maar vrij
verkrijgbaar worden in hoofde van hun bezitters die aan bijzondere voorwaarden moeten voldoen. 1°
wapens die uitsluitend worden geladen met zwart kruit of met patronen met zwart kruit en afzonderlijke
ontsteking, waarvan het model of brevet dateert van voor 1890 en de vervaardiging van voor 1945. Het
zwart kruit (buskruit) is een chemische samenstelling die voor de voortstuwing van projectielen werd
gebruikt tot in de 19de eeuw. Bij dit type van wapens worden de projectielen geladen via de loopmond
of via de voorkant van de trommel (voor de revolvers en de trommelkarabijnen) of soms via de kulas. De
ontbrandingssystemen dragen de soortnaam "platines" : met een lont, met een vuursteen, met percussie,... Zoals
de gebruikte tijdscriteria aangeven, moet het gaan over authentieke wapens. Recente replica's van wapens
met zwart kruit uit de 19de eeuw zijn vergunningsplichtig. Het KB dekt alle wapens met zwart
kruit, ongeacht hun wijze van afschieten en hun type van projectielen en munitie; 2° wapens
die uitsluitend patronen met zwart kruit en met ingewerkte ontsteking gebruiken, waarvan het model of
brevet dateert van voor 1890 en de vervaardiging van voor 1945. Het zijn wapens die normaal
worden geladen via de kulas en die voornamelijk werden ontwikkeld in de loop van de 19de eeuw. Ze kennen
hoofdzakelijk drie methodes voor de ontsteking van de patroon : randpercussie, centrale percussie en
pen- of naaldpercussie. De replica's van deze wapens zijn ook vergunningsplichtig als ze werden
vervaardigd na 1944; 3° sommige wapens die patronen met rookzwak kruit gebruiken (dit is het
kruit dat het zwart kruit heeft vervangen en nog steeds wordt gebruikt in de huidige munitie). Als
bijlage bij het KB is een lijst van de vrij verkrijgbare wapens gevoegd die op het einde van de 19de
eeuw en in het begin van de 20ste eeuw werden vervaardigd. Deze bijlage werd tweemaal uitgebreid (in
1995 en in 2007). Een gecoördineerde versie ervan gaat als bijlage 2 bij deze omzendbrief. Het is belangrijk
dat een wapen voldoet aan alle in de lijst vermelde criteria om als vrij verkrijgbaar beschouwd te kunnen
worden. In geval van twijfel kan de Proefbank voor vuurwapens uitsluitsel geven; 4° wapens die
zijn vervaardigd voor 1897 of waarvoor (in het algemeen) geen aangepaste munitie meer wordt vervaardigd.
In de internationale teksten die door ons land werden geratificeerd, geldt 1897 als een scharniermoment
: het is het jaar van de uitvinding van het rookzwak kruit. Oudere wapens worden geacht geen groot gevaar
meer op te leveren gelet op hun zeldzaamheid, evenals hun gebrek aan vuurkracht, aan accuraatheid, aan
weerstand enz. Bovendien is hun munitie ook zeldzaam of onvindbaar geworden. Wanneer vaststaat
dat er voor een bepaald wapen geen aangepaste (juiste) munitie meer wordt vervaardigd, is het in elk
geval vrij verkrijgbaar, ongeacht zijn ouderdom. Als er twijfel bestaat omtrent het al dan niet
vrij verkrijgbaar zijn van een vuurwapen, kan het wapen worden voorgelegd aan de Proefbank voor vuurwapens
die uitsluitsel zal geven. De Proefbank geeft hiervan een attest af. De Federale Gerechtelijke
Politie heeft een CD-rom gemaakt met een lijst van zogenaamde HFD-wapens uit het KB van 20/9/91. Deze
CD-rom bevat een zoekmachine en een ruime technische fiche met illustraties voor elk wapen. 3.3.4.
Vergunningsplichtige wapens die in sommige omstandigheden worden ingedeeld als « vrij verkrijgbaar »
voor specifieke activiteiten Vooraf dient duidelijk gesteld te worden dat de hieronder beschreven
wapens voor iedereen vergunningsplichtig zijn. In het kader van sommige folkloristische activiteiten
zijn deze wapens echter, binnen de hierna opgesomde grenzen, vrij verkrijgbaar. De wapens worden opnieuw
vergunningsplichtig indien ze niet langer worden aangewend binnen de hierna opgenomen activiteiten. Het
zijn meestal moderne wapens, die gebruikt kunnen worden in het kader van de schietsport. Ze worden echter
ook gebruikt in het kader van historische reconstructies, folkloristische en volksculturele manifestaties
e.d., die een voorkeursbehandeling rechtvaardigen. De wapenhandelaar die deze wapens verkoopt
aan iemand voor wie ze vergunningsplichtig zijn, registreert de overdracht door tegelijk een inschrijving
te doen in de rubrieken "IN" en "UIT". In het vak "oorsprong" van de rubriek "IN" wordt dan de vermelding
"wapen artikel 1, 4° (of 6°) KB 20/9/91" opgenomen. Bij overdracht van een dergelijk wapen aan
een persoon die het wapen zonder vergunning mag voorhanden hebben, moet een document model 9 worden opgesteld
omdat de wapens principieel vergunningsplichtig zijn en daarom steeds traceerbaar moeten blijven (32). Er
zijn twee soorten wapens die hieronder vallen : 1° wapens met een historische, folkloristische
of decoratieve waarde die worden gedragen bij folkloristische optochten of historische reconstructies Deze
wapens moeten beantwoorden aan alle volgende kenmerken : - schouder- of handvuurwapens; -
werkend met zwart kruit; - met één schot; - met een gladde loop; - met afzonderlijke
ontsteking door middel van een vuursteen of percussie; - die via de loopmond worden geladen. Het
betreft hier vooral de pistolen en donderbussen uit de periode van het Eerste en Tweede Franse Keizerrijk,
en hun recente replica's. Ze worden vooral gebruikt bij historische marsen in het gebied tussen Samber
en Maas. In hoofde van de erkende personen worden ze steeds als vrij verkrijgbare wapens beschouwd.
In hoofde van personen die dergelijke wapens wensen te verwerven en die niet kunnen bewijzen dat hun
hoofdzakelijke bestemming zal bestaan uit het dragen ervan tijdens folkloristische optochten of historische
reconstructies, zijn ze echter vergunningsplichtig; 2° wapens met een historische, folkloristische
of decoratieve waarde die eigendom zijn van een erkende vereniging die zich bezighoudt met statutair
omschreven activiteiten van historische, folkloristische, traditionele of educatieve aard, met uitsluiting
van enige vorm van sportschieten zoals bedoeld in de gemeenschapsdecreten terzake, en die voldoen aan
de volgende voorwaarden : - het schieten gebeurt in een erkende schietstand, onder het toezicht
van een wapen- of schietmeester en onder de verantwoordelijkheid van de vereniging; - de wapens
worden voorhanden gehouden en bewaard door de vereniging; - de wapens worden enkel ter beschikking
gesteld met het oog op en tijdens de statutair omschreven activiteit, aan leden van de vereniging en
occasionele genodigden; - de vereniging kondigt vooraf plaats en datum van haar activiteiten
aan aan de lokale politie en aan de gouverneur. Het kan hier om allerlei soorten wapens gaan,
zowel moderne en courante als replica's en unieke exemplaren die speciaal voor de betrokken manifestatie
werden vervaardigd. De bekendste voorbeelden van het toegelaten gebruik van deze wapens zijn de traditionele
schuttersfeesten in Limburg en in de Oostkantons. Het voorhanden hebben van deze wapens door
particulieren is dus altijd vergunningsplichtig. De aankoper en de bezitter moeten steeds kunnen bewijzen
dat ze gemandateerd zijn door de vereniging. In hoofde van de erkende personen zijn deze wapens altijd
vergunningsplichtig. Ze worden enkel als vrij verkrijgbaar beschouwd tijdens het beoefenen van
de activiteit onder de hierboven opgenomen voorwaarden. Op die manier kunnen alle deelnemers aan het
evenement het wapen manipuleren zonder dat de gewone voorwaarden gelden voor het voorhanden hebben van
vergunningsplichtige wapens op een schietstand. 3.3.5. Geneutraliseerde wapens Een
laatste reeks van vrij verkrijgbare vuurwapens wordt gevormd door de geneutraliseerde wapens. Hoewel
ze geneutraliseerd en bijgevolg onbruikbaar zijn, worden ze nog als wapens beschouwd omdat ze hun uiterlijk
behouden en er gemakkelijk verwarring kan bestaan met bruikbare wapens. De neutralisatie (ook
wel demilitarisatie geheten, hoewel dit niet hetzelfde is) moet gebeuren volgens de regels vastgelegd
in de tweede bijlage bij het KB van 20/9/91. Die houden in dat het wapen ongeschikt wordt gemaakt voor
het afvuren van eender welke munitie. De behandeling verschilt volgens het type wapen. Soms is ze eenvoudig
en discreet, maar soms zijn ingrijpende aanpassingen noodzakelijk. Het neutraliseren gebeurt altijd op
kosten van de eigenaar van het wapen. De Proefbank voor vuurwapens heeft een monopolie op het
neutraliseren van vuurwapens. Ingrepen uitgevoerd door de eigenaar van het wapen of door een erkend persoon
worden niet aanvaard. Ook ingrepen uitgevoerd door buitenlandse proefbanken worden niet automatisch aanvaard
omdat de regels voor neutralisatie nationaal zijn gebleven (alleen voor de kwaliteitsproeven bestaat
een gemeenschappelijke werkwijze). In het buitenland geneutraliseerde wapens moeten worden voorgelegd
aan de Belgische proefbank, die zal nagaan of alles volgens onze regels is uitgevoerd. De voorgeschreven
neutralisatiemethode heeft alleen betrekking op draagbare wapens. Soms wordt men geconfronteerd met zwaar
militair materieel dat moet worden geneutraliseerd of waarvan men beweert dat dit is gebeurd. In dat
geval mag een attest worden aanvaard van de militaire overheid die verantwoordelijk was voor het gebruik
of het onderhoud van het wapen, dat stelt dat het volkomen ongeschikt werd gemaakt voor het afschieten
van munitie. 3.3.6. Verboden en toegelaten handelingen De aankoop of verwerving van
vrij verkrijgbare vuurwapens is voorbehouden aan meerderjarigen. Dit betekent dat de overdrager de identiteitskaart
van de overnemer moet controleren. Het verhandelen van deze wapens is voorbehouden aan erkende wapenhandelaars
(als het vuurwapens of daarmee gelijkgestelde wapens zijn). Vrij verkrijgbare wapens mogen net
zoals vergunningsplichtige wapens niet op afstand worden verkocht of te koop aangeboden (postorder, internet,...).
Het vaak voorkomende gebruik dat sommige vrij verkrijgbare wapens (vooral namaakwapens) verkocht of als
prijs aangeboden worden op kermissen is eveneens volkomen illegaal. Speelgoedwinkels mogen ze evenmin
verkopen, tenzij ze erkend zijn als wapenhandelaar en voldoen aan alle bijhorende wettelijke plichten,
waaronder de controle van de meerderjarigheid van de koper. Het dragen en het gebruik van vrij
verkrijgbare wapens is onderworpen aan een wettige reden (33). Die wordt, in tegenstelling tot wat het
geval is met de vergunningsplichtige wapens, niet in de wet omschreven. In laatste instantie komt het
de rechter toe te oordelen over de geldigheid van de reden die door de drager wordt ingeroepen. Het spreekt
echter voor zich dat de aanvaardbaarheid van die reden sterk zal samenhangen met de geschiktheid van
het wapen voor de activiteit beoefend door de drager, en de al dan niet verantwoordelijke wijze waarop
die activiteit wordt beoefend. Deelnemers aan historische reconstructies (reenactments) moeten
er zich goed van bewust zijn dat de wapens die ze daarbij gebruiken onder uiteenlopende regels kunnen
vallen. Hun wapens kunnen vrij verkrijgbaar zijn (bijvoorbeeld geneutraliseerde wapens, authentieke wapens
op zwart kruit), ze kunnen onder bepaalde voorwaarden vrij verkrijgbaar zijn (bijvoorbeeld wapens die
toebehoren aan een vereniging) en ze kunnen vergunningsplichtig zijn (bijvoorbeeld moderne wapens en
hun schietklare replica's). Het feit dat er alleen met blanke patronen wordt geschoten, verandert niets
aan het statuut van het wapen. 3.4. Wapens vs. werktuigen en speelgoed Het toepassingsgebied
van de wet strekt zich niet uit tot andere voorwerpen dan wapens, met uitzondering van voorwerpen en
stoffen die kennelijk als wapen worden bestemd door de gebruiker ervan, die er geweld mee pleegt of dreigt
te plegen (34). Sommige voorwerpen zouden als wapen kunnen worden beschouwd, of lijken erop,
zonder dat het over eigenlijke wapens gaat. In geval van twijfel kan de volgende indicatieve definitie
van een wapen worden gehanteerd : een wapen is een voorwerp dat werd ontworpen of vervaardigd met als
doel het bedreigen, het verwonden of het doden van mensen of dieren (let wel : sommige voorwerpen die
niet voldoen aan deze definitie worden door de wet uitdrukkelijk als wapen genoemd, zoals de seinpistolen).
Op basis hiervan kan bijvoorbeeld worden gesteld dat een nagelpistool, een zaag en een bijl (tenzij het
zou gaan om een primitieve strijdbijl) geen wapens zijn, maar werktuigen. Een gewoon keukenmes is in
die zin evenmin een wapen, maar veel andere messen worden in de regelgeving uitdrukkelijk toch als wapens
beschouwd omwille van het inherente gevaar dat er van uit gaat. Een belangrijke kwestie is de
bepaling van de grens tussen wat een (namaak)wapen is en wat onschuldig speelgoed is. Er bestaat immers
een groot aanbod van allerlei tuigen die allemaal als speelgoed worden voorgesteld, maar die dat dikwijls
niet zijn. Het KB van 30/3/95 tot indeling van sommige gas- en luchtwapens geeft als criterium dat speelgoed
kennelijk voor het vermaak van kinderen beneden de leeftijd van 14 jaar moet zijn ontworpen (35). Men
kan hiervoor technische documentatie raadplegen, maar vaak is de zaak niet voldoende duidelijk. Speelgoed
moet een CE keurmerk hebben dat de gepaste leeftijd bevat, en dit kan een indicatie zijn. Wel
is duidelijk dat felgekleurde, transparante of slecht gelijkende plastic wapens die geen projectielen
kunnen afschieten of waterpistolen speelgoed zijn en dus buiten de regelgeving vallen. Het wordt echter
moeilijker de grens te trekken bij gelijkende imitaties en bij tuigen die wel projectielen kunnen afschieten.
Voor imitaties kan worden gesteld dat om als (namaak)wapen te worden beschouwd, het moet gaan om een
tuig dat redelijkerwijs zou kunnen worden gebruikt om iemand mee te bedreigen. Voor onrealistische modellen
die wel projectielen kunnen afschieten, moet worden gekeken naar de mogelijkheid om verwondingen te veroorzaken. 3.5.
Illegale wapens Illegale wapens vormen geen aparte wettelijke categorie. Het gaat hier over
een feitelijke toestand waarin wapens van eender welke categorie kunnen terechtkomen. In het
dagelijkse taalgebruik, en jammer genoeg zeker door de media, worden de noties van verboden en van illegale
wapens vaak door elkaar gebruikt. Het zijn echter geen synoniemen. Een verboden wapen is verboden uit
zichzelf en behoudens de in deze omzendbrief besproken uitzonderingen is elke handeling ermee verboden
en dus illegaal. Maar ook vergunningsplichtige en vrij verkrijgbare wapens kunnen illegaal zijn, wanneer
men er illegale handelingen mee stelt, en soms uit zichzelf. Wie een vergunningsplichtig wapen
voorhanden heeft zonder vergunning (en zonder te behoren tot de categorieën van personen die geen vergunning
nodig hebben), heeft dat wapen illegaal voorhanden. Elke handeling die hij ermee stelt, zal ook illegaal
zijn. Het wapen moet dan ook in beslag worden genomen. Het mag niet worden verkocht, ook niet aan een
wapenhandelaar. Wie een vergunningsplichtig of een vrij verkrijgbaar wapen draagt zonder wettige
reden, draagt dat wapen illegaal. Wie een vergunningsplichtig vuurwapen voorhanden heeft zonder
de nodige vergunning of waarvan het nummer is uitgewist of gemanipuleerd, heeft een illegaal wapen voorhanden
en kan er geen legale handelingen mee stellen (36). Hoewel de wet het niet uitdrukkelijk zegt,
is het evident dat wie een wapen op illegale wijze voorhanden heeft, bijvoorbeeld door er niet de nodige
vergunning voor te hebben, door het op een illegale manier verworven te hebben of doordat het wapen uit
zichzelf illegaal is, dat wapen nooit op een legale manier kan gebruiken. Het is evenmin wettig een illegaal
wapen te verkopen of over te dragen, want dit zou neerkomen op het witwassen van dat wapen. Bovendien
zou de opspoorbaarheid van de wapens in het gedrang komen, want bij elke overdracht moeten zowel de koper
als de verkoper bekend zijn. Het niet invullen van alle toepasselijke rubrieken op het model 4 of het
model 9 zijn inbreuken waarop straffen staan, zowel in hoofde van de koper als van de verkoper. 4.
Bepalingen van toepassing op wapenhandelaars en tussenpersonen (37) 4.1. Erkenningsprocedure De
erkenning om activiteiten als wapenhandelaar of als tussenpersoon op het Belgische grondgebied uit te
oefenen of zich als dusdanig bekend te maken moet in beginsel worden verleend voor de aanvang van de
activiteiten. Tussenpersonen zijn niet alleen makelaars of zogenaamde brokers, die alleen helpen
bij de totstandkoming van een overdracht van wapens, waarbij de wapens al dan niet tijdelijk in hun handen
komen. Het gaat ook over veilinghuizen die wapens voor rekening van derden verkopen. Gezien
de erkenning niet alleen persoonsgebonden is, maar ook plaatsgebonden, mag een erkend persoon zijn activiteit
alleen uitoefenen in die vaste vestiging. Een uitdrukkelijke wettelijke uitzondering hierop is dat wapenhandelaars
mogen deelnemen aan beurzen waar uitsluitend vrij verkrijgbare wapens mogen worden te koop aangeboden
(38). Wanneer een of meerdere wapenhandelaars echter wensen deel te nemen aan een beurs om er vergunningsplichtige
wapens te koop aan te bieden of zelfs alleen maar tentoon te stellen, dan moet die beurs worden erkend
door de gouverneur. Die erkenning kan zowel door de organisator van de beurs als door de deelnemende
wapenhandelaar(s) worden gevraagd aan de gouverneur bevoegd voor de plaats waar de beurs zal plaatsvinden. 4.1.1.
Bevoegdheid De erkenning wordt afgeleverd door de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats
(39). Het betreft een gebonden bevoegdheid. Alle gouverneurs worden geacht de wet op dezelfde manier,
zoals beschreven in deze omzendbrief, toe te passen. Indien de erkenningsaanvraag betrekking
heeft op activiteiten die in verscheidene provincies worden uitgeoefend, zijn meerdere erkenningen vereist.
In dat geval zal eerst de erkenning worden verleend voor de hoofdzetel en moeten de betrokken gouverneurs
overleg plegen. 4.1.2. Beroepsbekwaamheidsexamen De wapenwet stelt dat de aanvrager
van een erkenning als wapenhandelaar of tussenpersoon (40) zijn beroepsbekwaamheid moet bewijzen voor
de activiteit die hij wenst uit te oefenen (41). De vereiste beroepsbekwaamheid heeft betrekking
op de kennis van de na te leven regelgeving en van de beroepsdeontologie, en van de techniek en het gebruik
van wapens. Het examen wordt door de Federale Wapendienst georganiseerd tijdens het eerste en
het derde trimester van het jaar (gewoonlijk tijdens de maanden maart en september) (42). In
geval een kandidaat zijn niet-deelname aan het examen niet vooraf of binnen 5 werkdagen na het examen
wettigt door middel van een afdoende gemotiveerde brief aan de Federale Wapendienst, staat zijn afwezigheid
gelijk met een mislukking en wordt hij uitgesloten van deelname aan het examen georganiseerd binnen het
jaar volgend op de datum van het examen waarvoor hij ingeschreven was (43). Het examen bestaat
uit : - een schriftelijke proef met betrekking tot de kennis van de na te leven regelgeving
en van de techniek; - een mondelinge proef met betrekking tot de kennis van de beroepsdeontologie,
aan de hand van de confrontatie met situaties die zich kunnen voordoen bij de uitoefening van het beroep,
en van het gebruik van wapens. De gestelde vragen staan in verband met de activiteit waarvoor
de erkenning wordt gevraagd. Een jury zal de schriftelijke proef verbeteren en de mondelinge
proef beoordelen. Om te slagen voor het examen moet men minimum 14/20 behalen voor elk van de proeven
(44). De jury bestaat uit : (45) - een ambtenaar van de Federale Wapendienst, die desgevallend
voor de vertaling kan zorgen en die tevens de jury voorzit; - de directeur van de Proefbank
of zijn gemachtigde; - een politieambtenaar met specifieke kennis van wapens door de voorzitter
telkens gekozen uit een lijst van kandidaten, samengesteld na een interne oproep daartoe; -
een Nederlandstalige en een Franstalige door de Minister van Justitie aangeduide vertegenwoordiger voorgesteld
door representatieve beroepsorganisaties van wapenhandelaars. In geval van mislukking kan de
kandidaat zich binnen 3 maanden opnieuw inschrijven voor de volgende examenzittijd (46). Als
de kandidaat geslaagd is voor één van de twee proeven wordt hij, bij deelname aan de volgende examenzittijd,
vrijgesteld van de proef waarvoor hij al is geslaagd (47). De kandidaten die uiterlijk op 31
maart 2009 (48) de hernieuwing van hun erkenning hebben aangevraagd, zijn vrijgesteld van het beroepsbekwaamheidsexamen
(49). Het betreft hier enkel de natuurlijke personen die eerder al een erkenning hadden of als verantwoordelijke
vermeld werden op de erkenning van een rechtspersoon. 4.1.3. Ontvankelijkheid De aanvragen
van volgende personen zijn onontvankelijk : (50) 1° personen die tot een criminele straf veroordeeld
zijn of geïnterneerd zijn krachtens de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen
abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten of met een beslissing
die een behandeling in een ziekenhuis beveelt, zoals bedoeld door de wet van 26 juni 1990 betreffende
de bescherming van de persoon van de geesteszieke overeenstemt; 2° personen die als dader of
medeplichtige veroordeeld zijn wegens een van de misdrijven bepaald in : a) de wet, de oude
wapenwet en de besluiten ter uitvoering ervan; b) de artikelen 101 tot 135quinquies, 136bis
tot 140, 193 tot 226, 233 tot 236, 246 tot 249, 269 tot 282, 313, 322 tot 331bis, 336, 337, 347bis,
372 tot 377, 392 tot 410, 417ter tot 417quinquies, 423 tot 442ter, 461 tot 488bis, 491 tot 505, 510
tot 518, 520 tot 525, 528 tot 532bis et 538 tot 541 van het Strafwetboek (het betreft hier geweld- en
vertrouwensmisdrijven) (51); c) de artikelen 17, 18, 29 tot 31 en 33 tot 41 van het Militair
Strafwetboek; d) de artikelen 33 tot 37 en 67 tot 70 van het Tucht- en Strafwetboek voor de
koopvaardij en de zeevisserij; e) de wet van 29 juli 1934 waarbij de private milities verboden
worden; f) de wet van 28 mei 1956 betreffende de ontplofbare en voor de deflagratie vatbare
stoffen en mengsels en de daarmee geladen tuigen en in de besluiten tot uitvoering ervan; g)
de wet van 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden
technologie en in de besluiten tot uitvoering ervan; h) de wet van 10 april 1990 tot regeling
van de private en bijzondere veiligheid; i) de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep
van privédetective; j) de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van
en de bestrijding van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving
dienstig materieel en de daaraan verbonden technologie; k) de regelgeving betreffende de jacht
en het sportschieten. 3° rechtspersonen die zelf zijn veroordeeld en rechtspersonen waarvan
een bestuurder, een zaakvoerder, een commissaris of aangestelde voor het beheer of het bestuur, is veroordeeld
of onderworpen aan een veiligheidsmaatregel in omstandigheden als bedoeld in 1° en 2° hiervoren; 4°
de personen die in het buitenland : a) zijn veroordeeld tot een straf die met internering
overeenstemt; b) het voorwerp hebben uitgemaakt van een maatregel die met internering of met
een beslissing die een behandeling in een ziekenhuis beveelt, zoals bedoeld door de wet van 26 juni 1990
betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke overeenstemt; c) als dader of
mededader zijn veroordeeld wegens een van de misdrijven die in het 1° en 2° zijn bepaald; 5°
minderjarigen en verlengd minderjarigen; 6° onderdanen van Staten die geen lid zijn van de Europese
Unie en de personen die hun hoofdverblijfplaats niet hebben in een lidstaat van de Europese Unie. Onderdanen
van Noorwegen, IJsland en Zwitserland worden gelijkgesteld met EU-onderdanen. 4.1.4. Onderzoek •De
aanvraag De aanvrager moet zijn erkenningsaanvraag indienen door middel van een formulier bij
de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats. Dit formulier kan meestal worden verkregen bij de gouverneur
of op de website van de provinciale wapendienst (52). Men kan pas een formele erkenningsaanvraag
indienen nadat men geslaagd is voor het beroepsbekwaamheidsexamen. De persoon die een erkenning
als wapenhandelaar aanvraagt, dient dan ook bij zijn aanvraag een attest te voegen, waaruit blijkt dat
hij geslaagd is in het beroepsbekwaamheidsexamen (53). Dit attest is gedurende twee jaar geldig (54). Bij
de aanvraag om erkenning dient een uittreksel uit het strafregister te zijn bijgevoegd dat ten laatste
drie maanden voor de indiening van de aanvraag werd opgemaakt. Indien de aanvrager een rechtspersoon
is, moet dit worden bijgevoegd voor iedere bestuurder, zaakvoerder, commissaris of persoon aangesteld
voor het bestuur of het beheer. Verder dienen alle stukken te worden bijgevoegd die de identificatie
van de aanvrager en van zijn activiteit mogelijk maken (55). Dit kan bijvoorbeeld gaan over de statuten
van een vennootschap of technische inlichtingen over bijzondere activiteiten zoals handel in verboden
wapens of ambachtelijke bewerking van wapens. Personen die activiteiten als wapenhandelaar uitoefenen
onder gezag, leiding en toezicht van een erkend wapenhandelaar en in zijn vestigingsplaats, moeten niet
worden erkend. De gouverneur dient evenwel bij de erkenningsaanvraag van hun werkgever na te gaan of
deze personen voldoen aan artikel 5, § 4 van de wapenwet (56). Elke indiensttreding van een dergelijk
persoon moet binnen de maand door de erkende wapenhandelaar aan de gouverneur ter kennis worden gebracht
(57). •Inwinnen van adviezen Als de aanvraag volgens de gouverneur ontvankelijk
is, vraagt hij vervolgens het met redenen omkleed advies van de procureur des Konings van het betrokken
arrondissement en van de burgemeester van de gemeente waar de activiteit waarop de aanvraag betrekking
heeft, zal worden uitgeoefend. Ook de burgemeester en de procureur des Konings bevoegd voor de woonplaats
van de aanvrager dienen een advies te geven (58). Daarnaast kan het nuttig zijn om de Dienst
Controle Wapenhandel van het Departement internationaal Vlaanderen van de Vlaamse Overheid te raadplegen,
alsook de gouverneur en de procureur des Konings van de woonplaats van de aanvrager, de Dienst Vreemdelingenzaken
indien de aanvrager niet de Belgische nationaliteit bezit, enz. Het uitblijven van deze adviezen - die
als dusdanig niet door de wapenwet of haar uitvoeringsbesluiten worden opgelegd - kan een verlenging
van de behandelingstermijn evenwel niet motiveren. Er dient dus over gewaakt te worden dat het inwinnen
van die bijkomende informatie er niet toe leidt dat de wettelijke beslissingstermijn van 4 maanden wordt
overschreden. De verzoeken om advies worden gelijktijdig aan de procureur des Konings en de
burgemeester toegezonden. De procureur des Konings en de burgemeester voeren een onderzoek en geven een
gemotiveerd advies dat het de gouverneur mogelijk moet maken om met kennis van zaken een beslissing te
nemen. Indien nodig moet hij bijkomende informatie aan de procureur des Konings of de burgemeester vragen. Binnen
de maand volgend op het verzoek versturen de procureur des Konings en de burgemeester hun advies. De
gouverneur beschikt dan nog over meer dan twee maanden om het dossier desnoods te vervolledigen en om
een beslissing te nemen over de aanvraag. •Administratief onderzoek Het advies
van de burgemeester heeft hoofdzakelijk betrekking op de aard van de uitgeoefende activiteit en geeft
met name antwoord op de volgende vragen : 1) Houdt de uitoefening van de activiteit waarop de
aanvraag betrekking heeft, een bijzonder gevaar in voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de
algemene gezondheid? 2) Zijn met betrekking tot de gebouwen waarin de activiteit zal worden
uitgeoefend, de nodige administratieve vergunningen verleend, bijvoorbeeld de bouwvergunning, de milieuvergunning,...
? Kan hiertegen geen beroep meer worden ingediend? Desgevallend zal de gouverneur, om de erkenning te
weigeren, moeten aantonen dat de openbare orde in het gedrang is door een tekortkoming op dit vlak. •Moraliteitsonderzoek Het
advies van de procureur des Konings heeft hoofdzakelijk betrekking op de persoon van de aanvrager en
geeft met name antwoord op de volgende vragen : 1) Staat betrokkene gunstig bekend in de gemeente
? Wordt te zijnen laste of ten laste van één van zijn verwanten een gerechtelijk vooronderzoek of opsporingsonderzoek
verricht, zelfs in een ander arrondissement? Als hij is veroordeeld, moet de ernst van de gepleegde feiten
worden aangegeven. Zulks geldt eveneens voor de verantwoordelijken van een rechtspersoon. Als hij niet
is veroordeeld, maar er bestaan bezwarende feiten, dan moeten zo mogelijk (met eerbiediging van het geheim
van het onderzoek en het beroepsgeheim) de opgestelde processen-verbaal worden meegestuurd. 2)
Als de aanvrager een rechtspersoon is, moet worden vermeld of de toestand van de onderneming wordt onderzocht
door de gerechtelijke diensten. Is tegen de rechtspersoon een proces aan de gang? Om de gouverneur
in staat te stellen binnen de wettelijke termijn een beslissing te nemen over de aanvraag en dus in het
belang van een snelle en correcte dienstverlening is het nodig dat de gevraagde adviezen zo snel mogelijk
worden uitgebracht. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de administratieve last voor de aangezochte
diensten, voornamelijk de lokale politiediensten. Tevens moeten de voorschriften inzake de bescherming
van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen worden gerespecteerd. Om de lokale
politie toe te staan met één enkel onderzoek de elementen, naargelang de inhoud, mee te delen aan de
burgemeester en de procureur des Konings teneinde hen de mogelijkheid te bieden een advies uit te brengen,
wordt voorgesteld dat de gouverneur de korpschef van de lokale politie op de hoogte brengt op het tijdstip
dat het verzoek om advies aan de burgemeester en aan de procureur des Konings wordt verzonden. 4.1.5.
Termijn De gouverneur doet uitspraak over de erkenningsaanvraag binnen 4 maanden na de ontvangst
ervan. De termijn begint meer bepaald te lopen vanaf de ontvangst van een volledige aanvraag, dat wil
zeggen een aanvraag vergezeld van de vereiste stukken (een uittreksel uit het strafregister en de stukken
betreffende de identificatie van de aanvrager en van zijn activiteit, én na betaling van de eerste schijf
van de retributie) (59). De termijn kan, op straffe van nietigheid, alleen worden verlengd bij
gemotiveerde beslissing. De verlenging kan per aanvraag slechts eenmaal worden toegestaan en de termijn
ervan mag uiterlijk zes maanden bedragen (60). Dit mag alleen te wijten zijn aan omstandigheden buiten
de wil van de gouverneur (ontbreken van informatie van de aanvrager of van een verplicht advies, overmacht). 4.1.6.
De herkomst van de financiële middelen De aanvrager moet naast zijn beroepsbekwaamheid tevens
de herkomst van de voor zijn activiteit aangewende financiële middelen op een geloofwaardige wijze aantonen
door middel van deugdelijke schriftelijke bewijzen, zoals bankdocumenten en financiële overeenkomsten
(61). Het kan bijvoorbeeld gaan over balansen, leningen, waarborgen, statuten waaruit blijkt dat er aandelen
zijn verkocht, enz. 4.1.7. Veiligheidsmaatregelen De veiligheidsmaatregelen die door
wapenhandelaars moeten worden genomen, zijn opgelegd door het KB van 24/4/97 tot bepaling van de veiligheidsvoorwaarden
bij het opslaan, het voorhanden hebben en het verzamelen van vuurwapens of munitie. Dit KB bevat ook
bepalingen die specifiek bestemd zijn voor verzamelaars en particulieren en die worden besproken in de
betrokken punten 5.1.6 en 9.2.3. . Definities (62) • gebouw : alle lokalen waarin
de betrokkene zijn aan erkenning onderworpen activiteit uitoefent en alle andere lokalen waarover hij
beschikt, die een ononderbroken geheel vormen binnen hetzelfde pand. Voorbeelden : -
activiteiten, zelfs beperkt tot één lokaal, in een huis, al dan niet bewoond door de betrokkene, dat
volledig te zijner beschikking staat : het gehele huis; - activiteiten op bepaalde verdiepingen
van een appartementsgebouw : alleen die verdiepingen, zonder de eventueel daartussen gelegen verdiepingen
die aparte gehelen vormen, al dan niet ter beschikking van de betrokkene; - activiteiten in
een huis en in een bijgebouw : het gehele huis en het gehele bijgebouw; - activiteiten in meerdere
afzonderlijke gebouwen die samen één vestiging vormen : behoudens de voorziene uitzondering, al deze
gebouwen. • raam : alle ramen en openingen op de gelijkvloerse verdieping, ook deze in
deuren en ongeacht of ze kunnen geopend worden, grenzend aan de lokalen waarin de betrokkene zijn activiteit
uitoefent. Behoudens de uitstalramen, worden de ramen die te klein zijn voor een persoon, zelfs een kind,
om er zich doorheen te begeven hier niet in begrepen. Het gaat dus over gewone buitenramen
op de gelijkvloerse verdieping, maar ook over ramen in deuren en andere openingen in muren, ongeacht
of ze vast zijn dan wel op eender welke manier kunnen worden geopend. Het betreft evenwel enkel de ramen
die grenzen aan de lokalen waar de activiteiten worden uitgeoefend en in geen geval die waarvan de grootte
een kind belet zich er doorheen te begeven. • uitstalraam : alle buitenramen, ongeacht
of ze kunnen worden geopend, waarachter voorwerpen die deel uitmaken van de handelsactiviteit worden
tentoongesteld. Hieronder vallen enkel uitstalramen in de gebruikelijke zin van het woord,
zijnde die waarachter een handelaar koopwaren tentoonstelt met het doel klanten te informeren. •
opslagruimte : lokaal of lokalen, gescheiden van de voor het publiek toegankelijke ruimten, waar in het
kader van de activiteit van de betrokkene vuurwapens of munitie worden bewaard. Het betreft
bijvoorbeeld het lokaal waar een handelaar zijn voorraad vuurwapens of munitie opslaat, of alle industriële
ruimten en tijdelijke opslagplaatsen die niet voor het publiek (wel voor personeel) toegankelijk zijn
en waar vuurwapens (andere wapens vallen hier niet onder) of munitie zijn ondergebracht. . Toepassingsgebied
(63) Het KB is van toepassing op de activiteiten van wapenhandelaars, d.w.z. de vervaardiging,
de bewerking (versieren, verbronzen, graveren,...) en de herstelling van wapens en munitie, de groot-
en kleinhandel erin en de opslag ervan in dat kader. De (inter)nationale makelarij valt hier
slechts onder voor zover er daadwerkelijk wapens of munitie in het gebouw aanwezig zijn gedurende meer
dan 48 uur. Zelfs al is het KB niet van toepassing op bepaalde situaties, dan wil dit niet zeggen
dat men vrijgesteld is van het nemen van veiligheidsmaatregelen. De vrijwaring van de openbare orde is
een plicht met algemene gelding, die inhoudt dat eender welke wapenbezitter altijd voorzichtig moet zijn,
niet alleen bij het gebruik van zijn wapen, maar ook bij elke andere handeling ermee. Zo is de bewaring
en het vervoer van een wapen, ook in gevallen waarop het KB niet van toepassing is, steeds onderworpen
aan de voorzichtigheidsplicht. Elke handeling die de openbare orde en veiligheid in het gedrang brengt
of dreigt te brengen kan aanleiding geven tot sancties. Voorbeelden hiervan zijn het zichtbaar vervoeren
van wapens en het laten rondslingeren ervan zodat minderjarigen of dieven er eenvoudig toegang toe hebben. .
Aangifteplicht (64) De wapenhandelaar die het slachtoffer wordt van diefstal of een poging daartoe,
van vuurwapens, losse onderdelen, munitie, registers of documenten met betrekking tot die zaken, moet
hiervan onverwijld aangifte doen bij een politiedienst. Het gaat hierbij in de eerste plaats over de
lokale politie bevoegd voor de plaats waar de betrokkene is gevestigd, maar het kan ook gaan over de
lokale politiedienst bevoegd voor de plaats waar de (poging tot) diefstal heeft plaatsgegrepen indien
de betrokkene op dat moment een van de opgesomde zaken vervoerde. Bovendien is de betrokkene,
indien dit nog niet mogelijk was op het ogenblik van de aangifte, verplicht binnen 48 uur na het ontdekken
van de feiten bij dezelfde politiedienst precieze gegevens te verstrekken over de aard van de gestolen
zaken (type, hoeveelheid, serienummers,...). In elk geval wordt de politiedienst bevoegd voor de plaats
waar de activiteit gevestigd is, op de hoogte gebracht van de feiten door de eventuele andere politiedienst
waarbij de aangifte is gedaan. . Indeling in klassen De betrokkenen moeten de veiligheidsmaatregelen
opgesomd in de bijlage en hierna besproken, nemen in overeenstemming met de klasse waarin hun activiteit
wordt ingedeeld (65). In afwijking daarvan mogen ook andere veiligheidsmaatregelen worden genomen
die als gelijkwaardig worden beschouwd. De gelijkwaardigheid van deze veiligheidsmaatregelen wordt bij
controle door de bevoegde personen beoordeeld. Die beoordeling kan tevens vooraf geschieden op basis
van technische documentatie die de gelijkwaardigheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen aantoont.
De wapenhandelaar mag dus vooraf aan de gouverneur voorstellen dat hij een alternatieve maatregel zal
nemen en vragen dat die wordt beoordeeld, als hij om een of andere reden niet in staat is of niet wenst
een maatregel opgelegd in de bijlage bij het KB te nemen. Indien de betrokkene zijn activiteit
uitbreidt binnen het vastgelegde kader van zijn erkenning of vergunning, waardoor ze wordt ingedeeld
bij een klasse die meer veiligheidsmaatregelen vereist, dan is hij ertoe gehouden onverwijld de nodige
bijkomende maatregelen te nemen. Indien een uitbreiding van de erkenning zelf vereist is, wordt de verder
beschreven procedure voor nieuwe aanvragen gevolgd. Het beperken van de activiteit daarentegen
kan een vermindering van de veiligheidsmaatregelen rechtvaardigen, indien de activiteit hierdoor in een
lagere klasse wordt ingedeeld. • Klasse A : groot- en kleinhandel, eventueel makelarij,
uitgebaat in ruimten die minstens deels voor het publiek toegankelijk zijn, m.b.t. : a) vrij
verkrijgbare wapens; b) munitie voor die wapens. Dit geldt niet voor de munitie die voor vrij
verkrijgbare wapens kan gebruikt worden, maar die is ingedeeld bij de munitie voor andere categorieën. •
Klasse B : idem als klasse A, maar bovendien m.b.t. : a) lange vuurwapens met één schot per
loop; b) lange repeteervuurwapens met randontsteking; c) lange halfautomatische
vuurwapens ontworpen voor de jacht; d) munitie voor die wapens. • Klasse C
: idem als klasse B, maar bovendien m.b.t. korte vuurwapens, andere lange repeteervuurwapens en de bijhorende
munitie. • Klasse D : idem als klasse C, maar bovendien m.b.t. alle andere vuurwapens
en de bijhorende munitie. • Klasse E1 : commerciële en industriële activiteiten m.b.t.
wapens of munitie (vervaardiging, makelarij, groothandel en al dan niet tijdelijke, met deze activiteiten
gepaard gaande opslag in opslagruimtes). Het moet gaan om ruimten die uitsluitend toegankelijk zijn voor
de wapenhandelaar en zijn aangestelden (personeel, medewerkende gezinsleden). • Klasse
E2 : idem als klasse E1, maar dan in het geval dat er meer dan 1 500 vuurwapens bedoeld in de klassen
C en D zijn opgeslagen. • Klasse F : onderverdeeld in de subklassen FA, FB, FC en FD,
naargelang ze betrekking hebben op het herstellen, verbronzen, versieren of graveren van vuurwapens en
het vervaardigen van losse onderdelen, gerangschikt respectievelijk in de klassen A tot D. .
De gehanteerde technische normen (66) De bestaande Belgische, en in één geval Nederlandse normen,
kunnen later automatisch worden vervangen door eenvormige Europese normen, van zodra deze van kracht
mochten worden. Omdat sommige producten de betrokken normen niet vermelden of er niet aan voldoen, kunnen
ze worden aanvaard indien met de nodige documenten kan worden bewezen dat ze voldoen aan de eisen van
het KB, in overeenstemming met gelijkwaardige normen van een andere lidstaat van de Europese Economische
Ruimte (EER). . De verschillende maatregelen (67) 1° (te nemen door de klassen A-B-C-D-E-F)
Installatie van hetzij een driepuntsslot dat vijf minuten weerstand biedt, hetzij een combinatie van
drie sloten die samen vijf minuten weerstand bieden bij een inbraakproef onder genormaliseerde voorwaarden,
en beantwoordend aan de Nederlandse norm NEN 5088/5089 of een vergelijkbare norm, op alle buitendeuren
van het gebouw, en installatie van hang- en sluitwerk dat het uitlichten ervan belet op alle ramen van
het gebouw die kunnen worden geopend. De plaatser moet attesteren dat het materiaal aan deze voorwaarden
voldoet en volgens de regels van de kunst werd geplaatst. 2° (klassen A-B-C-D-E-F-G)
In elk lokaal waar zich munitie bevindt, dient minstens één draagbare of mobiele snelblusser beantwoordend
aan de norm NBN S 21-011 tot 21-018 aanwezig te zijn. De snelblusser zelf moet zichtbaar zijn, of de
plaats waar hij zich bevindt, moet worden aangeduid met het daarvoor bestemde logo. Bovendien moet hij
steeds vrij bereikbaar zijn : er mogen geen obstakels in de weg staan. 3° (B-C-D-Fb-Fc-Fd)
Uithangen aan de toegangen voor het publiek van een duidelijk zichtbare en leesbare boodschap dat er
een toegangsverbod geldt voor minderjarigen die niet door een meerderjarige worden vergezeld. De betrokkene
is er echter niet toe gehouden dit verbod daadwerkelijk te handhaven door controles, het betreft enkel
een waarschuwing. 4° (B-C-D-Fb-Fc-Fd) In de ruimten die voor het publiek toegankelijk
zijn, mogen vuurwapens slechts op een zodanige wijze worden geplaatst (tentoongesteld), dat ze enkel
door toedoen van de betrokkene of zijn personeel kunnen worden ter hand genomen. Dit kan bijvoorbeeld
door de vuurwapens in (vitrine)kasten te plaatsen, door ze vast te leggen met een kettinkje, door ze
achter de toonbank te plaatsen, e.d.m. 5° (A-B-C-D-F) Het is verboden de sleutels
op sloten van ramen, buitendeuren of deuren van opslagruimtes te laten zitten, omdat dit het plaatsen
van de in 1° bedoelde sloten zinloos zou maken. 6° (C-D-Fc-Fd) Het is verboden vuurwapens
van de klassen C en D in uitstalramen te plaatsen. 7° (D) Vuurwapens van de klasse
D moeten steeds worden bewaard in : - hetzij een inbraakveilige en slotvaste kast, die bovendien
in een muur of vloer moet worden verankerd wanneer haar leeg gewicht minder dan 200 kg bedraagt (de inbraakveiligheid
en het gewicht van nieuwe exemplaren kunnen worden geattesteerd door de leverancier, voor de andere volstaat
eventueel een verklaring van de betrokkene en een oordeel op zicht); - hetzij in een opslagruimte
die beveiligd is volgens de vereisten beschreven in het 17°; Dit geldt uiteraard niet voor
de tijd nodig voor het onderhoud, het manipuleren en het overdragen ervan. 8° (D)
Munitie voor vuurwapens van klasse D, en de registers (modellen A, C en D) dienen te worden bewaard op
de zelfde wijze als beschreven in het 7°. 9° (B-C-D-Fb-Fc-Fd) De ramen en buitendeuren
die een raam bevatten, dienen als volgt te worden beveiligd : - hetzij door daarvoor of daarachter
vergrendelbare rolluiken (in gevlochten of gesloten metaal, of in gesloten hout of kunststof) aan te
brengen en die te sluiten buiten de uren tijdens dewelke de activiteit wordt uitgeoefend; -
hetzij door te voldoen aan het 13°. 10° (C-D) De korte vuurwapens van klasse C moeten
buiten de openingsuren voor het publiek worden bewaard zoals beschreven in het 7°. 11° (C-D-E-Fc-Fd)
In elke toegang tot de lokalen waar de activiteit wordt uitgeoefend, dienen deuren te worden geplaatst
uit : - hetzij vol hout van minstens 4 cm dik of een ander materiaal van vergelijkbare sterkte;
- hetzij gelaagd glas in overeenstemming met de norm bedoeld in het 13°. Aangebrachte keurmerken
of attesten van de leverancier leveren hiervan het bewijs. Deze maatregel is evenwel niet vereist voor
de toegangen die zich bevinden achter de vergrendelbare rolluiken voorzien in het 9?. Bovendien
moeten in die deuren én in alle buitendeuren van het gebouw die met scharnieren opendraaien, minstens
2 dievenklauwen worden aangebracht die het uitlichten van de gesloten deuren moeten beletten. 12°
(B-C-D-E-Fb-Fc-Fd) De reservesleutels van gewapende kasten en van de deuren bedoeld in het
1°, en eventuele sleutelcertificaten met betrekking daartoe (met daarop de code die toelaat kopieën te
maken) dienen te worden bewaard in een kluis of koffer, of in een kast in overeenstemming met het 7°. 13°
(C-D-E) In alle ramen (ook die in buitendeuren) dient gelaagd glas te worden geplaatst, dat
minstens voldoet aan de norm NBN S 23-002, typevoorschrift STS 38 (§ 38.15.04, klasse IIA), of
draadglas (hiervoor geldt § 38.08.51.32, A2 van de zelfde norm), of een ander vergelijkbaar schokbestendig
materiaal. Het bewijs hiervan wordt geleverd door aangebrachte keurmerken of attesten van de plaatser. 14°
(E) Bij de toegangsdeuren dient een camera te worden geplaatst, die is aangesloten op een time
lapse-recorder (frequentie-opnamesysteem). Uiteraard dient deze camera een volledig en scherp beeld te
registreren van de toegang, en dienen de aldus verkregen opnamen veilig te worden opgeslagen gedurende
minstens 8 dagen. Het opnamesysteem zelf zal eveneens op een veilige plaats moeten worden geïnstalleerd
(in een slotvaste kast) om sabotage te voorkomen. 15° (B-C-D-E-Fc-Fd) Installatie
van een elektronisch alarmsysteem in het gebouw waar de activiteit wordt uitgeoefend. Dit systeem dient
gewapend te worden buiten de activiteitsuren. Daarnaast installatie van hold up-knoppen. Deze alarmsystemen
moeten aangesloten worden op de alarmcentrale van een bewakingsonderneming, die hiervoor vergund werd
in overeenstemming met de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. 16°
(C-D-Fc-Fd) Het is in hoofde van de betrokkene, zijn personeel en de personen voor wie hij
moet instaan, verboden langer dan noodzakelijk (vooral 's nachts dient dit strikt te worden geïnterpreteerd)
werktuigen (hamers, koevoeten, ladders,...) die een inbraak kunnen vergemakkelijken eenvoudig bereikbaar
achter te laten in de nabije omgeving van de gebouwen (ook opritten, voetpaden) en in de (eigen) tuinen,
op andere (eigen) terreinen en in eenvoudig toegankelijke aanhorigheden (tuinhuizen, garages zonder degelijke
afsluiting,...). Dit geldt uiteraard niet in het gebouw zelf. 17° (C-D-E) De afsluiting
van opslagruimtes voor vuurwapens van de klassen C en D dient te gebeuren met slotvaste deuren uit metaal
of uit een ander materiaal van vergelijkbare sterkte, voorzien van minstens een driepuntssluiting die
voldoet aan het 1°. Bovendien moeten het kader en de scharnieren van die deuren van vergelijkbare
sterkte zijn, en moeten de wanden van die ruimten bestaan uit metselwerk of beton bestand tegen inbraak
of een ander materiaal van vergelijkbare sterkte. Het voldoen aan deze vereisten kan worden
bewezen d.m.v. een attest afgeleverd door de aannemer voor nieuwe constructies, en d.m.v. een verklaring
van de betrokkene en een oordeel op zicht voor de bestaande. 18° (E) De toegang tot
de ruimten die niet toegankelijk zijn voor het publiek moet gecontroleerd worden en elke beweging (binnentreden
en verlaten) ervan moet worden geregistreerd (manueel of elektronisch, bijvoorbeeld met individuele fiches
of badges). 19° (E2) Het gebouw en zijn directe omgeving (terreinen, private toegangswegen,
openbare weg grenzend aan het gebouw) moeten permanent worden gecontroleerd (bemand, al dan niet met
elektronische hulpmiddelen) door een vergunde bewakingsonderneming of interne bewakingsdienst.
Daarnaast dient er bij elk toegangspunt voor personen een actief metaaldetectiesysteem te worden geplaatst
om het ongecontroleerd binnen- of buitensmokkelen van wapens, munitie of onderdelen daarvan tegen te
gaan. . Bijzondere regeling voor grotere industriële sites De maatregelen bedoeld in
het 13°, 15°, 17°, 18° en 19° zijn niet van toepassing op gebouwen die zich bevinden binnen een beschermde
perimeter (omheining), voor zover wordt voldaan aan de op het einde van de bijlage beschreven voorwaarden.
Gebouwen die echter zelf deel uitmaken van die perimeter doordat ze een gedeelte van de begrenzing vormen,
genieten niet van deze uitzondering. - de omheining moet bestaan uit een afsluiting van minstens
3 meter hoogte om eventuele indringers af te schrikken, doch deze hoogte mag tot 2,5 meter worden verminderd
indien de omheining elektronisch (camera's, sensoren) wordt bewaakt; - de toegang tot de omheinde
zone moet strikt worden gecontroleerd en beperkt tot behoorlijk toegelaten personen. Die controle dient
eveneens de registratie (manueel of elektronisch) van alle bewegingen (binnentreden en verlaten), en
een actief metaaldetectiesysteem te omvatten; - de voormelde toegangspunten moeten ofwel permanent
zijn vergrendeld, ofwel permanent worden bewaakt door een vergunde bewakingsonderneming of interne bewakingsdienst,
ofwel op een gelijkwaardige wijze worden bewaakt; - de omheinde zone moet permanent worden gecontroleerd
door een vergunde bewakingsonderneming of interne bewakingsdienst; - de lokalen waar wapens
of munitie zijn ondergebracht dienen buiten de activiteitsuren permanent te worden vergrendeld; -
de ramen van de opslagruimtes waarvan de onderzijde zich op minder dan 3 meter van de grond bevindt,
ongeacht of ze kunnen worden geopend, moeten worden voorzien van een bescherming (tralies, gelaagd glas)
die belet dat iemand (zelfs een kind) er zich doorheen begeeft. Een alarmsysteem zal bijgevolg onvoldoende
zijn, daar dit slechts detecteert zonder de eigenlijke doorgang onmogelijk te maken; - de opslagruimtes
moeten worden beschermd door een buiten de activiteitsuren gewapend elektronisch alarmsysteem aangesloten
op de alarmcentrale van een vergunde bewakingsonderneming zoals hoger beschreven; - de gebouwen
waar wapens of munitie worden vervaardigd of opgeslagen moeten worden voorzien van een perifere verlichting
(de volledige buitenomtrek), die gemiddeld minstens 20 lux uitstraalt op het niveau van de grond. Die
verlichting dient 's nachts (van zonsondergang tot zonsopgang) ofwel permanent te branden, ofwel te worden
geactiveerd d.m.v. passieve infrarood-detectie én van het alarmsysteem hierboven bedoeld. Bovendien moeten
de lampen tegen beschadiging worden beschermd met een schokbestendig materiaal zoals bepaald in het 13°. De
betekenis van deze bijzondere voorwaarden dient te worden geïnterpreteerd naar analogie met het voorgaande. .
Controleprocedure in geval van een nieuwe aanvraag om erkenning en in geval van een wijziging ervan (68) De
gouverneur die een aanvraag om erkenning ontvangt, onderzoekt ze volgens de procedure beschreven in punt
4.1.4 van deze omzendbrief. Wanneer een voor de betrokkene positieve beslissing mogelijk blijkt
(dit is meestal na de ontvangst van het advies van de procureur des Konings en de burgemeester), zal
de gouverneur hem daarvan bij aangetekend schrijven in kennis stellen en hem uitnodigen de op zijn gewenste
activiteit toepasselijke veiligheidsmaatregelen te nemen. Er dient in de brief minstens te worden verwezen
naar de tekst van het KB en deze omzendbrief. De klasse(n) waartoe de activiteit zou kunnen behoren,
afhankelijk van de aanwezige wapentypes wordt ook vermeld. De afgifte van de erkenning zal pas
gebeuren als de betrokkene het bewijs levert dat de voorgeschreven maatregelen daadwerkelijk zijn genomen.
Daartoe dient hij om een controle te verzoeken; indien de bevindingen gunstig zijn moet hij (een) attest(en)
(doen) toesturen aan de overheid. Pas als het dossier hiermee is vervolledigd kan de afgifte van het
document plaatsvinden. Deze procedure heeft tot doel te vermijden dat iemand op voorhand investeringen
doet in veiligheid, om nadien te vernemen dat hij niet voor erkenning in aanmerking komt. Ook
de aanvragen om wijziging van bestaande erkenningen zijn aan deze procedure onderworpen, indien ze betrekking
hebben op een uitbreiding van de activiteiten. . Controle op de naleving van de veiligheidsvoorwaarden
(69) In toepassing van artikel 29 WW behouden de daar opgesomde overheden (politiediensten,
Proefbank,...) hun algemene bevoegdheid om tot controles op de naleving van de bepalingen van de wapenwet
en haar uitvoeringsbesluiten, dus ook het besproken KB, over te gaan. Aangezien in het hier
besproken kader echter zeer technische en gespecialiseerde controles moeten gebeuren, worden de door
het KB zelf voorgeschreven controles uitgevoerd door een dienst (geen privaat organisme, wel bijvoorbeeld
specialisten van een preventieteam van een politiedienst) die is opgenomen in een lijst die de gouverneur
voor zijn provincie opstelt en jaarlijks bekendmaakt in het Provinciaal Bestuursmemoriaal. Controles
kunnen worden gevraagd door de Minister van Justitie en door de gouverneur, naar aanleiding van een lopende
aanvraag om erkenning, naar aanleiding van een verzoek hiertoe van de betrokkene (bijvoorbeeld nadat
hij heeft voldaan aan de in de vorige paragraaf bedoelde uitnodiging of nadat de activiteit werd uitgebreid
binnen het kader van de erkenning) of naar aanleiding van een verslag opgesteld door één van de diensten
in het kader van de algemene controlebevoegdheid vermeld in artikel 29 WW. De controles vinden
steeds plaats om de drie jaar na de eerste controle, en bovendien telkens als er aanleiding toe bestaat
op grond van een uitbreiding van de activiteit of van een verslag van één van de bevoegde diensten. Ze
worden kosteloos uitgevoerd. Aangezien de controles een beslissende invloed kunnen uitoefenen
op de economische toestand van de betrokkene, dienen ze op tegensprekelijke wijze te verlopen. Dit betekent
dat de betrokkene of een daartoe door hem gemachtigde persoon moet aanwezig zijn bij de controle en over
alle elementen van de controle moet worden gehoord. Hij moet de kans krijgen de nodige bewijsstukken
voor te leggen en eventueel ontbrekende attesten op te vragen bij leveranciers om deze desnoods na te
sturen ter vervollediging van het dossier. Bij betwisting over de conformiteit van een genomen
veiligheidsmaatregel dient de situatie duidelijk te worden beschreven in het controleverslag, samen met
de opmerkingen van de betrokkene. De minister van Justitie of de gouverneur zullen hierover definitief
beslissen. Indien de controlerende dienst vaststelt dat de vereiste veiligheidsmaatregelen niet
of niet allemaal zijn genomen, licht hij de gouverneur (of de Minister van Justitie) hierover in. Die
zal de betrokkene bij aangetekend schrijven aanmanen de nodige (bijkomende) maatregelen te nemen binnen
een redelijke termijn die hij bepaalt, maar die de vier maanden niet mag overschrijden. Bij het verstrijken
van die termijn wordt automatisch een nieuwe controle uitgevoerd : daartoe meldt de overheid onmiddellijk
de vastgelegde vervaldatum aan de controledienst. Wanneer de gouverneur (of de Minister van
Justitie) op basis van die nieuwe controle vaststelt dat de voorgeschreven veiligheidsmaatregelen niet
(volledig) zijn genomen, zal hij naar gelang het geval de gevraagde erkenning weigeren, dan wel de bestaande
erkenning schorsen of intrekken in overeenstemming met de bepalingen van de wapenwet. 4.1.8.
Beslissing De gouverneur kan beslissen de erkenning al dan niet gedeeltelijk te verlenen of
de erkenningsaanvraag af te wijzen. De beslissing tot erkenning of afwijzing wordt aan de aanvrager
bekendgemaakt bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs (70). Een afschrift van de beslissing
dient binnen de acht dagen te worden toegestuurd aan de bevoegde lokale politie en de procureur des Konings
(71). De gouverneur moet er tevens voor zorgen dat zijn beslissing wordt opgenomen in het CWR
(72). In geval van (al dan niet gedeeltelijke) erkenning geeft de gouverneur een getuigschrift
van erkenning af (model 2, zie punt 4.1.10). De gouverneur licht de proefbank voor vuurwapens hiervan
in (73). Een erkenning kan enkel worden geweigerd om redenen die verband houden met de handhaving
van de openbare orde (74). Sinds 20 oktober 2008 kan de erkenning tevens worden geweigerd wegens
de veronachtzaming van de deontologische code inzake de beroepsplichten van de wapenhandelaar, de publiciteitsvoorschriften,
zijn verantwoordelijkheid als wapenhandelaar en de onverenigbaarheden, zoals deze werden opgenomen in
het KB 16/10/2008 (75), indien dit een gevaar betekent voor de openbare orde (76). De erkenning
kan worden beperkt tot bepaalde verrichtingen of tot bepaalde soorten wapens en munitie, bijvoorbeeld
een erkenning voor de kleinhandel in vuurwapens voor de jacht en het sportschieten (77). Vermits dit
een gedeeltelijke weigering inhoudt, moet deze beperking uitdrukkelijk worden gemotiveerd. De
gouverneur moet bij het nemen van zijn beslissing rekening houden met de ingewonnen adviezen. Daarnaast
kunnen volgende overwegingen eveneens van belang zijn : - de activiteit wapenmaker-kleinhandelaar
moet in beginsel worden voorbehouden aan personen die daarvan hun gewone hoofdbezigheid maken; -
de activiteit moet werkelijk worden uitgeoefend door de persoon die om de erkenning verzoekt. Als
de aanvrager al wapenhandelaar is in een andere lidstaat van de EU, houdt de gouverneur bij de beoordeling
van de erkenningsaanvraag rekening met de waarborgen verstrekt in het kader van de buitenlandse regelgeving
(78). 4.1.9. Motivering De beslissing houdende gehele of gedeeltelijke weigering van
de erkenning moet met redenen zijn omkleed (79). De kennisgeving ervan dient de rechtsmiddelen en hun
vormvoorwaarden te vermelden, die voor de betrokkene openstaan (80). Ook de beslissing houdende
de schorsing, beperking of intrekking van de erkenning moet met redenen zijn omkleed en de rechtsmiddelen
en hun vormvoorwaarden vermelden waarover de betrokkene beschikt (81). De gouverneur kan te dien einde
bij de lokale politie de nodige inlichtingen inwinnen. Het advies van de procureur des Konings en van
de burgemeester is niet vereist maar kan in bepaalde gevallen aangewezen zijn. Inzake de motivering
van de beslissing dient de gouverneur zich te houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur,
en meer in het bijzonder de wet van 29/7/91 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Elke
overheidsbeslissing met individuele strekking dient immers zowel materieel als formeel gemotiveerd te
worden en de motivering in de akte moet de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de
grondslag liggen van de beslissing. De adviesverlenende overheden moeten rekening houden met
deze wettelijke verplichtingen om de gouverneur in staat te stellen een gemotiveerde beslissing te nemen. 4.1.10.
Model 2 Als de aanvraag ontvankelijk is en de erkenning (al dan niet gedeeltelijk) kan worden
toegestaan, geeft de gouverneur een getuigschrift van erkenning als wapenhandelaar « model 2 » af. Hij
geeft daarvan kennis aan de proefbank voor vuurwapens (82). Dit model moet op dik papier worden
gedrukt. Bij de afgifte moeten op het getuigschrift van erkenning, dat een authentiek stuk is,
een stempel en een droogstempel worden aangebracht. Het nummer wordt op volgende wijze samengesteld : 2/1/10/0001 2
= getuigschrift van erkenning 1 = code van de provincie (83) 10 = jaar van afgifte 0001
= het rangnummer van het getuigschrift van erkenning bij de provincie. 4.1.11. Beroep Tegen
de beslissing van de gouverneur tot (gehele of gedeeltelijke) weigering, beperking, schorsing of intrekking
van een erkenning, alsook tegen het ontbreken van een beslissing binnen de termijn van vier maanden vanaf
ontvangst van de volledige aanvraag, staat beroep open bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde
(84). Het betreft een gewoon administratief beroep. Het beroep heeft geen schorsende werking,
m.a.w. de verzoeker dient zich te schikken naar de bestreden beslissing minstens totdat over zijn verzoekschrift
uitspraak wordt gedaan. Het verzoekschrift strekkende tot hoger beroep moet : - gemotiveerd
zijn; - aangetekend worden verzonden aan de federale wapendienst; - ingediend worden
binnen 15 dagen na de kennisname van de beslissing van de gouverneur of na de vaststelling dat er geen
beslissing werd genomen binnen de termijn van vier maanden. De termijn begint te lopen vanaf de dag waarop
het ontvangstbewijs wordt ondertekend; - vergezeld zijn van een kopie van de bestreden beslissing. In
geval aan één van deze modaliteiten niet is voldaan, is het verzoekschrift onontvankelijk (85). Als
het beroep wordt ingediend tegen een beslissing houdende gehele of gedeeltelijke weigering van de erkenning,
moeten bij het verzoekschrift alle stukken worden gevoegd die de identificatie van de aanvrager en van
zijn activiteit mogelijk maken (86). De wetten betreffende de openbaarheid van bestuur van 11/4/94
en 12/11/97 schrijven voor dat een administratieve rechtshandeling met individuele strekking slechts
geldig is ter kennis gebracht als de beroepsmogelijkheden en alle modaliteiten van het beroep (vormen
en termijnen) worden vermeld. Bij ontstentenis daarvan neemt de verjaringstermijn voor het indienen van
het beroep geen aanvang. Eventuele procedurefouten gemaakt door de gouverneur worden door het
beroep rechtgezet. De behandeling van het beroep houdt ook een evocatierecht in. Het gehele
onderzoek uitgevoerd door de gouverneur kan worden overgedaan en de minister is niet gebonden door de
beslissing van de gouverneur. Zo kan een schorsing eventueel worden omgezet in een intrekking. De
uitspraak in beroep wordt gedaan binnen 6 maanden, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het verzoekschrift
(87). Deze termijn kan worden verlengd bij gemotiveerde beslissing. De verlenging kan slechts
eenmaal worden toegestaan en de termijn ervan mag uiterlijk zes maanden bedragen (88). In geval
van erkenning, zelfs gedeeltelijk, geeft de Minister van Justitie aan betrokkene een getuigschrift van
erkenning af, opgemaakt volgens het model 2. Hij geeft daarvan kennis aan de proefbank voor vuurwapens. Een
afschrift van de beslissing wordt binnen 8 dagen toegezonden aan de bevoegde gouverneur, lokale politie
en procureur des Konings (89). De federale wapendienst vraagt het CWR de registratie uit te voeren. Tegen
de beslissing van de gouverneur tot onontvankelijkheid van de aanvraag (90) kan uitsluitend bij de Raad
van State een beroep worden ingediend (91). 4.1.12. Wijziging van de erkenning Bij
beëindiging van de activiteit die het onderwerp is van de erkenning of bij wijziging van de gegevens
vermeld in het getuigschrift van erkenning, geeft de houder daarvan binnen de acht dagen kennis aan de
gouverneur en zendt hij hem het getuigschrift terug (92). Hetzelfde geldt in geval van wijziging
van de gegevens gevoegd bij de erkenningsaanvraag en - wanneer de houder van de erkenning een rechtspersoon
is - in geval de bestuurder, zaakvoerder, commissaris of persoon aangesteld voor het bestuur of beheer
verandert (93). De erkende persoon die al dan niet vrijwillig zijn activiteit beëindigt, moet
binnen een maand te rekenen vanaf de beëindiging zijn registers indienen bij het CWR (94). Een ontvangstbewijs
wordt hem overhandigd door de verantwoordelijke. Als de houder van een erkenning zijn vestigingsplaats
wenst te veranderen binnen dezelfde provincie, dan moet hij de gouverneur hiervan op voorhand verwittigen
en hem het getuigschrift terugzenden. Er zal een onderzoek worden gevoerd naar de aanvaardbaarheid van
de nieuwe vestiging, vooral met het oog op de vervulling van alle administratieve plichten en op de veiligheid.
Indien de nieuwe vestiging onaanvaardbaar blijkt, wordt de betrokkene uitgenodigd zich in orde te stellen;
in voorkomend geval moet de erkenning geschorst worden. In het tegenovergestelde geval wordt de adreswijziging
duidelijk aangebracht op het bestaande document, minstens samen met een officiële stempel (het gebruik
van een zelfklever met onzichtbare stempel verdient sterk aanbeveling). In geval bepaalde andere
gegevens die voorkomen op het getuigschrift van erkenning worden gewijzigd, moet de houder van de erkenning
daarvan binnen 8 dagen kennis geven aan de gouverneur die de erkenning heeft verleend en hem het getuigschrift
van erkenning terugzenden voor aanpassing. Die formaliteit is bijvoorbeeld vereist bij wijziging van
de naam van de vennootschap en bij vrijwillige beperking van de types van activiteiten. Voor
alle andere wijzigingen, zoals bijvoorbeeld het overbrengen van de vestigingsplaats naar een andere provincie,
de wijziging van de identiteit van de houder, de wijziging van de identiteit van de verantwoordelijke
natuurlijke persoon bij een erkende rechtspersoon of van de aard van de activiteit waarop de erkenning
betrekking heeft, is een nieuwe aanvraag vereist (95). Een erkenning kan niet worden overgedragen.
De gouverneur kan evenwel, in geval van fusie, splitsing, inbreng van een algemeenheid of van een bedrijfstak
of wijziging van de rechtspersoonlijkheid, bepalen dat de nieuwe juridische entiteit, mits zij de door
hem bepaalde voorwaarden in acht neemt, gedurende de periode voorafgaand aan de notificatie van de beslissing
betreffende de erkenningsaanvraag, de activiteiten van de initieel erkende onderneming kan voorzetten
(96). In geval van verlies, diefstal of vernietiging van de erkenning, wordt kosteloos een duplicaat
uitgereikt na voorlegging van een attest van aangifte bij de lokale politie. 4.1.13. Administratieve
sancties • De soorten administratieve sancties De gouverneur kan drie soorten
maatregelen nemen als administratieve sanctie bij de vaststelling van onregelmatigheden. Hij
kan de erkenning schorsen voor een periode van één tot zes maanden : dit is een maatregel die aangewezen
is wanneer de houder van de erkenning zich in een voorlopige toestand bevindt en het noodzakelijk is
dat zijn activiteiten worden geschorst. De schorsing is in principe beperkt van één tot zes maanden.
Indien de schorsing zich opdringt voor een periode langer dan zes maanden, is het aanbevolen de erkenning
in te trekken. De gouverneur kan de erkenning ook beperken tot bepaalde verrichtingen of tot
bepaalde soorten wapens en munitie of tot een bepaalde duur. Eerder dan de erkenning in te trekken, is
het in bepaalde gevallen aangewezen ze te beperken tot de verkoop van een bepaalde categorie van wapens
zoals bijvoorbeeld enkel vrij verkrijgbare wapens. De beslissing om een erkenning te beperken, wordt
op het stuk van de procedure gelijkgesteld met de beslissing om een gedeelte van de erkenning in te trekken. Tenslotte
kan de gouverneur de erkenning intrekken : deze maatregel brengt vanaf de kennisgeving ervan het verbod
mee om de activiteiten waarop de erkenning betrekking heeft nog verder uit te oefenen. Het is een maatregel
die slechts mag worden genomen met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel. De gouverneur kan
een van deze maatregelen nemen, indien de houder : (97) 1. behoort tot de categorieën genoemd
in artikel 5, § 4 WW (98); 2. de bepalingen van de wapenwet en de besluiten tot uitvoering
ervan of de opgelegde beperkingen niet in acht neemt; 3. de erkenning op grond van onjuiste
inlichtingen heeft verkregen; 4. gedurende een jaar de activiteiten waarop de erkenning betrekking
heeft niet heeft uitgeoefend (indien niet alle activiteiten waarvoor de erkenning werd verleend, werkelijk
werden uitgeoefend, zal de gouverneur tot een gedeeltelijke intrekking overgaan voor wat betreft deze
activiteiten); 5. activiteiten uitoefent die door het feit dat zij worden uitgeoefend samen
met de activiteiten waarvoor de erkenning is verkregen, de openbare orde kunnen verstoren. Als
de betrokkene hierom vraagt, moet hij vooraf schriftelijk of mondeling worden gehoord. Hij moet in staat
worden gesteld zich vooraf te verdedigen tegen de negatieve elementen waarvan hij geen kennis had (hoorrecht). Sinds
20 oktober 2008 kan tevens de veronachtzaming van de deontologische code inzake de beroepsplichten van
de wapenhandelaar, de publiciteitsvoorschriften, zijn verantwoordelijkheid als wapenhandelaar en de onverenigbaarheden
zoals deze werden opgenomen in het KB 16/10/2008 (99), indien dit een gevaar voor de openbare orde betekent,
de intrekking, de schorsing of de beperking van de erkenning door de gouverneur met zich meebrengen.
In geval van minder ernstige inbreuken op deze code kan de gouverneur ook een waarschuwing geven met
verzoek de betrokken praktijk te staken indien die volgens de diensten van de gouverneur in strijd is
met de deontologische code. Als de gouverneur kennis heeft van een misdrijf dat door een erkend
persoon wordt gepleegd dient hij de procureur des Konings hiervan op de hoogte te brengen (100) Van
de beslissing tot schorsing, beperking of intrekking van de erkenning wordt door de gouverneur kennis
gegeven aan de houder bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs. De beslissing wordt gezonden naar
het adres vermeld op het getuigschrift van erkenning of - indien de houder na de afgifte van de erkenning
een nieuw adres heeft meegedeeld - naar het adres dat de houder heeft meegedeeld (101) •
De gevolgen van de administratieve sancties De houder van de erkenning moet ingevolge de beslissing
tot schorsing, beperking of intrekking ervan het getuigschrift van erkenning terugzenden binnen 8 dagen
te rekenen van de beëindiging van de door de gouverneur in de kennisgeving van de beslissing vermelde
termijn. Als de gouverneur van oordeel is dat de houder van de erkenning misbruik zou kunnen
maken van het getuigschrift kan hij de korpschef van de lokale politie ermee belasten het getuigschrift
bij de houder te gaan terughalen (102). Het betreft evenwel een eerder uitzonderlijke procedure. De
schorsing, beperking of intrekking van de erkenning heeft tot gevolg dat het voorhanden houden van wapens
door de houder van de erkenning onwettig wordt. De gouverneur geeft in zijn beslissing dan ook aan binnen
welke termijn de wapens in bewaring moeten worden gegeven of aan een erkend persoon of een persoon die
gemachtigd is de wapens voorhanden te houden, moeten worden overgedragen (103). Om na te gaan
of dit ook werkelijk is gebeurd, moet de erkende persoon die de wapens in bewaring heeft genomen of heeft
verkregen de gouverneur binnen 8 dagen in kennis stellen van de inbewaringgeving of overdracht door middel
van een formulier dat bij de kennisgeving van de beslissing wordt gevoegd (104). Een afschrift
van de beslissing tot schorsing, intrekking of beperking van de erkenning wordt binnen 8 dagen toegezonden
aan : (105) - de bevoegde lokale politie; - de betrokken procureur des Konings; -
de directeur van de Proefbank voor vuurwapens. De beslissing moet tevens worden opgenomen in
het CWR (106). In geval van intrekking moet de erkende persoon zijn registers binnen de maand
volgend op het staken van zijn activiteiten bij het CWR neerleggen (107). Een ontvangstbewijs wordt hem
overhandigd door de verantwoordelijke. 4.1.14. 5-jaarlijkse controle De erkenning afgegeven
op basis van de wapenwet is geldig voor onbepaalde duur, tenzij de aanvraag slechts voor een bepaalde
duur was gedaan of de gouverneur of de Minister van Justitie een beperktere geldigheidsduur oplegt bij
gemotiveerde beslissing om redenen van vrijwaring van de openbare orde (108). Eens om de vijf
jaar neemt de gouverneur het initiatief om bij alle houders van een erkenning als wapenhandelaar of tussenpersoon
te onderzoeken of zij de wet naleven en zij nog steeds voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen
van de erkenning (109). Die controle is betalend (110). Hierbij vraagt de gouverneur het advies
van de lokale politie en eventueel van het parket en de burgemeester en moeten de houders van een erkenning
verklaren of kunnen zij doen vaststellen dat zij nog steeds beantwoorden aan de wettelijke voorwaarden,
mede op grond waarvan de erkenning voorheen werd afgeleverd en dat er geen redenen zijn om te besluiten
tot een beperking, schorsing of intrekking van de erkenning (111) Na afloop van de controle
ontvangen ze een bijlage bij hun erkenning, die de datum en het resultaat van de controle vermeldt. Het
systeem van 5-jaarlijkse controles belet niet dat er vaker controles plaatsvinden door officieren van
gerechtelijke politie, al dan niet op verzoek van de bevoegde gouverneur (112). Deze controles zijn wel
gratis. De federale politie is in het bijzonder belast met het toezicht op de wapenhandelaars
en wapenfabrikanten (113). 4.2. Rechten en plichten 4.2.1. Deontologie Op
20 oktober 2008 is de deontologische code die samengesteld is uit regels die een waardige, integere en
verantwoordelijke uitoefening van het beroep van wapenhandelaar of tussenpersoon moeten garanderen, in
werking getreden. De deontologische code die door de wapenhandelaar of tussenpersoon moet worden
waargenomen, bestaat uit volgende voorschriften : • Beroepsplichten van de wapenhandelaar
o Plichten tegenover de klant : De wapenhandelaar helpt de klant zijn behoeften te formuleren
en analyseert ze. Hij informeert de klant correct over de reglementaire bepalingen die van toepassing
zijn op de verkochte zaken. Met dit doel informeert de wapenhandelaar zichzelf regelmatig en behoorlijk
over de toepasselijke regelgeving en haar evolutie. Voor elke overdracht van wapens of munitie
geeft de wapenhandelaar richting aan de keuzes van zijn klant en adviseert hij hem met name de wapens
en de munitie te verwerven die het meest aangewezen zijn in functie van het beoogde doel. Daarnaast
licht de wapenhandelaar de klant in over de mogelijke gevaren van het gebruik van wapens en munitie,
evenals over de in acht te nemen veiligheidsmaatregelen die deze gevaren kunnen beperken (114).
o Verantwoordelijkheid tegenover de samenleving De wapenhandelaar kan zich niet beroepen op
zijn functie om in te staan voor een onwettige handeling en onthoudt zich van elke handeling die het
niet naleven van de regelgeving door zijn klanten uitlokt. Hij werkt niet mee aan verrichtingen waarvan
hij vermoedt of had kunnen weten dat ze de integriteit of de veiligheid van personen in gevaar brengen
(115). Dit betekent uiteraard niet dat de wapenhandelaar de daden van zijn klanten moet kunnen voorzien.
Het gaat alleen over manifeste zaken. De wapenhandelaar en zijn personeel zijn verplicht aan
de toezichthoudende overheden alle informatie te geven die noodzakelijk is voor een afdoende controle
(116). o Technische uitoefeningsmodaliteiten - Algemeenheden : De wapenhandelaar
oefent zijn activiteit uit in de domeinen waarvoor hij zijn beroepsbekwaamheid heeft bewezen. Als
hij andere activiteiten uitoefent waarvoor hij te privaten titel wapens voorhanden heeft, waakt hij erover
dat er geen enkele verwarring bestaat op het vlak van het beheer van zijn handelszaak. Nochtans
geeft een erkenning als wapenhandelaar op zich geen enkel recht om persoonlijke wapens te bezitten. Als
hij houder is van een erkenning als verzamelaar, behoudt hij een strikte scheiding tussen zijn beide
vermogens. De rechtspersonen zijn verplicht een bestuurder aan te wijzen die binnen de onderneming
verantwoordelijk is voor alle vragen betreffende de regelgeving (117). De wapenhandelaar vervult
zijn administratieve plichten op zorgvuldige wijze. Hij vult onverwijld zijn registers en de andere reglementair
bepaalde documenten in, op een duidelijke, leesbare en systematische wijze. De wapenhandelaar
moet op zijn documenten en op zijn website vermelden : (118) o zijn adres, erkennings- en ondernemingsnummer;
o in geval van een rechtspersoon : benaming, rechtsvorm en naam van de personen die hem mogen vertegenwoordigen;
o de wettelijk verplichte vermeldingen. - Publiciteit : Alle publiciteitsmiddelen mogen
worden gebruikt mits de naleving van de van kracht zijnde regelgeving. Bij het voeren van publiciteit
leeft de wapenhandelaar zijn informatieplicht ten aanzien van de klant na, hij informeert hem correct
over de regelgeving, over de aan het product verbonden gevaren en over de technische aspecten ervan (119). Zo
kan de wapenhandelaar reclame maken via het internet. Hij moet het aangeven als het gaat over vergunningsplichtige
wapens (120). Eveneens dient hij correcte informatie te verstrekken over de aangeboden producten. Indien
minderjarigen ze niet mogen kopen, moet dit vermeld worden. Artikel 19, eerste lid, 1° WW verbiedt
dat wapens via het internet verkocht worden. Het is dus verboden om enige verkoop op afstand te organiseren,
bijvoorbeeld door op een internetsite de mogelijkheid te bieden een koopovereenkomst van het wapen af
te sluiten (b.v. door het wapen aan te klikken, zodat een akkoord over zaak en prijs ontstaat op de website).
Eveneens is niet mogelijk om de verkoop van wapens tot stand te brengen via e-mail verkeer of andere
elektronische communicatiemiddelen. Om dezelfde reden is het eveneens verboden om wapens te verkopen
via publieke veilingsites (b.v. E-bay) of andere internet advertentie sites (zoals bv. 2dehands of de
koopjeskrant). In deze gevallen komt de verkoopverrichting immers tot stand via de website. De
wetgever wou elke verkoop van wapens op afstand verbieden. Ook het te koop aanbieden van wapens via het
internet is verboden. De reden hiervoor is dat bij een verkoop op afstand onmogelijk kan worden voldaan
aan de verplichtingen die gelden bij overdracht van het wapen. Bij elke verkoop moet immers de identiteit
van de koper, alsook zijn hoedanigheid worden nagegaan. Ook moet onderzocht worden of de koper over de
nodige vergunningen of over een erkenning beschikt. Deze controle is niet mogelijk via het internet. Het
verbod om wapens te koop aan te bieden, belet niet dat een handelaar via zijn internetwebsite aangeeft
welke wapens hij in zijn winkel te koop aanbiedt. Hij kan, mits naleving van alle andere wetsbepalingen,
de producten met prijs aangeven. De parlementaire voorbereiding was op dit punt duidelijk (121) : «
Die bepaling belet echter niet dat de erkende wapenhandelaars of verzamelaars reclame kunnen maken op
een internetsite, op voorwaarde dat de in artikel 19, 3° en 4°, bepaalde voorwaarden in acht worden genomen.
De beschikbare producten en de prijzen mogen worden vermeld, maar geen enkele transactie mag tot stand
komen via de site. » Gepubliceerde en voor het publiek zichtbare aankondigingen moeten minstens
de naam of de handelsbenaming van de wapenhandelaar bevatten. Als de publiciteit zaken betreft
die minderjarigen niet mogen verwerven, vermeldt ze dat zij niet op het aanbod kunnen ingaan (122). •
Verantwoordelijkheid van de wapenhandelaar De wapenhandelaar organiseert zijn handel in functie
van een wettelijke uitoefening van zijn activiteit, en hij lokt geen illegale activiteiten uit. Hij
gaat niet in op vragen van derden die uit zijn op een onwettig of immoreel voordeel, of die misbruik
willen maken van zijn diensten, bijvoorbeeld door illegale wapens over te nemen en aldus wit te wassen. De
wapenhandelaar mag geen activiteit aanvaarden, nastreven of verder zetten waarvan de aard of het voorwerp
in tegenstrijd is met de Code, dwingende bepalingen overtreedt of de openbare orde bedreigt (123). De
wapenhandelaar informeert, coördineert en houdt toezicht op de personen waarvoor hij verantwoordelijk
is. Hij waakt erover dat de aangestelden beschikken over een opleiding, die enerzijds is aangepast
aan de activiteiten van wapenhandelaar die ze uitvoeren onder zijn gezag, en anderzijds conform is met
de deontologische plichten, waaraan hij is onderworpen (124). • Onverenigbaarheden De
wapenhandelaar mag geen wapens, munitie of onderdelen daarvan verhandelen of tentoonstellen in lokalen
waar hij een andere beroepsactiviteit uitoefent. Deze plicht mag niet worden gelezen in de zin dat het
verboden zou zijn andere zaken dan wapens te verkopen in een wapenwinkel. Hij onthoudt zich
van elk contact met personen waarvan hij weet of waarvan het algemeen bekend is dat ze in milieus verkeren
die de democratische beginselen niet naleven zoals ze met name worden verwoord in de Grondwet of het
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de wet van 30/7/81 tot
bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden en de wet van 23/3/95 tot bestraffing
van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede
wereldoorlog door het Duits nationaal-socialistische regime is gepleegd, of van elke andere vorm van
genocide. Hij onthoudt zich van elke handeling die, of elk gedrag dat hem vatbaar kan maken
voor chantage en hij neemt niet deel aan kansspelen in casino's (125). 4.2.2. Registers De
erkende personen moeten verschillende soorten registers bijhouden, te weten : (126) - het register
van model A houdende de inschrijving van de vergunningsplichtige wapens die zij verkrijgen, vervaardigen,
in hun bezit houden of overdragen; - het register van model C houdende de inschrijving van de
munitie voor de vergunningsplichtige vuurwapens die zij verkrijgen, vervaardigen of in hun bezit houden
of overdragen; - het register van model D houdende de inschrijving van : - de aan
de wettelijke voorgeschreven proef onderworpen losse onderdelen die zij verkrijgen, vervaardigen, in
hun bezit houden of overdragen; - de hulpstukken die zij verkrijgen, vervaardigen, in hun bezit
houden of overdragen wanneer die stukken, aangebracht op een vuurwapen, tot gevolg hebben dat het wapen
in een andere categorie wordt ondergebracht. De registers moeten voorgedrukt zijn met genummerde
bladzijden (127). De politie moet ze vooraf of bij controle afstempelen of paraferen. Het is dus niet
voldoende dat de wapenhandelaar een eigen gemaakt register gebruikt. Van elk wapen moet duidelijk
worden vermeld wat de technische gegevens (merk, model, serienummer) ervan zijn, van wie het werd overgenomen
en aan wie het werd overgedragen, en wanneer dit gebeurde. De registers moeten worden overgelegd
wanneer de volgende diensten daarom verzoeken : (128) - de leden van de federale politie, de
lokale politie en de douane; - de directeur van de proefbank voor vuurwapens en de personen
aangewezen door de Minister bevoegd voor Economie; - de inspecteurs en controleurs van springstoffen
en de ambtenaren van het bestuur Economische Inspectie. De controle van de registers van de
erkende personen gebeurt eenmaal per jaar, in principe zonder dat de gouverneur hier om moet verzoeken,
door een van de bevoegde diensten. De registers worden bewaard door de erkende personen. Bij
de beëindiging van de activiteit worden zij binnen een maand neergelegd bij het CWR (die ze ter beschikking
houdt van de bovenvermelde diensten, die ze op systematische wijze moeten onderzoeken) (129). 4.2.3.
Overdracht/verkoop van vuurwapens De wapenhandelaar die een vergunningsplichtig vuurwapen en/of
munitie ervoor (of een aan de wettelijke proef onderworpen onderdeel) verkoopt of overdraagt aan een
andere erkende persoon moet zich vooraf vergewissen van de identiteit van die persoon alsook van de echtheid
en de geldigheid van zijn erkenning in het licht van de betrokken operatie. De proefbank voor
vuurwapens is gemachtigd om hem hiertoe inlichtingen te verstrekken (130). Zie verder onder
punt 9.2.2. voor de verplichtingen inzake overdracht/verkoop van een vergunningsplichtig vuurwapen en/of
munitie ervoor (of een aan de wettelijke proef onderworpen onderdeel) aan een particulier. 5.
Bepalingen van toepassing op verzamelaars en musea 5.1. Erkenningsprocedure 5.1.1.
Voorwaarden Elke natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon die een museum of een
verzameling van meer dan vijf vergunningsplichtige vuurwapens of van munitie wenst aan te leggen - zonder
voor elk bijkomend wapen een vergunning tot het voorhanden hebben ervan te moeten hebben - moet daartoe
erkend zijn door de gouverneur (131). Wie echter zijn verzameling wil opbouwen met afzonderlijk
vergunde wapens, heeft geen erkenning nodig : het is slechts een faciliteit. Met betrekking
tot verzamelingen die uitsluitend uit vrij verkrijgbare wapens bestaan, is geen erkenning vereist. Sommige
erkende verzamelaars en musea kunnen bepaalde verboden wapens in hun verzameling opnemen. Zie hiervoor
punt 3.1.4. 5.1.2. Bevoegdheid De erkenning wordt verleend door de gouverneur bevoegd
voor de vestigingsplaats van de verzameling (132). Het betreft een gebonden bevoegdheid. Alle gouverneurs
worden geacht de wet op dezelfde manier, zoals beschreven in deze omzendbrief, toe te passen. 5.1.3.
Ontvankelijkheid Idem punt 4.1.3. 5.1.4. Onderzoek • De aanvraag De
aanvrager moet zijn erkenningsaanvraag indienen door middel van een formulier bij de gouverneur bevoegd
voor de vestigingsplaats. Dit formulier kan meestal worden verkregen bij de gouverneur of op de website
van de provinciale wapendienst (133). Bij de aanvraag om erkenning dient een uittreksel uit
het strafregister te zijn gevoegd dat ten laatste drie maanden voor de indiening van de aanvraag werd
opgemaakt. Indien de aanvrager een rechtspersoon is, moet dit worden bijgevoegd voor iedere
bestuurder, zaakvoerder, commissaris of persoon aangesteld voor het bestuur of het beheer. Verder
dienen alle stukken te worden bijgevoegd die de identificatie van de aanvrager en van zijn activiteit
mogelijk maken. De aanvrager moet bij de indiening van de aanvraag : (134) 1. bewijzen
reeds 5 behoorlijk vergunde vuurwapens voorhanden te hebben; 2. een thema opgeven dat de uitbreiding
van het museum of de verzameling rechtvaardigt en tevens beperkt. De aanvraag moet een volledige
lijst bevatten van alle vuurwapens in het bezit van de aanvrager, samen met een kopie van elke vergunning
tot het voorhanden hebben ervan. Verder wordt nagegaan of de in totaal minstens 5 vergunningsplichtige
vuurwapens een zekere samenhang vertonen in het licht van het opgegeven thema. Een verzameling
vuurwapens is geen eenvoudige optelling van vuurwapens. De verzameling wordt opgebouwd rond een thema
dat de aanvrager in zijn aanvraag moet opgeven in de rubriek « Beschrijving van de activiteiten waarvoor
de erkenning wordt aangevraagd ». Het thema moet beperkt zijn in de tijd, op geografisch vlak
of op technisch vlak. Volgende voorbeelden of een combinatie ervan zijn mogelijk : - een bepaalde
periode in de geschiedenis, nl. wapens gebruikt in een welbepaald conflict of een bepaalde periode :
b.v. wapens WOII. - de technische geschiedenis van de bewapening, nl. wapens vervaardigd door
een bepaalde fabrikant, wapens met een bepaald systeem van ontsteking, enz. In dit geval is een combinatie
met een afbakening in de tijd wenselijk opdat de verzameling eindig zou zijn. - een geografisch
thema, nl. wapens gemaakt in dat land, of gebruikt door dat leger, enz. In dit geval is een combinatie
met een afbakening in de tijd soms wenselijk opdat de verzameling eindig zou zijn. Het gekozen
thema moet voldoende ruim zijn om het bezit van meerdere vuurwapens te rechtvaardigen. Te algemene en
op historisch vlak weinig geloofwaardige thema's die de ware bedoeling van de aanvrager moeten verbergen
of waarmee de aanvrager wil ontsnappen aan de toepassing van de wapenwet en haar principe van afzonderlijke
vergunningen voor het voorhanden hebben van vergunningsplichtige vuurwapens, dienen te worden verworpen. Het
is mogelijk om op één erkenning meerdere thema's te vermelden. Een verzameling moet niet per
se betrekking hebben op historische wapens; het kunnen ook moderne wapens zijn. De wapens moeten echter
passen binnen het thema dat de verzamelaar heeft opgegeven. Het is dan ook van belang de thema's voldoende
beperkt te houden en nauwkeurig te omschrijven. Als een thema ook wapens kan bevatten die beschouwd
worden als bijzonder gevaarlijk, moet de gouverneur het thema beperken door de wapens van dat type uit
te sluiten. Als het bijvoorbeeld gaat over het verbieden van automatische wapens met geluidsdemper, kan
dit specifiek worden uitgesloten. Mocht de gouverneur vinden dat het thema te ruim is, dan kan hij het
algemeen formuleren, met een beperkende bepaling. Deze beperkende bepaling moet echter in abstracto toepasbaar
zijn op een vooraf niet bekend aantal wapens in plaats van op een specifiek wapen. De inhoudelijke
voorwaarden van de verzameling alsook de bijzondere technische voorzorgen te nemen indien de wapens ontwikkeld
zijn na 1945 werden vastgelegd in het KB van 29/12/2006 : als het thema wapens vervaardigd na 1945 behelst,
is het niet toegelaten meerdere exemplaren van wapens met een zelfde model, kaliber en benaming te verwerven
(135). Het te volgen principe bij de afgifte van erkenningen aan verzamelaars is dat van de
progressiviteit. De beginnende verzamelaar zal zijn verzameling samenstellen op basis van afzonderlijk
vergunde vergunningsplichtige vuurwapens. De wettige reden bestaat dan ook uit « de intentie een verzameling
historische wapens op te bouwen ». Het is pas nadat hij een bepaald niveau overschrijdt, te weten minstens
5 vergunningsplichtige vuurwapens, en hij voldoende deskundigheid heeft verworven, dat de afgifte van
een erkenning gerechtvaardigd is. Het is dan ook de bedoeling de erkenning uitsluitend toe te
kennen aan kandidaat-verzamelaars die oprechte interesse vertonen en gedegen kennis tonen inzake de verzameling
die zij verder wensen uit te bouwen. Daartoe kan het tevens van belang zijn te weten of de aanvrager
lid is van een vereniging van verzamelaars. • Verkrijgen van adviezen Als de
aanvraag volgens de gouverneur ontvankelijk is, vraagt hij het met redenen omkleed advies van de procureur
des Konings van het betrokken arrondissement en van de burgemeester van de gemeente waar de activiteit
waarop de aanvraag betrekking heeft, zal worden uitgeoefend (136). Daarnaast kan het tevens
nuttig zijn om de Dienst Controle Wapenhandel van het Departement internationaal Vlaanderen van de Vlaamse
Overheid te raadplegen, alsook de provinciegouverneur en de procureur des Konings van de woonplaats van
de aanvrager, de Dienst Vreemdelingenzaken indien de aanvrager niet de Belgische nationaliteit bezit,
enz. De verzoeken om advies worden gelijktijdig aan de procureur des Koning en de burgemeester
toegezonden. De procureur des Konings en de burgemeester voeren een onderzoek en verlenen een met redenen
omkleed advies dat het de gouverneur mogelijk moet maken om met kennis van zaken een beslissing te nemen.
Indien nodig moet hij bijkomende informatie aan de procureur des Konings of de burgemeester vragen. Binnen
de maand volgend op het verzoek om advies moeten de procureur des Konings en de burgemeester hun advies
verlenen. De gouverneur beschikt dan nog over meer dan twee maanden om het dossier desnoods te vervolledigen
en om een beslissing te nemen over de aanvraag. • Administratief onderzoek Het
advies van de burgemeester heeft hoofdzakelijk betrekking op de aard van de uitgeoefende activiteit en
geeft met name antwoord op de volgende vragen : 1) Houdt de uitoefening van de activiteit waarop
de aanvraag betrekking heeft, een bijzonder gevaar in voor de openbare orde, de openbare veiligheid of
de algemene gezondheid? 2) Zijn met betrekking tot de gebouwen waarin de activiteit zal worden
uitgeoefend, de nodige administratieve vergunningen verleend, bijvoorbeeld de bouwvergunning, de milieuvergunning,
de uitbatingsvergunning op grond van het algemeen reglement op de bescherming van de arbeid,... ? Kan
hiertegen geen beroep meer worden ingediend? • Moraliteitsonderzoek Het advies
van de procureur des Konings heeft hoofdzakelijk betrekking op de persoon van de aanvrager en geeft met
name antwoord op de volgende vragen : 1) Staat betrokkene gunstig bekend in de gemeente ? Wordt
te zijnen laste of ten laste van één van zijn verwanten een gerechtelijk vooronderzoek of opsporingsonderzoek
verricht, zelfs in een ander arrondissement? Als hij is veroordeeld, moet de ernst van de gepleegde feiten
worden aangegeven. Zulks geldt eveneens voor de verantwoordelijken van een rechtspersoon. Als hij niet
is veroordeeld, maar er bestaan bezwarende feiten, dan moeten zo mogelijk de opgestelde processen-verbaal
worden meegestuurd. 2) Als de aanvrager een rechtspersoon is, moet worden vermeld of de toestand
van de onderneming wordt onderzocht door de gerechtelijke diensten? Is tegen de rechtspersoon een proces
aan de gang? Om de gouverneur in staat te stellen binnen de wettelijke termijn een beslissing
te nemen over de aanvraag is het nodig dat de gevraagde adviezen zo snel mogelijk worden uitgebracht.
Daarbij dient rekening te worden gehouden met de administratieve last voor de aangezochte diensten, voornamelijk
de lokale politiediensten. Tevens moeten de voorschriften inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
van de betrokken personen worden gerespecteerd. Om de lokale politie toe te staan met één enkel
onderzoek de elementen, naargelang de inhoud, mee te delen aan de burgemeester en de procureur des Konings
teneinde hen de mogelijkheid te bieden een advies uit te brengen, wordt voorgesteld dat de gouverneur
de korpschef van de lokale politie op de hoogte brengt op het tijdstip dat het verzoek om advies aan
de burgemeester en aan de procureur des Konings wordt verzonden. 5.1.5. Termijn De
gouverneur doet uitspraak over de erkenningsaanvraag binnen 4 maanden na de ontvangst ervan. De termijn
begint meer bepaald te lopen vanaf de ontvangst van een volledige aanvraag, dat wil zeggen een aanvraag
vergezeld van de vereiste stukken (een uittreksel uit het strafregister en de stukken betreffende de
identificatie van de aanvrager en van zijn activiteit) (137). Met de behandeling van de aanvraag wordt
ook pas een aanvang gemaakt nadat de eerste schijf van de retributie is betaald. Derhalve dient de aanvrager
te worden verzocht zo snel mogelijk de retributie te betalen zodat de erkenning binnen de wettelijke
termijn kan worden afgeleverd. De termijn kan, op straffe van nietigheid, alleen worden verlengd
bij gemotiveerde beslissing. De verlenging kan per aanvraag slechts eenmaal worden toegestaan en de termijn
ervan mag uiterlijk zes maanden bedragen (138). Dit mag alleen te wijten zijn aan omstandigheden buiten
de wil van de gouverneur (ontbreken van informatie van de aanvrager of van een verplicht advies, overmacht). 5.1.6.
Veiligheidsmaatregelen . Toepassingsgebied (139) De veiligheidsmaatregelen die door
erkende wapenverzamelaars moeten worden genomen, zijn eveneens opgelegd door het KB van 24/4/97 tot bepaling
van de veiligheidsvoorwaarden bij het opslaan, het voorhanden hebben en het verzamelen van vuurwapens
of munitie, dat hoger in punt 4.1.7 werd besproken voor wat de wapenhandelaars betreft. Alleen de specifiek
tot de verzamelaars gerichte bepalingen van dit KB worden hier toegelicht; voor het overige zijn de algemene
regels waarvan hier niet wordt afgeweken, van toepassing op hen. De hier besproken regels zijn
niet alleen van toepassing op erkende verzamelaars die meer dan 30 vergunningsplichtige vuurwapens opslaan,
maar ook op alle plaatsen waar meer dan 30 vergunningsplichtige vuurwapens worden opgeslagen en die niet
behoren tot de activiteiten van een wapenhandelaar of van een bewakingsonderneming of interne bewakingsdienst. Het
KB is anderzijds niet van toepassing op musea. Dit betekent niet dat wapenmusea zijn vrijgesteld van
elke veiligheidsmaatregel. De regels van het KB worden hen niet opgelegd omdat het vaak moeilijk, onmogelijk,
zoniet verboden is ze toe te passen in de historische gebouwen waarin musea soms zijn ondergebracht.
De algemene voorzichtigheidplicht ter vrijwaring van de openbare orde vereist wel dat ze voldoende veiligheidsmaatregelen
nemen, waarbij ze zich door het KB kunnen laten inspireren. Musea laten zich best adviseren door specialisten
in technopreventie en moeten hun veiligheidsmaatregelen laten beoordelen door de lokale politie. .
De verschillende maatregelen (140) Privé-verzamelingen van wapens en opslagplaatsen van vuurwapens
of munitie, bestaande uit meer dan 30 vergunningsplichtige vuurwapens vormen veiligheidsklasse G van
het KB (141). De betrokkene dient alle vuurwapens van de klassen C en D te bewaren in lokalen
: - waarvan de toegangen voldoen aan het 11° en zijn uitgerust met sloten die voldoen aan het
1° (alleen daar zijn die sloten vereist); - waarvan de ramen op de gelijkvloerse verdieping
gelegen, moeten worden beschermd in overeenstemming met het 9°; - uitgerust met een elektronisch
alarmsysteem, geactiveerd tijdens de uren van afwezigheid en de nacht. Er moet tevens voorzien
worden in de installatie op een zichtbare of aangeduide en in alle omstandigheden vrij bereikbare plaats
van minstens één draagbare of mobiele snelblusser beantwoordend aan de toepasselijke normen NBN S 21-011
tot 21-018 in elk lokaal waar zich munitie bevindt. De inhoud van de klassen C en D, evenals
de technische vereisten van de maatregelen met de nummers 1°, 9° en 11° worden nader toegelicht in punt
4.1.7. 5.1.7. Beslissing De gouverneur kan beslissen de erkenning al dan niet gedeeltelijk
te verlenen of de erkenningsaanvraag af te wijzen. De beslissing tot erkenning of afwijzing
wordt aan de aanvrager bekendgemaakt bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs (142). Een
afschrift van de beslissing dient binnen 8 dagen te worden toegestuurd aan de bevoegde lokale politie
en de procureur des Konings (143). De gouverneur moet er tevens voor zorgen dat zijn beslissing
wordt opgenomen in het CWR (144). In geval van erkenning, zelfs gedeeltelijk, van een verzameling
of van een museum van vergunningsplichtige vuurwapens of van munitie voor die wapens, geeft de gouverneur
aan betrokkene een getuigschrift van erkenning model nr. 3 (145). Hij geeft daarvan kennis aan de proefbank
voor vuurwapens (146). Een erkenning kan enkel worden geweigerd om redenen die verband houden
met de handhaving van de openbare orde (147). De gouverneur kan het thema in het belang van
de openbare veiligheid beperken als het te ruim of onverantwoord voorkomt (148). De beslissing om een
erkenning te beperken, wordt op het stuk van de procedure gelijkgesteld met de beslissing om een gedeelte
van de erkenning in te trekken. De gouverneur moet bij het nemen van zijn beslissing rekening
houden met de verkregen adviezen. Daarnaast houdt hij er tevens rekening mee dat de erkenning als verzamelaar
slechts met de grootste omzichtigheid mag worden toegekend om misbruiken te voorkomen, in het bijzonder
commerciële activiteiten. De gouverneur kan het totale aantal toegelaten wapens beperken in
functie van de omstandigheden waarin de wapens zullen worden opgeslagen (149). 5.1.8. Motivering De
beslissing houdende gehele of gedeeltelijke weigering van de erkenning moet met redenen zijn omkleed
(150). De kennisgeving ervan dient de rechtsmiddelen en hun vormvoorwaarden te vermelden die voor de
betrokkene openstaan (151). Ook de beslissing houdende de schorsing, beperking of intrekking
van de erkenning moet met redenen zijn omkleed en de rechtsmiddelen en hun vormvoorwaarden vermelden
waarover de betrokkene beschikt (152). De gouverneur kan ten dien einde bij de lokale politie de nodige
inlichtingen inwinnen. Het advies van de procureur des Konings en van de burgemeester is niet vereist
maar kan in bepaalde gevallen aangewezen zijn. Inzake de motivering van de beslissing dient
de gouverneur zich te houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en meer in het bijzonder
de wet van 29/7/91 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Elke
overheidsbeslissing met individuele strekking dient immers zowel materieel als formeel gemotiveerd te
worden en de motivering in de akte moet de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de
grondslag liggen van de beslissing. De adviesverlenende overheden moeten rekening houden met
deze wettelijke verplichtingen om de gouverneur in staat te stellen een gemotiveerde beslissing te nemen. 5.1.9.
Model 3 Als de aanvraag ontvankelijk is en de erkenning (al dan niet gedeeltelijk) kan worden
verleend, geeft de gouverneur een getuigschrift van erkenning van museum of verzameling van wapens en
munitie « model 3 » af. Hij geeft daarvan kennis aan de proefbank voor vuurwapens (153). Dit
model moet op dik papier met watermerk worden gedrukt. Bij de afgifte moeten op het getuigschrift
van erkenning, dat een authentiek stuk is, een stempel en een droogstempel worden aangebracht. Het nummer
wordt op volgende wijze samengesteld : 3/1/10/0001 3 = getuigschrift van erkenning 1
= code van de provincie (154) 10 = jaar van afgifte 0001 = het rangnummer van het getuigschrift
van erkenning bij de provincie. De erkenning model 3 vermeldt het thema van de verzameling.
B.v. verzameling van vergunningsplichtige vuurwapens en munitie voor deze wapens gebruikt door het Belgische
leger tijdens de periode 1900-1920. 5.1.10. Beroep Tegen de beslissing van de gouverneur
tot (gehele of gedeeltelijke) weigering, beperking, schorsing of intrekking van een erkenning, alsook
tegen het ontbreken van een beslissing binnen de termijn van vier maanden vanaf ontvangst van de aanvraag,
staat beroep open bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde (155). Het betreft een
gewoon administratief beroep. Het beroep heeft geen schorsende werking, m.a.w. de verzoeker dient zich
te schikken naar de bestreden beslissing minstens totdat over zijn verzoekschrift uitspraak wordt gedaan. Het
verzoekschrift strekkende tot hoger beroep moet : - gemotiveerd zijn; - aangetekend
worden verzonden aan de federale wapendienst; - ingediend worden binnen 15 dagen na de kennisname
van de beslissing van de gouverneur of na de vaststelling dat er geen beslissing werd genomen binnen
de termijn van vier maanden. De termijn begint te lopen vanaf de dag waarop het ontvangstbewijs wordt
ondertekend; - vergezeld zijn van een kopie van de bestreden beslissing. In geval aan
één van deze modaliteiten niet is voldaan, is het verzoekschrift onontvankelijk (156). Als het
beroep wordt ingediend tegen een beslissing houdende gehele of gedeeltelijke weigering van de erkenning,
moeten bij het verzoekschrift alle stukken worden gevoegd die de identificatie van de aanvrager en van
zijn activiteit mogelijk maken (157). De wetten betreffende de openbaarheid van bestuur van
11/4/94 en 12/11/97 schrijven voor dat een administratieve rechtshandeling met individuele strekking
slechts geldig is ter kennis gebracht als de beroepsmogelijkheden en alle modaliteiten van het beroep
(vormen en termijnen) worden vermeld. Bij ontstentenis daarvan neemt de verjaringstermijn voor het indienen
van het beroep geen aanvang. De uitspraak in beroep wordt gedaan binnen 6 maanden, te rekenen
vanaf de datum van ontvangst van het verzoekschrift (158). Deze termijn kan worden verlengd
bij gemotiveerde beslissing. De verlenging kan slechts eenmaal worden toegestaan en de termijn ervan
mag uiterlijk zes maanden bedragen (159). In geval van erkenning, zelfs gedeeltelijk, geeft
de Minister van Justitie aan betrokkene een getuigschrift van erkenning opgemaakt volgens model 3. Hij
geeft daarvan kennis aan de proefbank voor vuurwapens. Een afschrift van de beslissing wordt
binnen 8 dagen toegezonden aan de bevoegde gouverneur, lokale politie en procureur des Konings (160).
De federale wapendienst vraagt het CWR de registratie uit te voeren. Tegen de beslissing van
de gouverneur tot onontvankelijkheid van de aanvraag (161) kan uitsluitend bij de Raad van State een
beroep worden ingediend (162). 5.1.11. Wijziging van de erkenning Het thema van de
verzameling is het voorwerp van evolutie. Wanneer de aanpassing van het thema beperkt blijft, zal de
gouverneur de tekst van de erkenning kunnen wijzigen. Wanneer de wijziging evenwel ingrijpender
is, bijvoorbeeld omdat er een bijkomend thema wordt aangevraagd of wanneer de verzameling naar een ander
adres verhuist, is een nieuwe erkenning vereist. In geval van verlies, diefstal of vernietiging
van de erkenning, wordt kosteloos een duplicaat uitgereikt na voorlegging van een attest van aangifte
bij de lokale politie. Bij beëindiging van de activiteit die het onderwerp van de erkenning
is, of bij wijziging van de gegevens vermeld in het getuigschrift van erkenning, geeft de houder daarvan
binnen 8 dagen kennis aan de gouverneur en zendt hij hem het getuigschrift terug (163) Hetzelfde
geldt in geval van wijziging van de gegevens gevoegd bij de erkenningsaanvraag en - wanneer de houder
van de erkenning een rechtspersoon is - in geval de bestuurder, zaakvoerder, commissaris of persoon aangesteld
voor het bestuur of beheer verandert (164). 5.1.12. Administratieve sancties •
De soorten administratieve sancties De gouverneur kan drie soorten maatregelen nemen als administratieve
sanctie bij de vaststelling van onregelmatigheden. Hij kan de erkenning schorsen voor een periode
van één tot zes maanden : dit is een maatregel die aangewezen is wanneer de houder van de erkenning zich
in een voorlopige toestand bevindt en het noodzakelijk is dat zijn activiteiten worden geschorst. De
schorsing is beperkt van één tot zes maanden. Indien de schorsing zich opdringt voor een periode langer
dan zes maanden, is het aanbevolen de erkenning in te trekken. De gouverneur kan de erkenning
ook beperken tot bepaalde verrichtingen of tot bepaalde soorten wapens en munitie of tot een bepaalde
duur. Hij kan ook het thema waarop de verzameling betrekking heeft, beperken. De beslissing
om een erkenning te beperken, wordt op het stuk van de procedure gelijkgesteld met de beslissing om een
gedeelte van de erkenning in te trekken. Tenslotte kan de gouverneur de erkenning intrekken
: deze maatregel brengt vanaf de kennisgeving ervan het verbod mee om de activiteiten waarop de erkenning
betrekking heeft nog verder uit te oefenen. Het is een maatregel die slechts mag worden genomen met inachtneming
van het proportionaliteitsbeginsel. De gouverneur kan een van deze maatregelen nemen, als de
houder : (165) 1. behoort tot de categorieën genoemd in artikel 5, § 4 WW (166); 2.
de bepalingen van de wapenwet en de besluiten tot uitvoering ervan of de opgelegde beperkingen niet in
acht neemt; 3. de erkenning op grond van onjuiste inlichtingen heeft verkregen; 4.
de activiteiten uitoefent die door het feit dat zij worden uitgeoefend samen met de activiteiten waarvoor
de erkenning is verkregen, de openbare orde kunnen verstoren. Als de betrokkene hierom vraagt,
moet hij vooraf schriftelijk of mondeling worden gehoord. Hij moet in staat worden gesteld zich vooraf
te verdedigen tegen de negatieve elementen waarvan hij geen kennis had (hoorrecht). Als de gouverneur
kennis heeft van een misdrijf dat door een erkend persoon wordt gepleegd, dient hij de procureur des
Konings hiervan op de hoogte te brengen (167). Van de beslissing tot schorsing, beperking of
intrekking van de erkenning wordt door de gouverneur kennis gegeven aan de houder bij aangetekend schrijven
met ontvangstbewijs. De beslissing wordt gezonden naar het adres vermeld op het getuigschrift van erkenning
of - indien de houder na de afgifte van de erkenning een nieuw adres heeft meegedeeld - naar het adres
dat de houder heeft meegedeeld (168). • De gevolgen van de administratieve sancties De
houder van de erkenning moet ingevolge de beslissing tot schorsing, beperking of intrekking ervan het
getuigschrift van erkenning terugzenden binnen 8 dagen te rekenen van de beëindiging van de door de gouverneur
in de kennisgeving van de beslissing vermelde termijn. Als de gouverneur van oordeel is dat
de houder van de erkenning misbruik zou kunnen maken van het getuigschrift, kan hij de korpschef van
de lokale politie ermee belasten het getuigschrift bij de houder te gaan terughalen (169). Het betreft
evenwel een eerder uitzonderlijke procedure. De schorsing, beperking of intrekking van de erkenning
heeft tot gevolg dat het voorhanden houden van wapens door de houder van de erkenning onwettig wordt.
De gouverneur geeft in zijn beslissing dan ook aan binnen welke termijn de wapens in bewaring moeten
worden gegeven of aan een erkend persoon of aan een persoon die gemachtigd is de wapens voorhanden te
houden, moeten worden overgedragen (170). Om na te gaan of zulks ook werkelijk is gebeurd, moet
de erkende persoon die de wapens in bewaring heeft genomen of heeft verkregen de gouverneur binnen 8
dagen in kennis stellen van de inbewaringgeving of overdracht door middel van een formulier dat bij de
kennisgeving van de beslissing wordt gevoegd (171). Een afschrift van de beslissing tot schorsing,
intrekking of beperking van de erkenning wordt binnen 8 dagen toegezonden aan : (172) - de bevoegde
lokale politie; - de betrokken procureur des Konings; - de directeur van de Proefbank
voor vuurwapens. De beslissing moet tevens worden opgenomen in het CWR (173). In geval
van intrekking moet de erkende persoon zijn registers binnen de maand volgend op het staken van zijn
activiteiten bij het CWR neerleggen (174). Een ontvangstbewijs wordt hem overhandigd door de verantwoordelijke. 5.1.13.
5-jaarlijkse controle De erkenning afgegeven op basis van de wapenwet is geldig voor onbepaalde
duur, tenzij de aanvraag slechts voor een bepaalde duur was gedaan of de gouverneur of de Minister van
Justitie een beperktere geldigheidsduur oplegt bij gemotiveerde beslissing om redenen van vrijwaring
van de openbare orde (175). Eens om de vijf jaar neemt de gouverneur het initiatief om bij alle
houders van een erkenning als wapenverzamelaar of museum te onderzoeken of zij de wet naleven en zij
nog steeds voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de erkenning (176). Die controle is betalend
(177). Hierbij vraagt de gouverneur het advies van de lokale politie en eventueel van het parket
en de burgemeester en moeten de houders van een erkenning verklaren of kunnen zij doen vaststellen dat
zij nog steeds beantwoorden aan de wettelijke voorwaarden, mede op grond waarvan de erkenning voorheen
werd afgeleverd en dat er geen redenen zijn om te besluiten tot een beperking, schorsing of intrekking
van de erkenning (178). Na afloop van de controle ontvangen ze een bijlage bij hun erkenning,
die de datum en het resultaat van de controle vermeldt. Het systeem van 5-jaarlijkse controles
belet niet dat er vaker controles plaatsvinden door officieren van gerechtelijke politie, al dan niet
op verzoek van de bevoegde gouverneur (179). Deze controles zijn wel gratis. 5.2. Rechten en
plichten 5.2.1. Registers De aanvrager moet na het verkrijgen van de erkenning de wapens
die deel uitmaken van zijn verzameling inschrijven in een register (180). De vergunningen die hij had
tot het voorhanden hebben van de betreffende wapens stuurt hij terug naar de gouverneur. Het
betreft een register gelijk aan dat van de wapenhandelaars, waarin de verkrijging en de overdracht van
elk wapen moet worden ingeschreven. De verzamelaar moet dan ook verschillende soorten registers
bijhouden, te weten : (181) - het register van model A houdende de inschrijving van de vergunningsplichtige
wapens die zij verkrijgen, vervaardigen, in hun bezit houden of overdragen : - het register
van model C houdende de inschrijving van de munitie voor de vergunningsplichtige vuurwapens die zij verkrijgen,
vervaardigen of in hun bezit houden of overdragen; - het register van model D houdende de inschrijving
van : - de aan de wettelijke voorgeschreven proef onderworpen losse onderdelen die zij verkrijgen,
vervaardigen, in hun bezit houden of overdragen; - de hulpstukken die zij verkrijgen, vervaardigen,
in hun bezit houden of overdragen wanneer die stukken, aangebracht op een vuurwapen, tot gevolg hebben
dat het wapen in een andere categorie wordt ondergebracht. De registers moeten voorgedrukt zijn
met genummerde bladzijden (182). De politie moet ze vooraf of bij controle afstempelen of paraferen.
Het is dus niet voldoende dat de wapenverzamelaar een eigen gemaakt register gebruikt. Van elk
wapen moet duidelijk worden vermeld wat de technische gegevens (merk, model, serienummer) ervan zijn,
van wie het werd overgenomen en aan wie het werd overgedragen, en wanneer dit gebeurde. De registers
moeten worden overgelegd wanneer de volgende diensten daarom verzoeken : (183) - de leden van
de federale politie, de lokale politie en de douane; - de directeur van de proefbank voor vuurwapens
en de personen aangewezen door de minister bevoegd voor Economie; - de inspecteurs en controleurs
van springstoffen en de ambtenaren van het bestuur Economische Inspectie De controle van de
registers van de erkende personen gebeurt eenmaal per jaar. Voor 1 februari van elk jaar maken
de verzamelaars aan de gouverneur van de plaats waar zij hun activiteiten uitoefenen, een volledige en
getrouwe kopie over van de inschrijvingen, in de loop van het voorafgaand burgerlijk jaar gedaan, in
de registers die zij houden en op een veilige plaats bewaren (184). De registers worden bewaard
door de verzamelaar. Bij de beëindiging van de activiteit worden zij binnen een maand neergelegd bij
het CWR (die ze ter beschikking houdt van de bovenvermelde diensten, die ze op systematische wijze moeten
onderzoeken) (185). 5.2.2. Overdracht/verkoop van vuurwapens De verzamelaar moet door
middel van een formulier model nr. 11 (bericht van overdracht of verkoop van een vuurwapen door een erkende
wapenverzamelaar) de gouverneur inlichten over elke verkoop of overdracht van een wapen uit zijn verzameling
en éénmaal per jaar over de staat van zijn verzameling (186). Van het formulier model 11 (bericht
van overdracht of verkoop van een vuurwapen door een erkende wapenverzamelaar) is een exemplaar bestemd
voor het CWR, één voor de gouverneur en één voor de verzamelaar zelf. Laatstgenoemde dient het binnen
8 dagen volgend op de overdracht van een vergunningsplichtig vuurwapen te sturen aan het CWR en de gouverneur
van de plaats waar hij zijn activiteiten uitoefent (187). De gouverneur zorgt ervoor dat de korpschef
van de bevoegde politiezone gewaarschuwd wordt. De overdracht aan een sportschutter, jager of
bijzondere wachter vereist evenwel dat een bericht van overdracht (model 9) wordt opgesteld in drie exemplaren
waarvan één wordt overgemaakt aan de gouverneur. De bedoeling is om na te gaan hoeveel wapens
er uit de verzameling verdwijnen binnen welke periode, en of er geen sprake is van verdoken wapenhandel.
Een verzamelaar mag zich van wapens uit zijn collectie ontdoen als dit past binnen het normaal beheer
van een verzameling, maar niet op commerciële basis (dan moet hij immers een erkenning als wapenhandelaar
aanvragen). Zie verder onder punt 9.2.2. voor de verplichtingen inzake overdracht/verkoop van
een vergunningsplichtig vuurwapen en/of munitie ervoor (of een aan de wettelijke proef onderworpen onderdeel)
aan een particulier. 5.2.3. Munitie Munitie voor vuurwapens die deel uitmaken van de
verzameling mag slechts worden verzameld a rato van 10 patronen per type wapen, tenzij de betrokkene
ook is erkend voor het verzamelen van munitie (188). De bedoeling van een verzameling ligt immers
niet in het schieten met de wapens die ervan deel uitmaken, doch wel in het uitbouwen van een coherent
geheel van wapens die vanuit historisch oogpunt de interesse van de verzamelaar prikkelen. Het
is bovendien verboden om met de verzamelde wapens te schieten, behalve voor hun noodzakelijke onderhoud
en testen (189). Wanneer een verzamelaar één van zijn wapens wenst te gebruiken voor het sportschieten
of voor de jacht moet hij beschikken over een vergunning tot het voorhanden hebben ervan en het wapen
uit zijn register schrijven. 6. Bijzondere erkenningen voor niet-commerciële activiteiten 6.1.
Voorbeelden Het betreft bijzondere erkenningen aan personen die beroepsmatige activiteiten van
wetenschappelijke, culturele of niet-commerciële aard met vuurwapens uitoefenen (190). Bv. een
firma die vuurwapens wil aanschaffen met het oog op het uittesten van beveiligingsmateriaal. Bv.
de jaarlijkse Reuzenommegang en de 10-jaarlijkse Ros Beiaard in Dendermonde. B.v. een politieschool
die wapens willen behouden in een didactische verzameling (191). B.v. een re-enactment activiteit
of de opname van een speelfilm waarin vuurwapens worden gebruikt. 6.2. Bijzondere aspecten in
de erkenningsprocedure De erkenningsprocedure is zoals die van wapenhandelaars (192). De
aanvrager van een bijzondere erkenning moet de afstemming van de bijzondere erkenning op de uitgeoefende
activiteit aantonen. Hij moet zijn beroepsbekwaamheid bewijzen op de wijze die door de gouverneur wordt
bepaald en de wettige oorsprong van de voor zijn activiteit aangewende financiële middelen schriftelijk
bewijzen. Dit houdt in dat de aanvrager aan de hand van alle elementen moet bewijzen dat hij
het desbetreffende beroep daadwerkelijk uitoefent. De mogelijkheid om dit bewijs te leveren, kan verschillen
naargelang het geval. Zo kan het bewijs bijvoorbeeld geleverd worden door een persoonlijk onderhoud met
betrokkene, door het aantonen van de reeds opgedane beroepservaring, door het voorleggen van facturen
die aantonen dat men bepaald materieel heeft aangeschaft, edm. De gouverneur kan de erkenning
weigeren wanneer hij oordeelt dat ze een risico voor de openbare orde, veiligheid of rust kan inhouden.
Hij kan ze onderwerpen aan bijzondere voorwaarden of de aanvrager verplichten een andere vorm van erkenning
aan te vragen als hij oordeelt dat deze meer aangewezen is (193). In de praktijk gaat het over
erkenningen op maat die kunnen worden afgegeven volgens een aanpasbare procedure en met een ruime discretionaire
bevoegdheid voor de gouverneur, om de professionele belangen van iemand die met wapens moet omgaan, veilig
te omkaderen. Bij toekenning van de erkenning geeft de gouverneur een getuigschrift van bijzondere
erkenning voor beroepsmatige activiteiten van wetenschappelijke, culturele of niet-commerciële aard met
vuurwapens af (model nr. 7). 7. Erkenning als vervoerder Het vervoeren van vuurwapens
is in principe slechts toegelaten aan : (194) 1° houders van een erkenning als wapenhandelaar,
tussenpersoon, verzamelaar of museum en voor zover de wapens ongeladen zijn. 2° houders van
een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen, een jachtverlof, een sportschutterlicentie,
een buitenlandse Europese vuurwapenpas alsook de bijzondere wachters en de vervoerders van vrij verkrijgbare
vuurwapens. Het vervoer is in dit geval echter beperkt tot het traject tussen de woonplaats en de verblijfplaats,
of tussen de woon- of verblijfplaats en een erkende persoon. Tijdens het vervoer moeten de vuurwapens
ongeladen en verpakt zijn in een afgesloten koffer, of voorzien zijn van een trekkerslot of een equivalente
beveiliging. Voor wat betreft het vervoer naar aanleiding van de vergunde activiteit : zie punt 9.2.6. 3°
houders van een wapendrachtvergunning. 4° personen die uitsluitend met dit doel een erkenning
hebben verkregen. 5° professionele internationale vervoerders, mits de wapens op Belgisch grondgebied
niet worden uitgeladen of overgeladen. Indien de wapens wel worden uitgeladen of overgeladen op Belgisch
grondgebied dient de internationale vervoerder die gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese
Unie niet worden erkend, maar bewijzen dat hij zijn activiteit in de betrokken lidstaat mag uitoefenen. Hieruit
volgt dat de enigen die een aparte erkenning als vervoerder moeten aanvragen, de vervoersbedrijven zijn
die wapens of munitie vervoeren voor derden. Erkende wapenhandelaars die hun eigen vervoer organiseren,
mogen dit doen op basis van hun bestaande erkenning. Buitenlandse vervoersbedrijven moeten geen erkenning
aanvragen als ze bewijzen dat ze in hun land van vestiging (binnen de EU) wapens mogen vervoeren. Ze
zijn eveneens vrijgesteld wanneer ze enkel doorheen ons land rijden zonder dat de wapens hier worden
uit- of overgeladen. Concreet gaat het dus over de hier gevestigde transporteurs die ingehuurd worden
door Belgische of buitenlandse wapenhandelaars en -fabrikanten om wapens te vervoeren in ons land, al
dan niet van of naar het buitenland. 7.1. Bijzondere aspecten in de erkenningsprocedure De
erkenningsprocedure is zoals die van wapenhandelaars (195). De personen die een erkenning wensen uitsluitend
voor het vervoer van vuurwapens moeten zich hiertoe richten tot de bevoegde gouverneur. Zij moeten geen
beroepsbekwaamheid bewijzen maar moeten voldoen aan alle wettelijke voorwaarden om beschouwd te kunnen
worden als professionele vervoerders (196). Ook de bepaling inzake de werknemers is van toepassing. Het
getuigschrift wordt opgesteld volgens het model nr. 7. Het belangrijkste verschil zit in de
veiligheidsmaatregelen. Het KB van 24/4/97 (klasse E in de meeste gevallen) is pas van toepassing wanneer
de vervoerder ook tijdelijk wapens opslaat. Artikel 15 van dit KB is alleen van toepassing op particulieren,
maar men kan er zich wel op inspireren om in het kader van de modaliteiten van de erkenning in het belang
van de openbare orde toch enkele evidente veiligheidsmaatregelen op te leggen voor het vervoer zelf.
Het gaat over punt 1° (wapens ongeladen en magazijnen leeg), het wegnemen en apart vervoeren van een
essentieel onderdeel van de verboden wapens, een deel van punten 3° en 4° (buiten zicht en buiten handbereik,
in een veilige verpakking), een deel van punt 5° (slotvaste bagageruimte) en punt 6° (voertuig steeds
onder toezicht). Hieraan dient te worden toegevoegd dat er geen zichtbare aanwijzingen mogen zijn dat
er wapens worden vervoerd. 8. Schietstanden 8.1. Erkenningsprocedure 8.1.1.
Toepassingsgebied Het KB van 13/7/2000 tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden van schietstanden
regelt de bijzonderheden van de procedure van erkenning van schietstanden. Overigens is deze procedure
gebaseerd op die voor de erkenning van wapenhandelaars (197) die, voor zover in het besluit of hierna
niet anders is omschreven, in principe van toepassing is. De bepalingen inzake veiligheidsmaatregelen
zijn echter niet van toepassing op de schietstanden. Met de term « schietstanden » bedoelt het
besluit alle schietinstallaties voor vuurwapens. Het doet er niet toe of deze zich bevinden in een gebouw
of in de open lucht. Dit wil zeggen dat bijvoorbeeld ook de plaatsen waar het kleischieten wordt beoefend,
als schietstanden worden beschouwd en bijgevolg aan een erkenning zijn onderworpen. Het is evenmin
van belang of de schietinstallatie permanent of slechts occasioneel wordt gebruikt. Het organiseren van
schietactiviteiten is alleen toegelaten in een erkende schietstand. Anderzijds is een aantal
activiteiten niet aan een erkenning onderworpen : • de uitbating van schietinstallaties
waar geen activiteiten met vuurwapens plaatsvinden, dus bijvoorbeeld schietstanden voor wapens op lucht-,
gas- of veerdruk, installaties voor boogschieten, schietkramen op de kermis of paintballinstallaties; •
de organisatie van de bijhorende activiteiten daarin; • het testen van wapens (ook vuurwapens)
in een speciale schietinstallatie die uitsluitend daarvoor wordt bestemd door een erkende wapenhandelaar
of -verzamelaar. Krachtens artikel 20 WW is deze regeling evenmin van toepassing op de schietstanden
die uitsluitend worden gebruikt voor de opleiding en de training van de ambtenaren van de diensten van
het openbaar gezag of van de openbare macht bedoeld in artikel 27, § 1, derde lid WW (dit zijn
vooral de ordediensten). Van zodra er sprake is van gecombineerd gebruik van een schietstand, bijvoorbeeld
wanneer een politieschietstand openstaat voor het publiek of wanneer een private schietstand ook door
de politie wordt gebruikt, is deze aan erkenning onderworpen. 8.1.2. Voorwaarden Bij
de aanvraag om erkenning moet de volgende informatie worden verschaft : • een hoogstens
drie maanden oud uittreksel uit het strafregister op naam van de aanvrager(s), of, als het gaat om een
rechtspersoon, die van elke verantwoordelijke; • de identiteit van de effectieve uitbater
van de schietstand, dit is een natuurlijke persoon die verantwoordelijk zal zijn voor het ter beschikking
stellen van de installaties en die bij controle door de bevoegde diensten alle nodige inlichtingen en
documenten zal geven; zijn identiteit zal ten behoeve van deze diensten worden vermeld op het getuigschrift
van erkenning; • de herkomst van de financiële middelen die reeds werden, of die zullen
worden geïnvesteerd in de schietstand (privékapitaal, lening, winsten van een handelszaak, lidgelden,
subsidies,...) zodat kan worden nagegaan of dit geld niet van twijfelachtige oorsprong is; •
een kopie van het huishoudelijk reglement (zie punt 8.2.1), het adres en een liggingsplan van alle ruimten
die tot de schietstand behoren, ook al bevinden deze zich in de open lucht. 8.1.3. Bevoegdheid De
erkenning wordt afgegeven door de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats van de schietstand. Het
betreft een gebonden bevoegdheid. Alle gouverneurs worden geacht de wet op dezelfde manier, zoals beschreven
in deze omzendbrief, toe te passen. De Veiligheid van de Staat kan dus nooit bevoegd zijn. 8.1.4.
Ontvankelijkheid De aanvraag is niet ontvankelijk als de aanvrager in een van de gevallen bedoeld
in artikel 5, § 4 WW verkeert. Dit zijn de gevallen besproken bij de erkenning van wapenhandelaars
(198). 8.1.5. Onderzoek De erkenning van een schietstand moet duidelijk worden onderscheiden
van die van een wapenhandelaar en die van een wapenverzameling. Een wapenhandelaar die ook een schietstand
wil uitbaten, moet daarvoor een aparte erkenning aanvragen. Hieruit volgt dat de erkenning van een schietstand
geen recht geeft op de verwerving van wapens of munitie. De overdracht daarvan kan uitsluitend voor zover
toegelaten door de verder beschreven rechten van de uitbater. De procedure is de zelfde als
die voor de erkenning van wapenhandelaars en -verzamelaars : de gouverneur vraagt adviezen aan de burgemeester
en de procureur des Konings, eventueel aan de andere diensten bedoeld in punt 4.1.4. Voor meer details
wordt verwezen naar punt 4.1.4. 8.1.6. Termijn Artikel 31 WW stelt dat de gouverneur
uitspraak doet over de aanvraag binnen vier maanden na de ontvangst ervan. Deze termijn kan indien nodig
bij gemotiveerde beslissing (op straffe van nietigheid) voor maximaal zes maanden worden verlengd. Dit
mag alleen te wijten zijn aan omstandigheden buiten de wil van de gouverneur (ontbreken van informatie
van de aanvrager of van een verplicht advies, overmacht). De verlenging kan per aanvraag slechts eenmaal
worden toegestaan. 8.1.7. Beslissing De gouverneur kan de erkenning van de schietstand
aan bepaalde bijkomende voorwaarden koppelen als dat in het belang van de openbare orde noodzakelijk
blijkt. 8.1.8. Motivering De beslissing van de gouverneur moet administratiefrechtelijk
voldoende gemotiveerd zijn. 8.1.9. Model 13 Het getuigschrift van erkenning wordt opgemaakt
in de vorm van het model 13, waarop een nummer wordt aangebracht volgens het zelfde systeem als voor
de modellen 2 en 3, maar beginnend met het getal 13 (199). De erkenning wordt ook ingebracht in het CWR. 8.1.10.
Beroep In geval van weigering van de erkenning staat beroep open bij de minister van Justitie
(200). Zoals alle beroepen moet het gemotiveerd zijn en bij aangetekend schrijven worden gestuurd aan
de Federale Wapendienst, samen met een kopie van de bestreden beslissing. Het moet tevens worden ingediend
binnen 15 dagen na de kennisname van de beslissing van de gouverneur of na de vaststelling dat er geen
beslissing werd genomen binnen de termijn van 4 maanden. De termijn begint te lopen vanaf de dag waarop
het ontvangstbewijs wordt ondertekend. 8.1.11. Wijziging van de erkenning Wanneer het
nodig is bepaalde vermeldingen op het getuigschrift van erkenning te wijzigen, dan moet een onderscheid
gemaakt worden tussen de wijziging van het voorwerp zelf van de erkenning, en de wijziging van details. Een
adreswijziging van de schietstand komt neer op een nieuwe aanvraag, omdat de erkenning van een schietstand
plaatsgebonden is. Het volledige onderzoek zal door de gouverneur moeten worden overgedaan. Daarom is
dit soort wijziging ook betalend (201). Hetzelfde geldt voor een wijziging van de uitbater, omdat de
erkenning tevens persoonsgebonden is en er dus een volledig nieuw onderzoek naar de persoonlijkheid van
de nieuwe uitbater zal moeten plaatsvinden. Bij een rechtspersoon zou de wijziging van de natuurlijke
persoon die deze vertegenwoordigt als een kleine wijziging kunnen worden beschouwd. Het wijzigen
van bepaalde modaliteiten (bijvoorbeeld een aanpassing van bepaalde opgelegde voorwaarden of beperkingen)
is meestal een beperkte operatie die slechts kort onderzocht moet worden. In dat geval gebeurt de wijziging
gratis. 8.1.12. Administratieve sancties Net zoals de andere erkenningen kan de erkenning
van een schietstand worden beperkt, geschorst of ingetrokken. Naast de gewone redenen hiertoe (202),
moet hier als bijzondere reden voor een dergelijke administratieve sanctie de veroordeling voor bepaalde
inbreuken op de bewakings- of de detectivewet worden vermeld. In geval de gouverneur zulke maatregelen
neemt, staat er net zoals bij de andere types van erkenningen een administratief beroep bij de minister
van Justitie open, waarvoor de gewone regels gelden (203). 8.1.13. 5-jaarlijkse controle Zoals
de andere types van erkenningen is die van een schietstand onbeperkt in de tijd. De erkenning is slechts
geldig binnen de perken van de erop vermelde uitbatingsvoorwaarden en voor zover een kopie ervan wordt
bewaard binnen de schietstand. De gouverneur neemt eenmaal per vijf jaar het initiatief tot
een controle van de naleving van de regelgeving door de uitbater en de gebruikers van de schietstand.
Die controle is betalend (204). Er wordt ook nagegaan of de schietstand nog aan alle voorwaarden voldoet
om erkend te worden. Het systeem van 5-jaarlijkse controles belet niet dat er vaker controles
plaatsvinden op initiatief van eender welke bevoegde dienst. Deze controles zijn wel gratis. Na
afloop van de controle ontvangt men een bijlage bij de erkenning, die de datum en het resultaat van de
controle vermeldt. 8.2. Rechten en plichten Aan alle hieronder beschreven plichten
moet worden voldaan gedurende de volledige periode van uitbating van de schietstand. Het niet naleven
ervan kan aanleiding geven tot het schorsen, beperken of intrekken van de erkenning. 8.2.1.
De uitbater • Aanspreekpunt : opdat er bij gebeurlijke controle steeds een verantwoordelijke
ter beschikking zou zijn, moet de uitbater of iemand die hij daartoe aanstelt, aanwezig zijn telkens
er schietactiviteiten plaatsvinden. • Verkoop van munitie : de verkoop of het anderszins
ter beschikking stellen van munitie is alleen toegelaten aan de uitbater van de schietstand. De afnemers
mogen alleen personen zijn die gerechtigd zijn gebruik te maken van de schietstand (205). Zij mogen de
munitie alleen verwerven voor onmiddellijk gebruik, dit wil zeggen voor activiteiten die plaatsvinden
binnen de schietstand op de dag zelf van de verwerving. De toegelaten hoeveelheid is beperkt tot de noodwendigheden
van de voornoemde activiteiten. Het is bijgevolg verboden dat derden naar de schietstand komen om er
munitie te kopen of te verkopen, en dat men er een voorraad munitie aankoopt om die geheel of gedeeltelijk
naar huis mee te nemen. Men moet er wel rekening mee houden dat munitie meestal in standaardverpakkingen
wordt verkocht, zodat het in die gevallen wel onvermijdelijk en gewettigd kan zijn een iets grotere hoeveelheid
dan strikt noodzakelijk te verwerven en het restant daarvan naar huis mee te nemen (uiteraard op voorwaarde
dat de schutter de munitie wettig voorhanden mag hebben buiten de schietstand). • Overdracht
en bewaring van vuurwapens : de verkoop of andere vormen van definitieve overdracht van vuurwapens zijn
verboden in een schietstand. Het tijdelijk ter beschikking stellen van vuurwapens, zoals het verhuren,
het uitlenen of het onderling uitwisselen ervan, is alleen toegelaten aan de personen die gerechtigd
zijn gebruik te maken van de schietstand (206). Indien de uitbater ervoor opteert vuurwapens te bewaren
binnen de schietstand, bijvoorbeeld wapens toebehorende aan de leden van een schietclub, dan moet hij
daarvoor een apart beveiligd lokaal inrichten. Het volstaat dat vuurwapens in de schietstand blijven
op momenten dat er geen personen aanwezig zijn in de lokalen opdat deze veiligheidsmaatregelen verplicht
worden. De normen waaraan deze « wapenkamer » moet voldoen zijn de zelfde die gelden voor de opslag van
vuurwapens door bewakingsondernemingen en interne bewakingsdiensten en die beschreven staan in het KB
van 17/11/06 betreffende de wapens die gebruikt worden door de ondernemingen, diensten, instellingen
en personen bedoeld in de wet van 10/4/90 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. •
Huishoudelijk reglement : de uitbater van de schietstand moet voorafgaand aan de indiening van zijn aanvraag
om erkenning een huishoudelijk reglement opstellen dat van toepassing zal zijn op alle gebruikers en
bezoekers van de schietstand. Hij moet eveneens toezicht houden op de naleving van dit reglement. Het
doel ervan is waarborgen te bieden voor de veiligheid van de gebruikers en bezoekers en daarom moeten
minstens de volgende punten erin worden geregeld : - alles wat behoort tot het preventief onderhoud
van de verschillende lokalen en tot het onderhoud na elk gebruik ervan, zoals de verwijdering van gevaarlijke
stoffen en afval, dit uiteraard in overeenstemming met de geldende plaatselijke regelgeving inzake milieu,
brandveiligheid, enz....; - de manier waarop vuurwapens in de schietstand mogen worden gebruikt
(dragen, laden, wapenen, drills van de schutters); - wie zich in de schietstand mag bevinden
(maximaal aantal personen en hun hoedanigheid, dit voor elke ruimte apart); - instructies over
maatregelen bij noodgevallen (brand, schietincidenten,...); - de in de schietstand geldende
beperkingen op het vlak van schiettechnieken, wapengebruik, munitie en eventueel de aanmaak daarvan,
doelwitten en schietschermen. 8.2.2. De schutters • Categorieën van gebruikers
van een schietstand : de personen die gebruik maken van de schietstand moeten behoren tot de volgende
drie categorieën : leden van ordediensten of bewakingsagenten die een opleiding volgen of oefenen met
hun dienstwapens, of particuliere schutters (jagers, sportschutters en wapenbezitters die aan recreatief
schieten doen). Het is niet toegelaten dat de schietstand tegelijkertijd door personen van
verschillende categorieën wordt gebruikt. Dit betekent uiteraard niet dat leden van ordediensten of bewakingsagenten
in hun vrije tijd als privépersoon samen met andere particulieren geen (recreatief) gebruik zouden mogen
maken van een schietstand. In elk geval moeten de particulieren en de bewakingsagenten steeds
in het bezit zijn van de nodige documenten. Indien ze schieten met een vergunningsplichtig wapen, moeten
ze de vergunning tot het voorhanden hebben van dat wapen of hun jachtverlof/sportschutterslicentie en
het inschrijvingsbewijs (model 9) van dat wapen bij zich hebben. Aangezien bewakingsagenten
geen persoonlijke vergunning tot het voorhanden hebben van hun wapen bezitten, moeten zij hun legitimatiekaart
kunnen voorleggen. Een schietstand mag ook worden bezocht door buitenlandse gasten die in een
lidstaat van de EU gerechtigd zijn (bijvoorbeeld door een vergunning of een ander document, of krachtens
de wet zelf) deel te nemen aan de activiteiten waaraan ze hier wensen deel te nemen. Ook zij moeten de
nodige documenten bij zich hebben, die het voorhanden hebben van hun vuurwapen in ons land vergunnen
(bijvoorbeeld een Europese vuurwapenpas). • De bewakingsagenten en de particuliere schutters
die geen sportschutterslicentie of jachtverlof hebben, die gebruik maken van de schietstand moeten aan
de uitbater jaarlijks een uittreksel uit het strafregister overhandigen. Deze laatste bewaart telkens
het recentste exemplaar daarvan en zorgt ervoor dat de inhoud ervan vertrouwelijk blijft. Hij moet het
bij gebeurlijke controle ter beschikking houden van de bevoegde ambtenaren (alle ambtenaren die toezicht
houden op de naleving van de wapenwet of van de bewakingswet). De toegang tot de schietstand moet worden
ontzegd aan personen van wie het getuigschrift veroordelingen vermeldt, die worden bedoeld in artikel
5, § 4 WW. • Aan de toegang tot de schietruimten moet een vastbladig register
worden neergelegd. Het betreft geen register zoals de wapenhandelaars en -verzamelaars moeten bijhouden,
maar wel een gewoon register (dit kan een schrift zijn) waarin telkens een kolom is voorzien voor de
volgende gegevens, dat moet worden ingevuld telkens een particuliere schutter of schietmonitor de schietruimte
betreedt : - naam; - type en kaliber van het vuurwapen waarmee zal worden geschoten;
- datum en juiste uur waarop de schietruimte wordt betreden en verlaten. Om fraude te voorkomen
moeten de bladzijden van deze registers vooraf door de lokale politie worden geviseerd en genummerd.
Ze moeten door de uitbater gedurende tien jaar worden bewaard en ter beschikking worden gehouden van
de ambtenaren die toezicht houden op de naleving van de wapenwet. • Formaliteiten voor
bewakingsagenten : het register waarvan hoger sprake, moet in dit geval worden aangevuld met enkele bijzondere
gegevens. Voor het overige kan worden verwezen naar de tekst van artikel 3, 5° van het KB van 13/7/00. •
Alcohol- en rookverbod : er geldt een principieel alcohol- en rookverbod binnen de schietstand. Hiervan
kan alleen worden afgeweken mits naleving van de volgende voorwaarden : - het nuttigen van alcoholische
dranken, ongeacht hun sterkte, mag uitsluitend door particuliere schutters, dus nooit door politieambtenaren
of bewakingsagenten die zich beroepshalve in de schietstand bevinden; - dit mag bovendien slechts
gebeuren nadat de betrokkenen hun schietactiviteiten volledig hebben beëindigd, dus niet vooraf of tijdens
een pauze; - daarenboven is dit te allen tijde verboden binnen de schietruimten en de voornoemde
wapenkamer, zijnde op de plaatsen waar zich wapens bevinden, om het risico te beperken; - om
de zelfde reden is roken alleen toegelaten buiten de schietruimten en de wapenkamer. Verder
is de toegang tot de gehele schietstand uiteraard totaal ontzegd aan personen die kennelijk in staat
van dronkenschap verkeren, of in een vergelijkbare toestand door het gebruik van drugs of geneesmiddelen.
Met « kennelijk » wordt bedoeld in een toestand die eenvoudig kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld door
het gedrag van de betrokkene gade te slaan. De verantwoordelijkheid van de uitbater komt ernstig in het
gedrang wanneer een schutter, zelfs binnen de hiervoor beschreven voorwaarden, teveel alcohol consumeert
en daardoor dronken wordt in de schietstand. • Verboden schiettechnieken : particuliere
schutters en bewakingsagenten mogen in geen geval schiettechnieken beoefenen waarbij gebruik wordt gemaakt
van de volgende elementen, die voorbehouden zijn aan politieambtenaren : - realistische situaties; -
menselijke silhouetten als doel (wel is een doel met enkel de omtrekken van een hoofd en schouders zonder
verdere details aanvaardbaar); - gewelddadige scenario's (zoals het uitschakelen van denkbeeldige
vijanden); - laserrichtapparatuur (hierbij wordt een straal geprojecteerd op het doel, in tegenstelling
tot wat gebeurt bij de toegelaten elektronische richthulpmiddelen die enkel binnenin het vizier een rood
punt of kruis tonen en waarmee in het donker niets kan worden gezien); - schieten vanuit dekking
(achter obstakels die beschermen tegen denkbeeldige tegenaanvallen); - het wapen verborgen houden
(bij het schieten zelf of bij de verplaatsing ermee). Hiermee wordt het parcoursschieten op
zich niet verboden, maar wel bepaalde varianten ervan. Het zogeheten dynamisch parcoursschieten (IPSC)
blijft toegelaten mits het voldoet aan de voornoemde voorwaarden. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor het
silhouetschieten waar men schiet op dierensilhouetten, en voor het Europees politieparcours (EPP). Het
gebruik van decors of aankleding is toegelaten voor zover ze het af te leggen parcours aanduiden en alleen
bestaan uit panelen met eventueel een louter decoratief en niet-gewelddadig motief. 8.2.3. Uitzonderingen De
hierboven beschreven procedure is niet integraal van toepassing op schietactiviteiten die hoogstens éénmaal
per kalenderjaar worden georganiseerd (« occasionele schietstanden »). Dit is bijvoorbeeld het geval
voor een jaarlijkse schuttersbijeenkomst in een folkloristisch kader of ten voordele van een goed doel,
en ook voor de zogenaamde « weideschietingen ». De locatie doet niets ter zake, het is de organisator
die zich moet beperken tot één keer per jaar, en dit geldt voor de vereniging als geheel, dus is het
evenmin toegelaten dat eenzelfde vzw meerdere aanvragen per jaar doet op naam van telkens een andere
verantwoordelijke. De volgende, hiervoor beschreven punten van de erkenningsprocedure en van
de erkenningsvoorwaarden zijn niet van toepassing : het moeten aantonen van de aangewende financiële
middelen (207), het moeten opstellen en indienen van een huishoudelijk reglement (208) en het moeten
bijhouden van registers (209). Gelet op de tijdelijke en kleinschalige aard van deze activiteiten
genieten ze bovendien het voordeel dat de gouverneur binnen de twee maanden (in plaats van vier) uitspraak
moet doen over de aanvraag tot erkenning ervan en dat ze vrijgesteld zijn van de betaling van retributies. 9.
Wapenbezit door particulieren : algemene regels 9.1. Vergunningsprocedure Artikel 11
van de wapenwet stelt dat het particulieren verboden is om een vergunningsplichtig vuurwapen of de daarbij
horende munitie voorhanden te hebben zonder over een voorafgaande vergunning van de gouverneur van de
verblijfplaats te beschikken. De vergunning dient dus het wapenbezit vooraf te gaan. 9.1.1.
Bevoegdheid De vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen of
de daarbij horende munitie wordt afgegeven door de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats (210) van
de verzoeker (211). Het betreft een gebonden bevoegdheid. Alle gouverneurs worden geacht de wet op dezelfde
manier, zoals beschreven in deze omzendbrief, toe te passen. Als de verzoeker in België geen
verblijfplaats heeft, wordt de vergunning verleend door de Staatsveiligheid (212). In voorkomend geval
bezorgt de Staatsveiligheid een kopie van de afgeleverde vergunningen aan de gouverneur van de vroegere
verblijfplaats van de betrokkene. Als de verzoeker verblijft in een andere lidstaat van de Europese
Unie mag de vergunning niet worden verleend zonder voorafgaand akkoord van die lidstaat. Als de vergunning
wordt verleend, wordt die staat daarvan op de hoogte gebracht (213). 9.1.2. Ontvankelijkheid Volgende
aanvragen zijn onontvankelijk : - de aanvrager is minderjarig; - de aanvrager is veroordeeld
als dader of medeplichtige wegens één van de misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, 1° tot 4° WW
(214); - de aanvrager is het voorwerp geweest van een beslissing die een behandeling in een
ziekenhuis beveelt, zoals bedoeld in de wet van 26 juni 1990 betreffende de persoon van de geesteszieke; -
de aanvrager is geïnterneerd geweest met toepassing van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de
maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten; -
de aanvrager legt geen medisch attest voor dat bevestigt dat hij in staat is een wapen te manipuleren
zonder gevaar voor zichzelf of voor anderen; - de aanvrager woont samen met een meerderjarig
persoon die zich verzet tegen de aanvraag; - de aanvrager geeft geen wettige reden op zoals
voorzien in artikel 11, § 3, 9° WW (als wel een reden wordt opgegeven, maar de reden kan niet
gestaafd worden (bv. wettige verdediging zonder dat aan de voorwaarden is voldaan), is de aanvraag ongegrond). De
niet-betaling van de verschuldigde retributie leidt niet tot de onontvankelijkheid; ze belet wel dat
er een aanvang wordt gemaakt met de behandeling van de aanvraag. 9.1.3. Onderzoek De
aanvraag van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen moet de volgende
vermeldingen bevatten : (215) 1° de identificatie van de aanvrager : naam, voornamen, nationaliteit,
adres, plaats en datum van geboorte. Indien het een rechtspersoon betreft, de firma of de naam van de
vennootschap, de zetel van de vennootschap, de identiteit van de zaakvoerder, van de voorzitter of van
de gedelegeerd bestuurder; 2° de beschrijving van het wapen waarop de aanvraag betrekking heeft
: aard, kaliber, model en type; 3° de vermelding dat het wapen in België zal worden aangekocht
of zal worden ingevoerd; 4° het adres waar het wapen over het algemeen voorhanden zal worden
gehouden; 5° de redenen van de aanvraag; 6° het medisch attest. Als een vergunning
tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig wapen wordt aangevraagd door een rechtspersoon
(b.v. een schietclub die wapens ter beschikking stelt van zijn leden), is het belangrijk dat een natuurlijk
persoon wordt aangeduid, die verantwoordelijk zal zijn voor de bewaring en de terbeschikkingstelling
van het wapen. Die verantwoordelijke moet dan het wettelijk bepaald moraliteitsonderzoek ondergaan en
slagen voor de theoretische proef. Een medisch attest en een praktische proef zijn van toepassing op
de aangeduide verantwoordelijke. Bijlage 4 bevat een voorbeeld van aanvraagformulier van een
vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen. Enkel als de aanvraag
volledig en ontvankelijk is, wordt door de gouverneur verder onderzocht of men voldoet aan alle wettelijke
vereisten. Indien nodig worden bijkomende stukken bij de aanvrager opgevraagd. 9.1.4. Termijn De
gouverneur doet uitspraak over de aanvraag om een vergunning binnen vier maanden na de ontvangst ervan
(216). De termijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat het dossier van de aanvrager volledig is. Het
dossier is volledig als alle onder punt 9.1.3. opgesomde stukken worden voorgelegd. De termijn
kan, op straffe van nietigheid, alleen worden verlengd bij gemotiveerde beslissing (217). De beslissing
dient op te geven om welke redenen de beslissing niet binnen de wettelijke termijn kan worden genomen.
De aangehaalde omstandigheden kunnen betrekking hebben op het niet kunnen voldoen aan alle wettelijke
vereisten binnen de wettelijke termijn. Beslissingen die laattijdig worden genomen, zijn dus nietig.
Het proactief verlengen van de termijn is niet aanvaardbaar. B.v. het uitblijven van een advies
van de lokale politie is een geldige reden om de termijn te verlengen, net als de ontoereikende personeelsbezetting
van de betrokken dienst. B.v. het verlengen van de termijn twee maanden voor ze verstrijkt omdat
nog een eenvoudige inlichting moet worden aangeleverd door de belanghebbende is niet behoorlijk gemotiveerd
indien redelijkerwijze verwacht kan worden dat de belanghebbende snel de inlichting kan geven. De
verlenging kan per aanvraag slechts eenmaal worden toegestaan en de duur ervan mag uiterlijk zes maanden
bedragen (218). 9.1.5. Advies van de lokale politie De korpschef van de lokale politie
van de verblijfplaats van de aanvrager moet een met redenen omkleed advies verstrekken waarvoor hij over
een termijn van drie maanden na de aanvraag beschikt (219). Dit advies heeft betrekking op de algemene
moraliteit van de aanvrager, alsook op de volgende punten : • het meerderjarig zijn (minstens
18 jaar oud); • het niet veroordeeld zijn als dader of medeplichtige wegens een van de
misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, 1° tot 4° van de wapenwet (220); • geen
geesteszieke zijn als bedoeld in artikel 11, § 3, 3° en 4° WW; • niet het voorwerp
zijn van een lopende schorsing en niet het voorwerp geweest zijn van een intrekking van de vergunning
met nog actuele redenen. Dit houdt onder andere in dat de persoon wiens vergunning is ingetrokken, deze
niet opnieuw kan aanvragen alvorens de redenen die tot deze intrekking hebben geleid, zijn verdwenen; •
een medisch attest voorleggen (221); • het slagen voor de theoretische en praktische
proef (222); • de afwezigheid van enig verzet tegen de aanvraag vanwege meerderjarige
personen die samenwonen met de aanvrager (223); • een wettige reden opgeven voor de verwerving
en het voorhanden hebben van het betrokken wapen en munitie (224). Het onderzoek door de lokale
politie houdt op objectieve wijze rekening met de karakteristieken van de persoonlijkheid van de aanvrager,
inzonderheid met eventuele gerechtelijke antecedenten of met geweldplegingen in het gezin of elders,
met zijn geestesgesteldheid en zijn zedelijkheid, alsook met een eventuele gewelddadige politieke activiteit.
Het is bijvoorbeeld moeilijk denkbaar dat een vergunning wordt uitgereikt aan een persoon die psychisch
onevenwichtig is of die geconfronteerd is met sterke echtelijke conflicten, of die zich regelmatig in
dronken toestand bevindt. In dit verband kan ook verwezen worden naar artikel 5 van Richtlijn
91/477/EEG dat stelt dat de aankoop en het voorhanden hebben van vuurwapens voorbehouden moet zijn aan
personen die geen gevaar doen ontstaan, noch voor zichzelf, noch voor de openbare orde of veiligheid. Er
dient ook rekening te worden gehouden met eventuele andere vuurwapens die door de aanvrager of zijn samenwonenden
voorhanden worden gehouden. Meer bepaald dient te worden nagegaan of de veiligheidsvoorwaarden bij het
voorhanden hebben en tentoonstellen op de verblijfplaats, en het vervoeren van vergunningsplichtige wapens
of munitie ervoor door particulieren (225) worden nageleefd. De gouverneur kan niet beslissen
over de aanvraag zonder het advies van de korpschef van de lokale politie (226). Opdat de gouverneur
met kennis van zaken een beslissing zou kunnen nemen en deze adequaat kan motiveren, is het noodzakelijk
dat de korpschef zijn advies met aandacht en precisie voldoende onderbouwt. Het advies is evenwel niet
bindend en de gouverneur mag ervan afwijken bij gemotiveerde beslissing. 9.1.6. Het medisch
attest Het medisch attest moet bevestigen dat de aanvrager in staat is om een wapen te manipuleren
zonder gevaar voor zichzelf of voor anderen. Het betreft een attest van lichamelijke en geestelijke geschiktheid
dat vast en zeker niet mag worden afgegeven aan een persoon wiens alcoholisme, depressie of agressiviteit
bij de arts bekend zijn. Dit attest kan worden afgegeven door de behandelende arts (bv. de huisarts)
en is analoog aan hetgeen vaak vereist is om te kunnen worden verzekerd bij de uitoefening van een sport. Het
attest moet dateren van maximaal 3 maanden voor de indiening van de aanvraag. Enkel een recent medisch
attest kan immers toelaten te oordelen over de actuele gezondheidstoestand van de aanvrager. Vrijstellingen
: • Houders van een sportschutterslicentie zijn vrijgesteld van de verplichting tot het
voorleggen van een medisch attest (227). • De aanvrager die een vergunning tot het voorhanden
hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen aanvraagt met als wettige reden « de intentie een verzameling
historische wapens op te bouwen » of « de deelname aan historische, folkloristische, culturele of wetenschappelijke
activiteiten » wordt eveneens vrijgesteld van dit medisch attest (228). • Hetzelfde geldt
voor de zogenaamd passief wapenbezitter (229). 9.1.7. De theoretische en de praktische proef De
theoretische proef De theoretische proef wordt steeds door de lokale politie georganiseerd op
verzoek van de gouverneur of van de betrokkene zelf. Er bestaat geen vrije keuze welke politiedienst
deze proef afneemt. De gouverneur verzoekt de korpschef van de lokale politie bevoegd voor de
verblijfplaats van de aanvrager eerst om na te gaan of de aanvrager al dan niet is vrijgesteld van de
proef betreffende de kennis van de toepasselijke regelgeving en het hanteren van een vuurwapen. De
theoretische proef kan meerdere keren worden afgelegd. Als de kandidaat niet slaagt, mag hij echter pas
opnieuw deelnemen nadat een termijn van een maand is verstreken. De theoretische proef gaat
na of de aanvrager de regeling inzake het voorhanden hebben, het dragen, het vervoeren en het gebruik
van het wapen waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, alsook inzake de aankoop van munitie voor dat
wapen kent (230). De controle beperkt zich tot het stellen van gerichte mondelinge of schriftelijke
vragen waarvan de moeilijkheidsgraad niet te groot mag zijn en voor iedere aanvrager van hetzelfde niveau. Bijlage
3 bevat een overzicht van mogelijke vragen voor de theoretische proef en hun antwoorden. De
politiediensten mogen deze lijst gebruiken voor de afname van de theoretische proef. De lijst mag vooraf
aan de kandidaat worden bezorgd. Aan elke kandidaat moeten 10 vragen gesteld worden. Bij de selectie
van de vragen wordt rekening gehouden met de ingeroepen wettige reden. De laatste vraag met betrekking
tot de wettige verdediging moet altijd worden gesteld en correct worden beantwoord. De theoretische
proef mag mondeling of schriftelijk worden afgenomen. De antwoorden moeten alle sleutelelementen bevatten
die zijn opgenomen in de type-antwoorden (andere formulering of ruimere antwoorden worden geaccepteerd).
Men is geslaagd bij 7 juiste antwoorden. Van de vragen en antwoorden wordt een schriftelijk
verslag opgesteld. Als de gouverneur vaststelt dat de kandidaat geslaagd is, maar zich niet
in staat acht onmiddellijk deel te nemen aan de praktische proef, zal hij hem een attest van slagen afgeven
(dat in de plaats komt van de afgeschafte voorlopige vergunning). De gouverneur gaat vervolgens na of
hij de praktische proef moet ondergaan of hiervan is vrijgesteld. In het eerste geval verwijst de gouverneur
hem door naar een organisator van de praktische proef (231). Wie geslaagd is voor de theoretische proef
en onmiddellijk wil deelnemen aan de praktische proef, wordt direct doorverwezen door de politie. Vrijstellingen
: • De houders van een jachtverlof of een sportschutterslicentie zijn vrijgesteld van
de theoretische proef (232). • Dit geldt tevens voor zij die een wapenvergunning aanvragen
onder de regeling van het passief wapenbezit (233). • De aanvrager die reeds eerder het
theoretisch gedeelte van deze proef met succes heeft afgelegd, is hiervan vrijgesteld. Hij dient de proef
evenwel alsnog af te leggen indien er na het afleggen van de vorige proef een tijdspanne van twee jaar
verstreken is (234). De praktische proef De aanvrager legt de praktische proef af bij
: - hetzij een politiedienst of een erkende politieschool, waarbij er vrije keuze bestaat voor
de aanvrager, - hetzij bij de verantwoordelijken die worden aangewezen door de schuttersfederaties
die zijn erkend door de gemeenschapsoverheden bevoegd voor sport (235). Het betreft meer bepaald de in
punt 12.1 genoemde federaties. Bij twijfel kan de lijst van erkende examinatoren bij de federaties worden
opgevraagd (236). Schietmonitoren aangeduid door individuele schietclubs komen hiervoor niet
in aanmerking. De aanvrager die een praktische proef moet afleggen, doet dit met een vuurwapen
van het type waarvoor hij de vergunning aanvraagt. Het betreft meer bepaald de volgende types : (237) -
de revolvers, - de pistolen, - de schoudervuurwapens, - de vuurwapens op buskruit
(« zwart kruit »). De praktische proef heeft betrekking op het veilig uitvoeren van de volgende
handelingen : • laden, ontladen, wapenen, ontwapenen, schieten en beperkt demonteren
van het wapen, gewoonlijk « velduiteenname » genoemd, • dragen, hanteren en gebruiken
van het wapen in een schietstand, • de richtapparatuur gebruiken, de terugslag en de
schietrichting beheersen. Voor het afleggen van deze proef mag de aanvrager zonder vergunning
een wapen hanteren en afvuren (238). Een attest met het resultaat van de proef wordt meegedeeld
aan de aanvrager en aan de gouverneur bevoegd voor zijn verblijfplaats (239). Als de aanvrager
meent dat hij nog niet over voldoende ervaring beschikt om te slagen voor de praktische proef of als
hij er niet voor is geslaagd, wordt de procedure opgeschort voor een periode van een jaar, tenzij de
aanvrager binnen die termijn slaagt voor de praktische proef. Als hij van de gouverneur een attest ontvangt
dat hij voldoet aan alle andere wettelijke voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning, dan mag
hij zich gedurende deze periode voorbereiden op de praktische proef in een erkende schietstand. Dit moet
gebeuren met een wapen en munitie die hem uitsluitend met dit doel ter plaatse ter beschikking worden
gesteld door de uitbater, de houder van de vergunning tot het voorhanden hebben ervan, of de houder van
een sportschutterslicentie. Op het einde van deze periode moet de aanvrager slagen voor de praktische
proef, zoniet wordt de vergunning geweigerd (240). Vrijstellingen : • De aanvrager
is vrijgesteld van het praktische gedeelte van de proef als : 1° hij bewijst dat hij in de
loop van de laatste vijf jaar gedurende minstens zes maanden een geregelde professionele of sportieve
activiteit uitoefent of heeft uitgeoefend, waarvoor hij een vuurwapen van het type vergelijkbaar met
dat waarvoor hij de vergunning aanvraagt, voorhanden had of droeg; (241) 2° hij een vergunning
tot het voorhanden hebben van een niet-vuurwapen vraagt dat krachtens de wapenwet vergunningsplichtig
is; (242) 3° hij zijn verblijfplaats in het buitenland heeft (243). • Hij die
reeds houder is van een attest volgens hetwelk hij is geslaagd voor een praktische proef met een vuurwapen
van hetzelfde type als dat waarvoor hij een aanvraag heeft gedaan, is eveneens vrijgesteld van de praktische
proef (244). • Verder zijn ook vrijgesteld van de praktische proef : - houders
van een geldig jachtverlof voor zover hun aanvraag betrekking heeft op een lang vuurwapen daar toegelaten
waar het jachtverlof geldig is (245); - houders van een geldige sportschutterslicentie voor
zover hun aanvraag betrekking heeft op een wapen van hetzelfde type als een wapen waarvoor ze reeds een
praktische proef hebben afgelegd in het raam van de verkrijging van hun licentie (246); •
Ook de aanvrager van een vergunning met als motief « intentie een verzameling op te starten » is vrijgesteld; •
Tenslotte is ook de aanvrager van een wapenvergunning als passief wapenbezitter vrijgesteld van de praktische
proef (247). De vrijstelling voor de praktische proef kan enkel vastgesteld worden door de gouverneur.
De aanvrager die zich op een vrijstelling beroept, moet daarvan zelf het bewijs leveren. 9.1.8.
De instemming van de gezinsleden Ofwel moeten alle meerderjarige personen die samenwonen met
de aanvrager hun schriftelijke toestemming geven bij de indiening van de aanvraag en gaat de lokale politie
na of alle bedoelde personen daadwerkelijk hun toestemming hebben gegeven, ofwel zal de lokale politie
hen ondervragen. 9.1.9. De wettige reden De aanvrager moet op straffe van onontvankelijkheid
van de aanvraag een wettige reden opgeven voor het verwerven en het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig
vuurwapen (248). Indien een wettige reden wordt opgegeven, is de aanvraag ontvankelijk. Als
echter het type wapen niet overeenstemt met de reden waarvoor het gevraagd wordt (het moet m.a.w. nuttig
zijn in dit kader), is de aanvraag ongegrond (249). Als een aanvraag wordt ingediend met meerdere
redenen, kunnen deze - indien aanvaard - allen worden vermeld op de vergunning. Vrijstellingen
: Enkel de aanvrager van een wapenvergunning als passief wapenbezitter is vrijgesteld van de
verplichting om een wettige reden op te geven (250). De wet (251) somt op exhaustieve wijze
de volgende mogelijke redenen op : 1. De jacht en faunabeheersactiviteiten Hiervoor
moet een geldig jachtverlof of een officiële aanstelling als bijzonder wachter worden voorgelegd en mag
het wapen uitsluitend voor deze reden of voor het kleischieten worden gebruikt (252). 2. Het
sportief en recreatief schieten Hiervoor moet een geldige sportschutterslicentie of schriftelijke
bewijzen van vroegere deelname aan dergelijke activiteiten worden voorgelegd en moet het wapen uitsluitend
voor dit doel worden gebruikt (253). Het recreatief schieten moet van het sportief schieten
onderscheiden worden. . Sportschieten Er moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden
tussen artikel 11 en 12, 2° van de wapenwet (254). Een sportschutter die in het bezit is van een sportschutterslicentie
en die de schietsport wenst te beoefenen met een vuurwapen dat niet voorkomt op de lijst van het MB van
15/03/07 (255), kan het sportschieten als wettige reden opgeven bij de aanvraag van een vergunning tot
het voorhanden hebben van dat wapen. De definitie van het begrip "sportschieten" alsook de rechten
en plichten van de sportschutters zijn verschillend in de drie gemeenschappen. Er dient dus rekening
te worden gehouden met de regels van toepassing in elk van de Gemeenschappen (256). Steeds is een sportschutterslicentie
vereist voor het beoefenen van de schietsportdisciplines binnen het kader van de federaties. De invulling
van het begrip "sportschieten" verschilt per gemeenschap. De Franse Gemeenschap stelde een lijst op met
alle disciplines die niet mogen worden beoefend zonder sportschutterslicentie. In de Vlaamse gemeenschap
geldt dat sportschieten alle sportdisciplines omvat die worden aangeboden door de gemachtigde schietsportfederaties
en/of door de internationale schietsportfederaties (257). Ook voorbereiding en trainingen op deze activiteiten
wordt als sportschieten beschouwd. Het is dus niet steeds vereist dat het schieten in competitieverband
gebeurt. De gemeenschapsdecreten laten toe om op een recreatieve manier aan sportschieten te doen, buiten
het kader van de geregelde competitiesport. De wettige reden "sportschieten" moet dus worden
aangetoond met een geldige sportschutterslicentie die geldig is voor een wapencategorie die overeenstemt
met het type wapen waarvoor de vergunning werd aangevraagd. Het volstaat dat de aanvrager aantoont dat
hij met het betrokken wapen mag deelnemen aan schietsportactiviteiten. Het zijn de schuttersfederaties
en uiteindelijk de gemeenschapsoverheden die bepalen welke wapens dit zijn. . Recreatief schieten Recreatief
schieten is het schieten buiten het door de gemeenschappen georganiseerde kader van het sportschieten.
Deze wettige reden kan dus niet worden aangetoond aan de hand van een sportschutterslicentie. Recreatief
schutters wensen zich niet te onderwerpen aan de regels die voor sportschutters van toepassing zijn.
Zij vallen ook niet onder de controle van de gemachtigde schietsportfederaties zoals georganiseerd door
de gemeenschappen. De reden hiervoor kan zijn dat deze recreatieschutters niet aan alle voorwaarden van
actief lidmaatschap wensen te voldoen. Een aanvraag van een recreatieschutter dient dan ook mee vanuit
deze achtergrond te worden bekeken. De aanvrager die als wettige reden het "recreatief schieten"
inroept, moet bewijzen dat hij vroeger heeft deelgenomen aan dergelijke activiteiten (bv. aan de hand
van de registers die worden bijgehouden in de schietclub, of een boekje waarin de schietbeurten worden
genoteerd, een bewijs van lidmaatschap van de schietstand samen met een bewijs van regelmaat van de schietstand
met vermelding van de soorten wapens waarmee daar kan worden geschoten ... ). Ook hier moet het bewijs
in overeenstemming zijn met de categorie van wapens waarvoor de vergunning werd aangevraagd. In
elk geval moet ook steeds worden nagegaan of het type wapen overeenstemt met de reden waarvoor het gevraagd
wordt. Uit de voorgelegde schriftelijke bewijzen dient te blijken dat het wapen van het aangevraagde
type daadwerkelijk werd gebruikt voor het recreatief schieten. Indien twijfel bestaat over de echtheid
van de intentie om aan recreatief schieten te doen of over de overeenstemming van het type wapen, kan
een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen worden toegekend onder een ontbindende voorwaarde.
Controle van de wettige reden (en van het werkelijke gebruik van het type wapen voor de ingeroepen wettige
reden) is enkel a posteriori mogelijk. De voorwaarde legt aan de betrokkene op dat hij binnen het jaar
na de afgifte van de vergunning het bewijs moet leveren dat hij effectief regelmatig aan recreatief schieten
gedaan heeft met het wapen waarvoor de vergunning werd afgegeven. Het volgende kan als voorbeeld dienen
voor de formulering van de ontbindende voorwaarde : « Deze vergunning is slechts geldig op voorwaarde
dat u voor (datum van verzending van de vergunning + 1 jaar) het bewijs heeft geleverd dat u het wapen
in kwestie effectief heeft gebruikt voor het recreatief schieten. Dit bewijs wordt geleverd door een
attest van de uitbater van een erkende schietstand waaruit blijkt dat u met het wapen in kwestie minstens
10 keer per kalenderjaar bent gaan schieten ». Dergelijke voorwaardelijke vergunning kan ook de beste
oplossing zijn voor een beginnend recreatief schutter die nog geen ervaring heeft. 3. De uitoefening
van een activiteit die bijzondere risico's inhoudt of het voorhanden hebben van een vuurwapen noodzakelijk
maakt Hiervoor moet het bijzonder risico worden aangetoond dat de aanvrager persoonlijk loopt
naar aanleiding van zijn beroepsactiviteit, moet de noodzaak een vuurwapen voorhanden te hebben worden
aangetoond en mag het wapen uitsluitend voor deze reden worden gebruikt (258). Het bewijs kan
aan de hand van een attest van de werkgever of (voor een zelfstandige) met alle wettelijke middelen worden
geleverd. De gouverneur zal veelal een omstandig verslag nodig hebben om met kennis van zaken een beslissing
te kunnen nemen. Een algemene richtlijn die de categorieën van risicoberoepen aangeeft, is niet
wenselijk. Men moet steeds kijken naar de context van de aanvraag en naar de concrete aanleidingen die
een wapenvergunning kunnen rechtvaardigen. Het feit dat iemand bijvoorbeeld bij een bewakingsfirma of
in de diamantsector werkt, is op zich niet voldoende om de afgifte van een wapenvergunning toe te staan. Derhalve
komt men als juwelier niet noodzakelijk in aanmerking, tenzij wordt aangetoond dat de gevaren waaraan
men zich blootstelt, reëel zijn en dat men een concreet risico loopt en zijn leven beroepshalve in gevaar
is. De juwelier zal dus met alle middelen moeten bewijzen dat hij slachtoffer is geweest van geweld of
bedreiging in hoofde van de uitoefening van zijn beroepsactiviteiten. Het motief « beroep bijzondere
risico's » kan in bepaalde gevallen evenwel verruimd worden, meer bepaald om toe te laten aan bepaalde
beroepen om een wapen te bezitten zonder hetwelk zij de doelstellingen van hun opdracht niet kunnen verwezenlijken
(bv. een dierenarts die zich moet kunnen beschermen tegen gevaarlijke, agressieve dieren). 4.
De persoonlijke verdediging van personen die een objectief en groot risico lopen en die aantonen dat
het voorhanden hebben van een vuurwapen dit groot risico in grote mate beperkt en hen kan beschermen Hiervoor
moet worden aangetoond dat de aanvrager voor zijn persoonlijke veiligheid reeds alle andere haalbare
maatregelen heeft genomen en mag het wapen uitsluitend voor deze reden worden gebruikt (259). Men
moet dus met alle middelen bewijzen dat : - men een ernstig en objectief risico loopt; -
het bezit van een vuurwapen dit belangrijk risico doet afnemen en de betrokkene kan beschermen; -
men reeds alle andere realistische maatregelen heeft genomen voor zijn persoonlijke veiligheid. Om
na te gaan of er sprake is van een ernstig en objectief gevaar kan de gouverneur een onderzoek vragen
aan de lokale politie. Als de vergunningsaanvraag erg zwak en oppervlakkig werd gemotiveerd, kan de gouverneur
ze ook afwijzen zonder het onderzoek van de lokale politie. 5. De intentie een verzameling historische
wapens op te bouwen Hiervoor mag men - in afwachting van een erkenning als wapenverzamelaar
- de wapens louter bezitten, met bijhorende munitie a rato van een patroon per type wapen, zonder ze
te gebruiken (260). De wapens waarvoor een vergunning wordt aangevraagd met het oog op het opzetten van
een verzameling dienen logischerwijze te kunnen passen binnen een gemeenschappelijk thema (261). Deze
wettige reden kan worden aangetoond aan de hand van alle wettelijke middelen, zoals bijvoorbeeld het
lidmaatschap van een vereniging van verzamelaars, het voorhanden hebben van andere wapens behorend tot
hetzelfde thema die niet worden gebruikt voor andere doeleinden, een vergunningsaanvraag zonder munitie
gevolgd door latere aanvragen, de verwerving van een bestaande verzameling, enz. 6. De deelname
aan historische, folkloristische, culturele of wetenschappelijke activiteiten Hiervoor moet
de historische, culturele of wetenschappelijke aard van de beoefende activiteit worden aangetoond en
mag het wapen uitsluitend voor dit doel worden gebruikt (262). Dit kan aan de hand van een attest
vanwege de instelling, organisatie of vereniging die die activiteiten organiseert. 9.1.10. Passief
wapenbezit Deze bijzondere wettige reden - die in de wapenwet werd ingevoerd met de wet van
25/7/08 - betreft, zoals verder wordt uiteengezet, mensen die wapens bezitten en ze willen behouden omdat
zij er emotioneel aan gehecht zijn, zulks zonder dat die wapens hun handelswaarde verliezen of enigerlei
dreiging inhouden. De vergunning « passief wapenbezit » is evenwel enkel geldig voor het eenvoudig voorhanden
hebben van het wapen, met uitsluiting van munitie. Artikel 11/1 van de wapenwet stelt meer bepaald
dat een vergunning tot het voorhanden hebben wordt afgegeven aan personen die wensen een wapen in hun
vermogen te behouden, waarvoor een vergunning was afgegeven of waarvoor geen vergunning vereist was voor
de inwerkingtreding van de wet. Het louter voorhanden hebben van wapens zonder dat men hiermee
activiteiten (zoals bijvoorbeeld de schietsport) uitoefent, kan uitsluitend in de volgende gevallen :
(263) 1. Personen die wettig een wapen voorhanden hadden voor de inwerkingtreding van de wapenwet
(op 9 juni 2006), met name : a. houders van een vergunning model 4; b. personen die
wapens voorhanden hebben waarvoor geen vergunning vereist was (cf. de vroegere « jacht- en sportwapens
»), die moesten geregistreerd zijn via een model 9 als ze werden verworven na 1991, en die voor 1/11/08
moesten zijn aangegeven. 2. Personen die via een erfenis een wapen in hun vermogen ontvangen,
dat wettig werd voorhanden gehouden door de overledene, binnen twee maanden nadat ze het wapen in hun
bezit hebben gekregen. 3. Jagers of sportschutters die niet meer actief wensen te zijn in de
jacht of de schietsport kunnen binnen de drie jaar en twee maanden na het verval van hun jachtverlof
of sportschutterslicentie zo'n vergunning aanvragen voor de wapens die ze legaal in bezit hebben op basis
van hun jachtverlof of sportschutterslicentie. Zij die een wapen voorhanden hebben dat krachtens
de wapenwet vergunningsplichtig is geworden, konden het passief wapenbezit aanvragen uiterlijk tot 31
oktober 2008. Legale wapens in bezit voor 9 juni 2006 Bezitters van wapens die zij
wettig voorhanden hadden voor de inwerkingtreding van de wapenwet op 9 juni 2006 konden deze verder passief
voorhanden houden als zij daartoe uiterlijk op 31 oktober 2008 een aanvraag hebben ingediend (264). Voor
die datum moesten zij meer bepaald een vergunning aanvragen of moesten deze wapens worden geregistreerd
voor een jager, sportschutter of bijzonder wachter middels een formulier model 9 (265). Het is ook mogelijk
dat men een wapen voorhanden had dat niet registratieplichtig was voor 1992 en waarvoor dus geen model
4 of model 9 kan worden voorgelegd. In zulk geval moest hiervan het bewijs worden geleverd (bewijs van
datum van aankoop van het betreffende wapen). Deze regeling geldt dus niet voor diegenen (andere
dan jagers en sportschutters) die een wapen hebben verkregen na 9 juni 2006. Er kan tevens geen
beroep worden gedaan op het passief wapenbezit aangaande illegaal voorhanden gehouden vuurwapens. Dergelijke
wapens konden evenwel geregulariseerd worden tot 31/10/08 (266). Onder de oude wapenwet vergunde
wapens in bezit na 9 juni 2001 en voor 9 juni 2006 Voor die wapens waarvoor de betrokkene een
wapenvergunning bezit die werd afgeleverd voor de inwerkingtreding van de nieuwe wapenwet, maar na 9
juni 2001 kan betrokkene bij de 5-jaarlijkse controle een vergunning voor passief wapenbezit vragen. Erfgenamen De
erfgenaam waarvan sprake onder punt 2 kan het wapen zonder munitie (« passief ») in zijn vermogen behouden
als hij de aanvraag daartoe indiende binnen twee maanden nadat hij het wapen in bezit heeft gekregen
en als het legaal in het bezit was van de overledene (267). De erfgenaam kan erven bij versterf
of bij testament, hij kan algemeen of bijzonder legataris zijn en hij kan de erfenis impliciet, uitdrukkelijk
of onder voorrecht van boedelbeschrijving hebben aanvaard. De begunstigde van een schenking onder levenden
komt echter niet in aanmerking voor passief bezit. De erfgenaam moet met alle middelen bewijzen
dat het wapen in zijn vermogen (268) is gekomen. Als hij over het wapen beschikt op de dag van
het overlijden, volstaat een overlijdensakte van de gemeente of een uittreksel uit het rijksregister. Wanneer
daarentegen - in geval van aanvaarding van de erfopvolging - de inbezitname en de verdeling van de goederen
van de overledene een zekere tijd in beslag nemen, moet men elk document aanbrengen dat dat kan aantonen.
Een notariële akte is niet vereist. Een brief van de erfgenamen kan als voldoende worden beschouwd (269). De
erfenis moet worden aanvaard. Indien de erfenis wordt betwist, dan wordt het wapen in bewaring gegeven
tot op het moment dat er een definitieve beslissing wordt genomen met betrekking tot de verdeling van
de erfenis. De erfgenaam kan er tevens voor opteren de wapens voorhanden te houden met munitie
(« als actief wapenbezitter »). In dat geval zal hij een wettige reden moeten aantonen en voldoen aan
alle voorwaarden van artikel 11, § 3 WW. Hij beschikt over een periode van drie maanden, vanaf
het ogenblik dat hij het wapen in zijn vermogen heeft ontvangen, om de vergunningsaanvraag in te dienen.
De erfgenaam mag het wapen voorlopig voorhanden houden totdat is beslist over de vergunningsaanvraag,
tenzij de gouverneur op gemotiveerde wijze beslist dat het voorhanden hebben ervan de openbare orde kan
verstoren (270). De erfgenaam kan er ten slotte ook voor kiezen om het wapen over te dragen,
het te laten neutraliseren of om er afstand van te doen bij de lokale politie. Jagers, sportschutters
en bijzondere wachters Jagers, sportschutters en bijzondere wachters kunnen sommige wapens verwerven
zonder een wapenvergunning te moeten aanvragen bij de gouverneur (271). De uitzondering voor bijzondere
wachters, jagers en sportschutters is enkel van toepassing voor wie houder is van een geldig jachtverlof,
een geldige sportschutterslicentie of een legitimatiekaart voor de bijzondere wachters. Jagers
en sportschutters waarvan het jachtverlof of de sportschutterslicentie is vervallen, kunnen het wapen
gedurende drie jaar verder voorhanden hebben (op model 9), evenwel zonder er nog munitie voor voorhanden
te hebben. Het hervatten van de betreffende activiteit schorst deze periode. Hetzelfde geldt voor de
zgn. bijzondere wachters. Binnen de maand dienen zij daartoe de munitie over te dragen aan een erkend
persoon of aan een persoon die gerechtigd is deze munitie voorhanden te hebben (272). Ook na
het verstrijken van deze periode van drie jaar kunnen jagers, sportschutters en bijzondere wachters beroep
doen op het verdere passief wapenbezit van het wapen als zij de aanvraag daartoe indienen binnen twee
maanden na het verstrijken van een periode van drie jaar volgend op de vervaldag (273). De aanvraag kan
ook worden ingediend nog voor het verstrijken van de periode van drie jaar waarin de wet reeds voorziet. Deze
mogelijkheid van het passief wapenbezit is uitsluitend van toepassing op de volgende wapens : -
m.b.t. de jager : lange wapens toegestaan daar waar het jachtverlof geldig is (274); - m.b.t.
de sportschutter : wapens ontworpen voor het sportschieten bedoeld in het MB van 15/3/07 (275); -
m.b.t. de bijzondere wachter : lange wapens toegestaan daar waar de legitimatiekaart geldig is (276). Bijzondere
elementen in de aanvraagprocedure vergunning passief wapenbezit Alhoewel de aanvraagprocedure
voor passief wapenbezit grotendeels dezelfde is als deze besproken onder punt 9.1, is de aanvrager van
een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen zonder munitie vrijgesteld van de volgende
voorwaarden : - een medisch attest voorleggen; - slagen voor een theoretische proef; -
slagen voor een praktische proef; - wettige reden opgeven en staven (277). Niettemin
moet hij wel voldoen aan alle moraliteitsvoorwaarden en mogen geen meerderjarige personen waarmee de
aanvrager samenwoont, zich verzetten tegen de aanvraag. In geval van toekenning van de vergunning
wordt een model 4 opgemaakt waarvan het deel A bestemd is voor de houder en deel B voor de gouverneur
en welke delen door de gouverneur worden ondertekend en aangevuld met de volgende vermeldingen : 1°
de omschrijving van de omstandigheden, plaats en datum van de inbezittreding; 2° de identificatie
van het wapen : aard, merk, model, type, kaliber en serienummer; 3° de identificatie van de
persoon die het wapen voorhanden heeft : naam, nationaliteit, adres, plaats en datum van geboorte. Wanneer
het een rechtspersoon betreft, de firma of de naam van de vennootschap en de zetel van de vennootschap.
Deel B van de vergunning wordt bewaard door de bevoegde overheid (278). De houder van een vergunning
passief wapenbezit moet verder aan alle rechten en plichten voldoen die van toepassing zijn op houders
van een wapenvergunning. Alle regels inzake dracht, opslag, vervoer, overdracht en dergelijke meer, van
vergunningsplichtige wapens blijven van toepassing. Een passief wapenbezitter mag evenwel nooit munitie
voor de betrokken wapens voorhanden hebben. Hij mag ook nooit schieten met de wapens die vergund zijn
zonder munitie onder de regeling van het passief wapenbezit. 9.1.11. Vondst van een wapen De
wapenwet voorziet in de mogelijkheid voor zij die te goeder trouw een wapen verkrijgen onder eerder toevallige
omstandigheden, zoals bijvoorbeeld het op zolder vinden van een wapen, om voor dat wapen een bezitsvergunning
aan te vragen. Daartoe moet de aanvraag worden ingediend binnen drie maanden nadat men het wapen verkregen
heeft. De ontdekking moet op eigen initiatief worden gesignaleerd aan de lokale politie. De lokale politie
zal een model 6 afgeven en het wapen registreren in het CWR in afwachting van de verlening van een vergunning
door de gouverneur. In afwachting van de beslissing van de gouverneur mag het wapen voorhanden
worden gehouden, tenzij deze op gemotiveerde wijze beslist dat het voorhanden hebben ervan de openbare
orde kan verstoren (279). Het wapen moet dan bewaard worden bij de politie tot de gouverneur een uitspraak
heeft gedaan over het al dan niet toekennen van de vergunning. Ook hier is de aanvraagprocedure
van een vergunning tot het voorhanden hebben van het « ontdekte » wapen dezelfde als deze besproken onder
punt 9.1. In geval van toekenning van de vergunning wordt een model 4 opgemaakt waarvan het
deel A bestemd is voor de houder en deel B voor de gouverneur en welke delen door de gouverneur worden
ondertekend en aangevuld met de volgende vermeldingen : 1° de omschrijving van de omstandigheden,
plaats en datum van de inbezittreding; 2° de identificatie van het wapen : aard, merk, model,
type, kaliber en serienummer; 3° de identificatie van de persoon die het wapen voorhanden heeft
: naam, nationaliteit, adres, plaats en datum van geboorte. Wanneer het een rechtspersoon betreft, de
firma of de naam van de vennootschap en de zetel van de vennootschap. Deel B van de vergunning wordt
bewaard door de bevoegde overheid (280). Hij die een wapen ontdekt, kan het ook laten neutraliseren
zodat het vrij verkrijgbaar wordt. Hij kan er ten slotte tevens afstand van doen. Omdat er de legale
oorsprong van het wapen hier niet vaststaat, is er geen sprake van eigendomsrecht dat beschermd moet
worden en is de overdracht van het wapen niet toegelaten. 9.1.12. Beslissing De gouverneur
bevoegd voor de verblijfplaats van de aanvrager beslist over de aanvraag van een vergunning tot het voorhanden
hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen (281). Als de betrokkene hierom vraagt, moet hij
vooraf schriftelijk of mondeling worden gehoord. Hij moet in staat worden gesteld zich vooraf te verdedigen
tegen de negatieve elementen waarvan hij geen kennis had (hoorrecht). Opdat de wettelijke voorwaarden
van de afgifte van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen door
de gouverneurs eenvormig worden toegepast in het gehele land hebben zij terzake geen discretionaire macht.
Ofwel voldoet de aanvrager aan alle voorwaarden en moet de vergunning worden verleend, ofwel voldoet
hij niet aan alle voorwaarden en kan de vergunning niet worden verleend. De vergunning kan worden
beperkt tot het voorhanden hebben van het wapen zonder munitie en ze is slechts geldig voor één wapen
(282). De gouverneur informeert de lokale politie onmiddellijk over de vergunningen tot het
voorhanden hebben die hij weigert of afgeeft, evenals over hun schorsing, beperking, intrekking of teruggave,
of nog over de schorsing of intrekking van het recht wapens voorhanden te hebben. Desgevallend informeert
hij ook de betrokken sportschuttersfederatie of de dienst die de jachtverloven afgeeft. De vergunningen
zelf worden aan betrokkene bezorgd via de korpschef van de bevoegde politiezone. 9.1.13. Motivering De
beslissing van de gouverneur moet met redenen omkleed zijn en vermeldt in geval van schorsing of intrekking
van de vergunning de termijnen waarbinnen het wapen in bewaring moet worden gegeven bij een erkend persoon
of moet worden overgedragen aan een erkend persoon of aan een persoon die gemachtigd is het wapen voorhanden
te hebben (283). Ook inzake de motivering van de beslissing dient de gouverneur zich te houden
aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en meer in het bijzonder de wet van 29/7/91 betreffende
de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Elke overheidsbeslissing met individuele
strekking dient immers zowel materieel als formeel gemotiveerd te worden en de motivering in de akte
moet de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de grondslag liggen van de beslissing. De
gouverneur kan zich hiertoe beroepen op het politieverslag of op het advies van de procureur des Konings.
Indien er een vooronderzoek of een gerechtelijk onderzoek bezig is of indien er een gerechtelijke beslissing
is, kan dit eveneens relevant zijn. De redenen die aanleiding kunnen geven tot de weigering
van de vergunningsaanvraag tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen, kunnen op
geldige wijze worden ingeroepen tot staving van een beslissing houdende schorsing of intrekking van de
vergunning. 9.1.14. Model 4 De vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig
vuurwapen wordt opgesteld conform het zogenaamde model 4. Het bevat een deel A, bewaard door de houder
en een deel B, voor te leggen aan de lokale politie ter controle (284). De vergunningen worden
aan de betrokkenen bezorgd via de korpschef van de bevoegde politiezone, die op die manier op de hoogte
is van de afgifte ervan. In geval van weigering informeert de gouverneur hem. De geldigheidsduur
die - in uitvoering van artikel 32 WW zoals die van toepassing was tussen 9 juni 2006 en 1 september
2008 - op de vergunning is vermeld, moet voor ongeschreven worden gehouden. Deel A van de vergunning
wordt door de houder overhandigd aan de leden van de diensten bedoeld in artikel 29 van de wapenwet (285)
wanneer die in het kader van het door hen uitgeoefende toezicht daarom verzoeken (286). Het
document model 4 vermeldt de identiteitsgegevens van de houder, de kenmerken van het wapen, of het wapen
werd verkregen, ingevoerd, ingeschreven, gevonden of gelegateerd en de wettige reden (287). Het is maar
geldig voor één wapen (288). De vergunning is gedagtekend en verleent aan de houder ervan het
recht om het wapen binnen drie maanden na de afgifte (289) aan te kopen of in te voeren. Als de aankoop
of de invoer van het wapen niet binnen deze termijn heeft plaatsgevonden, is de vergunning vervallen
en moet zij binnen acht dagen worden teruggezonden aan de gouverneur. Dit geldt tevens wanneer de vergunning
niet langer geldig is (290). Deze geldigheidsduur wordt niet vermeld op het model 4. Het is
dan ook nuttig om deze termijn onder de aandacht van de wapenbezitter te brengen. Als hij hem immers
niet respecteert, zal hij een nieuwe aanvraag moeten doen (hetgeen onder meer betekent dat hij opnieuw
de retributie zal moeten betalen). In geval het wapen in België wordt aangekocht, moet deel
A door de overdrager worden ondertekend en met de volgende vermeldingen worden aangevuld : (291) -
de identiteitsgegevens van de overdrager : naam, voornaam en rijksregisternummer. Indien het een rechtspersoon
betreft, worden de firma of de naam van de vennootschap, de zetel van de vennootschap, de identiteit
van de zaakvoerder, van de voorzitter of van de gedelegeerd bestuurder vermeld; - het nummer
van de erkenning van de erkende persoon (bijv. wapenhandelaar) of het nummer, de plaats en datum van
de uitreiking van de vergunning tot het voor handen hebben van de overdrager; - de plaats en
de datum van de overdracht; - de identificatie van het wapen : aard, merk, model, type, kaliber
en serienummer. In geval het wapen wordt ingevoerd vanuit een land dat geen lidstaat is van
de Europese Unie moet deel A door een agent van de douane worden ondertekend en met de volgende vermeldingen
worden aangevuld : (292) - de identificatie van het douanekantoor; - de datum van de
invoer; - de identificatie van het wapen : aard, merk, model, type, kaliber en serienummer. Deel
B wordt door de overdrager of het douanekantoor binnen de maand na de overdracht of de invoer toegezonden
aan de gouverneur. Dit deel van de vergunning is gedagtekend, ondertekend en bevat de vermeldingen die
betrekking hebben op de identificatie van het wapen, van de koper of van de invoerder. In geval
het wapen wordt ingevoerd vanuit een lidstaat van de Europese Unie moet de verkrijger of de invoerder
zich binnen 15 dagen aanbieden bij de lokale politie van zijn verblijfplaats, teneinde deel A en B te
laten invullen (293). De lokale politie identificeert het wapen dat door iemand wordt verworven
of ingevoerd. Indien nodig brengt ze correcties en/of aanvullingen aan op de luiken A en B. Indien er
correcties moeten gebeuren, stuurt ze zowel luik A als luik B terug, zodat de nodige aanpassingen kunnen
gebeuren en de vergunning overeenstemt met de werkelijke toestand van het wapen. Gaat het enkel om aanvullingen,
dan moet alleen luik B worden teruggestuurd. De gouverneur zorgt voor de verdere aanpassing van het CWR. 9.1.15.
Beroep Tegen de beslissing van de gouverneur tot weigering, beperking, schorsing of intrekking
van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen, alsook tegen het
ontbreken van een beslissing binnen de termijn van vier maanden vanaf ontvangst van de aanvraag, staat
beroep open bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde (294). Tegen een beslissing
houdende de onontvankelijkheid van de aanvraag staat deze beroepsmogelijkheid niet open. In dat geval
kan de aanvrager zich wel nog wenden tot de Raad van State. Ook in geval het beroep bij de minister
van Justitie niet wordt ingewilligd, is een verder administratief beroep mogelijk bij de Raad van State.
Het betreft in dat geval een beroep tot schorsing of een annulatieberoep. Het beroep bij de Raad van
State moet worden ingesteld binnen 60 dagen na de kennisname van de bestreden beslissing. Het
beroep bij de minister van Justitie betreft een gewoon administratief beroep. Het heeft geen schorsende
werking, m.a.w. de verzoeker dient zich te schikken naar de bestreden beslissing minstens totdat over
zijn verzoekschrift uitspraak wordt gedaan. Het verzoekschrift strekkende tot hoger beroep moet
: - gemotiveerd zijn; - aangetekend worden verzonden aan de federale wapendienst; -
ingediend worden binnen 15 dagen na de kennisname van de beslissing van de gouverneur of na de vaststelling
dat er geen beslissing werd genomen binnen de termijn van vier maanden; - vergezeld zijn van
een kopie van de bestreden beslissing. In geval aan één van deze modaliteiten niet is voldaan,
is het verzoekschrift onontvankelijk (295). De wetten betreffende de openbaarheid van bestuur
van 11/4/94 en 12/11/97 schrijven voor dat een administratieve rechtshandeling met individuele strekking
slechts geldig is ter kennis gebracht als de beroepsmogelijkheden en alle modaliteiten van het beroep
(vormen en termijnen) worden vermeld. Bij ontstentenis daarvan neemt de termijn voor het indienen van
het beroep geen aanvang. De uitspraak in beroep wordt gedaan binnen zes maanden, te rekenen
vanaf de datum van ontvangst van het verzoekschrift (296). Deze termijn kan worden verlengd
bij gemotiveerde beslissing. De verlenging kan slechts eenmaal worden toegestaan en de termijn ervan
mag uiterlijk zes maanden bedragen (297). De behandeling in beroep houdt een volledige beoordeling
van de zaak in. 9.1.16. Wijziging van de vergunning De houder van de vergunning moet
de bevoegde gouverneur, binnen 15 dagen te rekenen vanaf de wijziging, in kennis stellen van elke wijziging
(behalve een adreswijziging binnen dezelfde provincie) van een vermelding betreffende zijn persoon of
het wapen, of van het verlies, de vernietiging of de diefstal van het wapen (298). Tevens dient
elk verlies of diefstal van een vergunningsplichtig wapen onverwijld te worden gemeld aan de lokale politie
(299). Als de wijziging bestaat uit een verhuis van de houder naar een adres dat gelegen is
buiten de provincie volstaat het dat het dossier wordt overgedragen aan de provincie van de nieuwe verblijfplaats.
De vroegere beherende provincie kan het dossier dan afsluiten. Aangezien het adres er niet meer op wordt
vermeld, dient geen nieuwe vergunning te worden afgeleverd. Bij overlijden van de houder van
de vergunning moeten zijn rechtverkrijgenden daarvan kennis geven aan de bevoegde gouverneur (300). 9.1.17.
Administratieve sancties De gouverneur kan beslissen tot beperking, schorsing of intrekking
van de vergunning als blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren of
de wettige reden ingeroepen om de vergunning te verkrijgen, niet meer bestaat (301). De beslissing dient
gemotiveerd te zijn en kan enkel worden genomen na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des
Konings bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene (302). De beperking kan bijvoorbeeld
bestaan uit het voorhanden hebben van het wapen zonder munitie bij wijze van sanctie (niet op eenvoudige
aanvraag) of een beperking in geldigheidsduur. De schorsing van de vergunning is als maatregel
aangewezen als de houder van de vergunning zich voorlopig in een situatie bevindt waarin het voorhanden
hebben van het vergunningsplichtig wapen nadelig kan zijn voor de openbare orde. De schorsing is beperkt
in de tijd (303). Indien ze langer duurt dan één jaar verdient het aanbeveling de vergunning in te trekken. De
intrekking van de vergunning is noodzakelijk wanneer de houder van de vergunning zich voor een langere
tijd in een situatie bevindt waarin het voorhanden hebben van het vergunningsplichtig wapen nadelig kan
zijn voor de openbare orde (304). Zo kunnen de vergunningen van mensen die van rechtswege zijn
geschrapt (omwille van verblijf in het buitenland of omwille van een fictieve verblijfplaats in België)
worden ingetrokken wegens gevaar voor de openbare orde. Zowel de intrekking als de schorsing
hebben vanaf de kennisgeving ervan aan de houder van de vergunning het verbod tot het voorhanden hebben
van het betreffende wapen tot gevolg. De kennisgeving van de intrekkings- of schorsingsbeslissing
aan de houder van de vergunning gebeurt bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs (305). De
gouverneur geeft kennis van zijn intrekkings- of schorsingsbeslissing aan de lokale politie van de verblijfplaats
van de betrokkene en houdt hem op de hoogte van de uitvoering van zijn beslissing. Op die manier waakt
de lokale politiedienst over de correcte uitvoering van de beslissing van de gouverneur. Alvorens
de beslissing te nemen, moet men de persoon de mogelijkheid geven om te reageren (hoorrecht). De
intrekking- of schorsingsbeslissing vermeldt de termijnen waarbinnen het wapen in bewaring moet worden
gegeven bij een erkend persoon of moet worden overgedragen aan een erkend persoon of aan een persoon
die gemachtigd is het wapen voorhanden te hebben (306). Binnen 8 dagen te rekenen vanaf de inbewaringgeving
of overdracht van het betreffende wapen dient de persoon die het in bewaring heeft gekregen of aan wie
het is overgedragen de gouverneur ervan in kennis te stellen dat het wapen bij hem in bewaring is gegeven
of aan hem is overgedragen. Dit gebeurt door middel van een formulier dat de gouverneur bij de kennisgeving
voegt (307). Er moet steeds een formulier zijn en het onderscheid tussen de bewaargeving en
de overdracht van het wapen moet er duidelijk uit blijken. In beide gevallen gaat het feitelijke bezit
van het wapen over naar de overnemer. Nochtans kan de verhouding tussen partijen hen ertoe verplichten
het wapen terug te geven (bij bewaargeving), dan wel een definitieve overdracht beogen. In alle gevallen
moeten de nodige formaliteiten worden nageleefd. Bij overdracht van het bezit van het wapen aan een wapenhandelaar
bijvoorbeeld moet het wapen worden ingeschreven in zijn registers; bij overdracht aan een jager moet
een model 9 worden opgesteld, enz. De invulling van het formulier van inbewaringgeving of overdracht
ontslaat de betrokken partijen dus niet van hun andere wettelijke verplichtingen ter zake. Als
de wapenbezitter eveneens houder is van een sportschutterslicentie, dan geldt in Vlaanderen dat de sportschutterslicentie
wordt ingetrokken als een wapenvergunning wordt geweigerd om redenen die verband houden met de openbare
orde (308). Om elk misverstand te voorkomen, verdient het aanbeveling de gemachtigde schietsportfederatie
die de sportschutterslicentie heeft uitgereikt duidelijk aan te geven dat de weigering van de vergunning
gebaseerd is op redenen van openbare orde (en bv. niet op andere redenen zoals het ontbreken van de toestemming
van inwonende meerderjarige gezinsleden). In de Franse gemeenschap geldt deze regel niet. 9.1.18.
5-jaarlijkse controle Sinds 1 september 2008 zijn de vergunningen tot het voorhanden hebben
van vergunningsplichtige vuurwapens niet langer beperkt tot een duurtijd van vijf jaar maar zijn zij
voor onbepaalde duur geldig. De vergunning is evenwel voor bepaalde duur geldig als de aanvraag
slechts voor een bepaalde duur was gedaan of als de gouverneur bij gemotiveerde beslissing een beperkte
geldigheidsduur oplegt om redenen van vrijwaring van de openbare orde (309). De gouverneur onderzoekt
eens per vijf jaar of de houders van de vergunningen (310) die hij heeft afgegeven de wet naleven en
nog steeds voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen ervan (311). Niettemin kan de gouverneur
beslissen om bijvoorbeeld al eerder een controle uit te voeren; dit om de controles voor verschillende
wapens te kunnen groeperen, of omdat er indicaties zijn van gevaar voor de openbare orde of omdat er
indicaties zijn dat de wettige reden niet meer aanwezig is. Hierbij vraagt de gouverneur advies
aan de lokale politie en eventueel aan het openbaar ministerie (312). De houders van de vergunningen
moeten verklaren of doen vaststellen dat zij nog steeds beantwoorden aan de voorwaarden voor het verkrijgen
ervan en dat er geen redenen zijn om te besluiten tot een beperking, schorsing of intrekking van de vergunning
(313). Als blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren of
een bedreiging vormt voor de fysieke integriteit van personen of als de wettige reden ingeroepen om de
vergunning te verkrijgen niet meer bestaat, kan de bevoegde gouverneur de vergunning bij gemotiveerde
beslissing beperken, schorsen of intrekken. Alvorens deze beslissing te nemen moet hij evenwel het advies
hebben ingewonnen van de bevoegde procureur des Konings (314). Bij de periodieke controle zal
de gouverneur dus de mogelijkheid hebben om vergunningen die werden afgegeven in het gunstige overgangsregime
(315) te controleren op de naleving van alle wettelijke voorwaarden. Voorbeeld : ik bezit sinds
2002 een jachtgeweer dat krachtens de nieuwe wapenwet vergunningsplichtig is geworden en waarvoor ik
op 2 juni 2007 via de overgangsregeling een vergunning model 4 verkreeg aangezien ik meerderjarig was,
geen veroordelingen van artikel 5, § 4 WW had opgelopen en er geen redenen van openbare orde bestonden
die zouden kunnen leiden tot de intrekking van de vergunning (316). Tegen 2 juni 2012 zal de gouverneur
nagaan of ik voldoe aan alle wettelijke vereisten. Dit betekent dat ik op dat moment moet kunnen aantonen
dat ik beschik over een wettige reden om het wapen voorhanden te hebben, dat ik medisch geschikt ben,
en dergelijke meer. Op dat moment kan ik ook kiezen voor een overstap naar het passief bezit. De
retributie is (een keer per periode van vijf jaar) verschuldigd bij de periodieke controle (317). Na
de controle en als de houder voldoet aan alle voorwaarden wordt aan de betrokkene een bevestigingsbericht
van de gunstige afronding van deze controle bezorgd. Als de wettige reden is gewijzigd, wordt een nieuw
model 4 afgegeven, met behoud van het oorspronkelijke vergunningsnummer en de oorspronkelijke datum. 9.2.
Rechten en plichten 9.2.1. Aanschaf van een wapen . Bijzonderheden in geval van aankoop
in het buitenland • Algemeen Wie een vuurwapen (vergunningsplichtig of vrij
verkrijgbaar) in het buitenland wil aankopen, mag niet uit het oog verliezen dat hij daardoor onderworpen
is aan de regelgeving van ons land én die van het land waar de aankoop plaatsvindt, en bovendien ook
aan de regelgeving inzake in- en uitvoer van beide landen. De buitenlandse regelgeving is heel uiteenlopend
: zo zijn er landen waar privé-wapenbezit (bijna) volledig vrij is en andere waar het (bijna) volledig
verboden is. Het is absoluut noodzakelijk dat de geïnteresseerde zich vooraf goed informeert over de
na te leven regels in het land waar hij een wapen wenst aan te kopen. Hetzelfde geldt in geval van een
buitenlandse erfenis. De algemene regel is dat eerst (indien nodig) in België een vergunning
tot het voorhanden hebben van het gewenste wapen moet worden aangevraagd bij de bevoegde gouverneur.
Met die vergunning kan vervolgens een invoerlicentie worden aangevraagd bij het bevoegde gewest. Daarna
moet (indien nodig) een aankoopvergunning worden aangevraagd in het betrokken land, dat ook een uitvoerlicentie
zal moeten afgeven. Het spreekt voor zich dat de Belgische wapendiensten niet op de hoogte kunnen zijn
van alle geldende buitenlandse regels en dat ze zich daarom beperken tot het nationale luik van de betrokken
aankoop. • Binnen de EU In het kader van de Europese Unie geldt een eenvoudiger
en eenvormige regeling. De Richtlijn 91/477/EEG huldigt in haar artikel 7.1 het principe van de dubbele
machtiging voor de verwerving van een wapen in een andere lidstaat van de EU. Dit artikel bepaalt
dat wanneer een ingezetene van een lidstaat een wapen van de categorie B van de Richtlijn (vergunningsplichtige
vuurwapens) wenst te verwerven in een andere staat van de EU, hij niet alleen een machtiging van de bevoegde
vreemde overheden moet verkrijgen, maar eveneens het voorafgaand akkoord van de overheden van zijn verblijfsstaat. Zo
zal bijvoorbeeld een Duitse ingezetene die een vergunningsplichtig vuurwapen in België wenst aan te kopen
een machtiging van de Staatsveiligheid moeten verkrijgen, na het voorafgaand akkoord van de overheden
van zijn verblijfsstaat. Omgekeerd is voor Belgische ingezetenen de machtiging van de vreemde
overheden om een wapen van de categorie B op hun grondgebied te verwerven, ondergeschikt aan de voorafgaande
afgifte van een machtiging door de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de toekomstige bezitter
van het wapen. Onze nationale vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen (model
4) is echter alleen geldig binnen ons land en wordt niet erkend als basis voor de aanvraag van een machtiging
om een wapen te verwerven in het buitenland. • Binnen de Benelux Binnen de Benelux
is de regeling eenvoudiger omdat er geen in- en uitvoerlicenties nodig zijn. • Procedure Wanneer
Belgische ingezetenen (personen die in België hun woon- of verblijfplaats hebben) wensen een vergunningsplichtig
wapen aan te kopen in een andere staat van de EU, geeft de gouverneur naast het model 4 een document,
gemakkelijkheidshalve vaak de « blauwe kaart » geheten, af, dat geldt als voorafgaande machtiging voor
de verwerving van een vergunningsplichtig wapen in een andere staat van de EU. Met de vergunning
model 4 vraagt men tevens een invoerlicentie aan bij het bevoegde gewest (en de hiervoor noodzakelijke
voorafgaande vergunning van de FOD Justitie) in geval de aankoop niet binnen de Benelux plaatsvindt. De
blauwe kaart moet door de betrokkene aan de vreemde overheden overhandigd worden ter staving van zijn
aanvraag om een aankoopvergunning in dat land. Hij moet zelf informatie inwinnen over de in het betrokken
land te volgen verdere procedure. Vervolgens en in overeenstemming met artikel 11 van het KB van 20/9/91
ter uitvoering van de wapenwet, moet de Belgische ingezetene die houder is van het model 4 zich met het
in het buitenland verworven wapen aanbieden bij de lokale politie van zijn verblijfplaats binnen 15 dagen
na de invoer. Die zal de invoer vaststellen en luik B van het model 4 invullen. Het luik B wordt dan
opgestuurd naar de bevoegde gouverneur, die de gegevens in het CWR invoert. Ook wanneer een
erkende verzamelaar een vergunningsplichtig wapen wenst aan te kopen in een EU-lidstaat zal hij een exemplaar
van de blauwe kaart moeten aanvragen bij de gouverneur. Aangezien de erkende verzamelaar geen individuele
vergunning meer nodig heeft, wordt geen later te vervolledigen model 4 afgegeven. Toch zal de betrokkene
het gewenste wapen moeten preciseren zodat kan nagegaan worden of dit in overeenstemming is met het thema
van zijn verzameling. De blauwe kaart kan ook noodzakelijk zijn voor de aankoop van een vrij
verkrijgbaar vuurwapen in het buitenland. In vele landen zijn wapens die in ons land vrij verkrijgbaar
zijn immers vergunningsplichtig. Ook dan moet de aankoper een blauwe kaart vragen aan de gouverneur,
ook al heeft hij geen model 4 nodig. In dat geval geeft de gouverneur het document af op eenvoudig verzoek. Een
ander geval waar geen model 4 nodig is, is de aankoop van een voor hem toegelaten wapen in het buitenland
door een jager, een sportschutter of een bijzondere wachter. Omdat het model 9 niet kan worden opgesteld
door een buitenlandse wapenhandelaar, moet de koper zich binnen 15 dagen na de invoer met het wapen aanbieden
bij zijn lokale politie. Die zal de invoer vaststellen en een model 9 invullen. Daarvan worden twee exemplaren
opgestuurd naar de gouverneur, die de gegevens in het CWR invoert. De provinciale wapendiensten
mogen de blauwe kaart zelf afdrukken op aangepast papier. Deze regeling doet geen afbreuk aan
de andere bepalingen van de Richtlijn 91/477/EEG. Daarom is het aangewezen dat de betrokkenen eveneens
informatie inwinnen bij het bevoegde gewest. Ten slotte moet het wapen, bij invoer, een uniek
identificatienummer krijgen door tussenkomst van de proefbank (319). De proefbank kan hierbij vragen
dat het wapen wordt voorgelegd. 9.2.2. Overdracht/verkoop van een wapen Wie een vergunningsplichtig
vuurwapen, de munitie ervoor (of een aan de wettelijke proef onderworpen onderdeel) wenst over te dragen
of te verkopen, mag dit enkel doen aan iemand die gerechtigd is het te bezitten. Dit kunnen zowel houders
zijn van een vergunning tot het voorhanden hebben ervan, als jagers of sportschutters (afhankelijk van
de kenmerken van het wapen), doch tevens wapenhandelaars, wapenverzamelaars, musea edm. Afhankelijk
van de hoedanigheid van de bij de overdracht/verkoop betrokkene partijen alsook van de plaats waar zij
zich voltrekt, brengt de overdracht/verkoop andere verplichtingen met zich mee. . Bijzonderheden
in geval van overdracht/verkoop aan houders van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig
vuurwapen (model 4) De overdracht/verkoop van een vergunningsplichtig vuurwapen en/of van de
munitie ervoor (of een aan de wettelijke proef onderworpen onderdeel) aan een houder van een vergunning
tot het voorhanden hebben ervan (model 4) kan slechts plaatsvinden na voorlegging van een identiteitskaart
of een reispas die overeenstemt met de op de vergunning vermelde identiteit (320). Binnen één
maand te rekenen vanaf de overdracht/verkoop van het wapen moet deel B door de overdrager/verkoper worden
toegezonden aan de overheid die de vergunning heeft afgegeven. Dat deel is gedagtekend, ondertekend en
bevat de vermeldingen die betrekking hebben op de identificatie van het wapen en van de koper/verkrijger
(321). Deel A van de vergunning wordt bewaard door de houder die ertoe gehouden is het te overhandigen
aan de in artikel 29 WW bedoelde diensten (322) die in het kader van het door hen uitgeoefende toezicht
daarom verzoeken (323). . Bijzonderheden in geval van overdracht/verkoop aan jagers, sportschutters
of bijzondere wachters (324) De overdracht/verkoop van een vergunningsplichtig vuurwapen en/of
van de munitie voor die wapens (of een aan de wettelijke proef onderworpen onderdeel) aan een jager,
sportschutter of bijzondere wachter kan slechts geschieden na overlegging van hun identiteitskaart of
reispas en het bewijs van hun hoedanigheid. Een bericht van overdracht/verkoop en een afschrift
ervan - opgemaakt volgens het model 9 - worden door de overdrager/verkoper binnen 8 dagen na de overdracht/verkoop
toegezonden aan de gouverneur van de verblijfplaats van de verkrijger/overnemer of - indien deze laatste
geen verblijfplaats in België heeft - aan het CWR. De overdrager/verkoper bewaart een afschrift
van het model 9. Het andere afschrift wordt - voorzien van het registratienummer - door de gouverneur
toegezonden aan de lokale politie van de verblijfplaats van de overnemer/koper. Deze laatste verwittigt
de gouverneur als de kenmerken van het wapen niet in overeenstemming zijn met de gegevens op het model
9, zodat die de nodige aanpassingen kan doen. . Bijzonderheden in geval van overdracht/verkoop
aan wapenhandelaars, tussenpersonen of andere personen die geen vergunning tot het voorhanden hebben
ervan moesten voorleggen, op wiens naam geen bericht van overdracht/verkoop (model 9) moest worden opgesteld
of die niet erkend zijn als verzamelaar of museum In geval een particulier een vergunningsplichtig
vuurwapen en/of de munitie ervoor (of een aan de wettelijke proef onderworpen onderdeel) overdraagt/verkoopt
aan een wapenhandelaar, een tussenpersoon of een bepaalde overheid (bv. het leger) moet hij de vergunning
(model 4) of het bericht van overdracht/verkoop (model 9) op zijn naam terugsturen aan de gouverneur
die bevoegd is voor zijn verblijfplaats en hem de identiteit van de overnemer/verkrijger meedelen. Het
is de wapendienst van de gouverneur die vervolgens de nieuwe gegevens registreert in het CWR en die tevens
nagaat of er geen onregelmatigheden zijn gebeurd (325). De overdracht/verkoop van een vergunningsplichtig
vuurwapen en/of de munitie ervoor (of een aan de wettelijke proef onderworpen onderdeel) door een jager,
sportschutter of bijzondere wachter aan een erkend persoon, moet in zijn registers worden ingeschreven
en door middel van een bericht van overdracht/verkoop (model 9) binnen 8 dagen vanaf de overdracht/verkoop
worden gemeld aan de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de overdrager/verkoper, of - indien
deze geen verblijfplaats in België heeft - aan het CWR. De overdrager/verkoper bewaart een afschrift
van het model 9 (326). . Bijzonderheden in geval van overdracht/verkoop in het buitenland Wanneer
Belgische ingezetenen (personen die in België hun woon- of verblijfplaats hebben) een vergunningsplichtig
wapen wensen te verkopen of over te dragen in een andere staat van de EU, moet eerst een uitvoerlicentie
worden aangevraagd bij het bevoegde gewest (en de hiervoor noodzakelijke voorafgaande vergunning van
de FOD Justitie). Het spreekt voor zich dat de overdrager/verkoper in België het wapen rechtsgeldig
voorhanden moet hebben, hetzij met een vergunning tot het voorhanden hebben ervan (model 4), hetzij met
een gelijkwaardige titel (b.v. een geldig jachtverlof met een op model 9 geregistreerd wapen). Op basis
daarvan kan de uitvoerlicentie worden aangevraagd. De overdracht/verkoop in een andere EU-lidstaat
moet beantwoorden aan de daar geldende wetgeving inzake de verkoop van wapens. Ook hier dient herhaald
dat de Belgische wapendiensten niet op de hoogte kunnen zijn van alle geldende buitenlandse regels en
dat ze zich daarom beperken tot het nationale luik van de betrokken verkoop. Nadat de overdracht/verkoop
heeft plaatsgevonden, moet de Belgische overdrager/verkoper de vergunning (model 4) of het bericht van
overdracht/verkoop (model 9) onmiddellijk terugsturen aan de gouverneur bevoegd voor zijn verblijfplaats
en hem de identiteit van de overnemer/verkrijger meedelen. De wapendienst van de gouverneur
registreert de gegevens in het CWR en gaat na of er geen onregelmatigheden zijn gebeurd (327). Mocht
de gouverneur een onregelmatigheid vaststellen, dan zal hij die nog rechtzetten als dit in overeenstemming
met de regelgeving mogelijk is. In dat geval komt de registratie niet in het gedrang. In het andere geval
zal hij aangifte moeten doen van het gepleegde misdrijf. . Bijzonderheden in geval van overdracht/verkoop
in België aan een buitenlander Het principe van de dubbele machtiging voor de verwerving van
een wapen binnen de EU geldt ook bij overdracht/verkoop in België van een vergunningsplichtig wapen aan
een ingezetene van een andere EU-lidstaat (personen die in een andere EU-lidstaat hun woon- of verblijfplaats
hebben). De buitenlandse koper zal daarom moeten beschikken over een « voorafgaande machtiging
voor de verwerving van een vergunningsplichtig wapen in een andere lidstaat van de EU », van de overheden
van zijn verblijfstaat, vergelijkbaar met onze zogenaamde « blauwe kaart ». Verder moet hij
een machtiging van de Belgische overheid hebben om een wapen van de categorie B op haar grondgebied te
verwerven (een vergunning model 4 afgegeven door de Staatsveiligheid) en moet hij een uitvoerlicentie
aanvragen bij het bevoegde gewest hier in België. Zijn eventuele nationale (buitenlandse) vergunning
is enkel geldig binnen zijn land en wordt dan ook niet erkend als basis voor de aanvraag van de machtiging. Ten
slotte moet de buitenlandse koper beschikken over een invoerlicentie van de bevoegde overheden van de
lidstaat waar hij zijn woon- of verblijfplaats heeft. Binnen de Benelux is de regeling evenwel
eenvoudiger omdat er geen in- en uitvoerlicenties nodig zijn. Nadat de overdracht/verkoop heeft
plaatsgevonden, moet de Belgische overdrager/verkoper de vergunning (model 4) of het bericht van overdracht/verkoop
(model 9) onmiddellijk terugsturen aan de gouverneur bevoegd voor zijn verblijfplaats en hem de identiteit
van de overnemer/verkrijger meedelen. De wapendienst van de gouverneur registreert de gegevens
in het CWR en gaat na of er geen onregelmatigheden zijn gebeurd (328). Mocht de gouverneur een onregelmatigheid
vaststellen, dan zal hij die nog rechtzetten als dit in overeenstemming met de regelgeving mogelijk is.
In dat geval komt de registratie niet in het gedrang. In het andere geval zal hij aangifte moeten doen
van het gepleegde misdrijf. 9.2.3. Veiligheidsmaatregelen Het KB van 24/4/97 tot bepaling
van de veiligheidsvoorwaarden bij het opslaan, het voorhanden hebben en het verzamelen van vuurwapens
of munitie werd op 14/4/09 uitgebreid met een hoofdstuk 3 « Veiligheidsvoorwaarden bij het voorhanden
hebben en tentoonstellen op de verblijfplaats, en het vervoeren van vergunningsplichtige wapens of munitie
ervoor door particulieren ». Onder de oude wapenwetgeving was het onmogelijk aan de particuliere
wapenbezitter bepaalde veiligheidsmaatregelen op te leggen. Bij de ontvangst van hun vergunning kregen
ze wel een document « model 12 » mee dat raadgevingen bevatte met betrekking tot het bewaren, gebruik
en onderhoud van vuurwapens. Die raadgevingen zijn nu omgezet in plichten. De nieuwe regels
zijn van toepassing op « particulieren », die worden gedefinieerd als niet-erkende personen die wettig
een of meer vergunningsplichtige wapens of munitie ervoor voorhanden hebben of erkende verzamelaars die
maximum 30 vergunningsplichtige wapens of munitie ervoor voorhanden hebben. Het gaat dus over de personen
die vuurwapens of daarmee gelijkgestelde niet-vuurwapens voorhanden hebben op basis van een vergunning
(model 4) of een gelijkgesteld document (model 9) (329). De regeling voor verzamelaars die meer wapens
bezitten, wordt toegelicht in punt 5.1.6 (330). Een aantal veiligheidsmaatregelen moet steeds
door elke wapenbezitter worden genomen, ongeacht de hoeveelheid opgeslagen wapens. Daarenboven worden
bijkomende veiligheidsmaatregelen opgelegd in functie van het aantal opgeslagen vergunningsplichtige
wapens (daarin begrepen de aan de wettelijke proef onderworpen onderdelen). Het nieuwe KB voorziet in
drie drempels : • bewaring van minder dan 6 vergunningsplichtige wapens; •
bewaring van minder dan 11 vergunningsplichtige wapens; • bewaring van 11 tot en met
30 vergunningsplichtige wapens. • bewaring van meer dan 30 vergunningsplichtige wapens. Bij
overschrijding van één van deze drempels dienen steeds strengere veiligheidsmaatregelen te worden genomen
(331). . Veiligheidsmaatregelen die altijd van toepassing zijn Elke particulier moet
bij de opslag van vergunningsplichtige vuurwapens op de verblijfplaats de volgende veiligheidsmaatregelen
naleven : 1° de wapens moeten ongeladen worden bewaard. Een wapen wordt als ongeladen beschouwd
als « de kulas, de kamer en de lader die op het wapen is bevestigd noch een voortstuwend element, noch
een projectiel, noch een patroon bevatten die kan worden afgevuurd ». Daarom mag een revolver,
een pistool of een geweer geen patroon in de kamer bevatten. Uit deze definitie volgt ook dat het wapen
niet mag worden bewaard met een lader waarin patronen zitten. Deze beperking is van toepassing voor alle
particulieren. Enkel als de vergunning werd uitgereikt met de wettige reden « persoonlijke verdediging
» mag het wapen geladen worden bewaard. 2° de wapens en de munitie moeten steeds buiten het
bereik van kinderen worden bewaard. 3° de wapens en de munitie mogen niet « ogenblikkelijk »
toegankelijk zijn. Men moet vermijden dat een onbevoegde (of een inbreker) die de wapens vindt,
ook onmiddellijk de munitie vindt, zodat hij direct over een bruikbaar wapen beschikt. Daarom moeten
de wapens en de munitie bijvoorbeeld in een andere kast worden bewaard. Het is af te raden om munitie
te bewaren in een kluis. Bij brand kan er dan immers drukophoping ontstaan, met mogelijk ontploffingsgevaar. 4°
de wapens en de munitie moeten bewaard worden op een plaats die geen uiterlijk kenteken draagt dat er
zich een wapen of munitie in bevindt. De bedoeling van deze regel is dat men onbevoegden niet
de weg wijst naar een plaats waar wapens opgeslagen liggen. 5° eveneens mogen werktuigen die
een inbraak kunnen vergemakkelijken niet langer dan noodzakelijk worden achtergelaten in de nabijheid
van plaatsen waar de wapens worden bewaard. Men mag dus ook geen ladders laten slingeren die
toegang kunnen geven tot een venster van een wapenkamer. Bij diefstal, of bij poging tot diefstal
van een vuurwapen, een los onderdeel, munitie, registers of documenten met betrekking tot het wapen moet
onmiddellijk aangifte worden gedaan bij de politie. Binnen de 48 uur dienen precieze gegevens over de
aard van de gestolen zaken te worden doorgegeven. Er moet eveneens aangifte gebeuren bij de gouverneur. In
veel politiezones kan men technopreventief advies vragen aan een veiligheidsadviseur van de lokale politie.
Deze adviseur onderzoekt dan de woning en duidt zwakke plekken aan. Er worden tevens tips voor beveiliging
gegeven. In sommige gemeenten worden hiervoor subsidies toegekend (bijvoorbeeld voor het plaatsen van
een inbraakwerende deur). . Opslag van 1 tot en met 5 vergunningsplichtige wapens Wapens
moeten veilig worden opgeslagen, zodat oneigenlijk gebruik of vervreemding bemoeilijkt wordt. Ze mogen
niet onbeveiligd rondslingeren in de woning. Wie minder dan 6 vergunningsplichtige wapens heeft, dient
minstens één van de volgende veiligheidsmaatregelen te nemen : 1° aanbrengen van een veiligheidsslot
(bijvoorbeeld een trekkerslot met cijfercode of met sleutel); 2° wegnemen en afzonderlijk bewaren
van een voor de werking van het wapen essentieel onderdeel (bijvoorbeeld de grendel of de loop van het
wapen verwijderen en opslaan in een andere kast dan de kast waarin het wapen is opgeslagen); 3°
het bevestigen van het wapen met een ketting aan een vast punt (bijvoorbeeld aanbrengen van een ketting
of staaldraad in de trekkerbeugels van de wapens die naast elkaar staan in een rek, en deze ketting of
staaldraad met een slot vastmaken aan een punt dat vastzit in de muur). De particulier kan dus
zelf kiezen welke veiligheidsmaatregelen hij neemt. Hij kan de verschillende maatregelen combineren,
of voor verschillende wapens andere veiligheidsmaatregelen toepassen. De bedoeling is dat voor elk wapen
minstens één van de genoemde maatregelen genomen is. . Opslaan van minder dan 11 vergunningsplichtige
wapens Wie van 6 tot 11 vergunningsplichtige wapens opslaat, dient ze te bewaren in een slotvaste
en in stevig materiaal gemaakte wapenkast. Deze kast kan niet gemakkelijk worden opengebroken, en mag
geen uiterlijk kenteken dragen waaruit blijkt dat erin wapens worden bewaard. De regelgeving
legt geen verplichting op om een bepaald type kast te gebruiken. De bedoeling is dat de wapens worden
bewaard in een stevige kast, die bovendien kan worden afgesloten en enige weerstand biedt bij inbraak.
In de praktijk kan gedacht worden aan stevige metalen kantoorkasten met een hangslot of aan in massief
hout uitgevoerde kasten of koffers die behoorlijk kunnen worden afgesloten. Uiteraard geldt
dat, eens de drempel van 5 wapens overschreden is, alle wapens moeten worden bewaard in die kast. Het
louter bezitten van een dergelijke kast is niet voldoende. . Opslaan van meer dan 10, maar minder
dan 31 vergunningsplichtige wapens Wie van 10 tot 30 vergunningsplichtige wapens opslaat, moet
die allemaal bewaren in een daarvoor ontworpen wapenkluis. De regelgeving legt geen technische normen
op. Wel is vereist dat de wapenkluis afgesloten is met een mechanisme dat niet kan worden geopend dan
met behulp van een elektronische, magnetische of mechanische sleutel, een alfabetische of numerieke combinatie
of een biometrische herkenning. De wapenkluizen die courant in de handel verkocht worden volstaan hier.
Het is niet vereist dat ze aan een minimum technische veiligheidsnorm voldoet. Als de kast minder dan
150 kg weegt, is het aan te raden ze vast te maken in de muur. De wapenkluis en de munitie moeten
zich in een ruimte bevinden waarvan alle toegangen en ramen behoorlijk zijn afgesloten. De sleutels van
de wapenkluis en die van de ruimte waarin de wapenkluis zich bevindt, mogen niet op de sloten worden
gelaten. Die sleutels moeten op een veilige plaats, buiten het bereik van kinderen en derden worden bewaard.
Alleen de eigenaar mag toegang hebben tot deze sleutels. Wie veel wapens opslaat, dient dus
mogelijk meerdere kluizen te kopen om die wapens in te bewaren. Het KB laat echter ook de keuze voor
een alternatief toe. De wapens moeten niet worden bewaard in een kluis als de toegangen van het lokaal
waarin de wapens zijn opgeslagen, voldoen aan de volgende normen : • deuren in vol hout,
die minstens 4 cm dik zijn, of in een ander materiaal van vergelijkbare sterkte, of deuren met gelaagd
glas; • in de toegangsdeur tot de wapenkamer en de buitendeuren van het gebouw moeten
ten minste 2 dievenklauwen worden aangebracht; • de toegangsdeur moet zijn uitgerust
met hetzij een driepuntsslot dat 5 minuten weerstand biedt bij inbraak, hetzij een combinatie van drie
sloten die samen 5 minuten weerstand bieden bij inbraak. Bij een appartementsgebouw kan het
dus al voldoende zijn om een gepantserde inbraakbestendige voordeur te plaatsen met een degelijk slot.
Alle ruimtes voldoen dan aan de norm, zodat de wapens in een kamer binnen het appartement kunnen worden
opgeslagen zonder dat ze nog in een kluis hoeven te liggen. Een particulier kan er ook voor
kiezen om ineens de normen na te leven voor de opslag van meer dan 30 vergunningsplichtige wapens (klasse
G). Wie in orde is met deze strengere norm, moet geen rekening houden met de andere specifieke normen
voor opslag (trekkerslot, wapenkast of kluis, ...). Uiteraard moeten de veiligheidsmaatregelen die altijd
van toepassing zijn wel worden nageleefd. . Opslaan van meer dan 30 vergunningsplichtige wapens Wie
meer dan 30 vergunningsplichtige wapens opslaat, moet voldoen aan de veiligheidsmaatregelen van klasse
G (332). . Equivalente beveiliging Het KB laat eveneens toe om andere veiligheidsmaatregelen
te nemen, voor zover deze maatregelen gelijkwaardig zijn met de maatregelen die in het besluit worden
opgelegd. Deze gelijkwaardigheid wordt beoordeeld door de lokale politie of de andere diensten die bevoegd
zijn om wapenbezit te controleren. Er kan ook vooraf met deze diensten overlegd worden. Op basis
van voorgelegde stukken over de te nemen veiligheidsmaatregelen (bijvoorbeeld documentatie over een inbraakwerende
deur die geplaatst wordt bij nieuwbouw), kan de overheid dan beslissen dat de maatregelen voldoende zijn.
Een wapenbezitter die verbouwingen plant, en zeker wenst te zijn dat alle genomen veiligheidsnormen voldoende
zijn, kan dus vooraf zekerheid krijgen hierover na overleg met de lokale politie. Het is dus
steeds mogelijk om zelf initiatief te nemen en aan de lokale politie te vragen of zij schriftelijk kan
bevestigen dat veiligheidsmaatregelen equivalent zijn aan de in het besluit opgesomde maatregelen. Zo
kan bijvoorbeeld gevraagd worden dat tijdens een controle wordt bevestigd dat de toegangen tot de ruimtes
waar de wapens zich bevinden voldoende beveiligd zijn, zodat geen kluis meer nodig is. Deze werkwijze
biedt het voordeel dat de wapenbezitter vooraf zeker is dat de genomen maatregelen afdoende zijn. .
Inwerkingtreding De veiligheidsmaatregelen die door elke wapenbezitter moeten worden in acht
genomen, werden verplicht op 25/4/09. Wapenbezitters moesten uiterlijk tegen 25/4/10 de veiligheidsmaatregelen
nemen die van toepassing zijn naargelang het aantal vergunningsplichtige wapens dat ze bezitten. .
Tentoonstellen van vergunningsplichtige wapens op de verblijfplaats Het is mogelijk om lange
wapens toegestaan voor de jacht tentoon te stellen op de verblijfplaats. Daarbij moet rekening
gehouden worden met het volgende : • de tentoongestelde wapens moeten ongeladen zijn; •
ze moeten onbruikbaar gemaakt zijn door een veiligheidsslot of door een voor de werking essentieel onderdeel
afzonderlijk te bewaren; • ze moeten stevig zijn vastgemaakt aan het slotvaste etalagemeubel
waarin ze zijn tentoongesteld; • ze mogen niet worden tentoongesteld samen met de munitie
die ze kunnen afvuren; • het wapen en de munitie mogen niet ogenblikkelijk samen toegankelijk
zijn. Deze regels werden van toepassing op 25/4/09. . Veiligheidsmaatregelen tijdens
het onderhoud van vuurwapens Tijdens het onderhoud van vuurwapens dienen de volgende veiligheidsmaatregelen
te worden nageleefd : • het wapen moet ongeladen zijn, tijdens het manipuleren wordt
de loop steeds in een veilige richting gehouden; • het magazijn of de lader van het wapen
moet worden leeggemaakt; • de trekker mag alleen worden overgehaald als het wapen leeg
is, en als de loop in een veilige richting wijst. Deze regels zouden voor de wapenbezitter niet
nieuw mogen zijn. Alle fabrikanten en organisaties geven deze adviezen al mee. Ze werden verplicht vanaf
25/4/09. . Veiligheidsmaatregelen tijdens het vervoer van vuurwapens Het vervoer van
wapens wordt deels geregeld in de wapenwet. Vergunninghouders, jagers, bijzondere wachters, sportschutters
en houders van een Europese vuurwapenpas afgegeven in een andere lidstaat van de EU mogen vuurwapens
vervoeren (333). De wapens mogen alleen vervoerd worden tussen hun woonplaats en hun verblijfplaats,
of tussen hun woon- of verblijfplaats (334) en de schietstand of het jachtterrein, of tussen hun woon-
of verblijfplaats en een erkende persoon. Tijdens het vervoer dienen de vuurwapens ongeladen en verpakt
te zijn in een afgesloten koffer (bv. een autokoffer indien deze gescheiden is van de rest van het voertuig
en indien deze op slot kan; het mag ook de koffer zijn van een breakwagen of jeep indien de hele auto
op slot is en indien de munitie aan het zicht is onttrokken), of uitgerust te zijn met een trekkerslot
of een equivalente beveiliging. Een beveiliging is equivalent als ze dezelfde waarborgen biedt tegen
diefstal of tegen oneigenlijk gebruik van het wapen. In het KB worden bijkomende veiligheidsmaatregelen
opgelegd die in acht moeten worden genomen tijdens het vervoer : • de wapens moeten ongeladen
zijn, de laders leeg. De laders kunnen dus niet thuis worden gevuld; • het wapen moet
onbruikbaar zijn gemaakt door een veiligheidsslot of door het wegnemen van een voor zijn werking essentieel
onderdeel. Als alternatief kan het wapen gedemonteerd worden vervoerd; • het wapen mag
niet in het zicht liggen, en het moet buiten handbereik worden vervoerd in een slotvaste koffer of etui; •
de munitie moet veilig verpakt worden (bij voorkeur in haar originele verpakking of in een munitiedoosje); •
bij vervoer met een motorvoertuig moeten de etuis met het wapen en de munitie in de slotvaste koffer
(zie hoger) van het voertuig worden vervoerd. Dit is niet van toepassing op het jachtterrein; •
het voertuig mag niet onbewaakt achterblijven terwijl de wapens erin opgeslagen liggen. Het is daarom
aangeraden in de onmiddellijke nabijheid van de schietstand te parkeren, bij voorkeur in het zicht van
bijvoorbeeld de cafetaria. De bewaking mag ook worden gedaan met behulp van honden of een camera. Deze
nieuwe veiligheidsmaatregelen van toepassing tijdens het vervoer moeten worden nageleefd vanaf 25/4/09. .
Toezicht op de naleving van de veiligheidsmaatregelen In tegenstelling tot wat het geval is
met de erkende personen, voorziet het KB niet in specifieke controle vooraf bij aanvraag van een vergunning,
noch in een specifieke periodieke controle van de naleving van de veiligheidsmaatregelen door particulieren.
Dit betekent echter niet dat er geen controle op is : vermits de periodieke controle slaat op de naleving
van de wet, slaat ze ook op de uitvoeringsbesluiten. Ook is voorzien dat de politie in het advies aan
de gouverneur moet rapporteren over de veiligheidsnormen (335). Bij aanvraag van een vergunning
vraagt de gouverneur advies aan de lokale politie die onder meer onderzoekt of de aanvrager gevaar voor
de openbare orde kan opleveren. Men zal de betrokkene vragen welke veiligheidsmaatregelen hij heeft genomen
of zal nemen. Ook naar aanleiding van de 5-jaarlijkse controle van het wapenbezit op initiatief
van de gouverneur zal het veiligheidsaspect worden gecontroleerd. Wie zijn wapens niet bewaart
op de voorgeschreven manier neemt het risico zijn vergunning op het spel te zetten. Bovendien zal hij
aansprakelijk worden gesteld als er zich een incident voordoet met zijn wapen dat onveilig werd bewaard. 9.2.4.
Gebruik De vergunning geeft het recht om het wapen voorhanden te hebben, al dan niet met munitie. Het
gebruik van het wapen moet ook na het verkrijgen van de vergunning voor het voorhanden hebben ervan steeds
op één of andere manier kaderen binnen de opgegeven wettige reden. Zo kan de gouverneur bij
de 5-jaarlijkse controle (336) nagaan of de wettige reden nog aanwezig is. Is dat niet het geval dan
kan hij de wapenvergunning beperken, schorsen of intrekken (337). Voorbeelden : - Een
houder van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig wapen met als wettige
reden « sportschieten » mag zijn wapen thuis of in zijn tuin niet gebruiken. - Anderzijds kan
een jager verantwoorden dat hij met een vergund jachtgeweer op een schietstand schiet met een dagkaart
om zijn wapen te onderhouden en te testen of om de richtmiddelen af te stellen. Hij kan met het wapen
evenwel niet deelnemen aan schietwedstrijden, behalve in het kleischieten. - Iemand die de intentie
heeft om een verzameling historische wapens uit te bouwen, mag niet schieten met de wapens de deel zullen
uitmaken van de collectie. - Tenslotte is het bijvoorbeeld ook niet toegestaan om als sportschutter
zijn wapens tevens te gebruiken bij de uitoefening van een activiteit die bijzondere risico's inhoudt. Gebruik
van een vergund wapen dat niet kan worden gekaderd binnen de opgegeven wettige reden maakt een illegale
activiteit uit waarop ernstige straffen staan (338). 9.2.5. Lenen van een wapen Houders
van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen (339) mogen aan elkaar vuurwapens uitlenen
onder de volgende voorwaarden : 1° het betreft alleen vuurwapens van het type dat de ontlener
mag voorhanden hebben en met het oog op een toegelaten activiteit op basis van het document (340) waarvan
hij houder is (341); 2° de vuurwapens mogen slechts worden uitgeleend voor de duur van de activiteit
waarvoor ze worden geleend en voor het vervoer van en naar de plaats waar die plaatsvindt; 3°
de vuurwapens mogen alleen worden voorhanden gehouden, gedragen en gebruikt op de plaats waar de activiteit
waarvoor ze worden ontleend, plaatsvindt; 4° de ontlener kan een door de uitlener ondertekend
schriftelijk akkoord voorleggen, evenals een kopie van het in de bepaling onder 1° bedoelde document,
behalve indien de uitlener aanwezig is. 9.2.6. Vervoer Houders van een vergunning tot
het voorhanden hebben van een vuurwapen mogen het wapen vervoeren tussen hun woonplaats en hun verblijfplaats,
of tussen hun woon-of verblijfplaats en de schietstand of het jachtterrein, of tussen hun woon- of verblijfplaats
en een erkende persoon. Tijdens het vervoer dienen de vuurwapens ongeladen verpakt te zijn in een afgesloten
koffer of voorzien te zijn van een trekkerslot of een equivalente beveiliging (342). Verder
mag een particulier een vergunningsplichtig wapen enkel vervoeren als de volgende voorwaarden worden
nageleefd : (343) 1° het wapen is ongeladen en de vervoerde magazijnen zijn leeg; 2°
het wapen is onbruikbaar gemaakt door een veiligheidsslot of door het wegnemen van een voor zijn werking
essentieel onderdeel; 3° het wapen wordt buiten het zicht en buiten handbereik vervoerd, in
een geschikte en slotvaste koffer of etui; 4° de munitie wordt veilig verpakt vervoerd in een
geschikte en slotvaste koffer of etui; 5° als het vervoer met de wagen gebeurt, worden de koffers
of de etuis met het wapen en de munitie vervoerd in de slotvaste koffer van het voertuig. Deze bepaling
is niet van toepassing op het jachtterrein (zie hoger voor voorbeelden); 6° het voertuig blijft
niet zonder toezicht achter (zie hoger voor voorbeelden). 9.2.7. Herstelling De houder
van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen moet bij de vervanging van een kapot essentieel
onderdeel van dat wapen een nieuwe aanvraag van een vergunning tot het voorhanden hebben ervan (model
4) indienen. Er zijn twee mogelijkheden : 1. ofwel legt de aanvrager een attest van
vernietiging door de Proefbank voor vuurwapens voor. In dat geval zal de « oude » vergunning voor het
betreffende vuurwapen kosteloos worden aangepast. Het voorwerp van de vergunning verandert immers niet
en dus moet geen retributie worden betaald. 2. ofwel legt de aanvrager geen vernietigingsattest
voor. In dat geval wordt de aanvraag als een « klassieke » aanvraag behandeld. De aanvrager betaalt dus
een retributie en een nieuwe vergunning wordt afgegeven. Het betreft alle onderdelen die aan
de wettelijke proef onderworpen zijn, zoals bv. de loop, de trommel, enz. De omwisseling van
een defect onderdeel wordt tevens besproken onder punt 19. 9.2.8. Munitie Houders van
een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen mogen voor dat wapen munitie aankopen en voorhanden
hebben, tenzij de vergunning werd afgegeven met uitsluiting van munitie (344). Het betreft evenwel
uitsluitend de munitie voor het wapen waarvoor zij een vergunning hebben of dat zij rechtmatig voorhanden
houden onder de voorwaarden van artikel 12 wapenwet. Particulieren kunnen dus geen munitie verwerven
als hun vergunning niet geldig is voor het verkrijgen van dat type munitie. Ook voor de aankoop
en het voorhanden hebben van patroonhulzen of projectielen dient men in het bezit te zijn van een vergunning
tot het voorhanden hebben van een vuurwapen, tenzij zij onbruikbaar werden gemaakt (345). Het
is evenwel verboden om volgende munitie te vervaardigen, te verkopen, op te slaan of voorhanden te hebben
: (346) 1° indringende, brandstichtende of ontploffende munitie; 2° opensplijtende
munitie voor pistolen en revolvers; 3° projectielen voor deze munitie. 10. Wapendracht
door particulieren : algemene regels 10.1. Notie Wie houder is van een vergunning tot
het voorhanden hebben van een wapen, mag dat wapen daarom nog niet naar believen bij zich dragen. Traditioneel
wordt het begrip « een wapen dragen » opgevat als het wapen nemen, het bij zich houden in een zak of
in een etui of nog, het binnen handbereik hebben zodat het onmiddellijk bruikbaar is. Het loutere gebruik
van een wapen impliceert al dat het gedragen wordt. Anderzijds beschouwt men wapendracht als een openbare
aangelegenheid. Er is sprake van wapendracht als dit gebeurt op de openbare weg, op een openbare plaats,
of wanneer het zichtbaar is vanaf een openbare weg of plaats. Het vervoeren van een wapen is
strikt genomen dus ook te beschouwen als wapendracht, als de regels voor het vervoer niet worden nageleefd
waardoor het wapen onmiddellijk bruikbaar is (b.v. vervoer van een wapen in een handschoenenkastje of
binnen handbereik onder de zetel van het voertuig). Voor vervoer gelden de hierboven vermelde bijzondere
regels (347). Het dragen van een wapen in een tuin zal wapendracht zijn als het zichtbaar is vanaf een
publiek toegankelijke plaats. Binnenshuis daarentegen is er geen sprake van wapendracht. Wapendracht
is steeds onderworpen aan een wettige reden. Dit geldt voor alle soorten wapens. Men moet dus steeds
een aanvaardbare reden kunnen geven waarom men op een bepaald moment een bepaald wapen draagt (348). Voor
vergunningsplichtige vuurwapens volstaat dit niet. Daar is in principe ook een wapendrachtvergunning
noodzakelijk, maar voor jagers en sportschutters bestaat er een gunstregeling (349). 10.2. Omstandigheden
waarin een wapen vrij mag worden gedragen De houder van een vergunning tot het voorhanden hebben
van een vergunningsplichtig wapen of van een gelijkwaardig document mag dit wapen dragen in de woning
waar hij zijn woon- of verblijfplaats heeft gevestigd. Buiten zijn woon- of verblijfplaats kan
hij in overeenstemming met artikel 21 WW het wapen vervoeren tussen zijn woon- en verblijfplaats, of
tussen zijn woon- of verblijfplaats en de schietstand of het jachtterrein, of tussen zijn woon- of verblijfplaats
en een erkende persoon. Tijdens het vervoer dienen vuurwapens ongeladen en verpakt te zijn in een afgesloten
koffer, of uitgerust te zijn met een trekkerslot of een equivalente beveiliging. Artikel 15
WW laat aan jagers en sportschutters toe hun wapens te dragen zonder wapendrachtvergunning in het kader
van de beoefening van hun activiteit. Voor de jacht en het sportschieten, daarin begrepen het parcoursschieten,
is er dus geen wapendrachtvergunning meer nodig. In alle gevallen moet de houder de vergunning
tot het voorhanden hebben van het betrokken wapen bij zich houden, of het document dat zijn hoedanigheid
aantoont én het registratiebewijs van het wapen. In alle andere omstandigheden is voor het dragen
van een vergunningsplichtig vuurwapen een wapendrachtvergunning vereist. De overgebleven redenen om een
wapendrachtvergunning aan te vragen zijn vooral van professionele aard (maar in geval het gaat over bewakingsagenten
is de aparte procedure bij de Minister van Binnenlandse Zaken van toepassing) of met het oog op persoonlijke
verdediging. 10.3. Vergunningsprocedure (350) 10.3.1. Bevoegdheid De wapendrachtvergunning
wordt afgegeven door de gouverneur na gemotiveerd advies van de procureur des Konings van het arrondissement
waar de verblijfplaats van de aanvrager is gevestigd. Het betreft een gebonden bevoegdheid. Alle gouverneurs
worden geacht de wet op dezelfde manier, zoals beschreven in deze omzendbrief, toe te passen. Indien
de aanvrager geen verblijfplaats heeft in België, moet hij zijn aanvraag indienen bij de dienst wapens
van de Staatsveiligheid. 10.3.2. Ontvankelijkheid Een wapendrachtvergunning kan slechts
worden afgegeven voor een wapen dat de aanvrager regelmatig voorhanden heeft, dus op basis van een vergunning
tot voorhanden hebben ervan of een gelijkwaardig document. Wanneer het gaat om een beroepsactiviteit
wordt het wapen vaak voorhanden gehouden door een rechtspersoon die de wapendrachtvergunning aanvraagt
voor één van zijn personeelsleden. De aanvraag moet de volgende vermeldingen bevatten : •
de identificatie van de aanvrager : naam, voornamen, nationaliteit, adres, plaats en datum van geboorte; •
de identificatie van het wapen of de wapens waarop de aanvraag betrekking heeft : aard, merk, model,
type, kaliber en serienummer; • de vermeldingen betreffende de vergunning tot het voorhanden
hebben van het betrokken wapen : overheid, datum van afgifte en nummer van de vergunning; •
de redenen van de aanvraag, met name een omschrijving van de omstandigheden waarin het wapen zal worden
gedragen. 10.3.3. Onderzoek De wet bepaalt uitdrukkelijk dat de wapendrachtvergunning
de voorwaarden moet vermelden waaraan het dragen van het wapen is onderworpen. Daarom moet de aanvrager
de redenen aangeven waarom hij de vergunning aanvraagt, evenals de omstandigheden waarin hij het wapen
zal dragen. De belangrijkste redenen die worden ingeroepen zijn de volgende 2 : • Persoonlijke
verdediging : dit is de hoofdreden waarom een wapendrachtvergunning wordt aangevraagd. Net zoals bij
de aanvraag van de noodzakelijk eerder verkregen vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen om
die reden, moet worden aangetoond dat de aanvrager een bijzonder, de normale grenzen overschrijdend gevaar
loopt en dat het dragen van dit wapen dit gevaar kan doen verminderen (351); • Beroepsactiviteit
: de beroepsactiviteit van de aanvrager kan hem in situaties doen terechtkomen waarin zijn leven is bedreigd.
Werknemers van een bewakingsonderneming of een interne bewakingsdienst kunnen terecht bij de minister
van Binnenlandse Zaken. Privédetectives mogen niet gewapend zijn. Voor andere beroepscategorieën geldt
de regel dat geen enkele categorie op zich het dragen van een vuurwapen verantwoordt en dat elke aanvraag
op zich wordt onderzocht (352). Ook de persoonlijkheid van de aanvrager wordt opnieuw onder
de loep genomen, op dezelfde wijze als op het moment van de aanvraag van de vergunning tot het voorhanden
hebben van het wapen. 10.3.4. Ambassadepersoneel e.d. Als de aanvrager deel uit maakt
van het personeel van een diplomatieke of daarmee gelijkgestelde missie, valt hij, voor wat betreft de
afgifte van een wapendrachtvergunning, onder de bevoegdheid van de gouverneur (met uitzondering van de
personen die de diplomatieke status genieten en die rechtstreeks onder de bevoegdheid van de minister
van Justitie vallen). De aanvragen kunnen door de betrokken persoon zelf of door bemiddeling
van de Dienst Protocol van de FOD Buitenlandse Zaken worden ingediend bij de diensten van de gouverneur. De
gouverneur wordt verzocht : • advies in te winnen van de Staatsveiligheid alvorens een
beslissing te nemen inzake de aanvraag; • de Staatsveiligheid van de genomen beslissing
kennis te geven zodat deze administratie een totaalbeeld verkrijgt van de wapens die door het personeel
van de diplomatieke missies en het daarmee gelijkgesteld personeel worden gedragen. 10.3.5.
Het medisch attest Het MB van 16/10/08 houdende erkenning van de artsen bevoegd voor het afgeven
van een attest bedoeld in artikel 14 van de wapenwet bepaalt dat de aanvraag van een wapendrachtvergunning
moet vergezeld gaan van een attest afgegeven door de geraadpleegde arts dat de betrokkene geen fysieke
of mentale tegenindicaties vertoont voor het dragen van een vuurwapen (353). Het betreft de
volgende arts : • ofwel de huisarts die het globaal medisch dossier van de aanvrager
beheert, of die verklaart hem sinds minstens een jaar op te volgen; • ofwel een psychiater
of neuropsychiater (als de aanvrager geen vaste huisarts heeft of voor deze optie kiest). Voor
bewakingsagenten gelden andere regels. Het gaat hier niet over een eenvoudig attest zoals dat
vereist bij de aanvraag van een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen, waarin een vrij te
kiezen arts verklaart dat de betrokkene in staat is een vuurwapen te hanteren zonder gevaar voor zichzelf
of voor anderen. De eisen zijn uiteraard hoger omdat het gaat om een vergunning voor een activiteit met
een hoger risico. Er moeten garanties zijn dat de arts de betrokkene goed kent door ervaring of na grondig
onderzoek. De arts kan zich vanzelfsprekend alleen baseren op wat hij kan weten op het ogenblik van de
aanvraag van het attest en kan achteraf niet verantwoordelijk worden gesteld als de betrokkene toch een
incident uitlokt, veroorzaakt door een nog onbekende factor. Voor het attest worden typeformules verspreid
bij de artsen. 10.3.6. Termijn De behandelingstermijn voor een aanvraag is dezelfde
als die voor een vergunning model 4 (vier maanden vanaf de ontvangst van de aanvraag). 10.3.7.
Beslissing De wapendrachtvergunning wordt afgegeven voor een duur van ten hoogste drie jaar.
Voor het verstrijken van die termijn moet de houder van de vergunning, indien hij dat wenst, om de hernieuwing
ervan verzoeken. De vergunning kan uiteraard voor een kortere duur worden afgegeven als daartoe
een reden bestaat of als de aanvrager dit wenst. Elke beslissing tot toekenning of tot weigering
van de vergunning moet afdoende worden gemotiveerd. 10.3.8. Model 5 Op de wapendrachtvergunning
moeten de voorwaarden waaraan het dragen van het wapen onderworpen is, worden vermeld, bijvoorbeeld : •
dat het dragen van het wapen al dan niet is beperkt tot de uitoefening van een beroepsactiviteit die
dan moet worden vermeld; • de omstandigheden, binnen het kader van die activiteit, waarin
het dragen van het wapen is toegestaan : het is mogelijk dat alleen bepaalde handelingen van de beroepsactiviteit
het dragen van het wapen rechtvaardigen. De wapendrachtvergunning wordt opgemaakt als een formulier
model 5. Met het oog op de vereenvoudiging en de eenvormigheid wordt dit type van vergunning
uitsluitend gedrukt door het Belgisch Staatsblad en kan het alleen bij de Federale Wapendienst worden
verkregen. De wapendrachtvergunning is een authentiek stuk waarop bij afgifte een stempel en
een droogstempel worden aangebracht. Het is het enige document in het kader van de wapenwetgeving waarop
een pasfoto van de houder moet worden aangebracht. Het stuk draagt een uniek nummer dat wordt voorafgegaan
door het nummer van de provincie en de laatste twee cijfers van het jaar van uitgifte, volgens de volgende
structuur : 5/1/10/0001 5 = de wapendrachtvergunning; 1 = code van de provincie
(354); 10 = jaar van uitreiking; 0001 = het druknummer. Binnen acht dagen
te rekenen vanaf de afgifte van de vergunning of van de hernieuwing ervan moet de gouverneur ervoor zorgen
dat de wapendrachtvergunning is ingeschreven in het CWR. 10.3.9. Beroep In geval de
gouverneur de wapendrachtvergunning weigert of haar onderwerpt aan voorwaarden, en eveneens wanneer de
gouverneur een administratieve sanctie (beperking, schorsing of intrekking) oplegt, kan beroep ingesteld
worden bij de minister van Justitie. Dit kan niet als de beslissing van de gouverneur is gebaseerd
op de onontvankelijkheid van de aanvraag. In dat geval staat enkel het gewone administratief beroep bij
de Raad van State open. Zoals alle beroepen bij de minister van Justitie moet het beroep binnen
15 dagen na ontvangst van de beslissing van de gouverneur bij aangetekend schrijven worden gestuurd aan
de Federale Wapendienst. Het verzoekschrift moet gemotiveerd zijn en vergezeld gaan van een kopie van
de bestreden beslissing. Het beroep is onontvankelijk als aan deze voorwaarden niet is voldaan. Het
beroep wordt behandeld in overeenstemming met de in punt 9.1.15 uiteengezette regels. 10.3.10.
Wijziging van de vergunning De vergunning vermeldt niet langer het adres van de houder. Dit
betekent dat bij adreswijziging er door hem niets meer hoeft te worden ondernomen. Andere wijzigingen,
zoals van het op de vergunning vermelde wapen of de omstandigheden waarin het mag worden gedragen, vereisen
het aanvragen van een nieuwe vergunning. 10.3.11. Administratieve sancties De wet voorziet
in de mogelijkheid om de wapendrachtvergunningen te beperken, te schorsen of in te trekken. Die bevoegdheid
wordt toegekend aan de gouverneur, alsook aan de minister van Justitie als hij de vergunning heeft afgegeven. De
vergunning kan in drie gevallen worden geschorst of ingetrokken : • als blijkt dat het
dragen van het wapen de openbare orde kan verstoren; • als de voorwaarden waaraan het
dragen van het wapen is onderworpen, niet zijn in acht genomen; • als de redenen die
zijn ingeroepen om de wapendrachtvergunning te verkrijgen, niet langer gelden. De beslissing
van de gouverneur (of de minister van Justitie) tot beperking, intrekking of schorsing van de vergunning
moet met redenen zijn omkleed en de omstandigheden ervan moeten worden aangegeven. Over het algemeen
zal die beslissing steunen op een politieverslag, op een lopend onderzoek, of op een gerechtelijke beslissing. De
redenen die ertoe aanleiding kunnen geven dat een wapendrachtvergunning wordt geweigerd, kunnen ook leiden
tot de schorsing of de intrekking ervan. Het gemotiveerd advies van de bevoegde procureur des
Konings moet worden ingewonnen alvorens een beslissing tot beperking, schorsing of intrekking van de
vergunning wordt genomen, behalve als die maatregel op het initiatief van voornoemde procureur wordt
genomen. De schorsing van de wapendrachtvergunning is een voorlopige maatregel die aangewezen
is als de houder zich in een voorlopige toestand bevindt. Ze is beperkt in de tijd. De intrekking
van de vergunning is aangewezen als de houder ervan zich in een definitieve toestand bevindt, bijvoorbeeld
wanneer tegen de houder een maatregel houdende intrekking van de vergunning tot het voorhanden hebben
van het betrokken wapen is genomen. Vanaf de betekening van de intrekking is het verboden het wapen te
dragen. Als de betrokkene hierom vraagt, moet hij vooraf schriftelijk of mondeling worden gehoord.
Hij moet in staat worden gesteld zich vooraf te verdedigen tegen de negatieve elementen waarvan hij geen
kennis had (hoorrecht). Ingeval de gouverneur (of de minister van Justitie) besluit een wapendrachtvergunning
te beperken, te schorsen of in te trekken, moet hij daarvan onverwijld aan de houder van de vergunning
kennis geven bij een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs. Binnen 8 dagen te rekenen vanaf
de maatregel moet de gouverneur ervoor zorgen dat die wijziging in het CWR wordt ingeschreven. 11.
Bijzondere regeling voor jagers (355) 11.1. Wie ? Niemand mag op het Belgische grondgebied
jagen tenzij men houder is van een jachtverlof (356). Houders van een jachtverlof mogen lange
wapens daar toegelaten waar het jachtverlof geldig is, evenals de daarbij horende munitie voorhanden
hebben op voorwaarde dat hun strafrechtelijke antecedenten, hun kennis van de wapenwetgeving en hun geschiktheid
om veilig een vuurwapen te hanteren, zijn nagegaan (357). Dit betekent dat jagers (d.w.z. houders
van een jachtverlof) sommige vergunningsplichtige vuurwapens voorhanden kunnen houden zonder vooraf een
wapenvergunning aan te vragen. Zij zijn met andere woorden wat die wapens betreft vrijgesteld van de
algemene vergunningsplicht, doch hieraan zijn enkele voorwaarden en verplichtingen gekoppeld. Het
jachtverlof wordt afgegeven namens het Vlaamse of het Waalse Gewest (358). Ook gelijkwaardige documenten
die werden afgeleverd in een andere lidstaat van de Europese Unie (359), of een door de Minister van
Justitie erkend document afgeleverd in een andere staat (360), verlenen het recht om de jacht te beoefenen
(361). 11.2. Welke wapens ? De bijzondere regeling voor jagers betreft enkel lange
wapens daar toegelaten waar het jachtverlof geldig is evenals de daarbij horende munitie. Het zijn dus
de jachtdecreten (en hun uitvoeringsbesluiten) van de plaats waar de jacht wordt beoefend, die bepalen
met welke wapens daar mag worden gejaagd. In Vlaanderen is dit het Vlaams jachtdecreet van 24/7/91
(362), in Wallonië is dit de oude jachtwet van 28/2/1882 (363), gewijzigd door het decreet van de Waalse
Regering van 14/7/94. Aangezien de toepassing van deze jachtdecreten plaatsgebonden is, moet
men dus in het bezit zijn van een jachtverlof afgegeven door de bevoegde overheden van de plaats waar
de activiteit plaatsvindt. Doordat de jacht in België een gewestmaterie is, zijn er enkele regionale
verschillen vast te stellen. Zo is het jagen met .22 karabijnen met randvuurkogelpatronen in het Vlaamse
gewest niet toegestaan voor de jacht, in tegenstelling tot het Waalse gewest waar dit wel wordt aanvaard
(364). Ook buiten de landsgrenzen kan dit voor verschillen zorgen. Zo kan iemand op basis van
een buitenlands jachtverlof een jachtwapen kopen in België, in zoverre hij kan bewijzen dat het wapen
is toegelaten als jachtwapen in het land dat het jachtverlof heeft uitgereikt. Dit geldt echter niet
voor korte vuurwapens die in Duitsland bijvoorbeeld wel zijn toegelaten voor de jacht. In Wallonië
mogen enkel volgende vuurwapens worden gebruikt voor het uitoefenen van de jacht (365) : 1°
geweren met gladde loop (lopen) met een minimum en maximum kaliber van respectievelijk "24" en "12"; 2°
karabijnen met getrokken loop (lopen) met een nominaal kaliber van ten minste 22 of 5,58 mm; 3°
gemengde wapens met hetzelfde kaliber dan dit vermeld in de punten 1° en 2°. Worden evenwel
verboden : 1° de automatische geweren; 2° de semi-automatische geweren waarvan het
magazijn meer dan twee patronen kan bevatten; 3° de geweren voorzien van kunstmatige lichtbronnen
of van voorzieningen om de prooi te verlichten; 4° de geweren voorzien van een vizier met een
beeldomzetter of een elektronische beeldversterker of elk ander instrument om 's nachts te schieten; 5°
de geweren voorzien van een geluiddemper. Een bijzonder geval betreft de uitoefening van de
jacht met een riotgun, meer bepaald een kort repeteerwapen met een gladde loop korter dan 60 cm en een
werking met pompactie. De riotgun moet worden ingedeeld bij de geweren met gladde loop van ten minste
het kaliber 24 en ten hoogste 12 en is bijgevolg toegelaten voor de jacht in Vlaanderen. Doordat de loop
korter is dan 60 cm en door de beperkte « choke » (of zelfs het ontbreken ervan) heeft de hagel vanaf
het verlaten van de loop een maximale spreiding, zodat de letaliteit van het schot zich situeert op circa
10 m. Op verdere afstand zal het dier niet gedood worden, doch enkel verwond. Bij de gewoonlijke gladloopgeweren
die wel geschikt zijn voor de jacht wordt, afhankelijk van het geviseerde wild en de gebruikte hagelpatronen,
gevuurd vanaf circa 20 m à 35 m, waarbij het de bedoeling is om een dodelijk schot af te vuren. Het gebruik
van de riotgun voor de jacht lijkt dan ook in strijd met de ethische principes van het jagen. Verder
zijn in het Waals gewest bij het jagen op de hierna genoemde soorten en categorieën wild slechts de genoemde
vuurwapens en munitie toegelaten : - Voor het schieten van het grof wild kunnen alleen karabijnkogels
gebruikt worden, waarvan het nominale kaliber minstens 6,5 mm is en die op 100 m van de loopmond een
energie kleiner dan 2 200 joules ontwikkelen. In afwijking van het eerste lid kunnen de volgende
kogels worden gebruikt : 1° voor de bersjacht of de loerjacht op de reebok : karabijnkogels
waarvan het nominale kaliber minstens 5,58 mm is en die op 100 m van de loopmond een energie kleiner
dan 980 joules ontwikkelen; 2° voor de drijfjacht op grof wild : kogelpatronen voor gladde loop
van het kaliber 12, 16 en 20, die op de inslag deformeerbaar zijn (366). - Voor het schieten
op het klein wild en op het waterwild kunnen alleen hagelpatronen gebruikt worden, waarvan de doorsnede
van de korrelgrootte van de hagel kleiner dan of gelijk aan 3,5 mm is. Voor het schieten van
het waterwild is het gebruik van hagelpatronen verboden op minder dan 50 meter van de moerassen, meren,
vijvers, bekkens, waterlopen, rivieren en kanalen. Het gebruik van hagelpatronen met nikkel blijft toegelaten
(367). - Voor het schieten op het overige wild kunnen alleen de volgende munities worden gebruikt
: 1° hagelpatronen waarvan de korrelgrootte van de hagel een doorsnede gelijk aan of kleiner
dan 4 mm is. 2° patronen van geweer of karabijn (368). - Voor het schieten van wild
met een karabijn is het verboden de volgende kogels te gebruiken : 1° militaire kogels, met
inbegrip van fosfor- en lichtspoorkogels; 2° patronen met volmantel; 3° kogels die
niet vervormen bij het treffen (369). In Vlaanderen worden enkel volgende geweren en bijhorende
munitie toegelaten voor de jacht op het grondgebied van het Vlaams Gewest : (370) 1° geweren
met gladde loop van tenminste het kaliber 24 en ten hoogste 12; 2° geweren met getrokken loop
met een nominaal kaliber van minstens .22 Engelse duim of 5,6 mm; 3° geweren met gladde en getrokken
loop die elk beantwoorden aan de in dit artikel gestelde grenzen voor een gladde respectievelijk getrokken
loop. Verder zijn in het Vlaams Gewest voor de uitoefening van de jacht met vuurwapens volgende
vuurwapens en middelen verboden : (371) 1° semi-automatische geweren waarvan het magazijn meer
dan twee patronen kan bevatten; 2° geweren, voorzien van kunstmatige lichtbronnen of voorzieningen
om de prooi te verlichten; 3° geweren, voorzien van een vizier met beeldomzetter of een elektronische
beeldversterker of elk ander instrument om 's nachts te schieten; 4° geweren, voorzien van een
geluidsdemper; 5° pistolen, automatische pistolen, machinepistolen en revolvers; 6°
machinegeweren. Tenslotte is in het Vlaams gewest bij het jagen met geweren op de hierna opgesomde
soorten en categorieën wild slechts volgende soorten munitie toegestaan : (372) a) jacht op
grofwild : 1° voor reewild : kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de normale trefenergie
minstens 980 J op 100 m afstand van de loopmond bedraagt; 2° voor overig grof wild (hert, everzwijn,
moeflon, damhert) : kogelpatronen voor getrokken loop met een nominaal kaliber, uitgedrukt of omgerekend
in millimeter niet kleiner dan 6,5 mm, en waarvan de normale trefenergie bovendien minstens 2.200 J op
100 m afstand van de loopmond bedraagt; 3° Voor alle grof wild : voor de drijfjacht op grof
wild zijn kogelpatronen voor gladde loop van het kaliber 20, 16 en 12 eveneens toegestaan. b)
Jacht op klein wild, waterwild : hagelpatronen waarvan de korrelgrootte van de hagel een doorsnede van
4 mm niet overschrijdt. c) Jacht op overig wild : hagelpatronen waarvan de korrelgrootte van
de hagel een doorsnede van 4 mm niet overschrijdt of kogelpatronen (...). Van de hier vermelde
kogelpatronen worden uitgesloten : randvuurkogelpatronen, fosfor- of lichtspoorkogels, patronen met een
volmantel en kogels die niet vervormen bij het treffen. Ten slotte is het gebruik van loodhagel
en zinkhagel verboden (373). 11.3. Welke handelingen? Jagers kunnen in het kader van
het gunstige uitzonderingsregime waaronder ze vallen bepaalde wapens toegelaten daar waar het jachtverlof
geldig is, voorhanden houden, overdragen, er munitie voor aankopen (374) en dragen. Alle andere regels
(bv. aangaande het vervoer en de nummering en registratie van vergunningsplichtige wapens) blijven evenwel
onverminderd van toepassing. Ze mogen de onder punt 11.2 bedoelde wapens uitsluitend gebruiken
binnen het kader van hun jachtactiviteiten. Ook hier zal de gewestelijke reglementering inzake de jacht
bepalen welke handelingen wel en welke niet binnen het betreffende gewest toegestaan zijn. Houders
van een jachtverlof kunnen - zonder over een wapendrachtvergunning te beschikken - hun wapens dragen
tijdens de jacht, d.w.z. op het jachtterrein en langs de jachtterreinen om zich te verplaatsen. Zij
mogen tevens de wapens vervoeren indien zij de veiligheidsvoorschiften naleven en dit tussen hun woonplaats
en hun verblijfplaats, of tussen hun woon-of verblijfplaats (375) en het jachtterrein, of tussen hun
woon- of verblijfplaats en een erkende persoon. Tijdens het vervoer dienen de vuurwapens ongeladen verpakt
te zijn in een afgesloten koffer of voorzien te zijn van een trekkerslot of een equivalente beveiliging
(376). Verder moet elke particulier die een vergunningsplichtig wapen vervoert (d.w.z. alleen
wanneer men het over de weg in een voertuig verplaatst) steeds de volgende voorschriften naleven : (377) 1°
het wapen is ongeladen en de vervoerde magazijnen zijn leeg; 2° het wapen is onbruikbaar gemaakt
door een veiligheidsslot of door het wegnemen van een voor zijn werking essentieel onderdeel; 3°
het wapen wordt buiten het zicht en buiten handbereik vervoerd, in een geschikte en slotvaste koffer
of etui; 4° de munitie wordt veilig verpakt vervoerd in een geschikte en slotvaste koffer of
etui; 5° als het vervoer met de wagen gebeurt, worden de koffers of de etuis met het wapen en
de munitie vervoerd in de slotvaste koffer van het voertuig (378). Deze bepaling is niet van toepassing
op het jachtterrein; 6° het voertuig blijft niet zonder toezicht achter als het geparkeerd staat
met wapens erin (379). 11.4. Model 9 Houders van een jachtverlof moeten voor het voorhanden
hebben of het verwerven van wapens bedoeld onder punt 11.2 geen vergunning aanvragen aangezien het jachtverlof
dienst doet als vergunning tot het voorhanden hebben of tot aankoop. Evenwel moeten zij hun wapens laten
registreren in het CWR. De overdracht van vergunningsplichtige wapens aan en tussen jagers kan
slechts geschieden na overlegging van hun identiteitskaart of reispas en het bewijs van hun hoedanigheid.
Een bericht van overdracht en een afschrift ervan, opgemaakt volgens het model 9, worden door de overdrager
binnen acht dagen na de overdracht toegezonden aan de gouverneur van de verblijfplaats van de verkrijger,
of als deze laatste geen verblijfplaats in België heeft, aan het CWR. De overdrager bewaart een afschrift
van het bericht van overdracht. Het andere afschrift wordt, voorzien van het registratienummer, door
de gouverneur toegezonden aan de lokale politie van de verblijfplaats van de verwerver (380). Deze laatste
verwittigt de gouverneur als de kenmerken van het wapen niet in overeenstemming zijn met de gegevens
op het model 9, zodat die de nodige aanpassingen kan doen. Als de overdracht van dergelijke
wapens plaatsvindt van een jager aan een wapenhandelaar, moet laatstgenoemde het wapen inschrijven in
zijn register. Middels een bericht van overdracht (model 9) moet de overdracht worden gemeld aan de gouverneur
bevoegd voor de verblijfplaats van de overdrager, of - als deze geen verblijfplaats in België heeft -
aan het CWR. De overdrager bewaart een afschrift van het model 9 (381). De gouverneur kan bij
de verwerking van de modellen 9 bijkomende informatie vragen die nodig is met het oog op een correcte
registratie en een verificatie van de juistheid van de gegevens. Dit kan bijvoorbeeld bestaan uit het
opvragen van een kopie van de identiteitskaart en het jachtverlof. Van zodra de gouverneur het
bericht van overdracht ontvangt, registreert hij het model 9 in het CWR en stuurt het model 9 met registratienummer
aan de lokale politie van de verblijfplaats van de verwerver die de identiteit van de wapenbezitter alsook
de kenmerken van het wapen controleert. 11.5. Administratieve sancties Indien blijkt
dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren, kan de gouverneur bevoegd voor
de verblijfplaats van de jager (en de Minister van Justitie indien de jager geen verblijfplaats in België
heeft) het recht om het wapen voorhanden te hebben bij een gemotiveerde beslissing beperken, schorsen
of intrekken. Dit doet hij na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings van het arrondissement
waar de betrokkene zijn verblijfplaats heeft (382). De procureur des Konings zal hiertoe beroep
doen op de lokale politie om een onderzoek te voeren. De schorsing of intrekking van het recht
om een wapen voorhanden te hebben is noodzakelijk voor diegenen die een vergunningsplichtig wapen mogen
voorhanden hebben zonder hiervoor over een vergunning te beschikken, indien het voorhanden hebben van
het wapen de openbare orde kan verstoren. Het betreft dus onder meer de jagers op basis van hun jachtverlof. De
schorsing is ook hier als maatregel aangewezen als de houder van het jachtverlof zich voorlopig in een
situatie bevindt waarin het voorhanden hebben van het vergunningsplichtig wapen nadelig kan zijn voor
de openbare orde. De schorsing is beperkt in de tijd. Indien ze langer duurt dan één jaar verdient het
aanbeveling het recht om het wapen voorhanden te hebben in te trekken. De intrekking is noodzakelijk
wanneer de houder van het jachtverlof zich voor een langere tijd in een situatie bevindt waarin het voorhanden
hebben van het vergunningsplichtig wapen nadelig kan zijn voor de openbare orde. Zowel de intrekking
als de schorsing hebben vanaf de kennisgeving ervan aan de houder van het jachtverlof het verbod tot
het voorhanden hebben van het betreffende wapen tot gevolg. De kennisgeving van de intrekkings-
of schorsingsbeslissing aan de houder van de vergunning gebeurt bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs
(383). De gouverneur geeft kennis van zijn intrekkings- of schorsingsbeslissing aan de lokale
politie van de verblijfplaats van de betrokkene, die hem op de hoogte houdt van de uitvoering van zijn
beslissing. Op die manier waakt de lokale politiedienst over de correcte uitvoering van de beslissing
van de gouverneur. Alvorens de beslissing te nemen, moet men de persoon de mogelijkheid geven
om te reageren (hoorrecht). De intrekking- of schorsingsbeslissing vermeldt de termijnen waarbinnen
het wapen in bewaring moet worden gegeven bij een erkend persoon of moet worden overgedragen aan een
erkend persoon of aan een persoon die gemachtigd is het wapen voorhanden te hebben (384). Binnen
8 dagen te rekenen vanaf de inbewaringgeving of overdracht van het betreffende wapen moet de persoon
die het in bewaring heeft gekregen of aan wie het is overgedragen de gouverneur ervan in kennis stellen
dat het wapen bij hem in bewaring is gegeven of aan hem is overgedragen. Dit gebeurt door middel van
een formulier dat de gouverneur bij de kennisgeving voegt (385). Er moet steeds een formulier
zijn en het onderscheid tussen de bewaargeving en de overdracht van het wapen moet er duidelijk uit blijken.
In beide gevallen gaat het feitelijke bezit van het wapen over naar de overnemer. Nochtans kan de verhouding
tussen partijen hen ertoe verplichten het wapen terug te geven (bij bewaargeving), dan wel een definitieve
overdracht beogen. In alle gevallen moeten de nodige formaliteiten worden nageleefd. Bij overdracht van
het bezit van het wapen aan een wapenhandelaar bijvoorbeeld moet het wapen worden ingeschreven in zijn
registers; bij overdracht aan een jager moet een model 9 worden opgesteld, enz. De invulling van het
formulier van inbewaringgeving of overdracht ontslaat de betrokken partijen dus niet van hun andere wettelijke
verplichtingen ter zake. De schorsings- of intrekkingsbeslissing kan de arrondissementscommissaris
ertoe aanzetten om tevens over te gaan tot de schorsing of de intrekking van het huidige jachtverlof
of de weigering van een nieuw jachtverlof, doch dit is niet noodzakelijk zo. Op basis van de motieven
die aan de grondslag liggen van de schorsing of intrekking van het recht tot het voorhanden hebben van
het wapen zal de arrondissementscommissaris onafhankelijk beslissen of zij tevens een intrekking, schorsing
of weigering van het jachtverlof kunnen rechtvaardigen. De gouverneur brengt de bevoegde arrondissementscommissaris
dan ook steeds op de hoogte van zijn beslissing tot schorsing of intrekking van het recht tot het voorhanden
hebben van het wapen. 11.6. Rechten en plichten De bepalingen inzake veiligheidsmaatregelen,
het gebruik en het lenen van een wapen en het vervoer zoals deze werden opgenomen onder punten 9.2.3
tot 9.2.6, blijven ook hier onverminderd van toepassing. 11.7. Beëindiging van de activiteiten De
jager die een vuurwapen heeft verkregen op model 9 is gerechtigd dat wapen, na het vervallen van de geldigheid
van het jachtverlof, gedurende drie jaar verder voorhanden te hebben, evenwel zonder er nog munitie voor
voorhanden te mogen hebben. Het hervatten van de jachtactiviteiten schorst deze periode (386). De
jager moet binnen een periode van één maand de munitie die hij nog voorhanden houdt overdragen aan een
erkend persoon of aan een persoon die gerechtigd is deze munitie voorhanden te hebben. Na deze periode
geldt de uitzondering van artikel 12 niet meer voor de jager. Bij de beëindiging van zijn activiteiten
beschikt de jager over een periode van (drie jaar en) drie maanden om een vergunning tot het voorhanden
hebben van het wapen aan te vragen. Hij mag het wapen voorlopig voorhanden hebben totdat over de aanvraag
is beslist, behalve als bij een met redenen omklede beslissing van de betrokken overheid blijkt dat het
voorhanden hebben ervan de openbare orde kan verstoren (387). 12. Bijzondere regeling voor sportschutters
(388) 12.1. Wie ? Houders van een sportschutterslicentie mogen vuurwapens ontworpen
voor het sportschieten en waarvan de lijst wordt vastgesteld door de minister van Justitie en hun bijhorende
munitie voorhanden hebben, op voorwaarde dat hun strafrechtelijke antecedenten, hun kennis van de wapenwetgeving
en hun geschiktheid om veilig een vuurwapen te hanteren, vooraf zijn nagegaan (389). Dit betekent
dat sportschutters (d.w.z. houders van een sportschutterslicentie) sommige vergunningsplichtige vuurwapens
voorhanden kunnen houden zonder vooraf een wapenvergunning aan te vragen. Zij zijn met andere woorden
wat die wapens betreft vrijgesteld van de algemene vergunningsplicht, doch hieraan zijn enkele voorwaarden
en verplichtingen gekoppeld. De sportschutterslicentie wordt afgegeven namens de Vlaamse, Franstalige
of Duitstalige gemeenschap. In de Vlaamse gemeenschap werden in totaal vier schietsportfederaties
gemachtigd door de Vlaamse Regering om sportschutterslicenties af te geven. Het betreft met name de volgende
federaties : - de Federatie van Vlaamse Historische Schuttersgilden VZW (390); - de
Vlaamse Traditionele Sporten VZW (VLAS) (391); - de FROS Amateursportfederatie VZW (392); -
de Vlaamse Schietsportkoepel VZW (VSK) (393). In de Franstalige gemeenschap zijn twee schietsportfederaties
gemachtigd, met name : - Union Royale des Sociétés de tir de Belgique - Aile francophone (URSTB-f); -
Fédération Sportive francophone des Sociétés de Tir aux Clays (FSFSTC). In de Duitstalige gemeenschap
is volgende schietsportfederatie gemachtigd : - Regionaler Sportverband der Flachbahnschützen
Ostbelgiens V.o.G (RSFO). 12.2. Welke wapens ? Het betreft uitsluitend vuurwapens die
ontworpen zijn voor het sportschieten, voor zover de sportschutterslicentie voorziet in hun gebruik,
die voorkomen op de lijst van het MB van 15/03/07 en de daarbij horende munitie. Meer bepaald
gaat het over volgende vuurwapens : (394) 1° de repeteervuurwapens waarvan de totale lengte
groter is dan 60 cm of waarvan de looplengte groter is dan 30 cm, met uitzondering van de lange gladlooprepeteervuurwapens
met een looplengte van minder dan 60 cm en van de vuurwapens met pompactie (395); 2° de enkelschotsvuurwapens
met getrokken loop waarvan de totale lengte groter is dan 60 cm of waarvan de looplengte groter is dan
30 cm; 3° de enkelschotsvuurwapens met gladde loop; 4° de enkelschotsvuurwapens met
randontsteking met een totale lengte van minstens 28 cm; 5° de vuurwapens met twee naast of
boven elkaar geplaatste lopen waarvan de totale lengte groter is dan 60 cm; 6° de specifiek
voor het sportschieten ontworpen pistolen met maximum vijf schoten van kaliber .22; 7° de wapens
die, via het sluitstuk, via de loopmond of via de voorkant van de trommel uitsluitend met zwart kruit
of met patronen met zwart kruit en afzonderlijke ontsteking geladen worden en waarvan het brevet dateert
van voor 1890 (396). Voor alle andere wapens die kunnen worden gebruikt bij het sportschieten
is een vergunning nodig. 12.3. Welke handelingen ? Sportschutters kunnen in het kader
van het gunstige uitzonderingsregime waaronder ze vallen bepaalde wapens ontworpen voor het sportschieten
die voorkomen op de lijst van het MB van 15/03/07, voorhanden houden, overdragen en er munitie voor aankopen.
Alle andere regels aangaande het vervoer, de dracht en de nummering en registratie van vergunningsplichtige
wapens blijven evenwel onverminderd van toepassing. Ze mogen de onder punt 12.2 bedoelde wapens
uitsluitend gebruiken binnen het kader van hun activiteiten als sportschutter. Het is de op de sportschutter
toepasselijke gemeenschapsreglementering die bepaalt welke handelingen wel en welke niet toegestaan zijn
(397). Voor de Vlaamse sportschutter is dit het Vlaams decreet van 11/05/07 houdende het statuut
van de sportschutter (398). Voor de Waalse sportschutter is dit het decreet van de Franse gemeenschap
van 24/11/06 betreffende de toekenning van de vergunning van sportschutter (399). Voor de Duitstalige
sportschutter tenslotte is dit het decreet van de Duitstalige gemeenschap van 20/11/06 over het statuut
van de sportschutters (400). Sportschutters mogen tevens de wapens vervoeren indien zij de veiligheidsvoorschiften
naleven en dit tussen hun woonplaats en hun verblijfplaats, of tussen hun woon- of verblijfplaats (401)
en de schietstand, of tussen hun woon- of verblijfplaats en een erkende persoon. Tijdens het vervoer
moeten de vuurwapens ongeladen verpakt zijn in een afgesloten koffer of voorzien zijn van een trekkerslot
of een equivalente beveiliging (402). Verder moet elke particulier die een vergunningsplichtig
wapen vervoert (d.w.z. alleen wanneer men het over de weg in een voertuig verplaatst) steeds de volgende
voorschriften naleven : (403) 1° het wapen is ongeladen en de vervoerde magazijnen zijn leeg; 2°
het wapen is onbruikbaar gemaakt door een veiligheidsslot of door het wegnemen van een voor zijn werking
essentieel onderdeel; 3° het wapen wordt buiten het zicht en buiten handbereik vervoerd, in
een geschikte en slotvaste koffer of etui; 4° de munitie wordt veilig verpakt vervoerd in een
geschikte en slotvaste koffer of etui; 5° als het vervoer met de wagen gebeurt, worden de koffers
of de etuis met het wapen en de munitie vervoerd in de slotvaste koffer van het voertuig (404); 6°
het voertuig blijft niet zonder toezicht achter als het geparkeerd staat met wapens erin (405). Soms
worden wapens ook per fiets, bus, trein vervoerd. De regels voor vervoer moeten dan mutatis mutandis
worden toegepast. 12.4. Model 9 Houders van een sportschutterslicentie moeten voor
het voorhanden hebben of het verwerven van wapens bedoeld onder punt 12.2 geen vergunning aanvragen aangezien
de sportschutterslicentie dienst doet als vergunning tot het voorhanden hebben of tot aankoop. Evenwel
moeten zij hun wapens laten registreren in het CWR. De overdracht van vergunningsplichtige wapens
aan en tussen sportschutters kan slechts geschieden na overlegging van hun identiteitskaart of reispas
en het bewijs van hun hoedanigheid. Een bericht van overdracht (model 9) en een afschrift ervan worden
door de overdrager binnen acht dagen na de overdracht toegezonden aan de gouverneur van de verblijfplaats
van de verkrijger, of als deze laatste geen verblijfplaats in België heeft, aan het Centraal Wapenregister.
De overdrager bewaart een afschrift van het bericht van overdracht. Het andere afschrift wordt, voorzien
van het registratienummer, door de gouverneur toegezonden aan de lokale politie van de verblijfplaats
van de verwerver (406). Deze laatste verwittigt de gouverneur als de kenmerken van het wapen niet in
overeenstemming zijn met de gegevens op het model 9, zodat die de nodige aanpassingen kan doen. Als
de overdracht van dergelijke wapens plaatsvindt van een sportschutter aan een wapenhandelaar, dient laatstgenoemde
het wapen in te schrijven in zijn register. Middels een bericht van overdracht (model 9) moet de overdracht
worden gemeld aan de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de overdrager, of - als deze geen
verblijfplaats in België heeft - aan het CWR. De overdrager bewaart een afschrift van het model 9 (407). De
gouverneur kan bij de verwerking van de modellen 9 bijkomende informatie vragen die nodig is met het
oog op een correcte registratie en een verificatie van de juistheid van de gegevens. Dit kan bijvoorbeeld
bestaan uit het opvragen van een kopie van de identiteitskaart en de sportschutterslicentie. Van
zodra de gouverneur het bericht van overdracht ontvangt, registreert hij het model 9 in het CWR en stuurt
het model 9 met registratienummer aan de lokale politie van de verblijfplaats van de verwerver die de
identiteit van de wapenbezitter alsook de kenmerken van het wapen controleert. 12.5. Administratieve
sancties Als blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren,
kan de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de sportschutter (en de Minister van Justitie als
de sportschutter geen verblijfplaats in België heeft) het recht om het wapen voorhanden te hebben bij
een met redenen omklede beslissing beperken, schorsen of intrekken. Dit doet hij na het advies te hebben
ingewonnen van de procureur des Konings van het arrondissement waar de betrokkene zijn verblijfplaats
heeft (408). De procureur des Konings zal hiertoe beroep doen op de lokale politie om een onderzoek
te voeren. De schorsing of intrekking van het recht om een wapen voorhanden te hebben is noodzakelijk
voor diegenen die een vergunningsplichtig wapen mogen voorhanden hebben zonder hiervoor over een vergunning
te beschikken, als het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren. Het betreft dus
onder meer de sportschutters op basis van hun sportschutterslicentie. De schorsing is ook hier
als maatregel aangewezen als de houder van de sportschutterslicentie zich voorlopig in een situatie bevindt
waarin het voorhanden hebben van het vergunningsplichtig wapen nadelig kan zijn voor de openbare orde.
De schorsing is beperkt in de tijd. Als ze langer duurt dan één jaar verdient het aanbeveling het recht
om het wapen voorhanden te hebben in te trekken. De intrekking is noodzakelijk wanneer de houder
van de sportschutterslicentie zich voor een langere tijd in een situatie bevindt waarin het voorhanden
hebben van het vergunningsplichtig wapen nadelig kan zijn voor de openbare orde. Zowel de intrekking
als de schorsing hebben vanaf de kennisgeving ervan aan de houder van de sportschutterslicentie het verbod
tot het voorhanden hebben van het betreffende wapen tot gevolg. De kennisgeving van de intrekkings-
of schorsingsbeslissing aan de houder van de vergunning gebeurt bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs
(409). De gouverneur geeft kennis van zijn intrekkings- of schorsingsbeslissing aan de lokale
politie van de verblijfplaats van de betrokkene en houdt hem op de hoogte van de uitvoering van zijn
beslissing. Op die manier waakt de lokale politiedienst over de correcte uitvoering van de beslissing
van de gouverneur. Alvorens de beslissing te nemen, moet men de persoon de mogelijkheid geven
om te reageren (hoorrecht). De intrekking- of schorsingsbeslissing vermeldt de termijnen waarbinnen
het wapen in bewaring moet worden gegeven bij een erkend persoon of moet worden overgedragen aan een
erkend persoon of aan een persoon die gemachtigd is het wapen voorhanden te hebben (410). Binnen
8 dagen te rekenen vanaf de inbewaringgeving of overdracht van het betreffende wapen dient de persoon
die het in bewaring heeft gekregen of aan wie het is overgedragen de gouverneur ervan in kennis te stellen
dat het wapen bij hem in bewaring is gegeven of aan hem is overgedragen. Dit gebeurt door middel van
een formulier dat de gouverneur bij de kennisgeving voegt (411). Er moet steeds een formulier
zijn en het onderscheid tussen de bewaargeving en de overdracht van het wapen moet er duidelijk uit blijken.
In beide gevallen gaat het feitelijke bezit van het wapen over naar de overnemer. Nochtans kan de verhouding
tussen partijen hen ertoe verplichten het wapen terug te geven (bij bewaargeving), dan wel een definitieve
overdracht beogen. In alle gevallen moeten de nodige formaliteiten worden nageleefd. Bij overdracht van
het bezit van het wapen aan een wapenhandelaar bijvoorbeeld moet het wapen worden ingeschreven in zijn
registers; bij overdracht aan een jager moet een model 9 worden opgesteld, enz. De invulling van het
formulier van inbewaringgeving of overdracht ontslaat de betrokken partijen dus niet van hun andere wettelijke
verplichtingen ter zake. De schorsings- of intrekkingsbeslissing heeft voor de Vlaamse sportschutter
steeds de schorsing respectievelijk intrekking van de sportschutterslicentie tot gevolg (412). De betrokken
schietsportfederatie dient hiertoe onverwijld over te gaan en heeft ter zake geen discretionaire macht.
Deze regel geldt niet in de Franse gemeenschap. De gouverneur brengt de gemachtigde schietsportfederaties
dan ook steeds op de hoogte van zijn beslissing tot intrekking of schorsing van het recht tot het voorhanden
hebben van het wapen. 12.6. Rechten en plichten De bepalingen inzake veiligheidsmaatregelen,
het gebruik en het lenen van een wapen en het vervoer zoals deze werden opgenomen onder punten 9.2.3
tot 9.2.6, blijven ook hier onverminderd van toepassing. 12.7. Beëindiging van de activiteiten De
sportschutter die een vuurwapen heeft verkregen op model 9 is gerechtigd dat wapen, na het vervallen
van de geldigheid van de sportschutterslicentie, gedurende drie jaar verder voorhanden te hebben, evenwel
zonder er nog munitie voor voorhanden te mogen hebben. Het hervatten van de schietsportactiviteiten schorst
deze periode (413). De sportschutter moet binnen een periode van één maand de munitie die hij
nog voorhanden houdt overdragen aan een erkend persoon of aan een persoon die gerechtigd is deze munitie
voorhanden te hebben. Na deze periode geldt de uitzondering van artikel 12 niet meer voor de sportschutter
(414). Bij de beëindiging van zijn activiteiten beschikt de sportschutter over een periode van
(drie jaar en) drie maanden om een vergunning tot het voorhanden hebben van het wapen aan te vragen.
Hij mag het wapen voorlopig voorhanden hebben totdat over de aanvraag is beslist, behalve als bij een
met redenen omklede beslissing van de betrokken overheid blijkt dat het voorhanden hebben ervan de openbare
orde kan verstoren (415). 13. Bijzondere wachters Het statuut van de bijzondere wachters
wordt geregeld door het Veldwetboek en het KB van 8/1/06 tot regeling van het statuut van de bijzondere
veldwachters. Om bijzondere wachter te kunnen worden, moet men voldoen aan een reeks voorwaarden
(416), waarvan er één vermeldenswaardig is binnen dit kader : de kandidaat mag « geen werkzaamheden van
wapen- of munitiefabrikant, van wapen- of munitiehandelaar, of enige andere werkzaamheid uitoefenen die,
doordat ze wordt uitgeoefend door deze zelfde persoon, een gevaar kan opleveren voor de openbare orde
of voor de in- of uitwendige veiligheid van de staat ». De combinatie van het statuut van bijzondere
wachter met dat van erkend wapenhandelaar is dus verboden. De bijzondere wachter heeft een opleiding
genoten, een examen afgelegd en zijn verleden is nagegaan. Hij wordt erkend door de gouverneur (417).
Daarom geniet hij van voordelen die vergelijkbaar zijn met die toegekend aan de jagers en de sportschutters,
zij het in mindere mate (418). Om zijn hoedanigheid te bewijzen, moet hij een geldige legitimatiekaart
voorleggen (419). De bijzondere wachter wordt aangesteld door een grondeigenaar of jachtrechthouder
en oefent zijn bevoegdheid alleen uit op de hem toevertrouwde terreinen. Hij kan bijgevolg slechts de
voordelen van zijn hoedanigheid genieten binnen de grenzen van zijn bevoegdheid. Hij mag dus geen vergunningsplichtig
wapen verwerven zonder vergunning als hij dit wapen ook voor persoonlijk gebruik zou bestemmen, evenmin
mag hij het vervoeren of dragen buiten de uitoefening van zijn taak. Artikel 14 van het KB bepaalt
in dit verband : « de bijzondere veldwachter mag door zijn aansteller in het bezit worden gesteld van
een lang vuurwapen ontworpen voor de jacht zoals bedoeld in de Wapenwet. De bijzondere veldwachter
mag dit geweer slechts dragen tijdens de uitvoering van zijn dienst en voor zover hij de hem door de
gewestelijke overheden toegekende bevoegdheden daadwerkelijk uitoefent. » Ongeveer zoals bij
de jagers is het bezit van een wapen zonder vergunning beperkt tot een lang vuurwapen ontworpen voor
de jacht, en de bijhorende munitie. Bovendien mag de bijzondere wachter slechts één dergelijk wapen bezitten
in die hoedanigheid. Het « ontworpen zijn voor de jacht » is de terminologie overgenomen uit de oorspronkelijke
redactie van artikel 12, 1° WW (bepaling voor de jagers). Intussen is die terminologie verlaten om misbruik
te voorkomen. Ze is vervangen door « daar toegelaten waar het jachtverlof geldig is ». Het spreekt voor
zich dat ook hier deze interpretatie moet worden gevolgd en de bijzondere wachter dus alleen mag worden
uitgerust met een wapen dat voor de jacht mag worden gebruikt in het gewest waar hij is aangesteld. Een
karabijn in kaliber .22 LR is in het Vlaams gewest bijgevolg niet toegelaten. Voor het overige
(betreffende de verwerving van het wapen en het model 9) zijn de hoger uiteengezette regels voor jagers
en sportschutters mede van toepassing (420). Het lenen van een wapen door en aan een bijzondere wachter
is niet toegestaan. 14. De Europese vuurwapenpas De Europese vuurwapenpas, een document
gecreëerd door Richtlijn 91/477/EEG, werd in ons land ingevoerd door het KB van 8/8/94 betreffende de
Europese vuurwapenpassen. Hij is niet enkel geldig binnen de lidstaten van de EU, maar ook binnen de
ermee verbonden landen Noorwegen, IJsland en Zwitserland. 14.1. Nut De Europese vuurwapenpas
(hierna EVP genoemd) heeft tot doel de politiediensten en de administratieve overheden van de andere
landen van de EU waar een particulier zich naar begeeft, in te lichten over de wettelijkheid van diens
vuurwapenbezit in België. Het is als het ware een reispas voor vuurwapens, waarop in sommige gevallen
nog visa van de bezochte landen moeten worden aangebracht. De vergelijking met een reispas is
ook geldig op een ander vlak : de EVP mag alleen worden gebruikt voor een tijdelijke verplaatsing binnen
de EU. Wie zijn wapen meeneemt naar het buitenland om het daar te verkopen, of wie naar het buitenland
verhuist, moet de gewone procedure van uitvoer volgen. De EVP is vooral bestemd voor jagers
en sportschutters, die in het buitenland deelnemen aan een activiteit. Hij kan ook worden aangevraagd
door een al dan niet erkend verzamelaar die zijn wapens wenst tentoon te stellen in een andere EU-lidstaat.
Nog andere gevallen zijn denkbaar, maar de tijdelijke en particuliere aard van de activiteit is essentieel. Er
moet op worden gewezen dat de EVP de vergunningen tot het voorhanden hebben van wapens in België niet
vervangt. Hij vervangt ze wel in het buitenland, waar de nationale vergunningen geen waarde hebben. Omgekeerd
vervangt hij ook de vergunning van de in België met hun wapens tijdelijk verblijvende EU-inwoners die
in het bezit zijn van een in hun land afgegeven EVP (421). 14.2. Aanvraag De aanvraag
van een EVP gebeurt bij de gouverneur en is gratis. Aanvragen ingediend voor rekening van een
rechtspersoon (vennootschap, vereniging) dienen te gebeuren op naam van een hiervoor aangeduide verantwoordelijke. Als
het aanvraagformulier onleesbaar of onvolledig is ingevuld, is het onontvankelijk en zal de aanvraag
niet worden behandeld. Bij de aanvraag moeten de volgende documenten worden gevoegd : -
indien de aanvrager houder is van een jachtverlof of van een sportschutterslicentie, een kopie van die
documenten; - indien de aanvrager wenst dat op de pas vergunningsplichtige vuurwapens vermeld
worden, een kopie van zijn vergunning tot het voorhanden hebben van die wapens of van de daarmee gelijkgestelde
documenten; - indien de aanvrager wenst dat op de pas vrij verkrijgbare wapens vermeld worden,
een kopie van het registratieattest ervan op zijn naam. Wapens toebehorend aan een derde kunnen
in principe niet worden vermeld op de EVP, aangezien deze een attest vormt van het legaal wapenbezit
van de houder zelf. De betrokkene mag enkel vragen die vuurwapens op de pas te vermelden, die
hij wenst mee te nemen bij een reis naar een andere lidstaat van de EU (+ Noorwegen, IJsland en Zwitserland). De
aanvraag moet worden gedaan met een formulier waarvan het model in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt
en dat de provinciale wapendiensten ter beschikking stellen, o.a. op hun website. Ook de kleinhandelaars
in wapens en de jagers- en schuttersverenigingen kunnen de documenten ter beschikking houden van particulieren. De
aanvraag van een EVP wordt door de diensten van de gouverneur onderzocht. Men gaat de identiteit van
de aanvrager na en controleert in het CWR of betrokkene de bedoelde vuurwapens op regelmatige wijze voorhanden
heeft. De gegevens van de pas zelf worden door de diensten van de gouverneur geregistreerd in het CWR. De
pas moet worden afgegeven binnen twee maanden na ontvangst van de aanvraag, voor zover die volledig was.
De gouverneur kan zijn bevoegdheid delegeren aan een of meer medewerkers. Een zelfde persoon
mag slechts meerdere EVP's op zijn naam aanvragen als hij daarvoor een gegronde en aanvaardbare reden
opgeeft. 14.3. Geldigheid van de EVP De Richtlijn beperkt de maximale geldigheidsduur
van de EVP tot een éénmaal hernieuwbare termijn van vijf jaar. Op dat ogenblik (voor het einde van die
termijn) moet een nieuwe aanvraag worden ingediend waar de originele pas wordt bijgevoegd. De hernieuwingsaanvraag
mag gebeuren met het formulier voor een wijziging. Wanneer de EVP alleen éénschotswapens met gladde loop
vermeldt, bedraagt de maximale geldigheidsduur ervan evenwel 10 jaar. Een aanvraag tot wijziging
van de EVP gebeurt onder dezelfde voorwaarden als een eerste aanvraag. De originele pas moet worden bijgevoegd.
De nieuwe EVP wordt op dezelfde manier afgegeven als de oorspronkelijke pas. Artikel 6 van het
KB bepaalt daarnaast dat de lokale politie uit eigen beweging zal overgaan tot een aanvraag tot wijziging,
wanneer een wapen voorkomend op de pas het voorwerp heeft uitgemaakt van een intrekking van de vergunning
tot het voorhanden hebben ervan door de gouverneur. In dit geval past het dat : (1) de lokale
politie online in het CWR verifieert of er een EVP werd afgegeven, waarop dit wapen vermeld staat; (2)
in bevestigend geval, de EVP wordt ingetrokken door de gouverneur; (3) wanneer nog andere wapens
(vermeld op de EVP) voorhanden worden gehouden, de politie aan de gouverneur vraagt over te gaan tot
de schrapping ervan. 14.4. Op reis met wapens De pas heeft geen andere functie dan
aan de buitenlandse overheden te bevestigen dat de houder in orde is met de Belgische regelgeving over
het voorhanden hebben van de wapens die op de Europese pas zijn vermeld. Naargelang van hun
wetgeving leggen de overige lidstaten van de Europese Unie al dan niet beperkingen op aan de tijdelijke
invoer van wapens op hun grondgebied : die is ofwel verboden, ofwel onderworpen aan een vergunning, ofwel
vrij. • als de tijdelijke invoer verboden is, mag de bezitter niet in dat land reizen
met zijn wapen, zelfs al is hij in het bezit van een EVP; • als hij aan een vergunning
onderworpen is, moet de bezitter zijn EVP aan de buitenlandse overheid voorleggen voor zijn vertrek,
om een visum te laten aanbrengen dat dezelfde waarde heeft als een vergunning tot het tijdelijk voorhanden
hebben van de wapens, behalve als het land in kwestie dit niet eist; • als de invoer
vrij is, kan de bezitter zich naar dat land begeven met zijn wapens en zijn EVP, zonder voorafgaande
formaliteiten. De houder moet de nodige informatie tijdig inwinnen, bij voorkeur rechtstreeks
bij de overheid van het land dat hij wenst te bezoeken (en de landen die hij over land zal doorkruisen).
Hierbij moet worden opgelet, want de buitenlandse wetgeving is onderhevig aan evolutie. 14.5.
Rechten en plichten van buitenlandse houders van de EVP De Belgische politiediensten worden
bij controles geconfronteerd met onderdanen van andere lidstaten van de Europese Unie die een EVP voorleggen,
afgegeven door hun overheid. De houder van een pas die in het buitenland is afgegeven, kan rechtsgeldig
de erop vermelde wapens tijdelijk naar België meebrengen als het wapens zijn die hier niet verboden zijn.
Hij moet steeds de aanwezigheid van de wapens in België kunnen verantwoorden, bijvoorbeeld door middel
van een uitnodiging voor de jacht of voor een sportwedstrijd. Het voorafgaand visum van de Staatsveiligheid
is niet meer nodig. Hij mag de munitie meebrengen die overeenstemt met zijn behoefte tijdens
het verblijf in België. Die hoeveelheid munitie is theoretisch beperkt tot 150 patronen, uitgezonderd
wanneer betrokkene kan bewijzen dat zijn activiteit het gebruik van een grotere hoeveelheid munitie noodzakelijk
maakt, bijvoorbeeld voor bepaalde sportwedstrijden. Als de politiediensten twijfels hebben over
de geldigheid van het document dat hen wordt voorgelegd, worden zij verzocht contact op te nemen met
het CWR dat ertoe gemachtigd is contact te nemen met de bevoegde overheden van de andere lidstaten en
beschikt over modellen van Europese passen die door buitenlandse overheden worden afgegeven. 15.
Occasionele schutters Onder de wet van 1933 bestond geen regeling die toeliet dat vroegere «
verweer- » of « oorlogs- » wapens occasioneel voorhanden werden gehouden op een schietstand. Wel konden
« jacht- en sportwapens » worden ter beschikking gesteld op een schietstand aan occasionele schutters. Na
de invoering van de Wapenwet van 8 juni 2006 werden alle vuurwapens vergunningsplichtig. Het was dus
niet langer mogelijk dat een persoon die geen houder is van een vergunning, een attest van de gouverneur,
een jachtverlof of een (voorlopige) sportschutterslicentie een wapen hanteert op een erkende schietstand.
Daardoor was het onmogelijk geworden om bezoekers van een opendeurdag kennis te laten maken met de schietsport
zonder dat vooraf al een zwaar administratief parcours wordt afgelegd. Ook bedrijfsevenementen en sommige
traditionele activiteiten (bijvoorbeeld kleischietingen) dreigden onmogelijk te worden. Daarom
heeft de wetgever ervoor gekozen om in de wet een regeling uit te werken voor de « occasionele schutters
» (422). 15.1. Voorwaarden De regeling is van toepassing op meerderjarige personen
die hoogstens één keer per kalenderjaar een vergunningsplichtig wapen voorhanden hebben op een erkende
schietstand. De voorwaarden opgelegd door artikel 5 van het KB van 13/7/2000 tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden
van schietstanden, gewijzigd op 16/10/08, dienen te worden nageleefd. Het occasioneel schieten
is mogelijk onder de volgende voorwaarden : • er moet een dagkaart (423) worden opgesteld
die de volgende gegevens bevat : - identiteit van de occasionele schutter (naam, adres);
- de gegevens van de schietstand; - de dag waarop geschoten wordt; • die dagkaart
is gedurende een volledige dag (van 0 uur tot 23 u. 59) geldig op de schietstand die ze heeft uitgereikt; •
de dagkaarten worden door de exploitant doorlopend genummerd; • ze worden opgesteld in
drie exemplaren : - één exemplaar wordt bezorgd aan de schutter; - een ander exemplaar
wordt bijgehouden door de uitbater van de schietstand, die zo kan bewijzen dat de dagkaarten doorlopend
genummerd zijn. De fraude die er zou in kunnen bestaan om dagkaarten weg te gooien kan op deze manier
worden tegengegaan; - een ander exemplaar moet binnen zeven dagen worden verstuurd naar de
gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de occasionele schutter. Op die manier kan de gouverneur
controleren of de betrokkene effectief slechts één keer per jaar gebruik maakte van de dagkaart. In geval
de occasionele schutter geen verblijfplaats heeft in België, wordt de dagkaart verstuurd naar de Federale
Wapendienst, die in dat geval zal controleren of betrokkene effectief slechts één keer per jaar gebruik
maakt van de dagkaart; • de occasionele schutter moet worden begeleid door een persoon
die overeenkomstig de wapenwet zou vrijgesteld zijn van het afleggen van een praktische proef indien
hij een wapenvergunning zou vragen. Het betreft de volgende personen : - de houders van een
sportschutterslicentie (een voorlopige sportschutterslicentie is niet voldoende); - de houders
van een jachtverlof; - de personen die een door de Koning bepaalde ervaring met vuurwapens
hebben (bijvoorbeeld regelmatige activiteiten gedurende meer dan 6 maanden in de loop van de laatste
5 jaar) (424). De begeleider moet vooraf de op de schietstand geldende veiligheidsregels uitleggen,
evenals de werking van het wapen. Hij stelt het wapen ter beschikking en ziet erop toe dat het wapen
veilig gemanipuleerd wordt. Na het occasioneel schieten neemt de begeleider het wapen terug in ontvangst. De
occasionele schutter moet uitsluitend houder zijn van de dagkaart. Hij moet geen enkel ander document
voorleggen. Het is ook niet vereist dat een uittreksel uit het strafregister wordt bezorgd aan de uitbater
van de schietstand. De nieuwe regeling is geschikt om een meerderjarige particulier één keer
per jaar kennis te laten maken met het schieten tijdens een opendeurdag of een ander evenement. Als de
betrokkene zich verder in het schieten wenst te bekwamen, dan kan hij via een club een voorlopige sportschutterslicentie
aanvragen. Dit zal vaak vanuit administratief oogpunt de eenvoudigste oplossing zijn om zich verder in
het sportschieten te bekwamen. Er is tevens de mogelijkheid om een attest aan te vragen via de gouverneur
om voorlopig te kunnen schieten ter voorbereiding op de praktische proef die moet worden afgelegd om
een wapenvergunning te verkrijgen. De dagkaarten kunnen door de uitbaters van de schietstanden
bij schuttersfederaties worden besteld of worden gedownload van de provinciale websites. Als
op deze regeling een inbreuk wordt vastgesteld, dan is dit niet alleen een misdrijf in hoofde van zowel
de schutter als de organisator, maar dan kan de gouverneur ook een administratieve sanctie treffen tegen
de uitbater van de schietstand (425). Dit is eveneens mogelijk tegen de betrokken schutter : hetzij op
het vlak van de vergunningen of het recht op wapenbezit dat hij al mocht hebben, hetzij door hem in de
toekomst eventueel door hem gevraagde vergunningen te weigeren. 16. Opslag van wapens en munitie De
opslag van wapens en munitie is niet langer gebonden aan een bijzondere vergunning. De wetgever gaat
er nu van uit dat er voldoende controle bestaat op de verwerving van wapens door particulieren, hetzij
rechtsreeks bij de afgifte van een vergunning, hetzij bij de ontvangst van een model 9 na de aankoop
van een wapen door een jager of sportschutter (beiden groepen die op zich al voldoende worden gecontroleerd
op grond van hun eigen statuut). Bovendien bestaan er veiligheidsmaatregelen die door iedereen moeten
worden nageleefd en die strenger worden naarmate het wapenbezit in aantal toeneemt. Dit wil
echter niet zeggen dat de notie van opslag uit de wet is verdwenen. Opslag van vergunningsplichtige vuurwapens
en munitie is een louter feitelijk gegeven, dat steeds moet kunnen worden verantwoord. In artikel 16
WW heet het dat men voor de opgeslagen hoeveelheid vergunningsplichtige vuurwapens en munitie een van
de twee volgende wettige redenen moet hebben : • het wettig voorhanden hebben van meerdere
vuurwapens en een noodzakelijke hoeveelheid munitie daarvoor door de eigenaars ervan die samenwonen op
hetzelfde adres en die de wapens daar opslaan. Dit betekent dat bij particulieren alleen de wapens van
personen die samenwonen op dezelfde plaats mogen worden opgeslagen, en dan nog alleen wanneer elk wapen
door hen wettig voorhanden wordt gehouden. Particulieren mogen dus geen wapens van derden in bewaring
nemen. Bovendien mag men munitie alleen opslaan in een hoeveelheid die verantwoord moet kunnen worden
in het licht van de regelmaat van de activiteiten met de wapens van de personen die samenwonen. Zo wordt
bv. vaak munitie per 1 000 stuks aangekocht om een betere prijs te krijgen. Deze munitie is niet onmiddellijk
"noodzakelijk" maar kan wel worden verantwoord door wie regelmatig de stand bezoekt en daarbij gebruik
maakt van deze munitie. Iemand die niet schiet, kan dan weer niet verantwoorden dat hij grote hoeveelheden
munitie opslaat. • de wettige activiteiten van erkende personen. Dit kan gaan om de stock
van een wapenhandelaar, een verzameling, wapens die bestemd zijn om te worden vervoerd, wapens die door
een schietstand worden bewaard voor zijn leden, ... Erkende personen mogen wel wapens van derden in bewaring
nemen. Uiteraard moet de opgeslagen hoeveelheid wapens en munitie overeenstemmen met een wettige uitoefening
van de rechten die op basis van de erkenning zijn toegekend aan de betrokkene. Het opslaan van
vrij verkrijgbare wapens moet niet worden verantwoord door een wettige reden. Als iemand echter een hoeveelheid
daarvan opslaat op een manier die gevaar kan uitmaken voor de openbare veiligheid, dan kan er worden
ingegrepen op basis van artikel 28, § 2 WW. Het opslaan van verboden wapens is verboden,
maar zoals werd uitgelegd in het hoofdstuk over de verboden wapens, bestaan hierop voorwaardelijke uitzonderingen
ten gunste van de overheid, handelaars en verzamelaars (426). 17. Wapenbeurzen Artikel
19, 5° WW bepaalt dat vrij verkrijgbare wapens mogen worden verkocht op beurzen mits toelating van de
minister van Justitie. Dit is een uitzondering op het principe dat de verkoop van wapens op beurzen en
andere plaatsen buiten de vaste vestiging van een wapenhandelaar verboden is. Ze dient dan ook restrictief
te worden geïnterpreteerd. De aanvragen kunnen uitgaan van de organisatoren van wapen-, antiek-
en brocantebeurzen, zowel voor particulieren als voor beroepsmensen, vrij toegankelijk of beperkt tot
een bepaalde doelgroep. De organisatoren kunnen zowel natuurlijke personen als rechtspersonen
zijn (meestal VZW's en feitelijke verenigingen). De organisator van de beurs is verantwoordelijk
voor de transacties die plaatsvinden op de beurs, zo ook voor deze die in voorkomend geval plaatsvinden
op de parking van de beurs. De aan de beurs deelnemende wapenhandelaars moeten erkend zijn.
Wapenhandelaars met een Belgische erkenning mogen op basis van de wet zelf uitzonderlijk vrij verkrijgbare
wapens verkopen buiten hun vaste vestigingsplaats. Ze moeten wel een kopie van hun erkenning bij zich
hebben op de beurs. Buitenlandse wapenhandelaars moeten vooraf een tijdelijke erkenning aanvragen
aan de gouverneur bevoegd voor de plaats waar de beurs (of de eerste van de beurzen waaraan hij wenst
deel te nemen) plaatsvindt. Het betreft een gewone toepassing van de wettelijke definitie van wapenhandelaar.
Hierbij moet de gewone erkenningsprocedure worden gevolgd voor zover dat mogelijk is. Het advies van
de burgemeester en van de lokale politie zullen niet zinvol zijn. Het examen beroepsbekwaamheid is niet
mogelijk. Er moet wel advies worden gevraagd aan de Staatsveiligheid en aan het gewest. Als de betrokkene
in zijn land erkend is als wapenhandelaar, dan wordt met dit gunstig element rekening gehouden. De tijdelijke
erkenning wordt beperkt tot de deelname aan beurzen, eventueel meermaals per jaar. Ze is ook geldig voor
de deelname aan beurzen georganiseerd in andere provincies. Er is geen vrijstelling van de retributie.
Ook de buitenlandse handelaars moeten een kopie van hun erkenning bij zich hebben op de beurs. De
deelnemende particulieren, daarin begrepen de verzamelaars, moeten niet erkend zijn. Ze mogen echter
slechts occasioneel wapens verkopen, zonder commercieel doel (d.w.z. wapens aankopen om ze terug te verkopen)
of anders gezegd, binnen het normaal beheer van hun patrimonium. Zoniet maken ze zich schuldig aan wapenhandel
zonder erkenning. Zowel buitenlandse wapenhandelaars als de buitenlandse particuliere deelnemers
moeten voor alle wapens voorafgaand aan de beurs een tijdelijke invoerlicentie en een definitieve uitgangslicentie
verkrijgen van de dienst vergunningen van het gewest waarvan ze afhangen. De vorm en de modaliteiten
van de verkrijging van deze vergunningen behoren tot de bevoegdheid van de gewestelijke diensten die
die ze afgeven. Alle te koop aangeboden vuurwapens moeten zijn voorgelegd aan de proefbank voor
vuurwapens te Luik. Buitenlandse handelaars en particuliere deelnemers moeten hun wapens daar voldoende
vooraf aanbieden. Buitenlandse kopers moeten de nodige documenten voorleggen waaruit blijkt
dat ze de gekochte wapens in hun land voorhanden mogen hebben en het er mogen invoeren. De beurzen
kunnen eenmalige of jaarlijks terugkerende evenementen zijn of meermaals per jaar worden georganiseerd. Een
wapenbeurs moet worden onderscheiden van een wapenveiling. Een beurs is een tijdelijke plaats waar verkopers
en kopers worden bijeengebracht door een organisator die zelf niet hoeft te verkopen. Een veiling is
een plaats waar wapens openbaar per opbod worden verkocht. Dit kan vrijwillig of gedwongen gebeuren : •
een vrijwillige veiling wordt doorgaans georganiseerd door een veilinghuis, dat daarvoor moet erkend
zijn als tussenpersoon en de plichten van een wapenhandelaar moet naleven; • een gedwongen
verkoop mag alleen plaatsvinden onder leiding van een gerechtsdeurwaarder of een notaris die zich laten
bijstaan door de directeur van de Proefbank of een door hem aangewezen medewerker. 17.1. Voorwaarden De
aanvragen om toelating tot organisatie van wapenbeurzen worden namens de minister van Justitie behandeld
door de Federale Wapendienst. In de praktijk is het van belang dat de aanvraag behandeld is
tegen de geplande datum van de (eerste) beurs. Daarom mag er van de belanghebbenden worden verwacht dat
ook zij rekening houden met de redelijke termijn die de administratie nodig heeft voor de behandeling
van hun aanvraag. Ze moeten hun aanvraag dus tijdig indienen. Omdat de wet geen enkele formaliteit
oplegt die bij het indienen van de aanvraag zou moeten worden nageleefd, is er geen grond waarop een
aanvraag onontvankelijk kan worden verklaard. Er is niet voorzien in de betaling van een retributie. Hieruit
volgt dat er steeds een onderzoek ten gronde moet plaatsvinden. Er zijn echter wel gevallen
waar de aanvraag zonder voorwerp is en dan ook niet verder moet worden onderzocht. Dit is het geval wanneer
de aanvraag wordt gedaan op een zo korte termijn voor het plaatsvinden van de beurs, dat de administratie
materieel niet in staat is de aanvraag correct te behandelen. Een ander voorbeeld is de aanvraag die
kennelijk op basis van een misverstand over de betekenis van de wet niet wordt gedaan door de organisator
van een beurs, maar door een deelnemer (vaak een erkende wapenhandelaar die wenst deel te nemen aan meerdere
beurzen en die ten onrechte meent dat hij zelf een toelating nodig heeft). Voor de beoordeling
van elke aanvraag moet minstens de volgende informatie worden aangeleverd : • een volledige
aanvraag die plaats en tijdstip van de verschillende manifestaties vermeldt, evenals de soorten voorwerpen
die er te koop worden aangeboden; • eventueel een flyer van de gebeurtenis (als die bestaat); •
een (origineel) uittreksel uit het strafregister van elke persoon die verantwoordelijk is voor de organisatie
van het gebeuren (of van elke bestuurder van de organiserende rechtspersoon), dat niet ouder mag zijn
dan één maand; • een brandpreventieplan en een evacuatieplan waar de voorziene in- en
uitgangen in geval van ernstige problemen op vermeld staan, alsook de locatie van de standen en de in-
en uitgangen; • een liggingsplan met aanduiding van de te nemen route naar de plaats
van het evenement; • een volledig reglement van orde voor elk van de data van de gebeurtenis,
die in het eerste artikel plaats en tijdstip van de gebeurtenis vermeldt. Bovendien moet de reglementering
uitdrukkelijk vermelden dat de toegang verboden is voor minderjarigen die niet vergezeld zijn van een
volwassene; • de statuten van de organiserende rechtspersoon; • een contactpersoon
bij de lokale politie. Als er bij de aanvraag bepaalde stukken ontbreken, worden ze zo snel
mogelijk opgevraagd. Bij een nieuwe editie van een tijdens het voorbije jaar al toegelaten beurs is het
niet noodzakelijk alle stukken opnieuw te leveren; dan volstaat een verklaring dat de ontbrekende stukken
niet zijn gewijzigd. De uittreksels uit het strafregister moeten echter wel telkens opnieuw worden bezorgd. 17.2.
Toelating De Federale Wapendienst vraagt het advies van de lokale politie : •
die van de verblijfplaats van de organisatoren (of de verantwoordelijken van een rechtspersoon), voor
wat hun persoonlijkheid betreft; • die van de plaats waar de beurs zal plaatsvinden,
voor wat de beurs zelf betreft (en wat de ervaring is met de voorgaande edities ervan). Als
bepaalde informatie erop wijst dat het nuttig kan zijn ook advies te vragen aan andere overheden, zoals
de Staatsveiligheid, de douane, het parket, het gewest, ..., dan wordt dit niet nagelaten. Vaak
zal het advies van de politie over de beurs zelf voorwaardelijk gunstig zijn of minstens enkele praktische
aanbevelingen op het gebied van veiligheid en controle bevatten. Als dit redelijk voorkomt, wordt de
organisator verzocht zijn reglement aan te passen of andere maatregelen te treffen. Een gunstige
beslissing wordt onmiddellijk vastgelegd in een toelating, die de vorm aanneemt van een brief met een
stempel van de FOD Justitie, waarin de verkoop van vrij verkrijgbare wapens wordt toegestaan aan de organisator
van de beurs, waarvan plaats en data worden aangegeven. De brief wordt aangetekend met ontvangstmelding
verstuurd, met een kopie voor de politie van de zone waar de beurs zal plaatsvinden. Een toelating
waaraan bepaalde voorwaarden worden gekoppeld, al dan niet met akkoord van de betrokkene, krijgt dezelfde
vorm. De voorwaarden worden erin vermeld en, als de betrokkene niet vooraf zijn instemming daarmee heeft
betuigd, worden ze gemotiveerd. De toelatingen vermelden welke de plichten van de deelnemers
zijn. Elke deelnemer, Belg of buitenlander, die vrij verkrijgbare vuurwapens te koop aanbiedt, moet beschikken
over een vastbladig boek waarin de tentoongestelde en te koop aangeboden wapens worden opgelijst, evenals
de verkopen van deze wapens. Voor elke beurs schrijft de deelnemer op de linkerbladzijde de wapens (merk,
type, kaliber, serienummer) in, en op de rechterbladzijde de volledige identiteit van de verwerver van
het wapen (naam, voornaam, adres, geboortedatum, land). Op het einde van de beurs moet elke deelnemer
aan de organisator een kopie van deze bladzijden die betrekking hebben op de beurs, bezorgen. De deelnemer
moet dit boek bij zich hebben bij elke deelname aan een beurs. Het is persoonlijk en moet op de eerste
bladzijde melding maken van de identiteit en de handtekening van de deelnemer. Voor elke beurs begint
hij een nieuwe bladzijde, die hij dateert en ondertekent. Op het einde van de beurs moeten de gebruikte
bladzijden opnieuw gedateerd en ondertekend worden door de deelnemer. De documenten worden door de organisator
binnen ten hoogste drie werkdagen bezorgd aan de bevoegde gewestelijke diensten. Deze lijsten laten onder
meer toe te controleren of particuliere deelnemers zich niet bezondigen aan wapenhandel zonder erkenning
en om de buitenlandse overheden in kennis te stellen van wapenaankopen door hun onderdanen. Er
worden geen toelatingen meer gegeven voor het tentoonstellen van vergunningsplichtige wapens op beurzen. 18.
De nummering van vuurwapens 18.1. Het centraal wapenregister Het Centraal Wapenregister
(CWR) is een in 1989 opgerichte databank waarin de gegevens over het vuurwapenbezit in ons land worden
opgeslagen. Het wordt beheerd door een dienst voor operationele politie-informatie van de algemene
directie operationele ondersteuning van de federale politie die dezelfde naam draagt (427). Hij staat
ten dienste van diverse overheidsdiensten en is niet toegankelijk voor het publiek. Het is een
geïnformatiseerd bestand met administratieve gegevens betreffende de inschrijvingen en de vergunningen
van wapens en de personen die ze voorhanden hebben. Van elk vuurwapen worden type, merk, model,
kaliber en serienummer geregistreerd en bijgehouden, alsmede de namen en adressen van de leverancier
en de persoon die het wapen verwerft of voorhanden heeft, tenzij het wapen zich bevindt bij een erkend
wapenhandelaar die het in zijn register heeft opgenomen. De geregistreerde gegevens worden gedurende
minstens twintig jaar bewaard. Meer bepaald bevat het register uitsluitend gegevens die betrekking
hebben op de volgende stukken : (428) 1° deel B van de vergunning tot het voorhanden hebben
van een vergunningsplichtig vuurwapen (model 4); 2° de berichten van overdracht betreffende
een vergunningsplichtig vuurwapen (model 9); 3° de vergunningen tot het dragen van een vergunningsplichtig
vuurwapen (model 5); 4° de erkenningen van wapenhandelaars en tussenpersonen (model 2), van
musea en verzamelaars (model 3) en van schietstanden (model 13); 5° de formulieren betreffende
de inbeslagneming, de vrijwillige afstand of de tijdelijke inbewaargeving van een vuurwapen (model 10); 6°
de berichten van overdracht overeenkomstig het model 11. Wat betreft de stukken onder punt 1°
tot 3° worden de volgende gegevens vermeld : (429) - de identiteit van de houder; -
zijn nationaliteit; - zijn adres; - de voornaamste kenmerken van het wapen; -
de identificatiegegevens van het betrokken formulier; - in voorkomend geval de identiteit van
de overdrager. Wat betreft de stukken onder punt 4° worden alleen volgende gegevens vermeld
: (430) - de identiteit van de houder; - zijn nationaliteit; - zijn adres; -
de plaats waar de activiteit waarop de erkenning betrekking heeft, wordt uitgeoefend; - de identificatiegegevens
van het betrokken formulier. Wat betreft het stuk onder punt 5° worden alleen volgende gegevens
vermeld : (431) - de identiteit van de persoon die het wapen in bewaring geeft of bij wie het
wapen in beslag is genomen; - zijn nationaliteit; - zijn adres; - de voornaamste
kenmerken van het wapen; - de identificatiegegevens van het betrokken formulier. De
voornaamste kenmerken van elk vergunningsplichtig vuurwapen dat deel uitmaakt van een privéverzameling
van historische aard of dat voorhanden wordt gehouden door een persoon met een bijzondere erkenning voor
beroepsmatige activiteiten van wetenschappelijke, culturele of niet-commerciële aard met vuurwapens,
worden vermeld en gekoppeld aan de identiteit en het adres van de houder van de erkenning die erop betrekking
heeft en het nummer daarvan (432). Het CWR moet steeds binnen 8 dagen in kennis worden gesteld
van de uitreiking of van de ontvangst van de stukken onder punten 1° tot 6°. Dit moet ook gebeuren in
geval van intrekking, verval, schorsing, teruggave of wijziging van die stukken (433) Meer bepaald
moet het CWR worden ingelicht door : • de erkende persoon : o wanneer hij een
jacht- of sportwapen verkoopt/overdraagt aan een persoon zonder verblijfplaats in België : het bericht
van overdracht model 9 moet worden toegezonden aan het CWR. • de gouverneur :
o wanneer hij een vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen uitreikt
: binnen 8 dagen moet het CWR in kennis worden gesteld van de ontvangst van deel B van de vergunning;
o wanneer hij een bericht van overdracht model 9 ontvangt betreffende een jacht- of sportwapen : binnen
8 dagen na de overdracht moet het CWR in kennis worden gesteld. • de griffies :
o wanneer een in beslag genomen of vrijwillig afgestaan vuurwapen wordt ontvangen : binnen 8 dagen na
de ontvangst moet het CWR een exemplaar van het formulier model 10 worden toegezonden. Het CWR
heeft dus als opdracht de taak te vergemakkelijken van de overheden en de diensten die bevoegd zijn om
de aanvragen voor erkenningen en vergunningen te ontvangen en om de dossiers bij te houden. Het CWR werkt
tevens voor de politiediensten en voor de administratieve en gerechtelijke overheden in het kader van
hun wettelijke opdrachten van administratieve en gerechtelijke politie. De raadpleging van het
CWR en het invoeren van de inlichtingen gebeurt met behulp van informatica. Zowel de politiediensten
als de provinciale wapendiensten zijn aangesloten op het CWR. In de andere gevallen moeten de afschriften
van de voornoemde stukken toegezonden worden aan het CWR. Het CWR is toegankelijk voor : (434) -
de minister van Justitie of zijn gemachtigde; - de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde; -
de provinciegouverneurs en hun gemachtigde; - de procureurs-generaal bij de hoven van beroep; -
de onderzoeksrechters; - de procureurs des Konings; - de leden van de federale en de
lokale politie; - de directeur van de proefbank voor vuurwapens of een van zijn gemachtigden; -
de gemachtigde ambtenaren van de gewestelijke diensten bevoegd voor de in- en uitvoer van wapens. Die
toegang kan nuttig zijn teneinde over bepaalde inlichtingen te beschikken bij het onderzoek van een aanvraag
tot het verlenen van een vergunning of een erkenning, bv. zijn aan de aanvrager reeds andere vergunningen
uitgereikt ? Hoeveel wapens bezit de aanvrager? Werd tegen hem reeds een beslissing tot schorsing of
intrekking genomen ?,... Het CWR kan tevens worden gebruikt voor de uitwerking van statistieken. De
raadpleging van het CWR gebeurt door middel van een informaticasysteem of door een schriftelijk verzoek
gericht aan het CWR. De aanvraag tot raadpleging moet de redenen van de raadpleging vermelden
alsook, in voorkomend geval, de identiteit van de persoon waarop de gevraagde administratieve inlichtingen
betrekking hebben. Bescherming van de persoonlijke levenssfeer : De verkregen informatie
mag slechts worden aangewend voor het beheer van de hiervoor vernoemde stukken, en in het kader van de
taken van gerechtelijke en administratieve politie van die overheden en diensten. Zij mogen niet aan
derden, particulieren of rechtspersonen, noch aan andere overheden dan diegene die hiervoor werden vermeld,
worden meegedeeld (435). Het is raadzaam om de ambtenaren met toegang tot het informaticasysteem
van het CWR bij naam aan te wijzen, teneinde elke risico op oneigenlijk gebruik van de informatie te
voorkomen. De gegevens betreffende de verkrijging of de overdracht van vuurwapens in België
door burgers van een vreemd land worden door tussenkomst van de federale politie meegedeeld aan de gerechtelijke
overheden of de politiediensten van het land waarvan die personen onderdaan zijn (436). De registratie
in het CWR : - De gouverneur zorgt voor de registratie van alle vergunningen tot het voorhanden
hebben die hij afgeeft. - Van zodra de gouverneur het bericht van overdracht (model 9) ontvangt,
registreert hij het in het CWR en brengt hij er het registratienummer op aan. - De gouverneur
zorgt voor de registratie van de vergunningen tot het voorhanden hebben die zijn afgegeven in het kader
van de hernieuwingsprocedure (model 4). De lokale politie blijft evenwel belast met de registratie
van de aangepaste modellen 9 (berichten van registratie) bij de aankoop in het buitenland. -
De registratie van de erkenningen als wapenhandelaar, verzamelaar, schietstand alsook van de wapendrachtvergunningen
en de Europese vuurwapenpassen gebeurt door de wapendiensten van de gouverneurs. Vrij verkrijgbare
wapens vermeld op een Europese pas moeten in het CWR worden geregistreerd. - De registratie
van het model 11 bij overdracht van wapens door verzamelaars en musea gebeurt door de gouverneur van
de verblijfplaats van de verwerver. Een kopie van het model 11 moet worden bezorgd aan de gouverneur
van de verzamelaar die verkoopt of overdraagt, die het wapen op afstand moet zetten. - Voor
registratie bij inbeslagname : zie punt 21.3. De lokale politie wijzigt de gegevens in het CWR in functie
van de evolutie van de procedure en de bestemming van de wapens (teruggave, verbeurdverklaring, enz.). -
In geval van schorsing of intrekking zorgt de gouverneur voor de aanpassing van de gegevens in het CWR
binnen 8 dagen te rekenen vanaf zijn beslissing. - De gouverneur staat in voor de registratie
of de aanpassing van de gegevens met betrekking tot de vergunningsplichtige wapens die werden verworven
via erfopvolging of door ontdekking, en waarvoor een vergunningsaanvraag werd ingediend. Hij doet dit
bij de aflevering van het model 6 voor dit wapen. De gouverneur bezorgt deze informatie onmiddellijk
aan de bevoegde korpschef van de lokale politie, die de betrokkene - bij gebrek aan spontane aangifte
zoals voorzien in artikel 17 WW - uitnodigt om zijn wapen te komen tonen voor identificatie. 18.2.
De proefbank voor vuurwapens Het statuut van de proefbank wordt geregeld in de wet van 24/05/1888
houdende regeling van den toestand der Proefbank voor vuurwapens gevestigd te Luik. Tevens is het KB
van 30/6/24 houdende het algemeen reglement van de Proefbank van belang. De proefbank heeft
als opdracht : (437) 1° het beproeven en het stempelen van de vuurwapens; 2° de identificatie
van alle in België gefabriceerde of ingevoerde vuurwapens; 3° het neutraliseren, het ombouwen
en het vernietigen van de vuurwapens overeenkomstig de wapenwet; 4° de politie en de bewaking
van de vuurwapens; 5° het attesteren van de technische kenmerken van vuurwapens. Eén
van de taken van de proefbank betreft het aanbrengen van serienummers op vuurwapens. Het is daarbij niet
nodig vooraf een afspraak te maken met de proefbank. Het volstaat om zich tijdens de openingsuren bij
de proefbank aan te bieden met het vuurwapen, die dan onmiddellijk een nummer zal aanbrengen. Elk
aan de proef onderworpen wapen of onderdeel moet beproefd en bestempeld zijn door de proefbank alvorens
het wordt verkocht, te koop gesteld of wordt bewaard in een magazijn, winkel of werkplaats (438). Enkel
de uit het buitenland ingevoerde vuurwapens die de stempel dragen van een door de Belgische overheid
erkende proefbank, moeten de Belgische proefbank niet meer passeren (439). Ook vreemde oorlogswapens,
die niet voorzien zijn van een stempel, die voor wederuitvoer worden verkocht, zijn niet aan de Belgische
proef onderworpen (440). Niet-beproefde wapens mogen enkel naar het buitenland worden uitgevoerd
indien zij rechtstreeks worden verzonden naar een door de Belgische overheid erkende proefbank (441). De
wapenwet voorziet in een verbod op het wissen, manipuleren of onleesbaar maken en het verhandelen, vervoeren,
dragen of opslaan van niet-geregistreerde en niet-genummerde vuurwapens. Een uitzondering op dit verbod
wordt gemaakt bij internationaal vervoer waarbij de wapens op Belgisch grondgebied niet worden uitgeladen
of overgeladen, alsook op weg naar de proefbank voor vuurwapens met het oog op nummering (442). Men
is dus steeds verplicht, bij het indienen van het luik B van het model 4 of het model 9, om het serienummer
van het vuurwapen mee te delen. Indien er geen nummer is, moet men de proefbank voor vuurwapens contacteren
om er één aan te brengen. Voor het vervullen van haar opdrachten worden loontarieven vastgelegd
bij koninklijk besluit (443). 18.3. Het nationaal identificatienummer Alle in België
gefabriceerde of ingevoerde vuurwapens dienen ingeschreven te worden in een centraal wapenregister, waar
deze wapens een uniek identificatienummer toegewezen krijgen (444). De internationale verbintenissen
die ons land is aangegaan, verplichten ons tot een volledige opspoorbaarheid van de vuurwapens die in
ons land circuleren. Dit betekent vooreerst dat de vuurwapens die in België op de markt worden
gebracht, aan de bron moeten worden geregistreerd, nog voor ze terechtkomen bij een handelaar. Omdat
fabrikanten en invoerders verplicht zijn hun wapens voor kwaliteitscontrole (de « wettelijke proef »)
aan te bieden bij de proefbank voor vuurwapens te Luik voor ze op de markt mogen worden gebracht, staat
de proefbank ook in voor hun eerste registratie in het CWR. De proefbank verhaalt de kosten op de aanbieders. De
regeling geldt niet voor de vrij verkrijgbare vuurwapens en voor de vuurwapens die bestemd zijn voor
de uitvoer, onmiddellijk na de wettelijke proef. Als de fabrikant of invoerder pas later beslist of het
vuurwapen in België in omloop zal worden gebracht, bezorgt hij voor enige overdracht ervan de gegevens
aan de proefbank voor vuurwapens, die ze in het Centraal Wapenregister invoert. Als het vuurwapen
niet moet worden beproefd in België, is de directeur van de proefbank voor vuurwapens gemachtigd te bepalen
welke wapens hem fysiek moeten worden voorgelegd, geval per geval en op basis van : - zijn kennis
van de wapensector; - de historiek van de erkenning van de betrokkene; - de oorsprong
van de wapens in al dan niet een lidstaat van de Overeenkomst tot wederzijdse erkenning van de beproevingsstempels
voor draagbare vuurwapens, en het reglement, opgemaakt te Brussel op 1 juli 1969; - het al dan
niet bestaan van een document opgesteld door een onafhankelijke derde dat aanleiding geeft tot twijfels
over de correctheid van de gegevens. Tweedehandse wapens moeten in elk geval worden voorgelegd. Wanneer
de wapens niet fysiek moeten worden voorgelegd, bezorgt de fabrikant of invoerder aan de proefbank voor
vuurwapens een gedetailleerde en op eer eenvormig verklaarde lijst waarop alle technische kenmerken van
de wapens staan vermeld. De proefbank voor vuurwapens voert de gegevens in in het Centraal Wapenregister
(445). 19. Bijzonderheden over munitie en onderdelen 19.1. Onderdelen en hulpstukken
(446) De wettelijke regeling die geldt voor de vuurwapens is ook van toepassing op bepaalde
onmisbare onderdelen van die wapens, te weten de onderdelen die onderworpen zijn aan de wettelijke proef,
in overeenstemming met de wet van 24/5/1888 houdende regeling van de toestand van de Proefbank en het
KB van 30/6/24 houdende het algemeen reglement van de Proefbank. Het gaat om de volgende onderdelen
: • de karkas; • de loop; • de cilinder (trommel) van
revolvers; • de kulas en de schuif van pistolen; • de sluit- en grendelstukken; •
de bascule. Daarbij worden ook de hulpstukken gevoegd die, aangebracht op het vuurwapen, tot
gevolg hebben dat het wapen in een andere categorie wordt ondergebracht. De bekendste voorbeelden daarvan,
de geluidsdempers, de mechanismen die een halfautomatisch wapen omvormen tot een automatisch wapen en
de op een wapen monteerbare lichtversterkers (of nachtkijkers), die van het wapen als geheel een verboden
wapen maken, zijn nu echter ook als verboden tuigen in artikel 3, § 1, 15° WW vermeld (447). Die
onderdelen en hulpstukken zijn onderworpen aan dezelfde regeling dan de wapens waarop zij betrekking
hebben. Bijvoorbeeld : • de overdracht van de loop van een vuurwapen is onderworpen
aan dezelfde voorwaarden als die van het gehele wapen; • de opslagplaats van karkassen
van vuurwapens is onderworpen aan een van de wettige redenen bedoeld in artikel 16 WW. Het spreekt
vanzelf dat voor het dragen van die onderdelen en hulpstukken geen wapendrachtvergunning moet worden
afgegeven, maar er dient wel steeds een wettige reden te kunnen worden opgegeven voor het dragen ervan. De
hoger omschreven procedure voor de afgifte van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig
wapen is van toepassing. De erkende personen houden voor de onderdelen en hulpstukken een register
bij in de vorm van het model D. De onderdelen en de hulpstukken vallen onder de retributieregeling,
behalve wanneer het een kosteloze inschrijving betreft. De omwisseling van een defect onderdeel
gebeurt voortaan op de volgende wijze : 1. aanvraag van een vergunning om het vervangstuk aan
te kopen bij de gouverneur, die de behandeling start zonder een retributie te vorderen; 2. de
gewone procedure wordt gevolgd, maar voor de afronding daarvan wordt een attest voorgelegd waaruit blijkt
dat het te vervangen defect onderdeel vernietigd is door de Proefbank; 3. de gouverneur voegt
het vervangstuk toe op de bestaande wapenvergunning. Er is dus geen retributie verschuldigd. 4.
alleen als het vervangen onderdeel wordt behouden of overgedragen (en dus geen attest van vernietiging
wordt voorgelegd), zal nog een nieuwe vergunning worden afgegeven, uiteraard met inning van retributie. 19.2.
Munitie (448) In principe is op munitie voor vuurwapens dezelfde regeling van toepassing als
die voor de wapens waarvoor ze bestemd is. Ze is ook van toepassing op bepaalde onderdelen van die munitie
: de patroonhulzen en de projectielen. Dit geldt niet voor onbruikbaar gemaakte onderdelen en evenmin
voor het kruit en afzonderlijke slaghoedjes. Blanke munitie heeft geen projectiel en vaak is
de huls ervan ingekort en dichtgeknepen. In dat geval mag ze niet worden gelijkgesteld met munitie en
zijn de onderstaande regels er niet op van toepassing. Dit is echter wel het geval als het gewone projectiel
is vervangen door een ander voorwerp dat wordt afgeschoten met behulp van een « blanke » patroon (bijvoorbeeld
een voorwerp dat moet worden teruggebracht door een jachthond of een netgun). De verkoop of
de overdracht, zelfs kosteloos, van munitie voor vergunningsplichtige vuurwapens is voorbehouden aan
de houders van een vergunning tot het voorhanden hebben van die wapens of een daarmee gelijkgesteld document
(jachtverlof of sportschutterslicentie samen met een model 9 voor het betrokken wapen, buitenlandse EVP). Een
particulier kan slechts munitie voor vergunningsplichtige vuurwapens kopen voor het wapen waarvoor hem
een vergunning tot voorhanden hebben is verleend of dat hij voorhanden houdt op basis van een gelijkgesteld
document én dat werd geregistreerd met een model 9. Op dezelfde wijze kan een particulier geen
munitie verwerven als zijn vergunning niet geldig is voor het verkrijgen van munitie. De overdracht
van munitie voor vergunningsplichtige vuurwapens is onderworpen aan de inschrijving in een register van
het model C. Op een schietstand mag munitie worden verkocht aan de leden van de schietclub op
voorwaarde dat de uitbater van de schietstand de daartoe vereiste erkenning voor de uitbating van een
schietstand bezit. Ook de uitbater van de schietstand dient een register model C bij te houden voor de
munitie die hij mag verkopen onder de voorwaarden van het KB 13/7/00. In overeenstemming met
de bijzondere reglementering die op hen van toepassing is, maken bepaalde politiediensten gebruik van
munitie die in de zin van artikel 22, § 2 WW verboden is. Die munitie mag door een wapenhandelaar
worden opgeslagen nadat zij door de betrokken instantie is besteld; met betrekking tot die munitie moet
op het register model C worden voorzien in een speciale rubriek. 20. Toezicht en straffen De
Wapenwetgeving maakt deel uit van het reglementair strafrecht. Dat wil zeggen dat ze een geheel van administratieve
regels omvat, waarvan de naleving door het strafrecht wordt afgedwongen. Dit betekent dat ze de kenmerken
van beide rechtstakken combineert, wat bijzondere gevolgen heeft. Zo moeten de politiediensten
niet alleen inbreuken op de Wapenwet opsporen en vaststellen, maar ook preventief optreden en de administratieve
overheid informeren met het oog op de vrijwaring van de openbare orde. De gerechtelijke overheid mag
niet uit het oog verliezen dat deze administratieve taak even belangrijk is en onderworpen is aan een
even strikte motiveringsplicht. De administratieve overheid moet, om haar taak naar behoren te kunnen
uitoefenen, kennis krijgen van alle nuttige gerechtelijke informatie die niet onder het geheim van het
onderzoek of het beroepsgeheim valt. 20.1. Bevoegde overheden Gelet op de technische
aard van de wapenwetgeving zijn naast de gewone politiediensten ook enkele bijzondere overheden opgenomen
in de lijst van de diensten die bevoegd zijn om toe te zien op de naleving ervan (449). Het
betreft : • de lokale en federale politie; • de douane; •
de directeur van de Proefbank en zijn aangewezen medewerkers; • de inspecteurs en controleurs
van springstoffen; • de ambtenaren van de Economische Inspectie. Het spreekt
voor zich dat al deze diensten zich concentreren op het opsporen van inbreuken op het vlak van hun specialisatie.
Toch zijn ze bevoegd om alle inbreuken op de wapenwetgeving vast te stellen. De betrokken ambtenaren
mogen zich in tegenstelling tot vroeger niet meer te allen tijde toegang verschaffen tot de plaatsen
waar erkende personen hun activiteiten uitoefenen. Zij moeten voortaan dus de algemene regels betreffende
huiszoeking volgen. Wanneer ze een controle uitvoeren, mogen ze uiteraard eisen dat hen alle
papieren en voorwerpen die zich bevinden op de plaatsen waar erkende personen hun activiteiten uitoefenen,
worden voorgelegd. In het kader van hun preventief optreden voeren de leden van de voornoemde
diensten die de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie hebben op verzoek van de gouverneur
of op eigen initiatief regelmatig controles uit, zowel bij erkende personen als bij particulieren. Dat
de federale politie, die immers daartoe betere middelen heeft, in het bijzonder belast is met het toezicht
op de wapenhandelaars en de wapenfabrikanten, wil niet zeggen dat de andere bevoegde diensten geen controles
mogen of moeten uitvoeren als ze daartoe verzocht worden of zelf het initiatief willen nemen. 20.2.
Straffen De regelgeving bevat slechts één algemene strafbepaling (450) voor alle inbreuken op
de Wapenwet en haar uitvoeringsbesluiten. Ze voorziet in een gevangenisstraf van één maand tot vijf jaar
en/of een geldboete van 100 tot 25.000 euro. De bepaling bevat een specifieke strafbaarstelling
voor wie bewust onjuiste verklaringen heeft afgelegd met het oog op het verkrijgen van een erkenning
of vergunning en voor wie van die verklaringen gebruik heeft gemaakt. Daarnaast voorziet ze
ook in twee verzwarende omstandigheden die het strafminimum op een gevangenisstraf van één jaar brengen,
waardoor voorlopige hechtenis mogelijk wordt : • als de inbreuk wordt gepleegd door een
erkend persoon (omwille van de grote vrijheid die ze genieten in ruil voor het opgewekte vertrouwen)
- dit is van toepassing op alle soorten erkenningen aangezien de procedure van artikel 5 WW voor allemaal
geldt; • als de inbreuk wordt gepleegd ten aanzien van een minderjarige (bijvoorbeeld
het verkopen van een wapen aan een kind). Over de bijkomende straf van de verbeurdverklaring,
haar verplichte aard en haar gevolgen wordt gesproken op het einde van het volgende punt. Een
andere bijkomende straf kan worden opgelegd aan recidiverende erkende personen : zij kunnen worden veroordeeld
hun onderneming te sluiten (451). Uit artikel 26 WW ten slotte volgt dat ook de poging en de
deelneming strafbaar zijn. Er kan nog worden vermeld dat inbreuken op de wapenwetgeving vaak
voortdurende misdrijven zijn, wat hun verjaring onmogelijk maakt zo lang ze blijven bestaan (bijvoorbeeld
het bezit van een verboden wapen, het onwettig bezit van een vergunningsplichtig wapen, het nalaten de
voorgeschreven veiligheidsmaatregelen te nemen, het onwettig uitoefenen van een activiteit waarvoor een
erkenning nodig is, zelfs meestal het onwettig vervoeren of dragen van een wapen door iemand die de gewoonte
heeft een wapen bij zich te hebben). Er zijn natuurlijk ook gevallen waar de inbreuk een aflopend misdrijf
is (bijvoorbeeld een illegale aan- of verkoop, het niet correct invullen van een document, het verstrekken
van foute gegevens, het organiseren van een wapenbeurs zonder toestemming). 21. Inbeslagname
van wapens 21.1. Gerechtelijke inbeslagname en administratieve inbeslagname Er moet
een onderscheid worden gemaakt tussen de gerechtelijke inbeslagname (452) van een wapen, die plaatsvindt
nadat de bevoegde overheid een misdrijf heeft vastgesteld, en de administratieve inbeslagname (453),
die preventief gebeurt met het oog op de vrijwaring van de openbare orde. De gerechtelijke inbeslagname
kan betrekking hebben op alle soorten wapens, de administratieve alleen op vuurwapens (en niet-vuurwapens
die projectielen kunnen afschieten), munitie en documenten die er betrekking op hebben. In beide gevallen
gelden de hiernavolgende paragrafen. Waar het duidelijk is in welke gevallen een gerechtelijke
inbeslagname mogelijk is, bestaat er soms discussie over de omstandigheden waarin men preventief mag
optreden. Artikel 28 WW voorziet in 2 gevallen : • de tijdelijke sluiting en ontruiming
van wapenopslagplaatsen (door de burgemeester of de gouverneur) bij dreigend gevaar voor de openbare
orde (er werd vooral gedacht aan oproer), waarbij de eigenaar van de wapens in principe niet persoonlijk
wordt geviseerd en er bijgevolg geen administratieve sancties overwogen moeten worden (454); •
de eigenlijke administratieve inbeslagname van wapens (door officieren van gerechtelijke of administratieve
politie), daarin ook begrepen vrij verkrijgbare niet-vuurwapens die projectielen kunnen afschieten, wanneer
het gevaar voor de openbare orde uit gaat van de wapens zelf of van de bezitter ervan. In dat geval moet
de gouverneur worden verwittigd omdat een sanctie aangewezen kan zijn en omdat een dergelijke aantasting
van het eigendomsrecht zo snel mogelijk nader moet worden onderzocht en het voorwerp moet uitmaken van
een gemotiveerde beslissing (455). De administratieve inbeslagname op basis van artikel 28,
§ 2 WW moet ook worden onderscheiden van een preventief optreden op basis van artikel 30 van de
Wet op het Politieambt (WPA). In dat laatste kader, dat echter alleen op openbare plaatsen kan worden
toegepast, is de inbeslagname (die hier « onttrekking » wordt geheten) van eender welk wapen mogelijk.
Hier worden de wapens zo lang als noodzakelijk in beslag genomen en dan gedurende een bepaalde tijd gewoon
ter beschikking van de eigenaar gehouden, zonder dat de gouverneur hoeft tussen te komen. In
de praktijk zullen artikel 28, § 2 WW en artikel 30 WPA vaak tegelijk kunnen worden toegepast.
De politiediensten hebben dan de mogelijkheid te kiezen welke procedure ze volgen. Als er is voldaan
aan de voorwaarden van de beide bepalingen (vuurwapens, openbare plaats), dan moet de keuze duidelijk
worden aangegeven in het op te stellen proces-verbaal. Telkens als een preventieve maatregel zich opdringt
ten aanzien van een wapenbezitter, zal artikel 28, § 2 WW de voorkeur genieten. Ook de
combinatie van een gerechtelijk en een administratief beslag zal vaak voorkomen. In dat geval mag niet
uit het oog worden verloren dat ze niet dezelfde finaliteit hebben en dat een beslissing binnen het ene
kader niet noodzakelijk een beslissing in het andere kader tot gevolg heeft. Een goede communicatie tussen
de verschillende bevoegde overheden is dan van essentieel belang; daarom schrijft de wet ze uitdrukkelijk
voor (456). 21.2. Verwittiging van de gouverneur en administratieve sancties Bij een
eigenlijke administratieve inbeslagname van vuurwapens of vergunningsplichtige niet-vuurwapens in het
kader van artikel 28, § 2 WW wordt de gouverneur van de verblijfplaats van de betrokkene onmiddellijk
op de hoogte gesteld en voldoende geïnformeerd, zodat hij eventueel de bijhorende vergunningen (of het
recht tot voorhanden hebben van de wapens) kan schorsen of intrekken volgens de geldende procedure. De
gouverneur moet zijn beslissing binnen drie maanden nemen. Slaagt hij hier niet in of oordeelt hij dat
een sanctie niet aangewezen is, dan worden de wapens teruggegeven. 21.3. Model 10 De
politiediensten die een wapen in beslag nemen, moeten een formulier van inbeslagname (model 10) invullen
om het CWR in kennis te stellen van de bestemming van de in beslag genomen wapens. Het formulier moet
voldoende gedetailleerd worden ingevuld. De beslagene moet een ontvangstbewijs krijgen en men mag niet
vergeten dat de wapens kunnen toebehoren aan een derde die niet betrokken is bij de situatie die aanleiding
gaf tot de inbeslagname. Als de wapenbezitter zijn verblijfplaats heeft in de zone van de inbeslagnemende
politiedienst, moet deze, na de gegevens van dit formulier online in het CWR te hebben ingevoerd, het
samen met het wapen neerleggen ter griffie. Heeft de betrokkene elders zijn verblijfplaats, dan moet
de inbeslagnemende politiedienst binnen 48 uur de lokale politie van die verblijfplaats een kopie van
het model 10 bezorgen, opdat die de gegevens in het CWR zou invoeren. De griffie moet vervolgens
toezien op de verdere behandeling ervan. Zodra de griffie het formulier van inbeslagname en het model
10 ontvangt en vooraleer het aan het CWR wordt toegezonden, moet in het Rijksregister de juistheid van
de identiteit en van het adres van de beslagene worden nagegaan. Alvorens het wapen terug te
geven, moet de griffie in het Rijksregister nagaan of de beslagene niet van adres is veranderd. De
lokale politie van de verblijfplaats van een persoon die wapens voorhanden heeft, speelt een belangrijke
rol bij de centralisatie van de gegevens over die wapens. Daarom moeten de politiediensten, ingeval zij
een wapen in beslag nemen, daarvan binnen 48 uur kennis geven aan de lokale politie van de verblijfplaats
van betrokkene. 21.4. Vrijwillige afstand en tijdelijke bewaargeving van een wapen zonder dat
er sprake is van een misdrijf Bovenaan het model 10 kan men ook vakjes aankruisen voor de vrijwillige
afstand of de tijdelijke inbewaargeving van wapens, zonder dat een misdrijf is vastgesteld. Zo is het
bijvoorbeeld mogelijk dat een vuurwapen waarvoor geen vergunning is vereist, preventief wordt afgegeven
door een lid van een familie die zich in een crisissituatie bevindt, of, wanneer het gaat om een wapen
waarvoor wel een vergunning is vereist, dat wordt besloten om de procedure tot schorsing van de vergunning
niet in te zetten. Ofwel betreft het hier een vrijwillige en definitieve afstand van het wapen.
In het andere geval betreft het een tijdelijke bewaargeving. Na verloop van een bepaalde periode, waarvan
de duur naargelang van het geval en van de materiële mogelijkheid van neerlegging moet worden vastgelegd,
moet ofwel een procedure tot schorsing of intrekking van de vergunning worden gestart, ofwel aan de eigenaar
van het wapen worden gevraagd zich ervan te ontdoen, ofwel moet het worden teruggegeven. In
overeenstemming met de deontologische beginselen is de verkrijging van een vrijwillig afgestaan of een
tijdelijk in bewaring gegeven wapen door een lid van een politiekorps verboden. Dergelijke wapens, ook
die, welke tijdelijk in bewaring zijn gegeven maar die niet moeten worden teruggegeven aan de eigenaar,
zijn uiteindelijk voor vernietiging bestemd en kunnen alleen door de directeur van de Proefbank, waarheen
de wapens moeten worden gezonden, omwille van hun bijzondere waarde aan een museum van publiek recht
worden bezorgd (457). Wanneer een politiedienst in dergelijke omstandigheden een model 10 opmaakt,
moet dit onmiddellijk online worden ingevoerd in het CWR indien de bewaargever zijn verblijfplaats heeft
in de betrokken zone. Zoniet moet de bevoegde lokale politie binnen 48 uur een kopie van het model 10
ontvangen voor online registratie. Tevens moeten latere wijzigingen (teruggave van het wapen,...) worden
geregistreerd. Als de ontvangende politiedienst het wapen (en eventueel zijn munitie) niet of
niet langer kan of wenst te bewaren, moet het worden overgebracht naar de griffie die het moet aanvaarden,
zelfs al is er geen sprake van een inbreuk en wordt het bijgevolg alleen vergezeld van een model 10,
zonder dat er een pv is opgesteld. 21.5. Onderzoek van wapens door het NICC en private experts In
beslag genomen wapens kunnen door de gerechtelijke overheid aan het NICC (Nationaal Instituut voor Criminalistiek
en Criminologie) of aan een private deskundige worden overgedragen om er onderzoek op uit te voeren. In
dat geval geldt de schriftelijke vordering als titel voor het voorhanden houden van de betrokken wapens
door het NICC of de ballistisch expert. Als de noodzaak daartoe bestaat, mogen de wapens ter plaatse
worden opgehaald door een aangestelde van het NICC of door de deskundige, mits het vervoer gebeurt op
een discrete en veilige wijze. De wapens moeten onzichtbaar, ongeladen, verpakt, gelabeld en buiten handbereik
worden vervoerd, samen met de voormelde schriftelijke vordering. Het onderzoek van de wapens
en hun bewaring moeten eveneens gebeuren op een discrete en veilige wijze. Een kluis of wapenkast zijn
noodzakelijk en een alarmsysteem is ten zeerste aanbevolen. Eventuele munitie moet apart worden bewaard. 21.6.
Teruggave Als de gerechtelijke overheid van oordeel is dat in beslag genomen vuurwapens of vergunningsplichtige
niet-vuurwapens mogen of moeten worden teruggegeven aan hun rechtmatige eigenaar, dan stelt zij de bevoegde
gouverneur hiervan op de hoogte, zodat deze eventueel kan waarschuwen dat de bij de wapens horende vergunningen
werden geschorst of ingetrokken en zodat hij minstens op de hoogte is van het feit dat de betrokkene
terug in het bezit zal komen van zijn wapens. Als de gouverneur geen bezwaar uit binnen 8 dagen,
worden de wapens aan de eigenaar terugbezorgd door toedoen van de lokale politie van diens verblijfplaats,
zodat ook deze op de hoogte is en de wapens opnieuw als actief kan opnemen in het CWR. 21.7.
Verbeurdverklaring Een gerechtelijk beslag kan ook uitlopen op een veroordeling van de betrokkene
door de strafrechter. Als hij schuldig is aan een inbreuk op de Wapenwet of haar uitvoeringsbesluiten
is de verbeurdverklaring van de wapens die het voorwerp van het misdrijf uitmaakten, verplicht, tenzij
het een inbreuk betreft op de regels inzake de vaststelling van het verkrijgen, de verkoop, de overdracht
en het voorhanden hebben van vuurwapens. In de praktijk gaat het dan vooral over de registerplicht van
de erkende personen en over de plichten op het vlak van vergunningen en modellen 9 bij particulieren
(458). Verbeurdverklaarde wapens moeten door de griffie naar de Proefbank worden gezonden om
er te worden vernietigd (459). De kosten zijn ten laste van de veroordeelde. De directeur van de Proefbank
kan met toestemming van de minister van Justitie beslissen om bepaalde wapens niet te vernietigen omwille
van historische, wetenschappelijke of didactische redenen. In dat geval worden de betrokken wapens geschonken
aan een door de minister aangeduid museum van publiek recht, een wetenschappelijke instelling of een
politiedienst. In de praktijk worden veel inbreuken op de Wapenwet niet voor de strafrechter
gebracht, maar worden ze door het parket afgehandeld met een minnelijke schikking. Het is gebruikelijk
dat de afstand van het betrokken wapen deel uitmaakt van die regeling. Die wapens worden geacht vrijwillig
te zijn afgestaan, waardoor ze dezelfde bestemming krijgen als de verbeurdverklaarde wapens. 22.
Gevolgen van de overgang van de oude naar de nieuwe wetgeving 22.1. De hernieuwing van de oude
erkenningen en vergunningen Vergunningen tot het voorhanden hebben van vuurwapens die werden
afgegeven, of die een betaalde wijziging ondergingen, sedert meer dan vijf jaar voor de inwerkingtreding
van de nieuwe wapenwet (dus afgeleverd voor, of gewijzigd met betaling van retributie voor 09/06/01)
moesten uiterlijk op 31/10/08 hernieuwd worden. Zoniet verviel hun geldigheid (460). Erkenningen
die werden afgegeven, of die een betaalde wijziging ondergingen, sedert meer dan vijf jaar voor de inwerkingtreding
van de nieuwe wapenwet (dus afgeleverd voor, of gewijzigd met betaling van retributie voor 09/06/01)
moesten uiterlijk op 31/03/09 hernieuwd worden. Zoniet verviel hun geldigheid (461). Alle vergunningen
tot het voorhanden hebben van vuurwapens en erkenningen die werden afgeleverd na die datum (09/06/01)
hebben een onbepaalde geldigheidsduur (462). Sinds 01/09/08 moet de gouverneur zelf het initiatief
nemen om eens per vijf jaar onder meer bij de houders van een vergunning tot het voorhanden hebben van
een wapen of van een erkenning te onderzoeken of zij de wet naleven en nog steeds voldoen aan de voorwaarden
voor het verkrijgen van de vergunning of de erkenning. Hierbij moet de bevoegde gouverneur het advies
van de lokale politie en eventueel van het Openbaar Ministerie vragen. De houder moet verklaren of doen
vaststellen dat hij nog steeds beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 11, § 3, 2° tot 5°,
8° en 9° of artikel 11/1 WW. Daarnaast moet de aanvrager eveneens kunnen aantonen dat de grond op basis
waarvan de vergunning of de erkenning voorheen werd afgeleverd nog bestaande is. Er mogen tevens geen
redenen zijn om te besluiten tot een beperking, schorsing of intrekking van de vergunning of de erkenning
(463). Als blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren of
een bedreiging vormt voor de fysieke integriteit van personen of de wettige reden ingeroepen om de vergunning
te verkrijgen niet meer bestaat, kan de bevoegde gouverneur de vergunning tot het voorhanden hebben van
het wapen bij een met redenen omklede beslissing beperken, schorsen of intrekken na het advies te hebben
ingewonnen van de procureur des Konings (464). Uiterlijk op 08/01/08 moesten alle particulieren
die houder waren van een erkenning van een privéverzameling van wapens en munitie - waarop nog geen historisch
thema werd vermeld - een thema opgeven bij de bevoegde gouverneur, die het dan kon aanvaarden of beperken.
Het thema had enkel betrekking op de verwerving van bijkomende wapens na die datum. 22.2. Model
6 Het zogenaamde registratieattest model 6 wordt uitsluitend gebruikt in het kader van de regularisatie
van de door de nieuwe wapenwet vergunningsplichtig geworden wapens waarvoor de houder geen jachtverlof
of sportschutterslicentie voorhanden had. Het betreft een voorlopige vergunning op basis waarvan de houder
het wapen voorhanden mag houden in afwachting van de beslissing van de gouverneur over de vergunningsaanvraag
(465). De vergunning tot het voorhanden hebben van het vergunningsplichtig geworden vuurwapen
kon enkel worden uitgereikt als : (466) - de aanvrager meerderjarig is, - de aanvrager
geen veroordelingen heeft opgelopen zoals bedoeld in artikel 5, § 4 WW (467), - er geen
redenen van openbare orde bestaan, die zouden leiden tot de intrekking van de vergunning. Voor
diegene die op het moment van de inwerkingtreding van de nieuwe wapenwet een vergunningsplichtig wapen
voorhanden had en die wel houder was van een jachtverlof of een sportschutterslicentie, werd het wapen
automatisch op zijn naam geregistreerd (468). De registratie van het wapen gebeurde in die gevallen
als volgt : (469) 1° het ongeladen, gedemonteerd en verpakt wapen wordt voorgelegd aan de lokale
politie; 2° als de betrokkene houder is van een jachtverlof of een sportschutterslicentie registreert
de lokale politie het wapen onmiddellijk en kosteloos in het CWR en levert hem een formulier model 9
af; 3° als de betrokkene geen houder is van een jachtverlof of een sportschutterslicentie, gaat
de lokale politie na of hij aan de wettelijke voorwaarden voor registratie voldoet. Is dit het geval
dan wordt het wapen op zijn naam geregistreerd, wordt hem een formulier model 6 afgegeven, en wordt een
vergunningsaanvraag doorgestuurd naar de bevoegde gouverneur. De betrokkene mag het wapen voorhanden
hebben in afwachting van de beslissing. Wordt de registratie geweigerd, dan moet betrokkene het wapen
binnen 8 dagen na deze beslissing in bewaring geven of overdragen aan een erkend persoon, het laten neutraliseren
door de proefbank voor vuurwapens, of het afstaan voor vernietiging. Bij afgifte van een vergunning
tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen (model 4) na de afgifte van een registratieattest
model 6 in het kader van de overgangsregeling, beschikt de houder over een periode van 5 jaar om aan
te tonen dat hij voldoet aan alle wettelijke voorwaarden gekoppeld aan de vergunning. Als hij binnen
die periode bijvoorbeeld geen bewijs kan voorleggen van een wettige reden, is hij niet langer gerechtigd
het wapen voorhanden te hebben. Deze controle gebeurt op initiatief van de gouverneur in het kader van
de 5-jaarlijkse contrôle (470). 22.3. Regularisaties De nieuwe wapenwet heeft in enkele
overgangsbepalingen voorzien voor diegenen die reeds wapens bezaten op het ogenblik van de inwerkingtreding
ervan. Binnen een overgangsperiode werd hen meer bepaald de mogelijkheid geboden om deze wapens te «
regulariseren ». De bedoeling was om zo iedereen de mogelijkheid te geven zich te conformeren naar de
nieuwe wettelijke bepalingen. De overgangstermijn liep tot 31/10/08 en betrof de volgende situaties : Op
datum van de inwerkingtreding van de wapenwet (09/06/06) : 1. De betrokkene had zonder titel
een wapen of munitie voorhanden waarvoor krachtens de « oude wapenwet » (de wet van 03/01/33) een vergunning
tot het voorhanden hebben van een verweer- of een oorlogswapen was vereist : In dat geval bestond
de mogelijkheid om uiterlijk op 31/10/08 een vergunning hiervoor aan te vragen zonder voor dit misdrijf
te kunnen worden vervolgd. Het betrokken wapen mocht evenwel niet worden gezocht of geseind staan (471).
Het wapen moest ongeladen, gedemonteerd en verpakt worden overhandigd aan de lokale politie die onmiddellijk
aan de hand van de karakteristieken ervan naging of het niet werd gezocht of stond geseind. Als dit niet
het geval was, werd betrokkene vrijgesteld van vervolging en kreeg hij een ontvangstbewijs. Er werd vervolgens
een vergunningsaanvraag opgesteld en doorgestuurd naar de gouverneur van zijn verblijfplaats. Het wapen
werd in bewaring gehouden door de lokale politie tot de gouverneur de vergunning afleverde. Indien de
gouverneur de aanvraag weigerde, moest de betrokkene binnen een maand na de beslissing aan de lokale
politie laten weten aan welke erkende persoon hij het wapen in bewaring wilde geven of overdragen of
nog dat hij het wapen wilde laten neutraliseren door de proefbank of het afstaan voor vernietiging. Indien
hij zijn keuze niet tijdig bekendmaakte, werd hij geacht er vrijwillig afstand van te doen (472). 2.
De betrokkene had zonder titel een wapen of munitie voorhanden dat krachtens de nieuwe wapenwet vergunningsplichtig
is geworden : (473) In dat geval bestond de mogelijkheid hiervan uiterlijk op 31/10/08 aangifte
te doen bij de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats, door bemiddeling van de lokale politie (474).
Opnieuw doen zich enkele mogelijkheden voor : a. De betrokkene was houder van een jachtverlof
of een sportschutterslicentie en het wapen voldoet aan de voorwaarden om geregistreerd te worden op model
9 : in dat geval wordt het wapen automatisch en kosteloos op zijn naam geregistreerd in het CWR en verkreeg
hij een model 9. b. De betrokkene was geen houder van een jachtverlof of een sportschutterslicentie
: in dat geval werd hem een vergunning uitgereikt als hij : i.Meerderjarig is; ii.Geen
veroordelingen heeft opgelopen zoals bedoeld in artikel 5, § 4 WW (475); iii.Er geen
redenen van openbare orde bestaan, die zouden leiden tot de intrekking van de vergunning. In
afwachting van de beslissing om de vergunning al dan niet af te leveren, gold de aanvraag van een vergunning
als voorlopige vergunning. Meer bepaald werd het wapen door de lokale politie geregistreerd, werd een
model 6 afgeleverd en werd een vergunningsaanvraag doorgestuurd naar de gouverneur. De betrokkene mocht
het wapen voorhanden hebben in afwachting van de beslissing. In geval de registratie werd geweigerd,
moest betrokkene het wapen binnen 8 dagen na de beslissing in bewaring geven of overdragen aan een erkend
persoon, het laten neutraliseren door de proefbank of het afstaan voor vernietiging. Voor de
vergunningsplichtig geworden wapens die na 01/01/06 werden verworven, werd de vergunning voorlopig afgegeven,
voor een duur van één jaar. 3. De betrokkene had een verboden wapen of een wapen of munitie
zoals bedoeld onder punt 1 voorhanden : In dat geval bestond de mogelijkheid om hiervan uiterlijk
op 31/10/08 anoniem afstand te doen bij de lokale politiedienst van zijn keuze zonder vervolgd te worden.
Het betrokken wapen mocht evenwel niet worden gezocht of geseind staan (476). Het wapen werd
indien mogelijk gedemonteerd en verpakt en - in geval van een vuurwapen - ongeladen overhandigd aan de
lokale politie die onmiddellijk aan de hand van de karakteristieken ervan naging of het wapen niet werd
gezocht of geseind stond. Indien dit niet het geval was, werd aan betrokkene anonimiteit gegarandeerd,
werd hij vrijgesteld van vervolging en kreeg hij een ontvangstbewijs (477). De karakteristieken
van het wapen werden genoteerd in een lijst van ingeleverde wapens, die samen met die wapens werd bezorgd
aan de door de gouverneur aangewezen instellingen die voor de vernietiging van de wapens instonden (478).
Telkens als er een hoeveelheid ingeleverde wapens en munitie aanwezig was, die naar oordeel van de korpschef
niet meer op een veilige manier ter plaatse kon worden bewaard, diende er een voldoende beveiligde verzending
naar één van de instellingen die instonden voor de vernietiging ervan, plaats te vinden (479).
De zeldzame en didactisch interessante exemplaren werden door de directeur van de proefbank voor vuurwapens,
of op voorstel van de lokale politie door de gouverneur geselecteerd en bezorgd aan politiescholen en
openbare musea die hierom verzochten (480). Alle andere exemplaren werden vernietigd en de
proefbank voor vuurwapens en de gouverneurs bezorgden op het einde van de inleveringsperiode een verslag
aan de minister van Justitie (481). 4. De betrokkene had een automatisch vuurwapen voorhanden
: In dat geval bestond de mogelijkheid om uiterlijk op 31/10/08 dit wapen door de proefbank
voor vuurwapens onomkeerbaar te laten ombouwen tot een halfautomatisch wapen of te laten neutraliseren.
Men kon het wapen tevens overdragen aan een erkende wapenhandelaar, tussenpersoon of verzamelaar of er
afstand van doen bij de lokale politie van zijn verblijfplaats (482). 5. De betrokkene had een
vergunning voor een wapen dat krachtens de nieuwe wapenwet verboden is geworden : In dat geval
bestond de mogelijkheid om uiterlijk op 31/10/08 het wapen door de proefbank voor vuurwapens onomkeerbaar
te laten ombouwen of neutraliseren tot een niet-verboden wapen. Men kon het wapen tevens overdragen aan
een persoon die gerechtigd is het voorhanden te hebben of er afstand van doen bij de lokale politie van
zijn verblijfplaats tegen een billijke vergoeding vast te stellen door de Minister van Justitie (483). 6.
De betrokkene had als particulier een erkenning van een privéverzameling van wapens en munitie waarop
nog geen historisch thema stond vermeld : In dat geval bestond de mogelijkheid om voor 09/01/08
een historisch thema op te geven aan de gouverneur, die het kon aanvaarden of beperken. Het thema had
enkel betrekking op de verwerving van bijkomende wapens na die datum (484). Een aanvraag die
te laat werd ingediend (485), is - behoudens overmacht (486) - onontvankelijk (487) en brengt met zich
mee dat het betreffende wapen voortaan illegaal voorhanden wordt gehouden. Dit wapen kan alleen nog in
beslag worden genomen. De houder ervan kan met het illegaal voorhanden gehouden wapen immers geen legale
handelingen meer stellen (488). Artikel 29 Sv. verplicht de gouverneur om het parket te informeren
over de personen die niet of niet tijdig een regularisatie-aanvraag hebben ingediend, aangezien zij daarmee
een inbreuk plegen op de wapenwetgeving. 23. Verandering van statuut van een vergunningsplichtig
wapen Zoals eerder uiteengezet, moet voor het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig
vuurwapen vooraf een vergunning worden gevraagd aan de gouverneur die bevoegd is voor de verblijfplaats
van de aanvrager. Sommige particulieren zijn evenwel - omwille van de garanties die hun hoedanigheid
met zich meebrengt - vrijgesteld van deze vergunningsplicht. We denken daarbij aan sportschutters
waarbij de sportschutterslicentie dienst doet als vergunning tot het voorhanden hebben van het vergunningsplichtig
vuurwapen (489). Verder kunnen ook jagers op basis van hun jachtverlof en bijzondere wachters
genieten van dit uitzonderingsregime (490). Model 9 -> model 4 (491) Het verlies van
de hoedanigheid van jager, sportschutter of bijzondere wachter brengt met zich mee dat men niet meer
gerechtigd is te genieten van de vrijstelling van de vergunningsplicht die men op basis daarvan genoot. Als
men evenwel het betreffende wapen verder wenst te behouden, kan een aanvraag worden ingediend tot het
verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben ervan bij de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats.
Als de vergunning wordt afgegeven, moet het document model voor dat wapen worden teruggestuurd naar de
gouverneur die de registratie in het CWR aanpast. Ook als men zijn hoedanigheid van jager, sportschutter
of bijzondere wachter niet verliest, bestaat de mogelijkheid om vrijwillig voor het betreffende wapen
een vergunning tot het voorhanden hebben ervan aan te vragen en dit volgens dezelfde procedure (492) Model
4 -> model 9 (493) Het verkrijgen van de bijzondere hoedanigheid van jager, sportschutter of
bijzondere wachter doet de mogelijkheid ontstaan om het vergunningsplichtig wapen (waarvoor men over
een vergunning tot het voorhanden hebben ervan beschikt) verder te behouden op basis van die hoedanigheid.
Dit kan uitsluitend indien het betreffende wapen voldoet aan de vereisten gesteld door de toepasselijke
hoedanigheid (lange wapens toegelaten daar waar het jachtverlof geldig is, wapens ontworpen voor het
sportschieten edm.). De houder van de vergunning brengt de gouverneur die bevoegd is voor zijn
verblijfplaats hiervan op de hoogte en bezorgt hem de nodige bewijsstukken. Als de gouverneur vaststelt
dat hij aan alle voorwaarden voldoet, ruilt hij de vergunning in voor een document model 9 en past hij
de registratie in het CWR aan. Vrij verkrijgbaar wapen -> vergunningsplichtig wapen (494) De
houder van een vrij verkrijgbaar wapen die dat wapen buiten het kader van historische of folkloristische
manifestaties voor het schieten wil bestemmen, vraagt daartoe vooraf een vergunning aan tot het voorhanden
hebben ervan bij de gouverneur bevoegd voor zijn verblijfplaats. Als hij voldoet aan alle vereisten als
jager, sportschutter of bijzondere wachter en het wapen verder in die hoedanigheid wenst te behouden,
brengt hij de gouverneur hiervan op de hoogte en bezorgt hij hem daarvan de nodige bewijsstukken. Indien
de gouverneur vaststelt dat hij aan alle voorwaarden voldoet, geeft hij een document model 9 af en past
hij de registratie in het CWR aan. Vergunningsplichtig wapen -> vrij verkrijgbaar wapen (495) De
houder van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vrij verkrijgbaar wapen bestemd voor het
schieten buiten het kader van historische of folkloristische manifestaties, die dat wapen daarvoor niet
meer wil gebruiken, of die zijn hoedanigheid van jager, sportschutter of bijzondere wachter verliest,
kan dat vrij verkrijgbaar wapen verder behouden zonder het nog te mogen gebruiken voor de schietsport. Hij
brengt de gouverneur bevoegd voor zijn verblijfplaats hiervan op de hoogte en bezorgt hem de vergunning
of het document model 9 terug. De gouverneur past de registratie in het CWR aan zonder het wapen echter
te schrappen. Het is ook mogelijk dat een wapenhandelaar een wapen uit zijn register wil schrappen
en het op model 9 wil laten zetten via zijn sportschutterslicentie. In dat geval moet hij een model 9
op zijn eigen naam opstellen, als oorsprong van het wapen zijn erkenningsnummer vermelden, en dit volgens
de gewone procedure aan de gouverneur opsturen. 24. Retributies Waar vroeger de retributies
het voorwerp uitmaakten van een apart uitvoeringsbesluit, zijn ze nu in de wet zelf geregeld. Dat er
nu alleen nog wordt gesproken over retributies betekent dat we te maken hebben met de vergoeding van
door de overheid geleverde prestaties : het onderzoek van een aanvraag, de afgifte van een document of
de latere controle ervan. De rekenplichtigen van de bevoegde wapendiensten passen de regelgeving
toe met inachtname van de afspraken die hierover worden gemaakt tussen de FOD Binnenlandse Zaken en de
Federale Wapendienst. 24.1. Principes De artikelen 50 tot 57 van de Wapenwet bepalen
welke retributies gekoppeld zijn aan de verschillende aanvraagprocedures van erkenningen en vergunningen. Naar
aanleiding van erkenningsprocedures is er een betaling in twee fasen : de betrokkene dient een eerste
bedrag over te schrijven na de indiening van zijn aanvraag, en later bij de eventuele erkenning wordt
een tweede bedrag overgeschreven. Het eerste bedrag is een tegenprestatie voor het openen en onderzoeken
van het dossier. Het tweede bedrag is de tegenprestatie voor de afgifte van de erkenning. Voor
de vergunningen tot het voorhanden hebben van een vuurwapen en de wapendrachtvergunningen (en de hernieuwing
hiervan) is er voorzien in een eenmalig te betalen bedrag, over te schrijven na de indiening van de aanvraag. De
bevoegde wapendienst deelt de aanvrager het rekeningnummer mee waarop het verschuldigde bedrag moet worden
gestort. Er kan geen sprake zijn van de terugbetaling van retributies in geval van onontvankelijkheid
of afwijzing van de aanvraag, bij schorsing, intrekking of beperking van een vergunning of erkenning,
noch bij beëindiging van de activiteiten waarop deze betrekking heeft. Een erkenning of vergunning
mag niet worden afgegeven (of hernieuwd) als de verschuldigde retributie nog niet werd betaald. De
onderdelen van wapens die zijn onderworpen aan de wettelijke proef en de hulpstukken die, aangebracht
op een vuurwapen, tot gevolg hebben dat het wapen tot een andere categorie gaat behoren, zijn overeenkomstig
artikel 33 WW onderworpen aan dezelfde regeling als de wapens, behalve indien het gaat om de gewone vervanging
van een defect onderdeel. Het voorhanden hebben van dergelijke onderdelen en hulpstukken is dus onderworpen
aan de betaling van een retributie. Het dragen van een onderdeel of hulpstuk is echter niet onderworpen
aan de afgifte van een wapendrachtvergunning en geeft bijgevolg geen aanleiding tot de betaling van een
retributie. 24.2. Tarieven (496) De ongeïndexeerde basisbedragen van 2006 zijn : •
voor een erkenning als wapenhandelaar of als tussenpersoon : tweemaal 300 euro; • voor
een erkenning die uitsluitend betrekking heeft op het vervaardigen, opslaan, verhandelen van of makelen
in munitie : tweemaal 200 euro; • voor een erkenning die uitsluitend betrekking heeft
op het bronzen, graveren of versieren van vergunningsplichtige wapens of vrij verkrijgbare wapens : tweemaal
150 euro; • voor een erkenning van een museum of van een verzameling van vergunningsplichtige
vuurwapens en munitie hiervoor : tweemaal 150 euro; • voor een erkenning van een museum
of een verzameling van munitie voor vergunningsplichtige vuurwapens : tweemaal 75 euro; •
voor een erkenning voor het uitoefenen van beroepsmatige activiteiten van wetenschappelijke, culturele
of niet-commerciële aard met vuurwapens : tweemaal 150 euro; • voor de erkenning van
een schietstand : tweemaal 300 euro; • voor een erkenning die uitsluitend betrekking
heeft op het vervoer van wapens en munitie : tweemaal 200 euro; • voor alle vergunningen
tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig wapen op naam van dezelfde persoon : 85 euro forfaitair; •
voor een wapendrachtvergunning : 90 euro. De hoger vermelde bedragen worden jaarlijks op 9 december
geïndexeerd (497). De Federale Wapendienst deelt elk jaar de nieuwe bedragen mee aan de provinciale wapendiensten.
De geïndexeerde retributie is verschuldigd voor aanvragen ingediend na de indexering. Omdat
veel wapenbezitters meerdere exemplaren voorhanden hebben, geldt voor hen een forfaitair tarief. Als
ze een aanvraagdossier indienen dat tegelijk betrekking heeft op meerdere vergunningsplichtige wapens,
dan genieten ze van het enkelvoudig tarief. Om een dergelijk omvattend aanvraagdossier te kunnen samenstellen,
is het toegelaten bepaalde aanvragen voortijdig in te dienen (bijvoorbeeld een aanvraag om hernieuwing
van nog niet vervallen vergunningen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag). Van het vaste
bedrag van 85 euro gaan 30 euro naar het gemeentebestuur van de verblijfplaats van de verzoeker (de rest
gaat naar de Schatkist, net zoals het geheel van de andere voornoemde bedragen) (498). Als de betrokkene
in het buitenland verblijft, moet hij het bedrag op de rekening van de Staatsveiligheid storten, die
het volledig doorstort aan de Schatkist. De 5-jaarlijkse controle van de afgegeven erkenningen
en vergunningen (de wapendrachtvergunningen uitgezonderd) is volgens artikel 50/1 WW onderworpen aan
hetzelfde tarief als dat voor de afgifte van het betrokken document. In het geval van erkenningen betekent
dit dus dat het bedrag opnieuw in twee schijven moet worden betaald. Het heffen van opcentiemen
op de bedragen van de retributies door de gemeenten, de provincies of de gewesten is niet mogelijk, evenmin
als het heffen van andere vormen van rechten of retributies op het verwerven of bezitten van wapens. 24.3.
Uitzonderingen Wie reeds in één provincie een erkenning als wapenhandelaar of tussenpersoon
heeft verkregen, dient slechts de helft van de normale bedragen te betalen wanneer hij een aanvraag doet
om zijn activiteit ook in een andere provincie uit te oefenen. Voor de bijkomende aanvraag om een zelfde
activiteit op een andere plaats in dezelfde provincie uit te oefenen, dient niet betaald te worden. Voor
de aanpassing van een erkenning of vergunning dient niet betaald te worden mits ze betrekking blijft
hebben op hetzelfde voorwerp : bijvoorbeeld wijziging van de bestuurders van rechtspersonen, beperking
van de activiteiten,... De adreswijziging van een wapenhandel, de overdracht van een activiteit aan een
derde en de uitbreiding van de activiteiten impliceren wel nieuwe, te betalen, aanvragen. Bij uitbreiding
is echter niet het volle bedrag verschuldigd, doch slechts het verschil tussen het oorspronkelijk betaalde
en het voorziene bedrag voor de ruimere activiteit (499) Voor de vergunningen model 4 en 5 gelden
vrijstellingen ten gunste van leden van het openbaar ministerie die een machtiging van hun korpschef
hebben, voor onderzoeksrechters en voor het personeel van de veiligheidsdiensten van de NAVO en de EU. De
bewakingsondernemingen en interne bewakingsdiensten en hun personeel vallen niet onder het retributiestelsel
van de Wapenwet. Leden van politiediensten die zijn opgenomen in de lijst van het KB van 26/06/02
betreffende het voorhanden hebben en het dragen van wapens door de diensten van het openbaar gezag of
van de openbare macht, genieten van een vrijstelling van de retributie voor een model 4, beperkt tot
de aankoop van munitie voor hun dienstwapen dat ze buiten de dienst wensen te gebruiken voor deelname
aan het sportschieten, mits behoorlijke machtiging door hun korpschef. De erkenning van musea
of verzamelingen aangevraagd door politiediensten, gebeurt eveneens kosteloos. Dit geldt ook voor het
NICC, de School voor criminologie en criminalistiek en andere wettelijk erkende opleidingsinstellingen
voor de politiediensten. De afgifte van duplicaten van erkenningen, vergunningen tot het voorhanden
hebben van een wapen of wapendrachtvergunningen als gevolg van verlies, diefstal of vernietiging van
het oorspronkelijke stuk, moet kosteloos gebeuren. Wanneer een KB wapens indeelt bij de vergunningsplichtige
wapens, moeten de personen die dergelijke wapens voorhanden hebben, ze laten inschrijven in het CWR en
wordt de vergunning tot het voorhanden hebben ervan kosteloos uitgereikt (500). Nuttige adressen Proefbank
voor vuurwapens te Luik Rue Fond-des-Tawes 45 4000 Luik Tel. : 04-227 14 55 Fax
: 04 -277 81 78 info@bancdepreuves.be www.bancdepreuves.be Provinciale wapendiensten
: ANTWERPEN Federale diensten gouverneur - Arr. comm. Mechelen Cel wapens
Jan Van Rijswijcklaan 28 2018 Antwerpen Tel. : 03-240 63 14 Fax : 03-240
63 76 Mail : wapens@acmechelen.provant.be Web : www.provant.be/wapenvergunningen
BRUSSEL-HOOFDSTAD Administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad Dienst Wapens
Hertogstraat 33 1000 Brussel Tel. : 02-507 99 11 Fax : 02-511 99 33
Mail : armes.wapens@brugouverneur.irisnet.be Web : www.brugouverneur.irisnet.be HENEGOUWEN
Dienst wapens Rue Verte 13 7000 Bergen Tel. : 065-39 64 44 Fax
: 065-39 64 47 Mail : caroline.coquelet.namur@gmail.com LUIK Provinciaal
bestuur van Luik Dienst wapens Place Saint-Lambert 18A 4000 Luik
Tel. : 04-220 51 30 Fax : 04-220 51 58 Mail : martine.dirickx@provincedeliege.be
Web : http ://gouverneur.provincedeliège.be/armes/ LIMBURG Cel Wapens Universiteitslaan
1 3500 Hasselt Tel. : 011-23 80 87 Fax : 011-23 80 56 Mail :
wapenvergunningen@limburg.be Web : www.limburg.be/wapenwet LUXEMBURG Federale
Overheidsdienst Binnenlandse Zaken Dienst wapens Place Léopold 1 6700 Aarlen
Tel. : 063-24 Fax : 063 22 10 32 Mail : dominique.dabe@gmail.com NAMEN
Provinciaal bestuur van Namen Dienst wapens Place Saint-Aubain 2 5000 Namen
Tel. : 081-256 881 Fax : 081-256 837 Mail : eder.alvarez.namur@gmail.com
Web : www.securiteprovincenamur.be OOST-VLAANDEREN Federale diensten gouverneur van
Oost-Vlaanderen Federale directie politiezaken en wapens Kalandeberg 1
9000 Gent Tel. : 09-267 88 10 Fax : 09-267 88 29 Mail : wapenvergunningen@oost-vlaanderen.be
Web : www.oost-vlaanderen.be/wapenwet VLAAMS-BRABANT Federale Overheid - Dienst Algemene
Zaken Cel Wapens Provincieplein 1 3010 Leuven Tel. : 016-26 78
03 Fax : 016-26 78 17 Mail : wapens@vlaamsbrabant.be Web : www.vlaamsbrabant.be/wapens
WAALS-BRABANT Provinciaal bestuur van Waals-Brabant Dienst wapens Chaussée
de Bruxelles 61 1300 Waver Tel. : 010-236 720 Fax : 010-236 744
Mail : armes@gouverneurbw.be Web : www.gouverneurbw.be WEST-VLAANDEREN
Federale diensten gouverneur van West-Vlaanderen Dienst wapens Vanaf 03/12/10 :
FAC Kamgebouw K. Albert I-laan 1/5, bus 6 8200 Brugge Tel. : 050-301 611
Fax : 050-301 600 Mail : wapens@west-vlaanderen.be Web : http://www.ibz.be/west-vlaanderen.be Federale
Wapendienst Waterloolaan 115 1000 Brussel Tel. : 02-542 65 11 Fax
: 02-542 70 34 Mail : wapens@just.fgov.be armes@just.fgov.be Web : www.just.fgov.be Veiligheid
van de Staat Dienst wapens North Gate I Koning Albert II-laan 6, bus 2 1000
Brussel Tel. : 02-205 62 19 Fax : 02-205 65 85 Bijlage 1 : lijst van inbreuken
bedoeld in artikel 5, § 4, 2° WW Bijlage 2 : lijst van HFD-wapens (punt 3.3.3) Bijlage
3 : theoretische proef (punt 9.1.7) Bijlage 4 : aanvraagformulier tot het verkrijgen van een
vergunning (model 4) tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen Brussel,
29 oktober 2010. De Minister van Justitie, S. DE CLERCK _______ Nota's (1)
Indien bijvoorbeeld politieagenten in hun vrije tijd hun wapen gebruiken, moeten zij dit doen in een
erkende schietstand en niet in de schietstand van de politie. Cf. Ministeriële omzendbrief GPI 37 van
9/4/03 betreffende de sportactiviteiten in de politiediensten ( Belgisch Staatsblad 30/4/03). Zie hierover
ook punt 3.1.4. (2) Artikel 41 WW. (3) Soms is het moeilijk te bepalen wie bevoegd
is. Zo is Binnenlandse Zaken bevoegd wanneer er sprake is van « waardetransport », d.i. bewaking of bescherming
van de waarden die men laat vervoeren door een bewakingsfirma. De gouverneur is daarentegen bevoegd wanneer
er sprake is van transport van waardemiddelen zonder bewaking of bescherming. (4) Artikel 48,
1ste lid WW. (5) Artikel 3, § 1 WW. (6) Artikel 8 WW. (7) Artikel 19,
eerste lid, 3° WW. (8) Artikel 27, § 1, 3 en 4 WW. (9) Zie hiervoor de bespreking
van de veiligheidsmaatregelen, punt 5.1.6. (10) Zie hiervoor de bespreking van de veiligheidsmaatregelen,
punt 5.1.6. (11) Artikel 3, § 3 WW. (12) Zie verder punt 19. (13) Artikel
33 WW. (14) Artikel 3, § 2, 2° WW. (15) Zie verder over het KB van 18/11/96
tot indeling van sommige alarmwapens bij de categorie vergunningsplichtige vuurwapens (punt 3.3.2). (16)
Artikelen 1-2 KB van 1/03/98 betreffende de indeling in categorieën van sommige seinpistolen, sommige
slachttoestellen, sommige verdovingswapens. (17) Artikel 3, § 2 WW. (18) Zie
punt 3.3.3. (19) Met gelijkgestelden worden voornamelijk de jagers of de sportschutters bedoeld,
zie verder punten 11 en 12. (20) Artikel 10 WW. (21) Artikel 19, eerste lid, 2° WW. (22)
Artikelen 11, 11/1, 11/2 en 12 WW. (23) Artikel 19, eerste lid, 4° WW. (24) Artikel
19, tweede lid WW. (25) Artikelen 14-15 WW. (26) Artikel 12/1 WW. (27) Artikel
12, 5° WW. (28) Artikel 10, tweede lid WW. (29) Artikel 13, 2de lid KB 20/09/91. (30)
Artikel 3, § 2 WW. (31) Alarmwapens die door de proefbank werden gehomologeerd, kunnen
bijvoorbeeld worden gebruikt om een startsein te geven bij atletiekwedstrijden. (32) Wanneer
men dergelijke vrij verkrijgbare wapens niet zou registreren, en ze worden op een later tijdstip verkocht
aan een derde, bestaat de kans dat een vergunningsplichtig wapen in de illegaliteit verdwijnt. Het is
dan ook nodig deze vuurwapens te registreren om hun traceerbaarheid te garanderen. (33) Artikel
9 WW. (34) Artikel 3, § 1, 17° WW, zie onder de verboden wapens, punt 3.1. (35)
Artikel 8 KB 30/03/95. (36) Behoudens het geval bedoeld in art. 17 WW. (37) De bepalingen
van dit hoofdstuk zijn mede van toepassing op de tussenpersonen, voor zover ze dienstig zijn. Zo zullen
ook zij hun beroepsbekwaamheid moeten bewijzen, maar geen veiligheidsmaatregelen moeten nemen. (38)
Zie punt 17. (39) Artikel 5, § 1 WW. (40) In geval van een rechtspersoon : alle
vertegenwoordigers van de rechtspersoon die daadwerkelijk het beroep van wapenhandelaar gaan uitoefenen,
moeten het beroepsbekwaamheidsexamen afleggen. Afhankelijk van de structuur van de rechtspersoon en rekening
houdend met de vraag wie er verantwoordelijk is voor de activiteiten van de wapenhandel kan dus worden
bepaald wie het examen moet afleggen en de erkenning moet aanvragen. (41) Artikel 5, §
2 WW. (42) Artikel 2 KB 16/10/2008. (43) Artikel 2, derde lid KB 16/10/2008. (44)
Artikel 3 KB 16/10/2008. (45) Artikel 4 KB 16/10/2008. (46) Artikel 6, derde lid KB
16/10/2008. (47) Artikel 7 KB 16/10/2008. (48) Zie punt 22.1 inzake de overgangsmaatregelen. (49)
Artikel 8 KB 16/10/2008. (50) Artikel 5, § 4 WW. (51) Zie bijlage 1, die een
lijst van inbreuken geeft. (52) Artikel 2 KB 20/09/91. (53) Artikel 1 KB 16/10/2008. (54)
Artikel 6 KB 16/10/2008. (55) Artikel 2 KB 20/09/91. (56) Zie punt 4.1.3 en bijlage
1. (57) Artikel 5, § 1, derde lid WW. (58) Artikel 5, § 3 WW. (59)
Artikel 31, 1° WW. (60) Artikel 31, 2° WW. (61) Artikel 2, laatste lid KB 20/09/91. (62)
Artikel 1 KB 24/04/97. (63) Artikel 2 KB 24/04/97. (64) Artikel 8 KB 24/04/97. (65)
Artikel 4 KB 24/04/97. (66) Artikel 3 KB 24/04/97. (67) Bijlage bij het KB 24/04/97. (68)
Artikel 6 KB 24/04/97. (69) Artikel 7 KB 24/04/97. (70) Artikel 3, eerste lid KB 20/09/91. (71)
Artikel 3, tweede lid KB 20/09/91. (72) Artikel 30 KB 20/09/91. (73) Artikel 3, derde
lid KB 20/09/91. (74) Artikel 5, § 3, tweede lid WW. (75) Zie punt 4.2.1. (76)
Artikel 9, tweede lid KB 16/10/2008. (77) Artikel 7, § 1 WW. (78) Artikel 5,
§ 1, tweede lid WW. (79) Artikel 5, § 3, tweede lid WW. (80) Artikel
3, laatste lid KB 20/09/91. (81) Artikel 7, § 2 WW en artikel 6, tweede lid KB 20/09/91. (82)
Artikel 3, derde lid KB 20/09/91. (83) 1 : Antwerpen; 20 : administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad;
21 : Vlaams-Brabant; 22 : Waals-Brabant; 3 : West-Vlaanderen; 4 : Oost-Vlaanderen; 5 : Henegouwen; 6
: Luik; 7 : Limburg; 8 : Luxemburg; 9 : Namen; 0 : FOD Justitie. (84) Artikel 30, eerste lid
WW. (85) Artikel 30, tweede lid WW. (86) Artikel 4 KB 20/09/91. (87) Artikel
30, tweede lid WW. (88) Artikel 31, 2° WW. (89) Artikel 5 KB 20/09/91. (90)
Zie punt 4.1.3. (91) Artikel 30, eerste lid WW. (92) Artikel 8, eerste lid KB 20/09/91. (93)
Artikel 8, tweede lid KB 20/09/91. (94) Artikel 23, derde lid KB 20/09/91. (95) Iemand
die al erkend is als wapenhandelaar en die tevens activiteiten als tussenpersoon wenst uit te oefenen,
moet hiervoor geen tweede erkenning vragen. De erkenning als wapenhandelaar is immers ruimer dan deze
als tussenpersoon. (96) Artikel 5, § 5 WW. (97) Artikel 7, § 2 WW. (98)
Zie punt 4.1.3 en bijlage 1. (99) Zie punt 4.2.1. (100) Artikel 5, § 2, tweede
lid WW en artikel 29 Sv. (101) Artikel 6, eerste lid KB 20/09/91. (102) Artikel 6,
derde lid KB 20/09/91. (103) Artikel 6, tweede lid KB 20/09/91. (104) Artikel 6, vierde
lid KB 20/09/91. (105) Artikel 6, laatste lid KB 20/09/91. (106) Artikel 30 KB 20/09/91. (107)
Artikel 23, derde lid KB 20/09/91. (108) Artikel 32, eerste lid WW. (109) Artikel 32,
tweede lid WW. (110) Zie punt 24.2. (111) Artikel 32, derde lid WW. (112)
Artikel 29, § 2 WW. (113) Artikel 29, § 2, tweede lid WW. (114) Artikel
10 KB 16/10/2008. (115) Artikel 11 KB 16/10/2008. (116) Artikel 12 KB 16/10/2008. (117)
Artikel 13 KB 16/10/2008. (118) Artikel 14 KB 16/10/2008. (119) Artikel 15 KB 16/10/2008. (120)
Artikel 19, eerste lid, 4° WW. (121) Parl. St. Kamer, 2007-2008, stuk 474/1, 9 (122)
Artikel 16 KB 16/10/2008. (123) Artikel 17 KB 16/10/2008. (124) Artikel 18 KB 16/10/2008. (125)
Artikel 19 KB 16/10/2008. (126) Artikel 23, eerste lid KB 20/09/91. (127) Artikel 23,
laatste lid KB 20/09/91. (128) Artikel 23, tweede lid KB 20/09/91 en artikel 29 WW. (129)
Artikel 23, derde lid KB 20/09/91. (130) Artikel 23bis, § 1 KB 20/09/91. (131)
Artikel 6, § 1 WW. (132) Artikel 6, § 1 WW. (133) Artikel 2 KB 20/09/91. (134)
Artikel1, § 1, eerste lid KB 29/12/2006. (135) Artikel 1, § 1, tweede lid KB 29/12/2006. (136)
Artikel 5, § 3 WW. (137) Artikel 31, 1° WW. (138) Artikel 31, 2° WW. (139)
Artikel 2 KB 24/04/97. (140) Bijlage bij het KB 24/04/97. (141) Artikel 5 KB 24/04/97. (142)
Artikel 3, eerste lid KB 20/09/91. (143) Artikel 3, tweede lid KB 20/09/91. (144) Artikel
30 KB 20/09/91. (145) Zie punt 5.1.9. (146) Artikel 3, vierde lid KB 20/09/91. (147)
Artikel 5, § 3, tweede lid WW. (148) Artikel 1, § 1, derde lid KB 29/12/2006. (149)
Artikel 1, § 1, tweede lid KB 29/12/2006. (150) Artikel 5, § 3, tweede lid WW. (151)
Artikel 3, laatste lid KB 20/09/91. (152) Artikel 7, § 2 WW en artikel 6, tweede lid
KB 20/09/91. (153) Artikel 3, vierde lid KB 20/09/91. (154) 1 : Antwerpen; 20 : administratief
arrondissement Brussel-Hoofdstad; 21 : Vlaams-Brabant; 22 : Waals-Brabant; 3 : West-Vlaanderen; 4 : Oost-Vlaanderen;
5 : Henegouwen; 6 : Luik; 7 : Limburg; 8 : Luxemburg; 9 : Namen; 0 : FOD Justitie. (155) Artikel
30, eerste lid WW. (156) Artikel 30, tweede lid WW. (157) Artikel 4 KB 20/09/91. (158)
Artikel 30, tweede lid WW. (159) Artikel 31, 2° WW. (160) Artikel 5 KB 20/09/91. (161)
Zie punt 5.1.3. (162) Artikel 30, eerste lid WW. (163) Artikel 8, eerste lid KB 20/09/91. (164)
Artikel 8, tweede lid KB 20/09/91. (165) Artikel 7, § 2 WW. (166) Zie punt 4.1.3
en bijlage 1. (167) Artikel 5, § 2, tweede lid WW en artikel 29 Sv. (168) Artikel
6, eerste lid KB 20/09/91. (169) Artikel 6, derde lid KB 20/09/91. (170) Artikel 6,
tweede lid KB 20/09/91. (171) Artikel 6, vierde lid KB 20/09/91. (172) Artikel 6, laatste
lid KB 20/09/91. (173) Artikel 30 KB 20/09/91. (174) Artikel 23, derde lid KB 20/09/91. (175)
Artikel 32, eerste lid WW. (176) Artikel 32, tweede lid WW. (177) Zie punt 24.2. (178)
Artikel 32, derde lid WW. (179) Artikel 29, § 2 WW. (180) Artikel 1, §
1 KB 29/12/2006. (181) Artikel 23, eerste lid KB 20/09/91. (182) Artikel 23, laatste
lid KB 20/09/91. (183) Artikel 23, tweede lid KB 20/09/91 en artikel 29 WW. (184) Artikel
23bis, § 2, tweede lid KB 20/09/91. (185) Artikel 23, derde lid KB 20/09/91. (186)
Artikel 23bis, § 2 KB 20/09/91. (187) Artikel 23bis, § 2 KB 20/09/91. (188)
Artikel 1, § 1, tweede lid KB 29/12/2006. (189) Artikel 1, § 1, derde lid KB 29/12/2006. (190)
Artikel 6, § 2 WW. (191) Dit valt immers niet onder de uitzonderingsregeling van artikel
27, § 1 WW voor dienstwapens. (192) Zie punt 4.1. (193) Artikel 1, §
2 KB 29/12/2006. (194) Artikel 21 WW. (195) Zie punt 4.1. (196) Artikel 21,
tweede lid WW. (197) Zie punt 4.1. (198) Zie punt 4.1.3 en bijlage 1. (199)
Zie punten 4.1.10 en 5.1.9. (200) Artikel 30 WW. (201) Zie punt 24.2. (202)
Zie punt 4.1.13. (203) Zie punt 4.1.11. (204) Zie punt 24.2. (205) Zie punt
8.2.2. (206) Zie punt 8.2.2. (207) Zie punt 8.1.2. (208) Zie punten 8.1.2
en 8.2.1. (209) Zie punt 8.2.2. (210) Zie punt 2.1. voor de definitie van verblijfplaats. (211)
Artikel 11, § 1 WW. (212) Artikel 11, § 2, eerste lid WW. (213) Artikel
11, § 2, tweede lid WW. (214) Zie punt 4.1.3 en bijlage 1. (215) Artikel 9,
§ 3 KB 20/09/91. (216) Artikel 31, 2° WW. (217) Artikel 31, laatste lid WW. (218)
Artikel 31, 2° WW. (219) Artikel 11, § 1, eerste lid WW. (220) Zie punt 4.1.3.
en bijlage 1. (221) Zie punt 9.1.6. (222) Zie punt 9.1.7. (223) Zie punt 9.1.8. (224)
Zie punt 9.1.9. (225) Zie punt 9.2.3. (226) In de praktijk zal de gouverneur het advies
aan de lokale politie enkel vragen nadat de bij de aanvraag verschuldigde retributie is betaald. (227)
Artikel 11, § 4, laatste lid WW. (228) Artikel 11, § 4, laatste lid WW. (229)
Zie punt 9.1.10. (230) Artikel 9bis, § 1, 1° KB 20/09/91. (231) Artikel 9bis,
§ 1, 3°, eerste lid KB 20/09/91. (232) Artikel 11, § 4, vierde en vijfde lid WW. (233)
Artikel 11/1, derde lid WW. Zie punt 9.1.10. (234) Artikel 11, § 4, tweede lid WW. (235)
Artikel 9bis, § 3, derde lid KB 20/09/91. (236) Voor VSK kan die geraadpleegd worden
op www.sportschieten.be. (237) Artikel 9bis, § 3, eerste lid KB 20/09/91. (238)
Artikel 9bis, § 3, tweede lid KB 20/09/91. (239) Artikel 9bis, § 3, laatste lid
KB 20/09/91. (240) Artikel 9bis, § 1, 3° tweede lid KB 20/09/91. (241) Artikel
11, § 4, derde lid, 1° WW en artikel 9bis, § 2, 2° van het KB 20/09/91. (242)
Artikel 11, § 4, derde lid, 3° WW. (243) Artikel 11, § 4, derde lid, 4° WW. (244)
Artikel 9bis, § 2, 3° KB 20/09/91. (245) Artikel 9bis, § 2, 1° KB 20/09/91 en
artikel 11, § 4, vierde lid WW. Zie punt 11. (246) Artikel 11, § 4, vijfde lid
WW. Zie punt 12. (247) Artikel 11/1, derde lid WW. (248) Artikel 11, § 3, 9°
WW. (249) Artikel 11, § 3, 9° WW. (250) Artikel 11/1, derde lid WW. Zie punt
9.1.10. (251) Artikel 11, § 3, 9° WW. (252) Artikel 2, 1° KB 29/12/06. (253)
Artikel 2, 2° KB 29/12/06. (254) Zie punt 12. (255) Zie punt 12.2. (256) Om
uit te maken of iemand al dan niet sportschutter is, moet men in Vlaanderen meer bepaald rekening houden
met het Decreet van 11/5/07 houdende het statuut van de sportschutter. Uitgangspunt : iedereen die in
Vlaanderen het « sportschieten » beoefent, moet houder zijn van een sportschutterslicentie. Men doet
aan sportschieten wanneer men een door een internationale of nationale schietsportfederatie aangeboden
discipline beoefent. Het is daarbij niet van belang of het sportschieten al dan niet in competitieverband
plaatsvindt. (257) In de praktijk is gebleken dat ook aanvragen worden ingediend voor het sportschieten
met semi-automatische wapens, ook in zwaardere kalibers. Ook aanvragen voor wapens met gladde loop (b.v.
een riot gun) worden ingediend. Er bestaan inderdaad disciplines met dergelijke vuurwapens (uitsluitend
semi-automatische geweren). Er bestaan geen disciplines voor korte machinepistolen. (258) Artikel
2, 3° KB 29/12/06. (259) Artikel 2, 4° KB 29/12/06. (260) Artikel 2, 5° KB 29/12/06. (261)
Als men 5 wapens bezit die passen binnen een bepaald thema kan men meteen de erkenning als verzamelaar
aanvragen. Zie hierover meer onder punt 5. (262) Artikel 2, 6° KB 29/12/06. (263) Artikel
11/1 WW. (264) Artikel 11/2, eerste lid WW. (265) Artikel 44, § 2 WW. Zie punt
22.3. (266) Zie punt 22.3. (267) Artikel 11/2, tweede lid WW. (268) Het «
vermogen » wordt hier in strikte zin begrepen, nl. het betreft enkel het persoonlijke vermogen van de
aanvrager. (269) Indien dus bijvoorbeeld de akte van boedelverdeling van de roerende goederen
pas enkele maanden na het overlijden wordt opgesteld, begint vanaf dan de termijn te lopen. (270)
Artikel 17, tweede lid WW. (271) Zie verder punten 11-13. (272) Artikel 13, tweede
lid WW. (273) Artikel 11/2, derde lid WW. (274) Zie punt 11.2. (275) Zie punt
12.2. (276) Zie punt 13. (277) Artikel 11/1, derde lid WW. (278) Artikelen
10 en 12 KB 20/09/91. (279) Artikel 17, tweede lid WW. (280) Artikelen 10 en 12 KB
20/09/91. (281) Artikel 11, § 1 WW. (282) Artikel 11, § 1, eerste lid
WW. (283) Artikel 14, tweede lid KB 20/09/91 en artikel 18 WW. (284) Artikel 10 KB
20/09/91. (285) Zie punt 20.1. (286) Artikel 13, eerste lid KB 20/09/91. (287)
Artikelen 11 en 12 KB 20/09/91. (288) Artikel 11, § 1, eerste lid WW. (289)
Te rekenen vanaf de datum van de ondertekening van de vergunning door de gouverneur. (290) Artikel
10, tweede lid KB 20/09/91. (291) Artikel 11, eerste lid KB 20/09/91. (292) Artikel
11, tweede en derde lid KB 20/09/91. (293) Artikel 11, vierde lid KB 20/09/91. Zie punt 9.2.1. (294)
Artikel 30, eerste lid WW. (295) Artikel 30, tweede lid WW. (296) Artikel 30, tweede
lid WW. (297) Artikel 31, 2° WW. (298) Artikel 13, tweede lid KB 20/09/91. (299)
Artikel 10, tweede lid WW. (300) Artikel 13, derde lid KB 20/09/91. (301) Het is aangewezen
dat de gouverneurs elkaar informeren bij verhuizing van een wapenhouder naar een andere provincie, zeker
in geval er sprake is van een intrekking of schorsing van zijn vergunning opdat de beslissing overal
zou worden gehandhaafd. (302) Artikel 11, § 1, tweede lid WW. (303) De schorsing
kan ook worden opgelegd tot eerherstel wordt verkregen of tot bewijs van een duidelijke verbetering van
een bepaalde situatie. (304) De intrekking kan zich ook beperken tot bepaalde activiteiten. (305)
Artikel 14, eerste lid KB 20/09/91. (306) Artikel 14, tweede lid KB 20/09/91 en artikel 18 WW. (307)
Artikel 14, derde lid KB 20/09/9. (308) Artikel 11, § 2, 5° Decreet 11/5/07 Vlaamse Gemeenschap
sportschutters. (309) Artikel 32, eerste lid WW. (310) Houders van een model 9 zijn
niet onderworpen aan de 5-jaarlijkse controle. Dit betekent evenwel niet dat de gouverneur geen onderzoek
kan vragen aan de lokale politie omtrent het wapenbezit van bijvoorbeeld een jager of een sportschutter
en dit omdat er indicatie is van gevaar voor de openbare orde. (311) Artikel 32, tweede lid
WW. (312) Als de wapenhouder meerdere adressen heeft, wordt de controle uitgevoerd door de lokale
politie van de plaats waar de wapens zich bevinden. De lokale politie die bevoegd is voor de verblijfplaats
van de houder moet tevens worden geraadpleegd voor informatie aangaande de wapenhouder zelf. (313)
Artikel 32, derde lid WW. (314) Artikel 32, vierde lid WW. (315) Zie punt 22. (316)
Artikel 44, § 2 WW. (317) Zie punt 24.2. (319) Artikel 29/1 KB 20/09/91. (320)
Artikel 23bis, § 3 KB 20/09/91. (321) Artikel 11, derde lid KB 20/09/91. (322)
Politiediensten, Proefbank voor vuurwapens, enz. Zie punt 20.1. (323) Artikel 13 KB 20/09/91. (324)
Artikel 25, § 1 KB 20/09/91. (325) Artikel 24 KB 20/09/91. (326) Artikel 25,
§ 2 KB 20/09/91. (327) Artikel 24 KB 20/09/91. (328) Artikel 24 KB 20/09/91. (329)
Er zijn geen specifieke veiligheidsmaatregelen voorzien voor zogenaamde blanke wapens. Hier geldt echter
wel het algemene principe dat alles op een verantwoorde wijze moet worden voorhanden gehouden zonder
gevaar voor de openbare orde. (330) Het aantal wapens dat een particulier mag bezitten, is niet
beperkt, tenzij dat uitdrukkelijk zou zijn opgelegd in individuele gevallen. Evenwel nemen de vereiste
veiligheidsmaatregelen toe naarmate dat men over meer wapens beschikt. (331) Artikel 11 KB 24/04/97. (332)
Zie punt 5.1.6. (333) Artikel 21 WW. (334) In dit geval mag de term « verblijfplaats
» ruim worden geïnterpreteerd : het mag ook gaan over een tijdelijke verblijfplaats, bv. een hotel waar
de jager of sportschutter verblijft tijdens een weekend voor een jachtpartij of een schietwedstrijd op
verplaatsing (in dit hotel moeten de wapens dan wel worden bewaard alsof het een woning betrof) . (335)
Zie punt 9.1. (336) Zie verder punt 9.1.18. (337) Artikel 11, § 1 en 32, vierde
lid WW. (338) Zie punt 20.2. (339) Alsook gelijkgestelden zoals houders van een jachtverlof
of van een sportschutterslicentie. (340) Dit kan zowel een vergunning tot het voorhanden hebben
van een vergunningsplichtig vuurwapen (model 4) zijn, alsook een model 9 samen met een sportschutterslicentie
en/of jachtverlof. (341) Artikel 12/1 WW. (342) Artikel 21, 2° WW. Zie hierover tevens
punten 11.3 en 12.3. (343) Artikel 15 KB 24/04/97. (344) Artikel 22, § 1, eerste
lid WW. (345) Artikel 22, § 1, vierde lid WW. (346) Artikel 22, § 2 WW. (347)
Zie in dit verband punt 9.2.6. (348) Artikelen 9 en 14 WW. (349) Artikelen 14 en 15
WW. (350) Artikel 14 WW. (351) Zie in dit verband ook punt 9.1.9. (352) Zie
in dit verband ook punt 9.1.9. (353) Artikel 1 MB 16/10/08. (354) 1 : Antwerpen; 20
: administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad; 21 : Vlaams-Brabant; 22 : Waals-Brabant; 3 : West-Vlaanderen;
4 : Oost-Vlaanderen; 5 : Henegouwen; 6 : Luik; 7 : Limburg; 8 : Luxemburg; 9 : Namen; 0 : FOD Justitie. (355)
De bepalingen onder punt 9 inzake wapenbezit door particulieren zijn hier eveneens van toepassing in
de mate dat ze hiermee niet in tegenstrijd zijn. (356) Artikel 1 Waals decreet 28/06/90 en artikel
13 Vlaams decreet 24/06/91. (357) Artikel 12, 1° WW. (358) In het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest mag niet gejaagd worden. (359) Het betreft meer bepaald de 15 oude lidstaten van de EU
(België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland, Denemarken, Ierland, Verenigd Koninkrijk,
Griekenland, Portugal, Spanje, Finland, Oostenrijk en Zweden), met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk
en Ierland doch met inbegrip van IJsland, Noorwegen en Zwitserland. (360) Zo werden recent nog
documenten van de republiek Kameroen erkend. (361) Artikel 2, 17° WW. (362) Alsook
het besluit van 28/10/87 van de Vlaamse Executieve. (363) Alsook het besluit van 22/09/05 van
de Waalse Regering. (364) Artikel 3, § 2 besluit Vlaamse Executieve 28/10/87. (365)
Artikel 1 van het besluit 22/09/05 van de Waalse Regering. (366) Artikel 2 van het besluit 22/09/05
van de Waalse Regering. (367) Artikel 3 van het besluit 22/09/05 van de Waalse Regering. (368)
Artikel 4 van het besluit 22/09/05 van de Waalse Regering. (369) Artikel 5 van het besluit 22/09/05
van de Waalse Regering. (370) Artikel 2 van het besluit 28/10/87 van de Vlaamse Executieve. (371)
Artikel 1 van het besluit 28/10/87 van de Vlaamse Executieve. (372) Artikel 3 van het besluit
28/10/87 van de Vlaamse Executieve. (373) Artikel 3bis van het besluit 28/10/87 van de Vlaamse
Executieve. (374) De aankoop van munitie door een jager kan enkel plaatsvinden op vertoon van
zijn jachtverlof en model 9 en uitsluitend wat betreft de munitie die geschikt is voor het erop vermelde
wapen. (375) In dit geval mag de term « verblijfplaats » ruim worden geïnterpreteerd : het mag
ook gaan over een tijdelijke verblijfplaats, b.v. een hotel waar de jager of sportschutter verblijft
tijdens een weekend voor een jachtpartij of een schietwedstrijd op verplaatsing (in dit hotel moeten
de wapens dan wel worden bewaard alsof het een woning betrof). (376) Artikel 21, 2° WW. (377)
Artikel 15 KB 24/04/97. Zie in dit verband punt 9.2.2. (378) Voertuigen die niet beschikken
over een aparte afsluitbare koffer moeten als geheel slotvast zijn en de wapens en munitie moeten er
onzichtbaar in worden opgeborgen. (379) Toezicht kan ook gebeuren vanuit een raam of met een
camera. (380) Artikel 25, § 1 KB 20/09/91. (381) Artikel 25, § 2 KB 20/09/91. (382)
Artikel 13, eerste lid WW. (383) Artikel 14, eerste lid KB 20/09/91. (384) Artikel
14, tweede lid KB 20/09/91 en artikel 18 WW. (385) Artikel 14, derde lid KB 20/09/91. (386)
Artikel 13, tweede lid WW. (387) Artikel 17, 2de lid, WW (388) De bepalingen onder
punt 9 inzake wapenbezit door particulieren zijn hier eveneens van toepassing, in de mate dat ze hiermee
niet in tegenstrijd zijn. (389) Artikel 12, 2° WW. (390) MB 12/06/08. (391)
MB 6/06/08. (392) MB 22/05/08. (393) MB 16/05/08. (394) Artikel 1 MB 15/03/07. (395)
Lange semi-automatische wapens die werden omgebouwd tot repeteervuurwapens voldoen niet aan de technische
criteria van het MB 15/03/07. Artikel 12, 2° WW vereist immers dat de wapens ontworpen zijn voor het
sportschieten en, de aanhef van het MB 15/03/07 vereist dat de wapens voor het sportschieten worden gebruikt.
Aan de laatste twee voorwaarden is bij deze soort wapens niet voldaan : - de lange semi-automaten
(b.v. FAL, M16) zijn niet ontworpen voor het sportschieten; - om ze te gebruiken voor een discipline
(ordonnantieschieten) is vereist dat ze semi-automatisch zijn. Het is verboden om met een repeteervuurwapen
ordonnantie geweer te schieten. (396) Zwartkruitwapens die met zwartkruitpatronen schieten,
kunnen nooit onder artikel 1, 7° MB 15/03/07 vallen als ze een geïntegreerde ontsteking (b.v. een slaghoedje)
hebben. Enkel de zwartkruitwapens die via de loopmond geladen worden, of die met patronen schieten met
afzonderlijke ontsteking kunnen aangekocht worden met een sportschutterslicentie. In de praktijk wordt
dit onderscheid niet gemaakt door de wapenhandelaars. De provinciale wapendiensten zouden daarom bij
de aanvragen voor zwartkruitwapens moeten navragen of het wapen patronen met zwart kruit en ingebouwde
ontsteking verschiet. (397) Dit betekent dat er verschillen zijn naargelang de toepasselijke
gemeenschapsreglementering. Zo worden bijvoorbeeld op de sportschutterslicentie - afgegeven door een
door de Vlaamse gemeenschap gemachtigde schietsportfederatie - de wapencategorieën vermeld. Op de door
de Franstalige gemeenschap uitgereikte sportschutterslicenties worden deze evenwel niet vermeld. (398)
Alsook het besluit van de Vlaamse Regering van 1/06/07. (399) Alsook het besluit van de Regering
van de Franse Gemeenschap van 30/03/07. (400) Alsook het besluit van de Regering van de Duitstalige
Gemeenschap van 23/05/07. (401) In dit geval mag de term « verblijfplaats » ruim worden geïnterpreteerd
: het mag ook gaan over een tijdelijke verblijfplaats, b.v. een hotel waar de jager of sportschutter
verblijft tijdens een weekend voor een jachtpartij of een schietwedstrijd op verplaatsing (in dit hotel
moeten de wapens dan wel worden bewaard alsof het een woning betrof). (402) Artikel 21, 2° WW. (403)
Artikel 15 KB 24/04/97. Zie in dit verband punt 9.2.2. (404) Voertuigen die niet beschikken
over een aparte afsluitbare koffer moeten als geheel slotvast zijn en de wapens en munitie moeten er
onzichtbaar in worden opgeborgen. (405) Toezicht kan ook gebeuren vanuit een raam of met een
camera. (406) Artikel 25, § 1 KB 20/09/91. (407) Artikel 25, § 2 KB 20/09/91. (408)
Artikel 13, eerste lid WW. (409) Artikel 14, eerste lid KB 20/09/91. (410) Artikel
14, tweede lid KB 20/09/91 en artikel 18 WW. (411) Artikel 14, derde lid KB 20/09/91. (412)
Artikel 11, § 1, tweede lid en § 2, 2° Vlaams decreet van 11/05/07. (413) Artikel
13, eerste lid WW. (414) Artikel13, tweede lid WW. (415) Artikel 11/2, 3de lid, WW. (416)
Artikel 2 KB 8/01/06. (417) Artikel 9 KB 8/01/06. (418) Artikel 12, 4° WW. (419)
Artikelen 12-13 KB 8/01/06. (420) Zie punten 11 en 12. (421) Dit betekent dus dat een
in België verblijvende inwoner van een EU-lidstaat tijdelijk vergunningsplichtige vuurwapens mag voorhanden
houden zonder vooraf een vergunning model 4 aan te vragen (indien de EVP geldig is en indien zijn wapens
erop zijn ingeschreven). Hij mag evenwel geen nieuwe wapens verwerven met de EVP. (422) Artikel
12, 5° WW. (423) De schietsportfederaties en de provinciale wapendiensten hebben modellen van
de dagkaart verspreid over de aangesloten schietstanden. Deze laatste geven de dagkaart af aan de occasioneel
schutter. (424) Ook buitenlanders met een buitenlandse vergunning kunnen in aanmerking komen
om op te treden als begeleider. (425) Er dient rekening mee te worden gehouden of de uitbater
van de schietstand redelijkerwijze op de hoogte kon zijn van het feit dat hij meewerkt aan de overtreding.
Indien een schutter op verschillende schietstanden schiet binnen een jaar, kan de uitbater van een stand
dat niet weten. Als echter de uitbater van de stand zelf toelaat dat eenzelfde schutter meer dan één
keer per jaar schiet, is hij wel op de hoogte van de inbreuk. (426) Zie punt 3.1.4. (427)
Artikel 28, eerste lid KB 20/09/91. (428) Artikel 29, eerste lid KB 20/09/91. (429)
Artikel 29, tweede lid KB 20/09/91. (430) Artikel 29, derde lid KB 20/09/91. (431)
Artikel 29, vierde lid KB 20/09/91. (432) Artikel 29, vijfde lid KB 20/09/91. (433)
Artikel 30 KB 20/09/91. (434) Artikel 28, tweede lid KB 20/09/91. (435) Artikel 28,
derde lid KB 20/09/91. (436) Artikel 28, laatste lid KB 20/09/91. (437) Artikel 1 Wet
24/05/1888. (438) Artikel 10 Wet 24/05/1888. (439) Artikel 11 Wet 24/05/1888. (440)
Artikel 12 Wet 24/05/1888. (441) Artikel 13 Wet 24/05/1888. (442) Artikel 19, eerste
lid, 6° WW. (443) Artikel 6 Wet 24/05/1888. (444) Artikel 4 WW. (445) Artikel
29/1 KB 20/09/91. (446) Artikel 33 WW. (447) Recent werden bepaalde hulpstukken evenals
de vuurwapens die ermee zijn uitgerust ingedeeld bij de verboden wapens middels het MB van 11/03/10.
Het betreft meer bepaald hulpstukken, met uitzondering van gewone kolven, die aan een handvuurwapen bepaalde
uiterlijke kenmerken en technische eigenschappen van een schoudervuurwapen geven. Zie hierover punt 3.1.2. (448)
Artikel 22 WW. (449) Artikel 29, § 1WW. (450) Artikel 23 WW. (451)
Artikel 25 WW. (452) Artikelen 35 tot 39bis Sv. (453) Artikel 28 WW. (454)
De staat vergoedt de eigenaar van de weggeruimde wapens en munitie in geval deze hem niet konden teruggegeven
worden of mochten beschadigd zijn (artikel 28, § 1, tweede lid WW). (455) Meer bepaald
moet de plaatselijk bevoegde gouverneur een beslissing tot intrekking, schorsing of beperking van de
erkenning en/of de vergunning nemen binnen drie maanden vanaf de uitreiking van het ontvangstbewijs bij
de inbeslagname. Zoniet worden de in beslag genomen voorwerpen vrijgegeven en worden de erkenningen en
vergunningen teruggegeven, onder voorbehoud van elk gerechtelijk beslag (artikel 28, § 2, tweede
lid WW). (456) Artikel 28, § 3 WW. (457) Zie verder punt 21.7. (458)
Artikel 23, 3e lid WW. (459) Artikel 24 WW. (460) Artikel 48, tweede lid WW. (461)
Artikel 48, derde lid WW. (462) Artikel 32, eerste lid en 48, tweede en derde lid WW. (463)
Artikel 32, tweede en derde lid WW. (464) Artikel 32, vierde lid WW. Zie hierover punt 9.1.18. (465)
Artikel 44, § 2 WW en artikel 16, § 2 KB 29/12/2006. (466) Artikel 44, §
2 WW. (467) Zie punt 4.1.3 en bijlage 1. (468) Artikel 44, § 2 WW. (469)
Artikel 16, § 2 KB 29/12/2006. (470) Zie punt 9.1.18. (471) Artikel 44, §
1 WW. (472) Artikel 16, § 1 KB 29/12/2006. (473) Artikel 44, § 2 WW en
artikel 16, § 2 KB 29/12/2006. (474) Artikel 44, § 2 WW. (475) Zie punt
4.1.3 en bijlage 1. (476) Artikel 45, § 1 WW. (477) Artikel 17, 1° KB 29/12/2006. (478)
Artikel 17, 2° KB 2912/2006. (479) Artikel 17, 3° KB 29/12/2006. (480) Artikel 17,
4° KB 29/12/2006. (481) Artikel 17, 5° KB 29/12/2006. (482) Artikel 45, § 2
WW. (483) Artikel 45, § 3 WW. (484) Artikel 18 KB 29/12/2006. (485)
Voor de toepassing van de amnestieregeling moet men rekening houden met de postdatum. (486)
Een voorbeeld van een mogelijk geval van overmacht : het wapen werd in beslag genomen voor 31/10/08 en
werd pas nadien vrijgegeven. Overmacht moet met alle wettelijke middelen worden aangetoond. (487)
Er wordt aan herinnerd dat er uitsluitend administratief beroep bij de Raad van State openstaat tegen
beslissingen tot onontvankelijkheid vanwege de gouverneur. (488) Zie punt 3.5. (489)
Hieraan zijn natuurlijk voorwaarden gekoppeld, zie punt 12. (490) Zie punten 11 en 13. (491)
Artikel 25, § 3 KB 20/09/91. (492) Bv. een houder van een geldig jachtverlof beschikt
over een vuurwapen dat geschikt is voor de jacht op model 9. Hij wil hetzelfde wapen gebruiken voor het
sportschieten, maar hij beschikt niet over een sportschutterslicentie. In dat geval kan hij een vergunning
voor het voorhanden hebben van het betreffende wapen (model 4) aanvragen met vermelding van beide wettige
redenen (jacht en sportschieten). Het model 9 vervalt dan. (493) Artikel 25, § 4 KB 20/09/91. (494)
Artikel 25, § 5 KB 20/09/91. (495) Artikel 25, § 6 KB 20/09/91. (496)
Het toepasselijke tarief wordt bepaald aan de hand van de datum waarop de aanvraag werd ingediend. (497)
Artikel 53 WW. (498) In geval van verhuizing, betaalt de aanvrager zijn retributie aan de gouverneur
die bevoegd is op het ogenblik van de aanvraag. Het is de gouverneur van de provincie waar de aanvraag
werd ingediend, die het dossier volledig zal afhandelen en vervolgens doorsturen naar de gouverneur van
de provincie waar betrokkene naar verhuisd is. Er moeten dan ook geen retributies worden doorgestort
naar de nieuwe provincie. (499) Artikel 55 WW. (500) Artikel 17, eerste lid WW.
Voor
de raadpleging van de tabel, zie beeld TOELICHTING (1) Vul uw naam en
voornaam in zoals deze vermeld worden op uw identiteitskaart. (2) Vul hier het rijksregister
nummer in dat u terugvindt op de achterzijde van uw identiteitskaart (of op uw sis-kaart). Dit nummer
bestaat uit uw geboortedatum, in omgekeerde volgorde, gevolgd door nog 5 cijfers. (3) Vul hier
uw nationaliteit in. Indien meervoudige nationaliteit, gelieve alle nationaliteiten te vermelden. (4)
Vul hierna alle gegevens in over het adres van uw hoofdverblijfplaats (dus waar u ingeschreven bent in
de bevolkingsregisters). Vul de volledige straatnaam, het huisnummer en eventueel het busnummer in (indien
u b.v. in een appartementsgebouw woont). (5) Vul hier een telefoonnummer in waarop de dienst
u kan bereiken tijdens de kantooruren, dit kan ook het nummer zijn van uw GSM. (6) Indien u
een E-mail adres heeft, vul dan hier een E-mail adres in waarop de dienst u kan bereiken indien er vragen
zijn omtrent de behandeling van uw dossier. (7) ondernemingsnummer toegekend door de kruispuntbank
voor ondernemingen, bestaande uit drie groepen van drie cijfers voorafgegaan door een 0 (b.v. « 0800.900.100
»). (8) Vermeld hier de naam van de persoon die krachtens de statuten gemachtigd is om de rechtspersoon
te verbinden. (9) Vul uw naam en voornaam in zoals deze vermeld worden op uw identiteitskaart. (10)
Vul hier het rijksregister nummer in dat u terugvindt op de achterzijde van uw identiteitskaart (of op
uw sis-kaart). Dit nummer bestaat uit uw geboortedatum, in omgekeerde volgorde, gevolgd door nog 5 cijfers. (11)
Vul hier uw nationaliteit in. Indien meervoudige nationaliteit, gelieve alle nationaliteiten te vermelden. (12)
Vul hierna alle gegevens in over het adres van uw hoofdverblijfplaats. Vul de volledige straatnaam, het
huisnummer en eventueel het busnummer in (indien u b.v. in een appartementsgebouw woont). (13)
Vul hier een telefoonnummer in waarop de dienst u kan bereiken tijdens de kantooruren, dit kan ook het
nummer zijn van uw GSM. (14) Indien u een E-mail adres heeft, vul dan hier een E-mail adres
in waarop de dienst u kan bereiken indien er vragen zijn omtrent de behandeling van uw dossier. (15)
Vermeld hier de naam van de persoon die binnen de rechtspersoon verantwoordelijk is voor de opslag, het
ter beschikking stellen, het onderhoud,... en alle andere handelingen met betrekking tot het wapen. (16)
Een enkelschots wapen is een wapen waarbij één patroon per loop gekamerd kan worden die kan worden afgevuurd.
Na het afvuren dient de patroon manueel te worden verwijderd, en dient een nieuwe patroon te worden geplaatst
(b.v. een tweeloop,...). (17) Een semi-automatisch wapen (ook « halfautomaat » genoemd) kan
projectielen één per één afvuren bij elke druk op de trekker. Na het afvuren van het projectiel wordt
automatisch een volgende patroon gekamerd. (18) Een repeteervuurwapen is een wapen dat projectielen
één per één afvuurt bij iedere druk op de trekker. De schutter moet het wapen manueel herbewapenen met
een hefboom, een grendel of een pomp. De patroon wordt geladen uit een magazijn of lader (b.v. een grendelkarabijn,
een leveraction karabijn, een pomp actie geweer,...). (19) Vul hier de naam in van de fabrikant
en het merk (indien verschillend). B.v. « Smith & Wesson ». (20) Vul hier de benaming of het
model in waaronder het wapen gekend is in de handel (b.v. « Model 29 », « Mossberg 590 », « A3 National
Match »,...). (21) U heeft er belang bij hier de website op te geven van de fabrikant waarop
de dienst alle inlichtingen omtrent het wapen kan vinden. Indien niet duidelijk is op welk model wapen
uw aanvraag betrekking heeft, zal de dienst dit nakijken. Bij onduidelijke aanvragen zullen bijkomende
inlichtingen worden opgevraagd (wat de behandeling van uw vergunningsaanvraag kan vertragen). (22)
Het erkenningsnummer van een erkend wapenhandelaar begint met het cijfer « 2/ » (b.v. 2/21/08/00018 »). (23)
Het erkenningsnummer van een erkend verzamelaar begint met het cijfer « 3/ » (b.v. 3/21/08/00123 »). (24)
Het nummer van een wapenvergunning begint met het cijfer « 4/ » (b.v. 3/22342/08/11232 »). (25)
Vermeld hier het totaal aantal vuurwapens dat zich momenteel op het adres bevindt. Daarbij houdt u geen
rekening met de wapens waarvoor u in deze aanvraag een wapenvergunning aanvraagt. (26) Alle
meerderjarige personen die onder hetzelfde dak (op hetzelfde adres...) als de aanvrager wonen, dienen
hier aan te geven dat ze geen bezwaar hebben tegen de aanvraag. Zo dienen b.v. meerderjarig inwonende
kinderen, echtgenotes (partners), inwonende ouders,... dit formulier mee te ondertekenen in vak IV. (27)
Geef aan op welke manier de persoon die zijn toestemming geeft verwant is met de aanvrager (b.v. echtgeno(o)t(e),
moeder, vader, kind, inwonend familielid,...). (28) Gelieve één of meerdere ingeroepen wettige
redenen aan te kruisen. U dient voor elk van de ingeroepen wettige reden de gevraagde stavingsstukken
voor te leggen. (29) Kruis dit vak aan indien u een vergunning vraag voor een vergunningsplichtig
vuurwapen dat u enkel zult gebruiken voor de jacht of voor faunabeheersactiviteiten (regulering van wild,
wapen als bijzonder wachter,...). Deze wettige reden kunt u enkel inroepen indien u houder bent van een
jachtverlof (uitgereikt door een Belgisch gewest of een overheid uit een andere lidstaat van de Europese
Unie) of indien u aangesteld bent als bijzondere wachter. U kan uw wapen ook gebruiken voor het kleiduifschieten,
maar dient dan rekening te houden met de door de gemeenschappen vastgestelde regels die het sportschieten
regelen. (30) Kruis dit vak aan indien u een vergunning vraagt voor een vergunningsplichtig
vuurwapen dat u enkel zult gebruiken voor het beoefenen van het sportschieten (als houder van een sportschutterslicentie)
of tijdens een geregeld bezoek aan een erkende schietstand. (31) Dit is enkel van toepassing
indien u geen houder bent van een sportschutterslicentie die u toelaat om het sportschieten te beoefenen
met wapens van dezelfde types als de wapens die u in vak II vermeldt (b.v. als u een sportschutterslicentie
heeft die geldig is voor de wapencategorie « pistool », volstaat dit, en dient u het vak hierboven aan
te kruisen). Uit de bijgevoegde stukken moet blijken dat u minstens 6 keer per jaar geschoten heeft met
een wapen dat behoort tot een wapencategorie (geweer, pistool, revolver, zwart kruit) waartoe de in VAK
II bedoelde vergunningsplichtige wapens behoren. Dit attest kan worden afgeleverd door een erkende schietstand.
U kunt met de betrokken wapens schieten als u houder bent van een attest van slagen voor de theoretische
proef (uitgereikt door de politie) of als u reeds met andere voor u vergunde wapens heeft geschoten van
hetzelfde wapentype. Als u bijvoorbeeld een vergunning aanvraagt voor een pistool en een revolver, dan
zult u zes schietbeurten met een pistool en zes schietbeurten met een revolver moeten bewijzen. De attesten
kunnen worden afgeleverd door de verantwoordelijke van de erkende schietstand op basis van de aanwezigheidsregisters.
Er is steeds controle van deze aanwezigheidsregisters mogelijk. Het afleggen van een valse verklaring
kan aanleiding geven tot intrekking van de wapenvergunningen en tot strafrechtelijke sancties tegen zowel
degene die een valse verklaring opstelt als tegenover degene die er zich van bedient. (32) Kruis
dit vak aan indien u uw vergunning kunt motiveren omwille van een activiteit die bijzondere veiligheidsrisico's
oplevert of het voorhanden hebben van een wapen noodzakelijk maakt. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen
zal deze wettige reden aanvaard worden, steeds na een individueel onderzoek van de bijzondere risico's
die de activiteit oplevert, en de mate waarin het voorhanden hebben van een vuurwapen deze risico's kan
beperken. (33) Kruis dit vak aan indien u een wapenvergunning vraagt met als motivatie uw persoonlijke
verdediging. Deze wettige reden wordt slechts in zeer uitzonderlijke gevallen toegestaan, na een individueel
onderzoek. Zo is minstens vereist dat alle andere maatregelen die uw persoonlijke veiligheid kunnen verhogen
al werden genomen. U zult, onder andere, eveneens moeten kunnen aantonen dat u voldoende ervaring heeft
met een vuurwapen om dit in een verdedigingssituatie te kunnen gebruiken. (34) Kruis dit vak
aan indien u een vergunning vraagt voor een vergunningsplichtig vuurwapen louter met de bedoeling om
een verzameling van minstens 5 vergunningsplichtige wapens uit te bouwen. Er is vereist dat er een samenhang
bestaat tussen de vijf wapens, waardoor u later zou kunnen voldoen aan de voorwaarden om erkend verzamelaar
te worden. Zo is vereist dat de wapens gevat kunnen worden binnen een historisch thema dat de uitbreiding
van de verzameling verrechtvaardigt, maar ook aflijnt. Er zal u een vergunning worden uitgereikt die
het voorhanden hebben van het wapen zonder munitie toestaat. (35) Kruis dit vak aan indien u
vergunningsplichtige wapens wenst te gebruiken voor deelname aan historische, folkloristische, culturele
of wetenschappelijke activiteiten (b.v. ballistisch onderzoek, testen van kogelwerende materialen, historische
optochten...). U kunt de vergunde wapens dan enkel voor deze doelen gebruiken. U dient in een bijlage
omstandig deze redenen te omschrijven en een attest toe te voegen van een erkende instelling. (36)
U kunt dit vakje aankruisen indien u reeds houder bent van een wapenvergunning voor een wapen van hetzelfde
type als het wapen waarvoor u een vergunning aanvraagt. Wie bijvoorbeeld al een vergunning heeft voor
een pistool, zal geen nieuwe praktische proef moeten afleggen indien hij een vergunning vraagt voor een
ander pistool, uiteraard op voorwaarde dat hij regelmatig met een pistool geschoten heeft. (37)
Het formulier moet worden ondertekend door de aanvrager. Bij een rechtspersoon moet het formulier ondertekend
zijn door de personen die gemachtigd zijn, in overeenstemming met de wettelijke bepalingen en de statuten,
om de rechtspersoon te verbinden t.a.v. derden. (38) Enkel in te vullen indien de aanvraag wordt
ingediend door een rechtspersoon.
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
TOELICHTING (1) Vul uw naam en voornaam in zoals deze vermeld worden op
uw identiteitskaart. (2) Vul hier het rijksregister nummer in dat u terugvindt op de achterzijde
van uw identiteitskaart (of op uw sis-kaart). Dit nummer bestaat uit uw geboortedatum, in omgekeerde
volgorde, gevolgd door nog 5 cijfers. (3) Vul hier uw nationaliteit in. Indien meervoudige nationaliteit,
gelieve alle nationaliteiten te vermelden. (4) Vul hierna alle gegevens in over het adres van
uw hoofdverblijfplaats (dus waar u ingeschreven bent in de bevolkingsregisters). Vul de volledige straatnaam,
het huisnummer en eventueel het busnummer in (indien u b.v. in een appartementsgebouw woont). (5)
Vul hier een telefoonnummer in waarop de dienst u kan bereiken tijdens de kantooruren, dit kan ook het
nummer zijn van uw GSM. (6) Indien u een E-mail adres heeft, vul dan hier een E-mail adres in
waarop de dienst u kan bereiken indien er vragen zijn omtrent de behandeling van uw dossier. (7)
Geef hier aan op welke manier u met de erflater verwant was (echtgeno(o)t(e), samenwonend, vader, moeder,
broer, ...) (8) ondernemingsnummer toegekend door de kruispuntbank voor ondernemingen, bestaande
uit drie groepen van drie cijfers voorafgegaan door een 0 (b.v. "0800.900.100"). (9) Vermeld
hier de naam van de persoon die krachtens de statuten gemachtigd is om de rechtspersoon te verbinden. (10)
Vul uw naam en voornaam in zoals deze vermeld worden op uw identiteitskaart. (11) Vul hier het
rijksregister nummer in dat u terugvindt op de achterzijde van uw identiteitskaart (of op uw sis-kaart).
Dit nummer bestaat uit uw geboortedatum, in omgekeerde volgorde, gevolgd door nog 5 cijfers. (12)
Vul hier uw nationaliteit in. Indien meervoudige nationaliteit, gelieve alle nationaliteiten te vermelden. (13)
Vul hierna alle gegevens in over het adres van uw hoofdverblijfplaats. Vul de volledige straatnaam, het
huisnummer en eventueel het busnummer in (indien u b.v. in een appartementsgebouw woont). (14)
Vul hier een telefoonnummer in waarop de dienst u kan bereiken tijdens de kantooruren, dit kan ook het
nummer zijn van uw GSM. (15) Indien u een E-mail adres heeft, vul dan hier een E-mail adres
in waarop de dienst u kan bereiken indien er vragen zijn omtrent de behandeling van uw dossier. (16)
Vermeld hier de naam van de persoon die krachtens de statuten gemachtigd is om de rechtspersoon te verbinden.
(17) Vul hierna alle gegevens in over het adres van uw hoofdverblijfplaats. Vul de volledige
straatnaam, het huisnummer en eventueel het busnummer in (indien u b.v. in een appartementsgebouw woont). (18)
Naam van de notaris die tussenkomt bij de verdeling van de nalatenschap. afgevuurd. Na het afvuren dient
de patroon manueel te worden verwijderd, en dient een nieuwe patroon te worden geplaatst (b.v. een tweeloop,
...). (19) Alle meerderjarige personen die onder hetzelfde dak als de aanvrager wonen, dienen
hier aan te geven dat ze geen bezwaar hebben tegen de aanvraag. Zo dienen b.v. meerderjarig inwonende
kinderen, echtgenotes (partners), inwonende ouders, ... dit formulier mee te ondertekenen in vak IV. (20)
Geef aan op welke manier de persoon die zijn toestemming geeft verwant is met de aanvrager (b.v. echtgeno(o)t(e),
moeder, vader, kind, inwonend familielid, ...). (21) Dit vak enkel invullen indien u een wapenvergunning
wenst aan te vragen die elk bezit van munitie uitsluit zodat u de wapens "passief" voorhanden heeft en
deze dus niet mag gebruiken (zie artikel 11/1 van de wapenwet). U dient de verklaring op erewoord in
vak V te dagtekenen en te ondertekenen. Op uw wapenvergunning zal duidelijk zijn aangegeven dat ze niet
geldig is voor het bezit van munitie. Indien wordt vastgesteld dat u toch munitie bezit, is er sprake
van een valse verklaring en van een overtreding van de wapenwet. Deze inbreuken zijn strafbaar gesteld
met gevangenisstraffen tot 5 jaar en/of geldboetes tot 25.000 EUR. Eveneens moet het wapen, alsook de
munitie, steeds worden verbeurdverklaard. (22) Gelieve één of meerdere ingeroepen wettige redenen
aan te kruisen. U dient voor elk van de ingeroepen wettige reden de gevraagde stavingsstukken voor te
leggen. (23) Kruis dit vak aan indien u een vergunning vraag voor een vergunningsplichtig vuurwapen
dat u enkel zult gebruiken voor de jacht of voor faunabeheersactiviteiten (regulering van wild, wapen
als bijzonder wachter, ...). Deze wettige reden kunt u enkel inroepen indien u houder bent van een jachtverlof
(uitgereikt door een Belgisch gewest of een overheid uit een andere lidstaat van de Europese Unie) of
indien u aangesteld bent als bijzondere wachter. U kunt uw wapen ook gebruiken voor het kleiduifschieten,
maar dient dan rekening te houden met de door de gemeenschappen vastgestelde regels die het sportschieten
regelen. (24) Kruis dit vak aan indien u een vergunning vraagt voor een vergunningsplichtig
vuurwapen dat u enkel zult gebruiken voor het beoefenen van het sportschieten (als houder van een sportschutterslicentie)
of tijdens een geregeld bezoek aan een erkende schietstand. (25) Dit is enkel van toepassing
indien u geen houder bent van een sportschutterslicentie die u toelaat om het sportschieten te beoefenen
met wapens van dezelfde types als de wapens die u in vak II vermeldt (b.v. als u een sportschutterslicentie
heeft die geldig is voor de wapencategorie « pistool », volstaat dit, en dient u het vak hierboven aan
te kruisen). Uit de bijgevoegde stukken moet blijken dat u minstens 6 keer per jaar geschoten heeft met
een wapen dat behoort tot een wapencategorie (geweer, pistool, revolver, zwart kruit) waartoe de in VAK
II bedoelde vergunningsplichtige wapens behoren. Dit attest kan worden afgeleverd door een erkende schietstand.
U kunt met de betrokken wapens schieten als u houder bent van een attest van slagen voor de theoretische
proef (uitgereikt door de politie) of als u reeds met andere voor u vergunde wapens heeft geschoten van
hetzelfde wapentype. Als u bijvoorbeeld een vergunning aanvraagt voor een pistool en een revolver, dan
zult u zes schietbeurten met een pistool en zes schietbeurten met een revolver moeten bewijzen. De attesten
kunnen worden afgeleverd door de verantwoordelijke van de erkende schietstand op basis van de aanwezigheidsregisters.
Er is steeds controle van deze aanwezigheidsregisters mogelijk. Het afleggen van een valse verklaring
kan aanleiding geven tot intrekking van de wapenvergunningen en tot strafrechtelijke sancties tegen zowel
degene die een valse verklaring opstelt als tegenover degene die er zich van bedient. (26) Kruis
dit vak aan indien u uw vergunning kunt motiveren omwille van een activiteit die bijzondere veiligheidsrisico's
oplevert of het voorhanden hebben van een wapen noodzakelijk maakt. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen
zal deze wettige reden aanvaard worden, steeds na een individueel onderzoek van de bijzondere risico's
die de activiteit oplevert, en de mate waarin het voorhanden hebben van een vuurwapen deze risico's kan
beperken. (27) Kruis dit vak aan indien u een wapenvergunning vraagt met als motivatie uw persoonlijke
verdediging. Deze wettige reden wordt slechts in zeer uitzonderlijke gevallen toegestaan, na een individueel
onderzoek. Zo is minstens vereist dat alle andere maatregelen die uw persoonlijke veiligheid kunnen verhogen
al werden genomen. U zult, onder andere, eveneens moeten kunnen aantonen dat u voldoende ervaring heeft
met een vuurwapen om dit in een verdedigingssituatie te kunnen gebruiken. (28) Kruis dit vak
aan indien u een vergunning vraagt voor een vergunningsplichtig vuurwapen louter met de bedoeling om
een verzameling van minstens 5 vergunningsplichtige wapens uit te bouwen. Er is vereist dat er een samenhang
bestaat tussen de vijf wapens, waardoor u later zou kunnen voldoen aan de voorwaarden om erkend verzamelaar
te worden. Zo is vereist dat de wapens gevat kunnen worden binnen een historisch thema dat de uitbreiding
van de verzameling verrechtvaardigt, maar ook aflijnt. Er zal u een vergunning worden uitgereikt die
het voorhanden hebben van het wapen zonder munitie toestaat. (29) Kruis dit vak aan indien u
vergunningsplichtige wapens wenst te gebruiken voor deelname aan historische, folkloristische, culturele
of wetenschappelijke activiteiten (b.v. ballistisch onderzoek, testen van kogelwerende materialen, historische
optochten...). U kunt de vergunde wapens dan enkel voor deze doelen gebruiken. U dient in een bijlage
omstandig deze redenen te omschrijven en een attest toe te voegen van een erkende instelling. (30)
U kunt dit vakje aankruisen indien u reeds houder bent van een wapenvergunning voor een wapen van hetzelfde
type als het wapen waarvoor u een vergunning aanvraagt. Wie bijvoorbeeld al een vergunning heeft voor
een pistool, zal geen nieuwe praktische proef moeten afleggen indien hij een vergunning vraagt voor een
ander pistool, uiteraard op voorwaarde dat hij regelmatig met een pistool geschoten heeft. (31)
Het formulier moet worden ondertekend door de aanvrager. Bij een rechtspersoon moet het formulier ondertekend
zijn door de personen die gemachtigd zijn, in overeenstemming met de wettelijke bepalingen en de statuten,
om de rechtspersoon te verbinden t.a.v. derden.